Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Peter Houtsma)
ECLI:NL:GHAMS:2018:4327 
 
Datum uitspraak:27-11-2018
Datum gepubliceerd:15-05-2019
Instantie:Gerechtshof Amsterdam
Zaaknummers:200.213.158/01
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Geldleningen aan dochter en/of dier partner, looptijd 30 jaar en aflossingsvrij. Vordering tot terugbetaling van de leningen nadat de relatie verbroken was, is door de eerste rechter niet toegewezen. Noch op grond van art. 6:248 lid 1 BW (aanvulling), noch op grond van art. 6:258 BW (wijziging), dient in de overeenkomst de mogelijkheid van opzegging wegens het verbroken zijn van de relatie te worden opgenomen. Bekrachtiging.
Trefwoorden:belastingrecht
burgerlijk wetboek
kredietovereenkomst
levensonderhoud
natuurschoonwet
paarden
perceel
wettelijke rente
 
Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.209.950/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/576224 / HA ZA 14-1113


arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 27 november 2018


inzake



[appellant]
,
wonend te [woonplaats] ,
appellant,
advocaat: mr. M.J. Meijer te Haarlem,

tegen




1 [geïntimeerde 1] ,
2. [geïntimeerde 2] ,
beiden wonend te [woonplaats] ,
advocaat: mr. B.T. Craemer te Amsterdam,
3. ABN AMRO BANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
advocaat: mr. A.J. Haasjes te Amsterdam.
4. [geïntimeerde 3] LLP,
gevestigd te [vestigingsplaats] , Verenigd Koninkrijk,
advocaat: mr. W.F. Hendriksen te Amsterdam.
5. [geïntimeerde 4] ,
wonend te [woonplaats] ,
advocaat: mr. A.H.J. van den Biesen te Amsterdam.





1Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] , [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] , ABN AMRO, [geïntimeerde 3] en de notaris genoemd.


[appellant] is bij dagvaardingen van 7 februari 2017 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 9 november 2016, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] , ABN AMRO, [geïntimeerde 3] en de notaris als gedaagden.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, tevens akte vermindering/wijziging van eis;
- producties van de zijde van [appellant] ;
- memorie van antwoord van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] , met producties;
- memorie van antwoord van de notaris;
- memorie van antwoord van [geïntimeerde 3] ;
- memorie van antwoord van ABN AMRO;
- akte uitlating producties van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] ;
- akte uitlating producties van [geïntimeerde 3] ;
- akte uitlating producties van de notaris.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 17 september 2018 doen bepleiten. Voor [appellant] , [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] en de notaris hebben de advocaten gepleit die in de kop van dit arrest staan vermeld. Voor ABN AMRO is gepleit door mr. R.L. Ubels, advocaat te Amsterdam. Alle partijen, behalve [geïntimeerde 3] , hebben pleitnotities overgelegd. Alle partijen, behalve ABN AMRO, hebben nog producties in het geding gebracht. Ten slotte is arrest gevraagd.


[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en
– uitvoerbaar bij voorraad – zijn verminderde (of gewijzigde, zie hierna onder rov. 3.3) eis zal toewijzen, met veroordeling van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] tot terugbetaling van hetgeen [appellant] ter uitvoering van het bestreden vonnis aan hen heeft voldaan, met rente, en met hoofdelijke veroordeling van geïntimeerden in de kosten van het geding in beide instanties, met nakosten en rente.


[geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben geconcludeerd dat het hof [appellant] niet-ontvankelijk zal verklaren in het hoger beroep, althans het bestreden vonnis zal bekrachtigen, met veroordeling
– uitvoerbaar bij voorraad – van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, waaronder de werkelijke proceskosten van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] , met nakosten.


[geïntimeerde 3] heeft geconcludeerd dat het hof [appellant] niet-ontvankelijk zal verklaren in het hoger beroep, althans het bestreden vonnis zal bekrachtigen, met veroordeling
– uitvoerbaar bij voorraad – van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, waaronder de werkelijke proceskosten van [geïntimeerde 3] , en in de werkelijke proceskosten van [geïntimeerde 3] in eerste aanleg, met nakosten en rente.

De notaris heeft geconcludeerd dat het hof [appellant] niet-ontvankelijk zal verklaren in het hoger beroep, althans het bestreden vonnis zal bekrachtigen, met veroordeling
– uitvoerbaar bij voorraad – van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, waaronder de werkelijke proceskosten van de notaris, en in de werkelijke proceskosten van de notaris in eerste aanleg, met nakosten en rente.

ABN AMRO heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen, met veroordeling – uitvoerbaar bij voorraad – van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, met rente.

Alle partijen, behalve ABN AMRO, hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.





2Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1-2.35 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. [appellant] heeft de feitenvaststelling op enkele punten bestreden. Het hof zal daar rekening mee houden. Voor het overige zijn deze feiten in hoger beroep niet in geschil en dienen zij ook het hof tot uitgangspunt. Het zijn de volgende feiten.


2.1

[geïntimeerde 1] en [appellant] zijn broers. Zij bankierden beiden onder meer bij ABN AMRO. Sinds medio 1985 deden zij voor notariële werkzaamheden een beroep op de notaris, die tot juli 2012 zijn praktijk hield ten kantore van [geïntimeerde 3] . [geïntimeerde 2] is (sinds 1993) de echtgenote van [geïntimeerde 1] .



2.2

[geïntimeerde 1] is eind jaren zeventig naar de Verenigde Staten verhuisd. In 1983 heeft hij [bedrijf 1] en [bedrijf 2] (hierna gezamenlijk: [bedrijf 1] , en laatstgenoemde afzonderlijk: [bedrijf 2] ) opgericht. Kort daarna heeft hij [appellant] gevraagd om in de Verenigde Staten bij [bedrijf 1] te komen werken.



2.3
De broers beschouwden het geld dat zij met [bedrijf 1] verdienden en vrijwel al hun bezittingen als gezamenlijk vermogen.



2.4
Met het in [bedrijf 1] verdiende geld, aangevuld met hypothecaire leningen van ABN AMRO, hebben [geïntimeerde 1] en [appellant] samen, ieder voor de helft, twee in Bloemendaal gelegen landgoederen gekocht: in 1986 [landgoed 1] (hierna: [landgoed 1] ) en in 1991 [landgoed 2] (hierna: [landgoed 2] ; [landgoed 1] en [landgoed 2] gezamenlijk hierna ook: de landgoederen).



2.5
In 1998 heeft [geïntimeerde 1] de aandelen in [bedrijf 2] verkocht en zijn [geïntimeerde 1] en [appellant] definitief teruggekeerd naar Nederland en op [landgoed 2] gaan wonen.



2.6
Sinds de terugkeer van [geïntimeerde 1] naar Nederland werden zijn fiscale zaken behandeld door [E & Y] in de persoon van belastingadviseur [R] . Vanaf medio 2001 maakte [E & Y] ook vermogensoverzichten op van het (gezamenlijke) vermogen van ( [appellant] en) [geïntimeerde 1] .



2.7
Vanaf 1998 heeft [H] (hierna: [H] ) in opdracht van [geïntimeerde 1] en [appellant] het beheer en het onderhoud van de landgoederen uitgevoerd en voor hen de administratie bijgehouden.



2.8
Van de opbrengst van de verkoop van de aandelen [bedrijf 2] hebben [geïntimeerde 1] en [appellant] geleefd, onder meer tijdens de sabbatical van een jaar, die zij na hun terugkeer namen.



2.9
Na dat jaar heeft [geïntimeerde 1] een nieuwe onderneming opgericht. [appellant] heeft sindsdien geen, althans nauwelijks, bezoldigde werkzaamheden verricht. Dit leidde ertoe dat van het inkomen dat [geïntimeerde 1] met zijn nieuwe onderneming genereerde, alles werd betaald, waaronder in elk geval de volgende kosten: het levensonderhoud van [appellant] , het onderhoud van de landgoederen, de rente op de financiering van de gemeenschappelijke bezittingen, het personeel (vijf personen), het na te noemen appartement aan [adres] , de verzekeringen, de belastingen en de adviseurs.



2.10

[geïntimeerde 2] , voormalig Nederlands jeugdkampioen paardrijden, houdt paarden. Om haar in staat te stellen haar paarden te berijden, hebben [geïntimeerde 1] en [appellant] begin 1999, ieder voor de helft, een in Bloemendaal nabij Villapark Duin en Daal gelegen weiland gekocht (hierna: het weiland).



2.11
In 2000 hebben [geïntimeerde 1] en [appellant] een appartement aan [adres] voor [appellant] gekocht (hierna: het appartement). De koopprijs is gefinancierd met een hypothecaire lening.



2.12
In de zomer van 2000 zijn rekeningen ten name van [geïntimeerde 1] respectievelijk [appellant] geopend bij een bijkantoor van ABN AMRO in Monaco (hierna: ABN AMRO Monaco).



2.13
Op 24 november 2000 hebben ABN AMRO en [geïntimeerde 1] een kredietovereenkomst gesloten (hierna: lening 1), waarbij ABN AMRO aan [geïntimeerde 1] een bedrag heeft geleend van [N] 16 miljoen (€ 7.260.483,46) ter financiering van de uitkoop van [appellant] uit [landgoed 2] . Hierbij werd tevens een termijndeposito afgesloten dat werd verpand aan ABN AMRO tot zekerheid voor lening 1.



2.14
Op 1 december 2000 heeft de notaris in aanwezigheid van [geïntimeerde 1] en [appellant] een akte van verdeling (hierna: de akte 2000) verleden waarin, voor zover hier van belang, het volgende is opgenomen:
- partijen zijn overeengekomen [landgoed 2] met ingang van 1 oktober 2000 te verdelen, zodanig dat dit wordt toegedeeld aan [geïntimeerde 1] en waarbij [appellant] zijn aandeel in [landgoed 2] in economische zin aan [geïntimeerde 1] levert;
- de akte is niet bestemd om door inschrijving in de openbare registers het aandeel van [appellant] juridisch te leveren aan [geïntimeerde 1] ;
- [geïntimeerde 1] is wegens overbedeling aan [appellant] verschuldigd een bedrag van [N] 15 miljoen (hierna: het bedrag van [N] 15 miljoen);
- [geïntimeerde 1] zal dit bedrag van [N] 15 miljoen als eigen schuld voldoen en vrijwaart [appellant] voor de hypothecaire schuld van [N] 750.000;
- alle baten en lasten van [landgoed 2] zijn met ingang van de verdelingsdatum voor rekening van [geïntimeerde 1] .
Ook op 1 december 2000 is het bedrag uit hoofde van lening 1 door ABN AMRO aan [geïntimeerde 1] verstrekt en heeft [geïntimeerde 1] [N] 15 miljoen (€ 6.806.703,24) gestort op de kwaliteitsrekening van de notaris.



2.15
ABN AMRO heeft het bedrag van [N] 15 miljoen vervolgens conform aan haar verstrekte betaalopdrachten een aantal keer doorgeboekt (hierna: het kasrondje): op 4 december 2000 naar de rekening van [appellant] bij ABN AMRO Monaco, op 5 december 2000 naar de rekening van [geïntimeerde 1] bij ABN AMRO Monaco, en op diezelfde datum naar de rekening van [geïntimeerde 1] bij ABN AMRO Bloemendaal. Daarbij is het aldus ontstane saldo van [N] 15 miljoen aan ABN AMRO verpand (hierna: deposito 1).



2.16
Sinds 4 december 2000 beschikken [geïntimeerde 1] en [appellant] over een bij de ABN AMRO aangehouden en/of-rekening (rekeningnummer [nummer] ) (hierna: de en/of-rekening).



2.17

[geïntimeerde 1] heeft op 11 december 2003 de vennootschap Landgoed [bedrijf 3] (hierna: [bedrijf 3] ) opgericht. Dit was een fiscaal transparante landgoedvennootschap, want [landgoed 2] was gerangschikt als landgoed als bedoeld in de Natuurschoonwet 1928 (NSW-rangschikking).



2.18
Op 17 december 2003 heeft ABN AMRO een lening van € 14,5 miljoen aan [landgoed 2] verstrekt (hierna: lening 2) ter financiering van de aankoop van [landgoed 2] van [geïntimeerde 1] . Met lening 2 is lening 1 afgelost. Het daardoor vrijgevallen deposito 1 is tezamen met de overwaarde (tezamen gelijk aan het totaal uit hoofde van lening 2 geleende bedrag van € 14,5 miljoen) gestort op een rekening bij ABN AMRO. Dit saldo is aan ABN AMRO verpand (hierna: deposito 2). De op deposito 2 ontvangen rente is gebruikt voor betaling van de rente op lening 2. De eerstgenoemde rente was maandelijks 0,25% lager dan de laatstgenoemde.



2.19
In 2004 heeft [appellant] zijn huidige partner [P] (hierna: [P] ) ontmoet. [P] werkt(e) als kandidaat-notaris bij Loyens & Loeff.



2.20
Op 5 juli 2004 heeft ABN AMRO aan de eerder door [geïntimeerde 1] en [appellant] opgerichte fiscaal transparante landgoedvennootschap Landgoed [bedrijf 4] (hierna: [bedrijf 4] ) een lening verstrekt van € 11,5 miljoen (lening 3) ter financiering van de aankoop van [landgoed 1] van [geïntimeerde 1] en [appellant] . Hiervan is een bedrag van € 10,5 miljoen gestort op de en/of-rekening. Ook dit saldo is aan ABN AMRO verpand (hierna: deposito 3).



2.21
Ten behoeve van door [appellant] te verrichten werkzaamheden, waarvan het overigens niet is gekomen, is bij akte van 20 maart 2005 de vennootschap [bedrijf 5] (hierna: [bedrijf 5] ) opgericht. [appellant] werd directeur van deze vennootschap.



2.22
In 2005 is [appellant] van [landgoed 2] naar [landgoed 1] verhuisd. In 2006 is [P] van Leiden naar [landgoed 1] verhuisd.



2.23
In oktober 2005 heeft [geïntimeerde 1] ABN AMRO verzocht het verpande deposito 2 over te boeken naar de en/of-rekening (hierna: de overboeking 2005). ABN AMRO heeft hiermee ingestemd toen aan de door haar gestelde voorwaarde werd voldaan, te weten dat [appellant] zou meetekenen.



2.24
Op 22 mei 2006 heeft [geïntimeerde 1] zijn 50% van de aandelen in [landgoed 1] overgedragen aan [appellant] voor € 9.000, zodat ook [appellant] en zijn fiscale partner [P] hypotheekrenteaftrek konden genieten.



2.25

[appellant] en [P] woonden op [landgoed 1] en bleven daarnaast gebruikmaken van het appartement. [geïntimeerde 1] vroeg [P] als verdienende partner van [appellant] om bij te dragen aan de kosten verbonden aan de huisvesting van [appellant] , maar [P] wilde eerst weten welk deel van de gemeenschappelijke zaken van [appellant] was. Mede daarom hebben [geïntimeerde 1] en [appellant] in 2007 besloten hun gezamenlijke vermogen te gaan ontvlechten.



2.26
Op 1 april 2008 heeft [appellant] op aanwijzing van [geïntimeerde 1] zijn betaalinstrumenten voor de en/of-rekening bij [geïntimeerde 1] ingeleverd. [appellant] kon vanaf dat moment nog wel beschikken over de rekeningen die alleen op zijn naam stonden en waarop ook gezamenlijk vermogen beschikbaar was.



2.27
Begin april 2008 heeft [appellant] fiscalist [B] (hierna: [B] ) benaderd over de financiële verhoudingen tussen hem en [geïntimeerde 1] , omdat [appellant] behoefte had aan onafhankelijke financiële bijstand.



2.28
Op enig moment zijn [appellant] en [P] , ter besparing van kosten, in het appartement gaan wonen en is [landgoed 1] verhuurd. De kosten van het appartement werden nog steeds door [geïntimeerde 1] voldaan.



2.29
In december 2008 heeft ABN AMRO van [geïntimeerde 1] de opdracht gekregen het saldo van de en/of-rekening over te boeken naar een rekening van [geïntimeerde 1] . ABN AMRO heeft verzocht deze opdracht door zowel [geïntimeerde 1] als [appellant] te laten bevestigen. Van geen van beiden is een bevestiging ontvangen. ABN AMRO heeft de betaalopdracht niet uitgevoerd.



2.30
Vanaf in elk geval eind september 2009 hebben [geïntimeerde 1] en [appellant] onderhandelingen gevoerd over de ontvlechting van hun gezamenlijke vermogen.



2.31
In november 2009 heeft ABN AMRO van [geïntimeerde 1] opnieuw de opdracht gekregen het saldo van de en/of-rekening over te boeken naar een rekening van [geïntimeerde 1] . ABN AMRO heeft deze betaalopdracht uitgevoerd (hierna: de overboeking 2009).



2.32
In december 2009 heeft [geïntimeerde 1] de notaris benaderd om het resultaat van de onderhandelingen tussen hem en [appellant] over de ontvlechting in (concept-)akten op te nemen.



2.33
Op 29 december 2009 werden bij de notaris in aanwezigheid van [geïntimeerde 1] en [appellant] (en deels [M] (hierna: [M] ), eigenaar van Huize Duin & Daal), na een 5½ uur durende bijeenkomst diverse notariële akten (de akten 2009 of ontvlechting) gepasseerd. Het ging daarbij – voor zover hier relevant – om de volgende zaken:
- verkoop en levering door [appellant] van de aandelen in [landgoed 1] aan [geïntimeerde 1] voor € 2.284.500;
- aankoop door [geïntimeerde 1] van Huize Duin & Daal van [M] voor € 2.350.000;
- verkoop door [geïntimeerde 1] van Huize Duin & Daal aan [appellant] voor dezelfde prijs (€ 2.350.000);
- verkoop van [geïntimeerde 1] van zijn onverdeelde helft van het weiland aan [appellant] voor € 152.500;
- verkoop door [geïntimeerde 1] en [appellant] van het appartement aan [M] voor € 1.000.000;
- vestiging hypotheek op Huize Duin & Daal en het weiland ten behoeve van ABN AMRO voor de schulden van [geïntimeerde 1] , waaronder lening 2.
Ook verkocht [appellant] bij de ontvlechting de aandelen in [bedrijf 5] aan [geïntimeerde 1] voor € 18.000.



2.34
Een van de akten 2009, te weten de akte van levering/vestiging recht van gebruik ter zake van het weiland (productie 18 van [appellant] ) luidt – voor zover hier relevant – als volgt:

“Artikel 4.
(…)

RECHT VAN GEBRUIK

Vervolgens verklaren partijen bij deze te vestigen ten laste van voormeld perceel grasland (…) het recht van gebruik als bedoeld in artikel 3:226 lid 2 Burgerlijk Wetboek ten behoeve van [ [geïntimeerde 2] ], zulks onder de navolgende voorwaarden en bepalingen:
1. Het recht van gebruik is verleend aan de gebruiker persoonlijk; (…)
2. De gebruiker heeft het recht het weiland te gebruiken ten behoeve van het hebben, houden en berijden van paarden. (…) door gebruiker alsmede door de gebruiker aangewezen derde(n);3. De gebruiker is niet bevoegd dit recht over te dragen dan wel te bezwaren.
4. Het recht van gebruik bestaat zolang de gebruiker leeft.
(…)”.



2.35
Artikel 6 van een van de akten 2009, te weten de akte van levering en verkoop van aandelen [bedrijf 4] , luidt – voor zover hier relevant – als volgt:

“(…)

Artikel 6. Vaststelling.

Verkoper en Koper stellen bij deze akte volledigheidshalve vast dat thans alle tot heden door hen gehouden gemeenschappelijke onroerende en roerende zaken, aandelen of andere vermogensbestanddelen over en weer door partijen zijn geleverd en dat partijen derhalve uit dien hoofde niets meer van elkaar te vorderen hebben, behoudens de vorderingen over en weer uit hoofde van akten van geldlening de dato heden.
(…)”.





3Beoordeling


3.1
In dit geding heeft [appellant] in eerste aanleg gevorderd, volgens de onbestreden weergave van de rechtbank:

1. te verklaren voor recht (i) dat [geïntimeerde 1] , ABN AMRO, de notaris en [geïntimeerde 3] verwijtbaar onrechtmatig gehandeld hebben jegens [appellant] bij de verdeling van [landgoed 2] begin december 2000 en wel door eraan mee te werken dat (zonder enige vastlegging van de juridische verhoudingen tussen de beide broers) een bedrag van [N] 15 miljoen van [appellant] ten laste van de kwaliteitsrekening van [geïntimeerde 3] werd overgeboekt van een rekening van [appellant] bij ABN AMRO Monaco, daarna naar een rekening van [geïntimeerde 1] bij ABN AMRO Monaco en daarna naar een rekening van [geïntimeerde 1] bij ABN AMRO Bloemendaal om aldus als een aan [geïntimeerde 1] (ogenschijnlijk) toebehorend termijndeposito van [N] 15 miljoen tot zekerheid te dienen voor [geïntimeerde 1] in verband met een door ABN AMRO aan [geïntimeerde 1] verstrekte financiering van [N] 15 miljoen (in verband met de ‘uitkoop’ van [appellant] uit [landgoed 2] ), en dat [geïntimeerde 1] , ABN AMRO, de notaris en [geïntimeerde 3] deswege jegens [appellant] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de dientengevolge door [appellant] geleden schade, (ii) dat [geïntimeerde 1] en ABN AMRO verwijtbaar onrechtmatig gehandeld hebben jegens [appellant] in november 2009 door – zonder toestemming van [appellant] – eraan mee te werken dat de (mede aan [appellant] toebehorende) tegoeden van € 25 miljoen van de en/of-depositorekening van [geïntimeerde 1] en [appellant] werden overgeboekt naar een rekening op naam van uitsluitend [geïntimeerde 1] , en dat [geïntimeerde 1] en ABN AMRO deswege jegens [appellant] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de dientengevolge door [appellant] geleden schade en (iii) dat [geïntimeerde 1] , de notaris en [geïntimeerde 3] verwijtbaar onrechtmatig gehandeld hebben jegens [appellant] bij de ontvlechting van de (gemeenschappelijke) bezittingen van [appellant] en [geïntimeerde 1] op 29 december 2009, en dat [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 3] en de notaris deswege jegens [appellant] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de dientengevolge door [appellant] geleden schade;
2. te verklaren voor recht dat de in de akte van verdeling van 1 december 2000 opgenomen rechtshandeling geen schijntransactie tussen [geïntimeerde 1] en [appellant] is en dat als gevolg van deze rechtshandeling [appellant] sedert 1 december 2000 een vordering “wegens overbedeling” op [geïntimeerde 1] van [N] 15 miljoen (te vermeerderen met de sedertdien lopende wettelijke rente) heeft en dat deze vordering van [appellant] als gevolg van de per brief van 24 november 2000 door [appellant] en [geïntimeerde 1] aan ABN AMRO Bloemendaal gegeven betalingsopdrachten nog niet door [geïntimeerde 1] aan [appellant] is voldaan, althans dat [geïntimeerde 1] als gevolg van de per brief van 24 november 2000 door [appellant] aan ABN AMRO gegeven betalingsopdracht tot overboeking van [N] 15 miljoen naar een rekening van [geïntimeerde 1] de voor [geïntimeerde 1] daaruit voortvloeiende schuld tot terugbetaling van [N] 15 miljoen (te vermeerderen met de depositorente van 5% althans de wettelijke rente) nog niet door [geïntimeerde 1] aan [appellant] is voldaan;
3. te verklaren voor recht dat: (i) de verdeling van de opbrengst van de bedrijfsactiviteiten en de verkoop van [bedrijf 1] tussen de broers De Jong nog niet voltooid is, aangezien [geïntimeerde 1] weigert daarover rekening en verantwoording aan [appellant] af te leggen en [geïntimeerde 1] te gebieden die rekening en verantwoording – met medewerking van een onafhankelijke registeraccountant (niet [E & Y] ) – alsnog aan [appellant] af te leggen binnen 30 dagen na betekening van het vonnis, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000 voor iedere dag dat [geïntimeerde 1] in strijd met dit gebod handelt, (ii) het door [geïntimeerde 1] op het termijndeposito van [N] 15 miljoen ten gunste van ABN AMRO gevestigde pandrecht niet rechtsgeldig is gevestigd, althans dat ABN AMRO bij de totstandkoming van dit pandrecht wanprestatie heeft gepleegd althans onrechtmatig jegens [appellant] heeft gehandeld, en wel door ondertekening van [appellant] te verlangen van de per brief van 24 november 2000 aan ABN AMRO gegeven betalingsopdrachten, zonder dat daarbij enig contact tussen ABN AMRO en [appellant] daarover heeft plaatsgehad en zonder dat ABN AMRO enig oog heeft gehad voor de gerechtvaardigde vermogensrechtelijke belangen van [appellant] (te weten het veilig stellen van de aanspraak sedert 1 december 2000 van [appellant] op [geïntimeerde 1] ten bedrage van [N] 15 miljoen, te vermeerderen met rente) en (iii) ABN AMRO jegens [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld door op onderpand van [landgoed 2] (te weten het op 1 december 2000 gevestigde hypotheekrecht) aanzienlijk meer krediet te verlenen aan [geïntimeerde 1] dan [N] 15 miljoen (en wel bij kredietovereenkomsten van 21 november 2000 (welke kredietovereenkomst ABN AMRO weigert te verstrekken aan [appellant] )), 17 december 2003 (Productie 2 bij CvA ABN AMRO), 17 december 2003 (Productie 110 bij CvR), 18/20 oktober 2005 (Productie 6 bij CvA ABN AMRO)) en 22 december 2009 (Productie 109 bij CvR) en mogelijk nog andere kredietovereenkomsten waarvan [appellant] het bestaan (nog) niet kent, terwijl (a) ABN AMRO wist dat de schuld van [geïntimeerde 1] aan [appellant] ten bedrage van [N] 15 miljoen nog niet was voldaan, (b) ABN AMRO eraan heeft meegewerkt dat deze schuld van [geïntimeerde 1] aan [appellant] nog niet werd voldaan door het (helpen) optuigen van een overboekingscarrousel, (c) ABN AMRO alleen maar een hypotheekrecht van alleen [geïntimeerde 1] op [landgoed 2] heeft kunnen verkrijgen doordat [appellant] heeft meegewerkt aan de akte van verdeling van 1 december 2000 zonder dat [geïntimeerde 1] aan [appellant] zijn schuld wegens overbedeling heeft voldaan (als gevolg van de overboekingscarrousel), (d) ABN AMRO op geen enkel moment in de periode vanaf september 2000 tot en met december 2009 zich met [appellant] in verbinding heeft gesteld om de schuldverhouding tussen de beide broers De Jong te bespreken (dan wel [appellant] daarvoor te waarschuwen) terwijl ABN AMRO zelf heeft meegewerkt aan het ontstaan en laten voortbestaan van die schuldverhouding en daarvan heeft geprofiteerd (e) als gevolg waarvan de verhaalspositie van [appellant] op [geïntimeerde 1] is benadeeld en ABN AMRO te veroordelen de daardoor veroorzaakte schade aan [appellant] te vergoeden;
4. [geïntimeerde 1] , ABN AMRO, [geïntimeerde 3] en de notaris hoofdelijk – des dat de een betalende de anderen zullen zijn gekweten – te veroordelen tot voldoening aan [appellant] van € 11.649.230,67 (…), alles te vermeerderen met een depositorente van 5% althans de wettelijke rente vanaf 1 december 2015 tot aan de dag der algehele voldoening;
5. primair: [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 3] en de notaris hoofdelijk – des dat de een betalende de anderen zullen zijn gekweten – te veroordelen tot voldoening aan [appellant] van € 3.416.000, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 29 december 2009 tot aan de dag der algehele voldoening, dan wel subsidiair: [geïntimeerde 1] te gebieden zijn medewerking te verlenen aan een met [appellant] tot stand te brengen verdeling van de (gezamenlijke) bezittingen (…) en daarvoor ook elke benodigde informatie te zullen verschaffen, een en ander onder leiding van een door de KNB aan te wijzen notaris, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000 voor iedere dag dat [geïntimeerde 1] in strijd met dit bevel handelt;
6. [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 3] en de notaris hoofdelijk – des dat de een betalende de anderen zullen zijn gekweten – te veroordelen tot voldoening aan [appellant] van € 800.000, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 29 december 2009 tot aan de dag der algehele voldoening;
7. [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 3] en de notaris hoofdelijk – des dat de een betalende de anderen zullen zijn gekweten – te veroordelen tot voldoening aan [appellant] van € 152.500, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 29 december 2009 tot aan de dag der algehele voldoening;
8. primair: (i) te verklaren voor recht dat (de overeenkomst die ten grondslag ligt aan) het levenslange zakelijk recht van gebruik ten gunste van [geïntimeerde 2] niet rechtsgeldig is gevestigd, althans buiten rechte vernietigd is, althans om in rechte het levenslange zakelijk recht van gebruik ten gunste van [geïntimeerde 2] te vernietigen en (ii) [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] en de notaris hoofdelijk – des dat de een betalende de anderen zullen zijn gekweten – te veroordelen tot voldoening aan [appellant] € 30.500 per jaar vanaf 1 januari 2012, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 1 januari 2012 tot aan de dag der algehele voldoening, dan wel subsidiair: [geïntimeerde 2] te gebieden om binnen vijf dagen na betekening van het vonnis afstand te doen van het ten gunste van haar gevestigde levenslange zakelijk recht van gebruik althans te gebieden het recht van gebruik op te zeggen, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000 per dag dat [geïntimeerde 2] nalaat aan het vonnis te voldoen, dan wel meer subsidiair: (i) [geïntimeerde 2] te verbieden ieder ander gebruik te maken van het weiland dan “het hebben, houden en berijden van paarden”, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000 voor iedere dag dat [geïntimeerde 2] in strijd met dit verbod handelt, (ii) [geïntimeerde 2] te gebieden om niet meer dan 0,75 hectare van het weiland te gebruiken voor “het hebben, houden en berijden van paarden” en daartoe een – aan toestemming van [appellant] onderworpen – (van Huize Duin & Daal verwijderd) vast gedeelte van het weiland met schrikdraad te begrenzen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000 voor iedere dag dat [geïntimeerde 2] in strijd met dit gebod handelt, (iii) [geïntimeerde 2] te gebieden gedurende maximaal 175 door [appellant] aan te wijzen dagen geen gebruik van het weiland te maken en (iv) [geïntimeerde 2] te gebieden haar medewerking te verlenen aan de omzetting van het zakelijk recht van gebruik in een contractueel mede-gebruiksrecht van het weiland met een beperkte, resterende looptijd van 1 jaar, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000 voor iedere dag dat [geïntimeerde 2] in strijd met één of meer van deze verboden en geboden handelt;
9. [geïntimeerde 1] te gebieden de in (…) van deze akte omschreven goederen aan [appellant] af te geven binnen 2 dagen na betekening van het vonnis, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000 voor iedere dag dat [geïntimeerde 1] in strijd met dit gebod handelt;
10. [geïntimeerde 1] te veroordelen tot voldoening aan [appellant] van: (i) € 34.912,84, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 19 augustus 2004 tot aan de dag der algehele voldoening en (ii) de helft van hetgeen [geïntimeerde 1] uit hoofde van het vonnis van de rechtbank Breda van 23 april 2008 heeft ontvangen (na uitbetaling daarvan door [bedrijf 1] aan [geïntimeerde 1] ), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van ontvangst van de schadevergoeding van Den Braven Sealants B.V. tot aan de dag der algehele voldoening;
11. te verklaren voor recht dat aan artikel 6 van de Akte van levering aandelen Landgoed [bedrijf 4] (…) door [geïntimeerde 1] geen rechten kunnen worden ontleend, althans dat deze bepaling nietig is;
12. te verklaren voor recht dat artikel 20 van de Algemene Bankvoorwaarden nietig is, althans nietig in relatie tot [appellant] ;
13. [geïntimeerde 1] , ABN AMRO, [geïntimeerde 3] en de notaris hoofdelijk – des dat de een betalende de anderen zullen zijn gekweten – te veroordelen tot vergoeding aan [appellant] van de overige schade die [appellant] heeft geleden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
14. [geïntimeerde 1] te veroordelen om de beslagkosten, te stellen op € 2.126,62 (…), aan [appellant] te voldoen, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf veertien dagen na de datum van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;
15. gedaagden hoofdelijk – des dat de een betalende de ander zal zijn gekweten – te veroordelen in de kosten van het geding, inclusief de nakosten, bestaande uit € 131 aan nasalaris advocaat in geval van niet-betekenen, te verhogen met € 68 aan nasalaris in geval betekening plaatsvindt, en de explootkosten, alles te vermeerderen met wettelijke rente vanaf veertien dagen na de datum van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.



3.2
De rechtbank heeft het gevorderde afgewezen en [appellant] – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeeld in de proceskosten. De aan de zijde van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] gevallen proceskosten heeft de rechtbank begroot op € 201.384,74. Hierbij zijn de advocaatkosten tot en met de conclusie van dupliek niet berekend volgens het liquidatietarief, maar als de werkelijk gemaakte kosten, omdat naar het oordeel van de rechtbank sprake is van misbruik van procesrecht aan de zijde van [appellant] .



3.3
Bij memorie van grieven heeft [appellant] zijn eis verminderd of gewijzigd – hij duidt het zelf onder 5 van die memorie aan als een vermindering –, waardoor zijn eis – enigszins verkort weergegeven – als volgt is komen te luiden:
a. te verklaren voor recht dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] geen rechten kunnen ontlenen aan artikel 6 van de akte van levering en verkoop van aandelen [bedrijf 4] , althans dat deze bepaling nietig is;
b. geïntimeerden hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van schade van [appellant] , nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.



3.4
Het hof zal eerst vordering b bespreken (de schadevergoeding), te beginnen met die vordering voor zover die tegen [geïntimeerde 1] is gericht. Daarover overweegt het hof als volgt.



3.5
Verwijzing naar de schadestaatprocedure is slechts mogelijk nadat de grondslag van de verplichting tot schadevergoeding is vastgesteld in de hoofdprocedure. Het is aan de eisende partij om de feitelijke grondslag van de verplichting tot schadevergoeding voldoende concreet te stellen (en bij betwisting voldoende te motiveren en zo nodig te bewijzen).
In de inleiding op zijn grieven en bij de toelichting op de grieven I en II heeft [appellant]
– verkort weergegeven – het volgende gesteld als feitelijke grondslag van de verplichting van [geïntimeerde 1] tot schadevergoeding: [geïntimeerde 1] heeft bij de ontvlechting meer dan de helft van de waarde van de gemeenschappelijke bezittingen gekregen. Het was bij [geïntimeerde 1] bekend dat [appellant] tijdens de onderhandelingen over de ontvlechting niet over alle relevante informatie kon beschikken. [geïntimeerde 1] wist dat [appellant] geen affiniteit had met de financiële situatie van de landgoederen en de gemeenschappelijke bezittingen en dat [appellant] zich jarenlang niet met de geldzaken had bemoeid. [geïntimeerde 1] heeft [appellant] niet ingelicht over het feit dat de hypotheekrenteaftrek op [landgoed 1] voor het overgrote deel ten gunste kwam van [geïntimeerde 1] . [geïntimeerde 1] was niet bereid gehoor te geven aan het verzoek van [appellant] om zich bij de onderhandelingen te laten bijstaan door een adviseur of een andere derde, en was slechts in zeer beperkte mate bereid om adviseurs van [appellant] te woord te staan of hun alle relevante informatie te verschaffen. De toegang van [appellant] tot de administratie bij [H] werd sinds 2007 steeds verder beperkt. [geïntimeerde 1] was daarvan op de hoogte. [geïntimeerde 1] heeft tijdens de onderhandelingen gesteld dat het bij de kredieten ging om een totaalbedrag van € 5,5 miljoen. [geïntimeerde 1] heeft tijdens de onderhandelingen niet-onderbouwde en deels onjuiste posten opgevoerd. [geïntimeerde 1] heeft [appellant] er tijdens de onderhandelingen niet van op de hoogte gesteld dat de DBS-claim in april 2008 was toegewezen, en [appellant] in de veronderstelling laten verkeren dat er in die zaak nog geen vonnis was gewezen, aldus [appellant] .



3.6
Bij de beoordeling van dit betoog stelt het hof voorop dat [appellant] niet heeft betwist dat bij de onderhandelingen over de ontvlechting de e-mailberichten en verdere stukken zijn gewisseld als weergegeven in rov. 4.2-4.26 van het bestreden vonnis. Zoals de rechtbank in rov. 4.27-4.29 heeft overwogen, blijkt daaruit het volgende: in elk geval vanaf september 2009 hebben [geïntimeerde 1] en [appellant] uitgebreid en grondig onderhandeld over de ontvlechting. Blijkens de e-mails onderhandelde [appellant] op gedetailleerde wijze over diverse bestanddelen van het gezamenlijk vermogen. [appellant] onderhandelde scherp, oefende druk uit op zijn broer, "speelde het hard" en "wilde ervan af". [appellant] heeft zich tijdens het onderhandelingsproces voorzien van advies van zowel kandidaat-notaris [P] als fiscalist [B] . Beide adviseurs waren op de achtergrond aanwezig. Zij hebben [appellant] ontraden om de akten te ondertekenen. [appellant] wist dat de akten mede inhielden dat partijen over en weer finale kwijting verleenden. Niemand heeft [appellant] gedwongen de akten te ondertekenen. Niettemin heeft [appellant] dat gedaan. Dit alles heeft de rechtbank overwogen en het hof verenigt zich ermee.



3.7
In het licht van hetgeen hiervoor in rov. 3.6 is overwogen, zijn de hiervoor in rov. 3.5 weergegeven stellingen (wat ervan zij) onvoldoende voor de conclusie dat [geïntimeerde 1] zich schuldig heeft gemaakt aan enige onrechtmatige gedraging jegens [appellant] . De gestelde omstandigheid dat [geïntimeerde 1] bij de ontvlechting meer dan de helft van de waarde van de gemeenschappelijke bezittingen heeft gekregen, maakt de gedragingen van [geïntimeerde 1] niet onrechtmatig. De scherpe wijze waarop [appellant] onderhandelde, de kennis van zaken die uit de e-mailberichten van [appellant] bleek en de omstandigheid dat [appellant] zich door een notariële en een fiscale adviseur liet bijstaan, brengen mee dat [geïntimeerde 1] naar maatstaven van zorgvuldigheid ervan mocht uitgaan dat [appellant] heel goed in staat was zijn belangen te behartigen en zijn eigen afwegingen te maken, en dat [appellant] kennelijk meende over voldoende informatie te beschikken om uiteindelijk akkoord te gaan met de inhoud van de akten die hij op 29 december 2009 ondertekende. Indien [appellant] geen affiniteit heeft of had met financiële zaken, doet dat er niet aan af dat [geïntimeerde 1] mocht begrijpen dat [appellant] zich ten behoeve van de onderhandelingen voor de ontvlechting in voldoende mate in de voor [appellant] van belang zijnde financiële zaken had verdiept, met bijstand van adviseurs. Indien [geïntimeerde 1] [appellant] niet volledig heeft ingelicht over de vraag ten gunste van wie de hypotheekrenteaftrek op [landgoed 1] kwam, is dat niet onrechtmatig, omdat [geïntimeerde 1] ervan mocht uitgaan dat [appellant] dat uiteindelijk – na kennisneming van het standpunt van [B] – geen beletsel achtte om de akten te ondertekenen, en dat [appellant] mede vanwege de voorlichting door [B] in staat geacht kon worden een dergelijke afweging te maken. Indien [geïntimeerde 1] tijdens de onderhandelingen heeft gesteld dat het bij de kredieten ging om een totaalbedrag van € 5,5 miljoen (wat daarvan zij), is dat niet onrechtmatig, omdat [geïntimeerde 1] ervan mocht uitgaan dat als [appellant] niet op die mededeling wenste af te gaan, hij de akten niet zou ondertekenen totdat de juistheid van dit bedrag ten genoegen van [appellant] zou zijn aangetoond. Voor eventuele andere posten die [geïntimeerde 1] zonder onderbouwing of onjuist heeft opgevoerd, geldt hetzelfde. Indien [geïntimeerde 1] slechts in beperkte mate medewerking eraan heeft gegeven dat de adviseurs van [appellant] op de hoogte werden gesteld van de feitelijke informatie die nodig was voor een verantwoord advies aan [appellant] , is ook dat niet onrechtmatig, omdat ook in dat opzicht geldt dat [geïntimeerde 1] uit de ondertekening van de akten door [appellant] mocht afleiden dat [appellant] hier uiteindelijk genoegen mee nam en dat [appellant] heel goed in staat was om die afweging te maken. Hetzelfde geldt voor de gestelde omstandigheid dat [appellant] vanaf 2007 beperkte toegang had tot de administratie bij [H] . Indien [geïntimeerde 1] [appellant] er tijdens de onderhandelingen niet van op de hoogte heeft gesteld dat de DBS-claim in april 2008 was toegewezen, is dat niet onrechtmatig, omdat [geïntimeerde 1] zich steeds op het standpunt heeft gesteld dat de DBS-claim hem toekwam en [appellant] daarmee akkoord is gegaan. Overigens blijkt uit rov. 2.9 van het overgelegde vonnis met betrekking tot de DBS-claim dat de vordering tot schadevergoeding maar voor een gering gedeelte is toegewezen. Ook in samenhang beschouwd zijn voornoemde gestelde omstandigheden onvoldoende om tot onrechtmatig handelen van [geïntimeerde 1] jegens [appellant] te kunnen concluderen.



3.8
De tweeconclusieregel brengt mee dat [appellant] na de memorie van grieven in beginsel niet meer zijn eis kan veranderen of vermeerderen, ook niet als die verandering of vermeerdering slechts betrekking heeft op de grondslag van hetgeen ter toelichting van de vordering is gesteld. Wel heeft [appellant] de vrijheid om naar aanleiding van het verloop van het partijdebat na de memorie van grieven zijn stellingen verder te ontwikkelen en te preciseren, maar hij dient daarbij – behoudens uitzonderingen, die zich hier niet voordoen – te blijven binnen de door grieven getrokken grenzen van de rechtsstrijd.



3.9
Voor zover het bij pleidooi in hoger beroep ingenomen standpunt van [appellant] aldus moet worden opgevat dat hij thans stelt (zoals hij ook in eerste aanleg stelde) dat [geïntimeerde 1] hem opzettelijk heeft misleid bij de onderhandelingen over de ontvlechting (onder meer door bewuste verzwijging van vermogensbestanddelen), geldt dat dit een ontoelaatbare verruiming van het debat is ten opzichte van de memorie van grieven. Hierbij is mede van belang dat [appellant] bij memorie van grieven uitdrukkelijk heeft gesteld dat hij zijn vordering vermindert en dat – in overeenstemming daarmee – een groot aantal in eerste aanleg geformuleerde vorderingen (zie rov. 3.1 hiervoor) niet terugkeert in het petitum van de memorie van grieven. Mede gelet daarop kan niet gezegd worden dat de stelling dat sprake is van opzettelijke misleiding in het verlengde ligt van hetgeen voor appelrechter en geïntimeerden kenbaar wordt uit de memorie van grieven. Het hof laat die stelling daarom buiten beschouwing.



3.10
Ook de volgende stellingen die [appellant] bij pleidooi in hoger beroep heeft betrokken, laat het hof buiten beschouwing wegens strijd met de tweeconclusieregel:
a. de te verdelen gemeenschap van [geïntimeerde 1] en [appellant] moet worden gekwalificeerd als een stille maatschap, en de ontvlechting als een ontbinding daarvan;
b. [geïntimeerde 1] heeft geen rekening en verantwoording afgelegd voor zijn beheer en beschikkingshandelingen;
c. [geïntimeerde 1] gebruikte het gemeenschappelijk vermogen om goedkoop bedrijfskrediet te verkrijgen;
d. [geïntimeerde 1] heeft 'privé' en 'zakelijk' niet gescheiden gehouden;
e. het werkelijke probleem in september 2009 was dat het bedrijf van [geïntimeerde 1] (volgens de nieuwe stelling van [appellant] ) failliet ging, maar [geïntimeerde 1] heeft dat niet aan [appellant] verteld.



3.11
De door [appellant] bij pleidooi in hoger beroep betrokken stelling dat hij bij de verdeling voor meer dan een kwart is benadeeld, kan hem niet baten. Voor zover hij bedoeld heeft een beroep te doen op de vernietigingsgrond van art. 3:196 lid 1 BW, geldt dat vernietiging van de verdeling niet is gevorderd bij memorie van grieven en niet meer kan worden gevorderd bij pleidooi in hoger beroep. Voor zover hij bedoeld heeft de gestelde benadeling (mede) ten grondslag te leggen aan zijn stelling dat sprake is van een onrechtmatige daad van [geïntimeerde 1] , geldt dat de gestelde benadeling geen onrechtmatige daad oplevert, ook niet in combinatie met de hiervoor in rov. 3.5 weergegeven stellingen van [appellant] .
De door [appellant] bij pleidooi in hoger beroep betrokken stelling dat bij de verdeling goederen zijn overgeslagen en dat daarvan nadere verdeling kan worden gevorderd, kan hem evenmin baten. Op vragen van het hof heeft de advocaat van [appellant] geantwoord dat hij thans geen nadere verdeling vordert en dat hij thans ook niet voornemens is dat later te doen. Voor zover hij bedoeld heeft een nieuwe stelling aan zijn vordering tot schadevergoeding ten grondslag te leggen, namelijk dat [geïntimeerde 1] onrechtmatig jegens [appellant] heeft gehandeld door (al dan niet bewust) bij de ontvlechting bepaalde gemeenschappelijke goederen niet ter sprake te brengen, met als gevolg dat die bij de verdeling zijn overgeslagen, geldt dat deze stelling wegens de tweeconclusieregel niet meer in de beoordeling kan worden betrokken, en bovendien dat niet aannemelijk is dat [appellant] daardoor schade kan hebben geleden, juist omdat van overgeslagen goederen in beginsel nadere verdeling kan worden gevorderd.
Ook zijn stellingen over verbeurte van een aandeel op de voet van art. 3:194 lid 2 BW, de oplegregel van art. 3:197 BW en wijziging van de verdeling door de rechter op de voet van art. 3:198 BW kunnen [appellant] niet baten, omdat zij bij memorie van grieven niet ten grondslag zijn gelegd aan enige vordering en daar bij pleidooi in hoger beroep geen plaats meer voor is.



3.12
Op grond van het voorgaande kan vordering b, voor zover gericht tegen [geïntimeerde 1] , niet worden toegewezen. Het hof ziet geen aanleiding om [geïntimeerde 1] op de voet van art. 22 lid 1 Rv te bevelen bescheiden over te leggen. Aan die bepaling kan [appellant] jegens [geïntimeerde 1] geen vorderingsrecht tot exhibitie ontlenen.



3.13
Vordering b kan evenmin worden toegewezen, voor zover zij tegen [geïntimeerde 2] is gericht. De memorie van grieven bevat geen enkel concreet verwijt tegen haar. Grief III heeft betrekking op het gebruik van het weiland, maar bevat ook geen verwijt tegen [geïntimeerde 2] of andere omstandigheden waarop schadeplichtigheid van [geïntimeerde 2] jegens [appellant] gebaseerd zou kunnen worden.



3.14
Met betrekking tot de notaris heeft [appellant] bij memorie van grieven het volgende aangevoerd. [appellant] is benadeeld bij de ontvlechting. De notaris heeft zijn plichten verzaakt door – verkort weergegeven – :
a. zich niet te vergewissen van (de waarde van) de (al dan niet gemeenschappelijke) zaken die bij de ontvlechting waren betrokken;
b. niet in een gesprek met [appellant] alleen na te gaan of [appellant] zich onder druk gezet voelde door [geïntimeerde 1] en of [appellant] de reikwijdte van de transacties en de finale kwijting kon overzien;
c. zijn ministerie niet te weigeren;
d. de druk op [appellant] op te voeren door kort voor 29 december 2009 conceptakten naar hem toe te sturen zonder toelichting;
e. niet te wijzen op de mogelijkheid van een Groninger akte, hetgeen de tijdsdruk zou hebben weggenomen;
f. niet duidelijk vast te leggen wat voor soort gebruiksrecht [geïntimeerde 2] op het weiland zou hebben;
g. steken te laten vallen ten aanzien van de derdenhypotheek;
h. niet in enige akte op te nemen dat Huize Duin & Daal "shipshape" moest worden opgeleverd;
i. een betaling van € 200.000,- niet via zijn derdengeldenrekening te laten verlopen en zich er ook niet van te vergewissen dat [geïntimeerde 1] dit bedrag op een rekening van [appellant] had gestort.



3.15
In zijn arrest van 22 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2452 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat tot uitgangspunt dient dat aan het oordeel van de tuchtrechter dat is gehandeld in strijd met de voor het desbetreffende beroep geldende normen en regels, niet zonder meer de gevolgtrekking kan worden verbonden dat de betrokkene civielrechtelijk aansprakelijk is wegens schending van een zorgvuldigheidsnorm. Indien de rechter afwijkt van het oordeel van de tuchtrechter, dient hij zijn oordeel zodanig te motiveren dat het, ook in het licht van de beoordeling door de tuchtrechter, voldoende begrijpelijk is, aldus de overweging van de Hoge Raad.
Andersom geldt dat aan het oordeel van de tuchtrechter dat niet is gehandeld in strijd met de voor het desbetreffende beroep geldende normen en regels, niet zonder meer de gevolgtrekking kan worden verbonden dat de betrokkene niet civielrechtelijk aansprakelijk is wegens schending van een zorgvuldigheidsnorm. Maar ook hier geldt dat indien de rechter afwijkt van het oordeel van de tuchtrechter, hij zijn oordeel zodanig dient te motiveren dat het, ook in het licht van de beoordeling door de tuchtrechter, voldoende begrijpelijk is.



3.16
Bij de beoordeling van de hiervoor in rov. 3.14 onder a tot en met i verkort weergegeven verwijten zijn (dus) de achtereenvolgende beslissingen van de notariskamer van dit hof (hierna: de kamer) van belang die gegeven zijn naar aanleiding van de tuchtrechtelijke klachten van [appellant] en [P] tegen de notaris.
In de beslissing van 12 mei 2015 heeft de kamer onder meer klacht 532869/NT 12-74 beoordeeld. Deze klacht viel in negentien onderdelen uiteen.
Blijkens de omschrijving van die onderdelen in de beslissing van de kamer zijn alle verwijten die bij memorie van grieven aan de notaris zijn gemaakt als grondslag voor civiele aansprakelijkheid ook bij wijze van klachtonderdeel aan de kamer voorgelegd, en wel bij de onderdelen 1 tot en met 15 van klacht 532869/NT 12-74, meer precies:
verwijt a bij de onderdelen 1, 3, 5, 12 en 15;
verwijt b bij de onderdelen 1 en 3;
verwijt c bij de onderdelen 5 en 12;
verwijt d bij de onderdelen 2, 4 en 8;
verwijt e bij onderdeel 4;
verwijt f bij de onderdelen 6 en 14;
verwijt g bij onderdeel 11;
verwijt h bij onderdeel 7;
verwijt i bij onderdeel 13.
Bij beslissing van 12 mei 2015 heeft de kamer (onder meer) deze onderdelen gegrond verklaard. Bij beslissing van 13 juni 2017 heeft de kamer haar beslissing van 12 mei 2015 echter herzien en de onderdelen 1 tot en met 15 van klacht 532869/NT 12-74 alsnog ongegrond verklaard. De kamer heeft daartoe het volgende overwogen:

"5.5 De notaris heeft sinds medio 1985 voor klager en de broer verschillende notariële werkzaamheden verricht, waarbij de broer steeds mede namens klager contact onderhield met de notaris. In 2009 was dit niet anders. De notaris kreeg destijds van de broer opdracht om de ‘financiële ontvlechting’ voor beide broers notarieel vorm te geven. De notaris heeft – op instructies van de broer – de eerste concepten van notariële akten opgesteld. Naar het oordeel van het hof kan het, gelet op de gebruikelijke gang van zaken sinds 1985, de notaris niet worden verweten dat hij na ontvangst van de instructies niet expliciet bij klager heeft geverifieerd of hetgeen hij in de conceptakten zou opnemen in overeenstemming was met de afspraken tussen de broers ten aanzien van hun ‘financiële ontvlechting’. Bijzondere omstandigheden die de notaris op dat moment daartoe aanleiding hadden moeten geven, heeft klager niet aannemelijk gemaakt. Het mag zo zijn dat de broer en klager bij de ‘financiële ontvlechting’ tegengestelde belangen hadden, maar niet is gebleken dat de notaris zich hiervan onvoldoende bewust was.



5.6
Het hof stelt voorts vast dat de notaris in de brief van 23 december 2009 van klaagster aanleiding zag om klager nader te bevragen over de (gemaakte afspraken over de) ‘financiële ontvlechting’. In die brief had klaagster de notaris gewaarschuwd voor het verschil in juridische en financiële kennis en kunde tussen klager en de broer, in het nadeel van klager. Voorts had zij er op gewezen (ondersteund door bij de brief gevoegde e-mails) dat er sprake was van onkunde en van overwicht, onder meer blijkend uit een ‘verbod’ van de broer aan klager om rechtstreeks contact met de notaris op te nemen. Uit het dossier blijkt dat de notaris naar aanleiding van voormelde brief van klaagster op 28 december 2009 met klager contact heeft gehad, waarbij klager aan hem heeft medegedeeld dat hij omtrent een aantal materiële punten nog geen overeenstemming had met de broer. De notaris heeft vervolgens diezelfde dag per e-mail aan beide broers benadrukt dat hij ervan uitging dat bij een mogelijke ondertekening van de – al dan niet nog te wijzigen – akten, zowel klager als de broer dat met volle overtuiging en wetenschap zouden doen. Het hof acht deze handelwijze niet onzorgvuldig en niet klachtwaardig.



5.7
De stelling van klager dat de notaris hem nimmer om zijn instemming heeft gevraagd, volgt het hof niet. Gebleken is dat de notaris de (gewijzigde) conceptakten aan klager ter becommentariëring heeft doen toekomen, te weten op 19 december 2009 en op 24 december 2009. Het hof acht dit zorgvuldig en tijdig. De omstandigheid dat de eerste conceptakten aan de chauffeur van de broer zijn meegegeven, maakt nog niet dat de notaris partijdig heeft gehandeld. Bovendien blijkt uit de stukken, meer in het bijzonder de e-mail van 18 december 2009 (17:34 uur) van klager aan de broer, dat de notaris klager die dag telefonisch had gemeld op welke wijze de stukken hem zouden bereiken, en dat klager in elk geval jegens de broer daartegen toen geen bezwaar heeft gemaakt. Klager heeft bij e-mailbericht op 22 december 2009 aan de notaris de goede ontvangst van de stukken bevestigd, aanvullende informatie opgevraagd en de notaris gevraagd telefonisch contact met hem op te nemen. Voorts heeft klager bij e-mailberichten aan de broer van 22 december 2009 en 27 december 2009 inhoudelijk en uitgebreid commentaar gegeven op de verschillende conceptakten. Dit commentaar heeft de notaris via de broer bereikt, waarna de notaris de akten nogmaals heeft aangepast. Uit deze gang van zaken mocht de notaris overigens afleiden dat klager wist waar hij het over had en zich actief en weerbaar opstelde zodat niet van de notaris verwacht hoefde te worden dat klager als zwakkere partij bescherming behoefde ten opzichte van de broer.



5.8
In het licht van het vorenstaande kan van enige partijdigheid aan de zijde van de notaris bij het opstellen van de conceptakten naar het oordeel van het hof niet worden gesproken.



5.9
Verder is het hof niet gebleken dat de notaris partijdig heeft gehandeld ten tijde van de passeersessie op 29 december 2009. De enkele omstandigheid dat de notaris vóór het begin van de passeersessie niet expliciet heeft gereageerd op de e-mail van klager van 29 december 2009 (9:17 uur), waarin staat dat er nog enkele geschilpunten tussen de broer en klager bestonden die moesten worden opgelost alvorens er getekend kon worden, acht het hof onvoldoende om te concluderen dat de notaris partijdig heeft gehandeld. Bovendien, zo blijkt uit hetgeen in de beslissing van 12 mei 2015 in 3.2.11. is vastgesteld, hebben klager en de broer op 29 december 2009, tijdens de bijeenkomst op het notariskantoor die duurde van 10.30 uur tot ongeveer 15.00 uur, over de tussen hen bestaande geschilpunten onderhandeld alvorens de notaris overging tot het opstellen van de definitieve akten en het passeren daarvan.



5.10
Het hof acht voorts niet aannemelijk gemaakt dat de notaris klager onder druk heeft gezet de verschillende akten op 29 december 2009 te tekenen. Ook de stelling dat klager de mogelijkheid is ontnomen om contact op te nemen met zijn adviseur(s), de notaris niet de tijd heeft genomen de inhoud van de (definitieve) akten op 29 december 2009 uitgebreid met de beide broers te bespreken en heeft nagelaten om klager op bepaalde risico’s/gevolgen te wijzen en zijn wil te controleren (meer specifiek met betrekking tot de kwijtingsbepaling, de bepaling ten aanzien van het gebruiksrecht van het weiland en de vestiging van de derdenhypotheek), volgt het hof - gelet op de gemotiveerde betwisting door de notaris - niet.



5.11
Tot slot is het hof van oordeel dat, gezien het feit dat klager en de broer op 29 december 2009 volledige wilsovereenstemming hadden bereikt over de ontvlechtingsconstructie (en daarmee indirect over de aan de zaken toe te kennen waarden), het niet aan de notaris was om – zoals ook nog door klaagster was geopperd – nader onderzoek te doen naar de waardestijgingen en -verminderingen van de registergoederen. Gegronde redenen voor weigering van de dienstverlening had de notaris naar het oordeel van het hof niet, althans die zijn het hof niet uit het dossier gebleken.



5.12
Het vorenstaande brengt met zich dat het hof, anders dan de kamer in de bestreden beslissing en het hof in zijn beslissing van 12 mei 2015, van oordeel is dat de notaris niet onzorgvuldig heeft gehandeld. Dit betekent dat de klacht 532869/NT 12-74 met de nummers 1 tot en met 15 ongegrond is en de beslissing van 12 mei 2015 in die zin dient te worden herzien."



3.17
In het voetspoor van de kamer oordeelt het hof in deze civiele zaak dat geen van de bij memorie van grieven aan de notaris gemaakte verwijten kan leiden tot civielrechtelijke aansprakelijkheid van de notaris. [appellant] heeft onvoldoende gesteld om het hof ertoe te brengen af te wijken van hetgeen de kamer daarover uiteindelijk heeft geoordeeld. Voor zover in de motivering van de kamer niet uitdrukkelijk afzonderlijke aandacht is besteed aan alle verwijten, geldt dat de kamer niettemin alle verwijten in zijn beoordeling heeft betrokken en bovendien dat [appellant] bij memorie van grieven de afzonderlijke verwijten niet zodanig heeft uitgewerkt dat dit aanleiding geeft tot een nadere motivering.



3.18
Ook tegen de notaris heeft [appellant] bij pleidooi in hoger beroep stellingen betrokken die wegens de werking van de tweeconclusieregel niet meer in de beoordeling betrokken kunnen worden. Het betreft in elk geval:
j. er was te veel klantintimiteit tussen de notaris en [geïntimeerde 1] ;
k. het had de notaris in december 2009 moeten opvallen dat [landgoed 2] ontbrak in een opsomming die hij onder ogen heeft gehad. Hierover had hij [appellant] moeten waarschuwen;
l. de notaris had [appellant] moeten waarschuwen tegen de risico's van de fiscale optimalisatie voor het aandeel van [appellant] in het gemeenschappelijk vermogen;
m. de notaris heeft in een brief van 24 februari 2009 willens en wetens een onvolledig antwoord gegeven aan [appellant] en daarbij stukken gevoegd die niet voor partijen bestemd waren;
n. de notaris heeft in 2003 en 2004 meegewerkt aan akten waarbij [appellant] geen partij was, maar wel partij had moeten zijn.



3.19
Voor zover gericht tegen de notaris, kan vordering b dus niet worden toegewezen. Voor zover vordering b is gericht tegen [geïntimeerde 3] , geldt hetzelfde. Hieraan heeft [appellant] geen afzonderlijke stellingen gewijd.



3.20
Met betrekking tot de verplichting van ABN AMRO tot schadevergoeding heeft [appellant] bij memorie van grieven het volgende gesteld. ABN AMRO heeft plichten geschonden door:
a. mee te werken aan schijnconstructies met betrekking tot de landgoederen wegens het verstrekken van leningen voor hypotheekrenteaftrek, wetende dat die alleen dienden om een maximale hypotheekrenteaftrek te krijgen voor [geïntimeerde 1] en zonder dat het de bedoeling was de landgoederen te verdelen;
b. niet de informatie te verstrekken waarom [appellant] op 11 september 2009 vroeg;
c. € 25 miljoen van de en/of-rekening af te boeken zonder [appellant] vooraf daarover in te lichten;
d. [appellant] niet te waarschuwen voor de derdenzekerheid die hij verstrekte in het kader van de back-to-backfinanciering;
e. nooit contact met [appellant] op te nemen om met hem over zijn bezit te spreken.



3.21

[appellant] heeft in verband met verwijt a (de regelingen met betrekking tot de hypotheekrenteaftrek) onvoldoende gesteld om tot aansprakelijkheid te kunnen concluderen. Onvoldoende is gesteld om aan te nemen dat ABN AMRO enige zorgplicht jegens [appellant] heeft geschonden door in de periode 2000-2006 uitvoering te geven aan de diverse opdrachten die verband hielden met hypotheekrenteaftrek. Onvoldoende is gesteld om aan te nemen dat de regelingen als zodanig enig belang van [appellant] schaadden (ook al zijn er risico's aan verbonden geweest). Ook [appellant] en [P] hebben van de regeling geprofiteerd (zie rov. 2.24 hiervoor).



3.22
Bij de beoordeling van de verwijten b en c (de informatieverstrekking en de overboeking van € 25 miljoen) zijn (in aanvulling op rov. 2.29-2.31 hiervoor) de volgende tussen partijen vaststaande feiten van belang.


3.22.1
Bij brief van 12 mei 2009 heeft [appellant] ABN AMRO verzocht om overzichten van zijn privé(spaar)rekeningen, gemeenschappelijke rekeningen met [geïntimeerde 1] en gemeenschappelijke deposito's met [geïntimeerde 1] , en te kennen gegeven voortaan bankafschriften op zijn correspondentieadres te willen ontvangen, en kopie bankafschriften vanaf 1 januari 2008 te willen ontvangen op het adres van het appartement.



3.22.2
In antwoord op de brief van 12 mei 2009 heeft ABN AMRO bij brief van 25 mei 2009 informatie aan [appellant] verschaft. Over de en/of-rekening heeft ABN AMRO daarbij medegedeeld:

"Op rekeningnummer [nummer] wordt een drietal deposito's geadministreerd ad Eur 10.500.000,--, Eur 11.000.000,-- en Eur 3.500.000,--.
Deze deposito's zijn aan de bank verpand uit hoofde van de kredietverlening aan J.C. de Jong, Landgoed [bedrijf 4] en Landgoed [bedrijf 3] "



3.22.3
Bij e-mailbericht van 11 september 2009 heeft ABN AMRO aan [appellant] en [P] bericht:

"Naar aanleiding van ons telefonisch onderhoud van vanmorgen stuur ik bijgaand de standaard Algemene Voorwaarden voor deposito's.
Voor wat betreft de deposito's geregistreerd op rekeningnummer [nummer] kan ik u het volgende berichten.
De deposito's zijn onderdeel van de kredietverlening verstrekt aan [landgoed 2] en [landgoed 1] en [geïntimeerde 1] .
Voor deze deposito's zijn er in de kredietdocumentatie nog specifieke voorwaarden, waaronder ook verpanding, opgenomen.
Al deze documenten zijn bij [geïntimeerde 1] beschikbaar.
In vertrouwen jullie hiermee voldoende te hebben geïnformeerd."



3.22.4
Een door [appellant] opgesteld verslag van een op 27 september 2009 gehouden bespreking met [geïntimeerde 1] vermeldt onder meer:

"Verdeling van [landgoed 1] en de deposito's:
Die komen aan [geïntimeerde 1] toe. Op de huizen zitten schulden van in totaal eur 5,5 miljoen wat niet is afgedekt door de deposito's en de daartegenoverstaande geldleningen.
(...)

Maar aan [geïntimeerde 1] moet komen:

(...)
2 [appellant] moet zich afmelden als mede-rekeninghouder van de verpande deposito's"



3.22.5
Op 1 oktober 2009 heeft [appellant] aan [geïntimeerde 1] onder meer bericht:

"Ik heb lang nagedacht over je voorstel en kan me voor een stuk vinden in je oplossingen. Het enige wezenlijke verschil is dat ik [landgoed 1] wil hebben in plaats van Duin & Daal."



3.22.6
Op 23 november 2009 heeft ABN AMRO in opdracht van [geïntimeerde 1] € 25 miljoen
– het volledige saldo van de en/of-rekening – overgemaakt naar een bankrekening op naam van [geïntimeerde 1] .



3.22.7
Bij brief van 3 december 2009 heeft ABN AMRO aan [appellant] bericht dat zij in verband met zijn verzoek om dagafschriften op het adres van het appartement te ontvangen, een door [appellant] te ondertekenen verklaring naar hem heeft toegezonden, maar niet heeft terugontvangen, en hem kopieën toegezonden van dagafschriften betreffende 2009.




3.23
Uit dit feitenoverzicht volgt dat verwijt b (de informatieverstrekking) ongegrond is. Uit de enkele vermelding in het e-mailbericht van 11 september 2009 dat de daar genoemde documenten bij [geïntimeerde 1] beschikbaar zijn, kan redelijkerwijs niet worden afgeleid dat ABN AMRO niet bereid was die documenten desgewenst ook aan [appellant] te verstrekken. Indien [appellant] inzage of afschrift van die documenten niet van [geïntimeerde 1] verstrekt kon of wilde krijgen, lag het op zijn weg om dat naar aanleiding van het e-mailbericht van 11 september 2009 voldoende duidelijk aan ABN AMRO kenbaar te maken. De handelwijze van ABN AMRO, zoals die blijkt uit het e-mailbericht van 11 september 2009, levert geen schending op van enige zorgplicht van ABN AMRO jegens [appellant] . Voor het overige zijn de verwijten op het gebied van de informatieverstrekking onvoldoende concreet (zie hierna voor de bespreking van de verwijten d en e).



3.24
De gegrondheid van verwijt c (de overboeking van € 25 miljoen zonder dit vooraf aan [appellant] voor te leggen) laat het hof in het midden. Uit het feitenoverzicht volgt dat in de bespreking van [geïntimeerde 1] en [appellant] op 27 september 2009 het voorstel van [geïntimeerde 1] aan de orde is gekomen dat de deposito's die op de en/of-rekening stonden geadministreerd, op naam van [geïntimeerde 1] gezet zouden worden, dat [appellant] op 1 oktober 2009 een e-mailbericht aan [geïntimeerde 1] heeft verzonden, waaruit [geïntimeerde 1] redelijkerwijs mocht afleiden dat [appellant] in zoverre met het voorstel akkoord ging en dat [appellant] op 3 december 2009 bankafschriften over 2009 heeft ontvangen. [appellant] heeft niet gesteld dat de afboeking van € 25 miljoen niet op een van die door hem ontvangen bankafschriften stond vermeld. In het licht hiervan heeft hij onvoldoende gesteld om te kunnen aannemen dat indien ABN AMRO vooraf aan [appellant] zou hebben voorgelegd dat [geïntimeerde 1] opdracht had gegeven tot de overboeking van € 25 miljoen, [appellant] daarmee niet akkoord zou zijn gegaan. Indien in dit opzicht sprake is van schending van een zorgplicht, is onvoldoende gesteld om aan te nemen dat die schending schade bij [appellant] heeft veroorzaakt, of dat de mogelijkheid daartoe aannemelijk is.



3.25

[appellant] heeft onvoldoende gesteld om te kunnen aannemen dat verwijt d (de derdenzekerheden) een schending van enige zorgplicht oplevert. Voor zover dit verwijt betrekking heeft op de regelingen in verband met de hypotheekrenteaftrek
– daarbij zijn verpandingen betrokken –, geldt dat [appellant] niet heeft toegelicht in welk belang hij is geschaad door die regelingen.
Voor zover dit verwijt betrekking heeft op de eind 2009 gevestigde hypotheken, geldt hetzelfde. Bovendien is onvoldoende gesteld om aan te nemen dat ABN AMRO bij de ontvlechting die is uitgemond in de akten van 29 december 2009 een zodanige betrokkenheid had, of had behoren te hebben, dat zij uit hoofde van haar zorgplicht jegens [appellant] gehouden was [appellant] erop te wijzen dat er hypotheken werden verstrekt, hetgeen [appellant] overigens wist blijkens de door hem verzonden e-mailberichten en blijkens zijn ondertekening van de akten. De bank mocht ook aannemen dat [appellant] kon overzien wat het betekent als er een hypotheek op een registergoed wordt gevestigd en welke risico's daaraan in het algemeen verbonden zijn. Over bijzondere risico's heeft [appellant] onvoldoende gesteld.



3.26
Verwijt e (contact opnemen om over het bezit te spreken) is ongegrond. Op de brief van [appellant] van 12 mei 2009 heeft ABN AMRO adequaat gereageerd. Ook het
e-mailbericht van ABN AMRO van 11 september 2009 geeft geen blijk van onvoldoende contact. Een bank heeft niet zonder meer de zorgplicht om spontaan en ongevraagd contact op te nemen met cliënten om hun bezit te bespreken. Onder omstandigheden kan een dergelijke zorgplicht bestaan, maar [appellant] heeft onvoldoende gesteld om aan te nemen dat ABN AMRO in dit opzicht in enige zorgplicht jegens hem is tekortgeschoten. De enkele stelling dat [appellant] klant was bij de afdeling Private Wealth van ABN AMRO is daartoe onvoldoende.



3.27
Bij pleidooi in hoger beroep heeft [appellant] nog enige nieuwe verwijten aan ABN AMRO gemaakt. Deze blijven buiten beschouwing wegens strijd met de tweeconclusieregel. Het betreft onder meer:
f. ABN AMRO had een dubbelrol als kredietverlener voor het bedrijf van [geïntimeerde 1] en als investeerder in de door [geïntimeerde 1] beheerde fondsen en er was te veel klantintimiteit tussen ABN AMRO en [geïntimeerde 1] . De enkele stelling van [appellant] dat hij dit sinds 31 mei 2018 weet, rechtvaardigt geen uitzondering op de tweeconclusieregel, omdat toelating van deze nieuwe stelling in strijd komt met de eisen van een goede procesorde;
g. ABN AMRO heeft de relatie met [appellant] opgezegd en [appellant] de schuld gegeven van schijnhandelingen die zij zelf mogelijk had gemaakt;
h. ABN AMRO heeft samen met [geïntimeerde 1] een situatie gecreëerd waarin [appellant] zijn volledige vermogen zou kunnen verliezen zonder dat te weten of daarvoor te zijn gewaarschuwd;
i. ABN AMRO heeft haar eigen belang laten prevaleren boven het belang van [appellant] ;
j. ABN AMRO heeft haar rol van poortwachter niet vervuld.



3.28
Voor zover gericht tegen ABN AMRO, kan vordering b (schadevergoeding) dus niet worden toegewezen.



3.29
Bij pleidooi in hoger beroep heeft [appellant] in de tweede spreektermijn gesteld dat bij geïntimeerden sprake is van samenspanning en medeplegen (naar het hof begrijpt: gedragingen in groepsverband). Deze stelling ligt niet besloten in de memorie van grieven. Weliswaar mondt die memorie uit in een vordering tot hoofdelijke veroordeling, maar een feitelijke grondslag voor die hoofdelijkheid is in de memorie van grieven niet voldoende duidelijk gesteld. De nieuwe stelling gaat de grenzen te buiten van wat de tweeconclusieregel toelaat. Het hof laat de stelling dus buiten beschouwing.



3.30
Op grond van het voorgaande dient vordering b geheel te worden afgewezen.



3.31
Met betrekking tot vordering a (de verklaring voor recht, zie rov. 3.3 hiervoor) overweegt het hof als volgt.



3.32
In de toelichting op grief X heeft [appellant] betoogd dat er geen sprake van finale kwijting kan zijn, omdat [appellant] in het kader van de ontvlechting ten onrechte is benadeeld als gevolg van het handelen van [geïntimeerde 1] , de notaris en ABN AMRO. [appellant] was zich verder niet voldoende bewust van de reikwijdte en gevolgen van de finale kwijting, mede door de ingewikkelde schijnconstructies met betrekking tot de landgoederen en als gevolg van het feit dat hij onvoldoende geïnformeerd was.
Voor het overige heeft het hof in de memorie van grieven geen stellingen aangetroffen die voldoende kenbaar voor geïntimeerden en hof ten grondslag liggen aan vordering a.



3.33
Deze stellingen zijn in het voorgaande reeds grotendeels verworpen. Maar wat er ook zij van de juistheid ervan, zij vormen een onvoldoende feitelijke grondslag voor de gevorderde verklaring voor recht. Zij zijn onvoldoende om het beding nietig te achten op grond van strijd met de goede zeden, de openbare orde of een dwingende wetsbepaling, onvoldoende om het beding vernietigbaar te achten op grond van enig wilsgebrek en onvoldoende voor het oordeel dat het in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat [geïntimeerde 1] rechten ontleent aan het beding. Ook voor het overige ziet het hof geen ambtshalve aan te vullen rechtsgronden die toewijzing van vordering a mogelijk zouden maken.



3.34
Bij pleidooi in hoger beroep heeft [appellant] zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een "oneerlijke deelgenoot". Dit is wellicht bedoeld als een verwijzing naar HR 7 december 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC0071 (http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI%3ANL%3AHR%3A1990%3AZC0071), NJ 1991/593 (https://www.navigator.nl/) (de onwaardige deelgenoot), en daarmee als een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid bij de toepassing van een tussen deelgenoten geldende regel van verdeling. Aan de feitelijke grondslag voor vordering a voegt dit echter niets toe.



3.35
De grieven I tot en met X falen deels op grond van het voorgaande en voor het overige bij gebrek aan belang. De in verband met die grieven gedane bewijsaanbiedingen worden gepasseerd bij gebrek aan belang.



3.36
De grieven XI tot en met XVI keren zich tegen het oordeel van de rechtbank dat [appellant] in eerste aanleg misbruik van procesrecht heeft gemaakt en daarom gehouden is de advocaatkosten te vergoeden die [geïntimeerde 1] in werkelijkheid heeft gemaakt.



3.37
Van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen (als grond voor een vergoedingsplicht ter zake van alle in verband met een procedure gemaakte kosten), is pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door art. 6 EVRM.



3.38
De rechtbank heeft in rov. 4.47-4.50 onder meer – en samengevat – het volgende overwogen. Uit de correspondentie uit 2009 komt een beeld van [appellant] naar voren als een volwaardige onderhandelingspartner die tot in detail op de hoogte was van allerlei onderwerpen waarover hij in de procedure is blijven volhouden dat hij daarmee onbekend was: de waardering van de landgoederen, het overzetten van de deposito's op naam van [geïntimeerde 1] , het gebruik van het weiland, de hypotheken op het appartement en Huize Duin & Daal en de regeling betreffende de hypotheekrenteaftrek. De correspondentie waaruit dat beeld naar voren komt, heeft [appellant] niet genoemd in de dagvaarding. Ook blijkt uit de stukken van concreet advies van [B] en [P] . De stellingen van [appellant] zijn daarmee in strijd. Er zijn diverse niet-onderbouwde of eenzijdig onderbouwde beschuldigingen. [geïntimeerde 1] is geconfronteerd geweest met beslagen en heeft zakelijk last gehad van de door [appellant] ingediende miljoenenclaims. Op 20 november 2014 heeft de voorzieningenrechter oordelen in het nadeel van [appellant] gegeven die geen ruimte lieten voor misverstand. [appellant] heeft in de procedure eerst ontkend te hebben getekend voor de overboekingen van [N] 15 miljoen in 2000, daarna het vermoeden geuit dat zijn handtekening is vervalst en vervolgens de deskundigheid betwist van de ingeschakelde handschriftkundige, aldus de rechtbank.



3.39
Het hof verenigt zich met de schets die de rechtbank heeft gegeven van de wijze waarop [appellant] en zijn advocaat in eerste aanleg het proces hebben gevoerd, voor zover hiervoor in rov. 3.38 weergegeven. Die wijze van procesvoering levert schending van de in art. 21 Rv besloten liggende waarheidsplicht op en overschrijdt ook de grenzen van een behoorlijke procesvoering. Niettemin kan het hof niet uitsluiten dat [appellant] in eerste aanleg, al dan niet onder invloed van anderen, oprecht meende dat de vorderingen die zijn advocaat namens hem jegens elk van de gedaagden/geïntimeerden instelde, kans van slagen hadden en gebaseerd waren op werkelijk bestaande rechten van hem. Gelet op de terughoudendheid die bij deze beoordeling past, brengt dat het hof ertoe geen misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van de procedure aan te nemen. Daarom is er onvoldoende grond om een volledige vergoedingsplicht ter zake van de proceskosten in eerste aanleg aan te nemen. De grieven XI tot en met XVI slagen in zoverre. Voor het overige falen zij, deels op grond van hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de grieven I tot en met X, en voor het overige bij gebrek aan belang.



3.40
Het instellen van hoger beroep door [appellant] kan evenmin worden aangemerkt als misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Voor zover dit het geschil met [geïntimeerde 1] betreft, volgt dat reeds uit de omstandigheid dat het hoger beroep er mede toe dient om de volledige proceskostenveroordeling in eerste aanleg aan te tasten en dat het in dat opzicht succesvol is. Voor het hoger beroep als geheel geldt dat een groot deel van de vorderingen niet is gehandhaafd. Niet gezegd kan worden dat [appellant] zijn vorderingen in hoger beroep (uitsluitend) baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kent dan wel behoort te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moet begrijpen dat deze geen kans van slagen hebben. Er is dus geen plaats voor een volledige vergoedingsplicht ter zake van de proceskosten in hoger beroep van enige geïntimeerde.



3.41
Het voorgaande brengt ook mee dat het hof geen misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen van [appellant] door het aanspannen van de procedure aanneemt, voor zover die in eerste aanleg tegen de notaris en [geïntimeerde 3] was gericht. Daarom is er geen plaats voor een volledige vergoedingsplicht ter zake van de proceskosten in eerste aanleg van [geïntimeerde 3] of de notaris. In het midden kan blijven of [geïntimeerde 3] en de notaris in dit hoger beroep een vordering van die strekking kunnen instellen, ook al hebben zij in eerste aanleg geen reconventionele vorderingen ingesteld en geen uitdrukkelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.



3.42
De grieven I tot en met X falen. De grieven XI tot en met XVI slagen gedeeltelijk. Het vonnis waarvan beroep zal gedeeltelijk worden vernietigd, zoals hieronder te vermelden. [appellant] zal als de hoofdzakelijk in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep, berekend volgens het liquidatietarief.






4Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover daarbij onder 5.2, eerste liggende streepje, de proceskosten aan de zijde van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] tot aan de datum van het vonnis waarvan beroep zijn begroot op € 201.384,74;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

begroot de proceskosten in eerste aanleg aan de zijde van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] tot aan de datum van het vonnis waarvan beroep op € 1.519,- aan verschotten en € 14.901,50 voor salaris;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep,

aan de zijde van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] tot op heden begroot op € 1.628,- aan verschotten en € 3.759,- voor salaris en op € 157,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 82,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt,

aan de zijde van ABN AMRO tot op heden begroot op € 5.200,- aan verschotten en € 3.222,- voor salaris, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan,

aan de zijde van [geïntimeerde 3] tot op heden begroot op € 5.200,- aan verschotten en € 3.759,- voor salaris en op € 157,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 82,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan,

aan de zijde van de notaris tot op heden begroot op € 1.628,- aan verschotten en € 3.759,- voor salaris en op € 157,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 82,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;

veroordeelt [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] om al hetgeen [appellant] ter uitvoering van het bestreden vonnis meer aan hen heeft betaald dan waartoe hij op grond van dit arrest gehouden is, terug te betalen aan [appellant] , vermeerderd met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest aan deze veroordeling tot terugbetaling is voldaan;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.


Dit arrest is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, E.K. Veldhuijzen van Zanten en J.F. Aalders en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 27 november 2018.
Link naar deze uitspraak