Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Peter Houtsma)
ECLI:NL:RVS:2019:1880 
 
Datum uitspraak:12-06-2019
Datum gepubliceerd:12-06-2019
Instantie:Raad van State
Zaaknummers:201803547/1/R2
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Bij besluit van 1 maart 2018 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied" vastgesteld.
Trefwoorden:agrarisch
akkerbouw
bedrijfswoning
bestemmingsplan
boomteelt
bouwvergunning
buitengebied
fruitteelt
gewassen
intensieve veehouderij
melkvee
omgevingsvergunning
perceel
pluimvee
tuinbouw
varkenshouderij
vee
veehouderij
vleesvarkens
 
Uitspraak
201803547/1/R2.
Datum uitspraak: 12 juni 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
1.    [appellant sub 1], wonend te Oudemolen, gemeente Moerdijk,
2.    [appellant sub 2], wonend te Moerdijk,
3.    [appellante sub 3], gevestigd te Oudemolen, gemeente Moerdijk,
4.    [appellante sub 4], gevestigd te Klundert, gemeente Moerdijk,
5.    [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B], beiden wonend te Klundert, gemeente Moerdijk, (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 5]),
6.    [appellant sub 6A], [appellant sub 6B], beiden wonend te Klundert, gemeente Moerdijk, en [appellant sub 6C], wonend te Zevenbergen, gemeente Moerdijk, (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 6]),
appellanten,
en
de raad van de gemeente Moerdijk,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 1 maart 2018 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied" vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellante sub 3], [appellante sub 4], [appellant sub 5] en [appellant sub 6] beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
De raad en [appellant sub 6] hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 maart 2019, waar [appellant sub 1] en [appellant sub 2], beiden bijgestaan door [gemachtigde A], [appellante sub 3], vertegenwoordigd door [gemachtigde B] en [gemachtigde C], bijgestaan door [gemachtigde D], [appellante sub 4] en [appellant sub 5], vertegenwoordigd door [gemachtigde E], [appellant sub 6], bijgestaan door mr. E.J.H. van Lith, advocaat te Almere, en de raad vertegenwoordigd door L.D. de Kuijper-Huibregtse, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.    Het plan voorziet in de planologische regeling voor het hele buitengebied van de gemeente Moerdijk. Met het plan is beoogd om de bestaande, legale, situatie vast te leggen. Daarnaast is beoogd om alleen kleinschalige ontwikkelingen in het plan op te nemen. In het plan zijn geen grootschalige ontwikkelingen opgenomen. Volgens de plantoelichting worden aanvragen daartoe in een afzonderlijk traject beoordeeld.
    [appellant sub 1] exploiteert een bedrijf dat zich bezighoudt met de teelt van steen- en pitvruchten. Het bedrijf is gevestigd op het perceel [locatie 1] te Oudemolen, gemeente Moerdijk. [appellant sub 1] betoogt dat het plan voor dit perceel ten onrechte voorziet in beperkingen van de voor het perceel vergunde mogelijkheden voor teeltondersteunende voorzieningen.
    [appellant sub 2] exploiteert een bedrijf dat zich bezighoudt met het kweken van zachtfruit. Het bedrijf is gevestigd op het perceel [locatie 2] te Moerdijk. [appellant sub 2] kan zich niet verenigen met de in het plan opgenomen mogelijkheden voor hoge permanente teeltondersteunende voorzieningen. Hij vreest hierdoor te worden beperkt in zijn bedrijfsvoering.
    [appellante sub 3] is een gemengd agrarisch bedrijf dat zich bezig houdt met akkerbouw en het houden van vleesrundvee en vleeskuikens. Het bedrijf is gevestigd op het perceel [locatie 3] te Oudemolen, gemeente Moerdijk. [appellante sub 3] betoogt dat aan het perceel ten onrechte niet de aanduiding "intensieve veehouderij" is toegekend. Tevens betoogt [appellante sub 3] dat aan het perceel ten onrechte een archeologische dubbelbestemming is toegekend.
    [appellante sub 4] is een agrarisch bedrijf, dat zich onder meer bezig houdt met het houden van vleesvarkens en melkvee. Het bedrijf is gevestigd op het perceel [locatie 4] te Klundert, gemeente Moerdijk. [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] zijn de vennoten. [appellante sub 4] en [appellant sub 5] betogen dat het plan voor het perceel [locatie 4] ten onrechte niet voorziet in de aanduiding "intensieve veehouderij".
    [appellant sub 6] exploiteert een gemengd agrarisch bedrijf dat zich bezig houdt met akkerbouw en het houden van vee. Het bedrijf is gevestigd in Klundert op twee locaties, het perceel [locatie 5] en het perceel [locatie 6]. [appellant sub 6] betoogt onder andere dat het plan ten onrechte niet voorziet in bouwmogelijkheden voor een bedrijfswoning op het perceel [locatie 6].
Toetsingskader
2.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.
3.    De relevante wettelijke voorschriften en planregels zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.
Beroep [appellant sub 1]
4.    [appellant sub 1] kan zich niet met het plan verenigen, voor zover daarin voor het perceel [locatie 1], naar hij stelt, ten onrechte niet de mogelijkheden voor zijn bedrijf, zoals vergund bij besluit van 13 juli 2010 en bij besluit van 16 juni 2016, zijn verwerkt.
Hiertoe betoogt [appellant sub 1], onder verwijzing naar de verleende vergunningen, dat in het plan voor zijn perceel ten onrechte niet het gehele vergunde oppervlak voor permanente teeltondersteunende voorzieningen positief is bestemd. Volgens [appellant sub 1] is in het plan, in artikel 3, lid 3.2.2, aanhef en onder j, sub 1, van de planregels, het maximale oppervlak voor hoge en lage teeltondersteunende voorzieningen ten onrechte beperkt tot 5.000 m² binnen het bouwvlak. [appellant sub 1] heeft ter zitting verklaard dat op zijn perceel hoge permanente teeltondersteunende voorzieningen staan, gelegen binnen het bouwvlak en met een lengte van 156 m. Hij stelt dat, nu het plan ten onrechte geen hoge permanente teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak toestaat en daarvoor in het plan ten onrechte ook geen ontheffingsmogelijkheid is opgenomen, het voor zijn perceel vergunde oppervlak voor teeltondersteunende voorzieningen ten onrechte wordt ingeperkt. Deze inperking is volgens [appellant sub 1] in strijd met de Verordening ruimte 2014 van de provincie Noord-Brabant (hierna: Verordening 2014), nu daarin, naar hij stelt, geen beperkingen worden gesteld aan permanente teeltondersteunende voorzieningen in landelijk gebied.
Daarnaast betoogt [appellant sub 1], onder verwijzing naar de bij besluit van 16 juni 2016 verleende vergunning, dat voor zijn perceel ten onrechte niet de aanduiding "zaadveredeling" en de aanduiding "teeltondersteunende voorziening hoog permanent" in het plan zijn opgenomen. Volgens [appellant sub 1] is hij hierdoor ten onrechte beperkt in de gebruiksmogelijkheden met betrekking tot de zaadveredelingsactiviteiten voor zijn perceel.
Ter zitting heeft [appellant sub 1] verklaard dat zijn perceel voor een groot deel heeft verpacht aan een zaadverdelingsbedrijf. Dat bedrijf gebruikt, behalve de perceelsdelen van [appellant sub 1], ook andere percelen voor zaadverdelingsactiviteiten. [appellant sub 1] wijst erop dat aan die andere percelen de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - zaadteelt- en zaadverdelingsbedrijf" is toegekend.
4.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat het plan, voor zover het betreft het perceel [locatie 1], is vastgesteld in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening. De raad stelt dat met het besluit van 13 juli 2010 op het perceel permanente hoge teeltondersteunende voorzieningen tot een maximaal oppervlak van 4.944 m² binnen de bouwstede zijn toegestaan. Volgens de raad zijn deze vergunde teeltondersteunende voorzieningen verwerkt in het plan.
Daarnaast wijst de raad erop dat de bij besluit van 16 juni 2016 verleende vergunning voor het plaatsen van tunnelkassen op het perceel een tijdelijke vergunning betreft. Over hoge permanente teeltondersteunende voorzieningen heeft de raad verklaard dat er bij de voorbereiding van het plan bewust voor is gekozen om deze niet buiten het bouwvlak toe te staan. De raad verwijst in dit verband naar de Visie Buitengebied. De Visie Buitengebied, met name paragraaf 6.2.4, heeft mede ten grondslag gelegen aan het vaststellen van de maximale oppervlakte voor teeltondersteunende voorzieningen binnen het bouwvlak, als opgenomen in artikel 3, lid 3.2.2, aanhef en onder j, sub 1, van de planregels, alsook aan de mogelijkheid tot afwijken daarvan, als opgenomen in artikel 3, lid 3.3.10, van de planregels. De raad heeft verklaard dat er ook bewust voor is gekozen om in het plan geen afwijkingsmogelijheid op te nemen voor het vergroten van hoge permanente teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak. Hiertoe kan na een aanvraag daartoe buitenplans worden afgeweken. Een dergelijke aanvraag wordt beoordeeld aan de hand van het zogenoemde dynamische afwegingskader, als opgenomen in de Visie Buitengebied, aldus de raad.
4.2.    In het plan is aan het perceel [locatie 1] de bestemming "Agrarisch" toegekend en de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - bouwstede". Uit de verbeelding volgt dat voor de bouwstede op dit perceel een maximum lengte van 156 m geldt.
4.3.    Aan het voorliggende plan heeft mede ten grondslag gelegen de Visie Buitengebied van de gemeente Moerdijk, vastgesteld op 19 mei 2016. De Visie Buitengebied is als bijlage 1 bij de plantoelichting opgenomen.
    In paragraaf 1 van de Visie Buitengebied staat dat de visie enerzijds de basis vormt voor het te actualiseren bestemmingsplan "Buitengebied". Anderzijds vormt de visie een op zichzelf staand afwegingskader dat kan worden gebruikt bij de beoordeling van ruimtelijke initiatieven. Het versterken en behouden van de kwaliteit van het buitengebied staat in de visie centraal.
    In paragraaf 6.2.4 van de Visie Buitengebied wordt ingegaan op teeltondersteunende voorzieningen. De Visie Buitengebied maakt onderscheid tussen permanente en tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen.
Permanente teeltondersteunende voorzieningen (bijvoorbeeld stellingen, regenkappen, schaduwhallen en containervelden) zijn alleen binnen de bouwstede of het bouwvlak toegestaan, omdat anders de openheid van het landschap te veel wordt aangetast, aldus de Visie Buitengebied.
Kassen worden in de Visie Buitengebied aangemerkt als permanente teeltondersteunende voorzieningen en zijn alleen in de zone grondgebonden agrarisch gebied toegestaan binnen de bouwstede of het bouwvlak tot maximaal 5.000 m². Deze teeltondersteunende voorzieningen zijn niet toegestaan in de groenblauwe zone.
Tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen (bijvoorbeeld folies, hagelnetten, acryldoek, blaastunnels) mogen ook buiten de bouwstede of het bouwvlak worden geplaatst, mits goed landschappelijk ingepast. De tijdelijkheid regelt dat de voorzieningen gedurende maximaal zes maanden per jaar mogen worden gebruikt. Bij hagelnetten of kersenoverkappingen geldt dat de voorziening zes maanden gesloten mag zijn en het net of doek daarna opgerold boven het gewas mag hangen. De constructie is hierbij dus wel permanent aanwezig. Hiermee wordt ruimte gegeven aan de innovatie en wensen vanuit de markt zonder een onevenredige aantasting van de openheid van het landschap, zo staat in de Visie Buitengebied.
4.4.    Bij besluit van 13 juli 2010 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Moerdijk, op een aanvraag daartoe een bouwvergunning verleend voor het vergroten van de teeltondersteunende voorzieningen ten behoeve van fruitteelt op het perceel [locatie 1] tot een maximaal oppervlak van 4.944 m², waarbij de langste zijde van de bouwstede ten hoogste 156 m mag bedragen.
4.5.    Bij besluit van 16 juni 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Moerdijk op een aanvraag daartoe een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van tijdelijke tunnelkassen ten behoeve van zaadveredelingsactiviteiten met een totaal oppervlak van 2.400 m² op het perceel [locatie 1], tot en met 31 december 2020.
4.6.    De Afdeling stelt vast dat de bouwmogelijkheden voor teeltondersteunende teeltvoorzieningen ter plaatse van het perceel [locatie 1], zoals vergund bij besluit van 13 juli 2010, in het voorliggende plan zijn verwerkt.
Hiertoe wijst de Afdeling erop dat uit artikel 3, lid 3.2.1, aanhef, onder b, sub 1, van de planregels volgt dat op de gronden in en rondom de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - bouwstede" een bouwstede is toegestaan, met dien verstande dat de oppervlakte van de bouwstede niet meer mag bedragen dan 1,5 ha dan wel niet meer dan is opgenomen ter plaatse van de aanduiding "maximum oppervlakte (m²)". Een 'bouwstede' is in artikel 1, lid 1.34, van de planregels omschreven als een aaneengesloten oppervlakte in en rondom de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - bouwstede", waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing en verhardingen zijn toegelaten. Dit betekent dat, anders als bij een bouwvlak, een in de verbeelding weergegeven bouwstede niet de exacte begrenzing weergeeft waarbinnen bebouwing mag worden opgericht. De planregels en verbeelding bieden wel, samengevat weergegeven, een maximering van de toegestane oppervlakte aan hoge en lage teeltondersteunende voorzieningen tot 5.000 m2 en een maximaal toegestane lengte van de bouwstede van 156 m.
Nu geen sprake is van een inperking van de vergunde bouwmogelijkheden voor teeltondersteunende voorzieningen, hoeft ook niet worden ingegaan op het betoog van [appellant sub 1] dat de inperking in strijd is met de Verordening 2014.
    Het betoog faalt.
4.7.    Over het betoog van [appellant sub 1] dat het plan ten onrechte geen hoge permanente teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak toestaat en daarvoor in het plan ten onrechte ook geen ontheffingsmogelijkheid is opgenomen, waardoor het voor zijn perceel vergunde oppervlak voor teeltondersteunende voorzieningen ten onrechte wordt ingeperkt, overweegt de Afdeling als volgt.
    Het ruimtelijk beleid dat aan de planregeling die hier aan de orde is ten grondslag ligt, is hiervoor, onder 4.3 uiteen gezet. De Afdeling acht dit beleid niet onredelijk. De raad heeft in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om voor het perceel van [appellant sub 1] af te wijken van het vastgestelde beleid en in het plan het maximaal toegestane oppervlak van 5.000 m² voor hoge permanente teeltondersteunende voorzieningen binnen het bouwvlak of de bouwstede verder te vergroten.
    Gelet op het voorgaande heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid ook geen aanleiding hoeven zien om in het plan een afwijkingsmogelijkheid op te nemen, met toepassing waarvan op het perceel van [appellant sub 1] hoge permanente teeltondersteunende voorzieningen ook buiten het bouwvlak of de bouwstede worden toegestaan. Hierbij is mede van belang dat onder 4.6 van deze uitspraak is overwogen dat het bij besluit van 13 juli het vergunde oppervlak, voor de bouw van teeltondersteunende voorzieningen is verwerkt in het plan.
    Het betoog faalt.
4.8.    Over het betoog van [appellant sub 1] dat in het plan ten onrechte niet de bouwmogelijkheden voor zijn bedrijf zijn verwerkt, zoals vergund bij besluit van 16 juni 2016, overweegt de Afdeling als volgt.
    Aan deze omgevingsvergunning zijn voorschriften verbonden. De voorschriften vermelden dat de omgevingsvergunning wordt verleend voor een periode tot en met 31 december 2020. Na deze termijn ontstaat een met het bestemmingsplan strijdige situatie en geldt de verplichting dat de met het bestemmingsplan strijdige situatie dient te worden te beëindigd. De omgevingsvergunning vermeldt dat het feitelijk mogelijk is om de activiteit, te weten het bouwen van de tijdelijke tunnelkassen, zonder onomkeerbare gevolgen te beëindigen. Het voorgaande betekent, zo staat in de voorschriften bij de omgevingsvergunning, dat op 1 januari 2021 de situatie beëindigd moet zijn en beëindigd moet blijven.
    De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de bij besluit van 16 juni 2106 verleende omgevingsvergunning de plaatsing van tijdelijke tunnelkassen toestaat en dat het hierbij gaat om tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen. Vanwege het tijdelijke karakter van de toegestane tunnelkassen heeft de raad deze, mede onder verwijzing naar paragraaf 6.2.4 van de Visie Buitengebied, niet als permanente teeltondersteunende voorzieningen in het plan opgenomen. De Afdeling acht dit niet onredelijk.
    Het betoog faalt.
4.9.    Over het betoog van [appellant sub 1] dat voor zijn perceel ten onrechte niet de aanduiding "zaadveredeling" en de aanduiding "teeltondersteunende voorziening hoog permanent" in het plan zijn opgenomen en dat hij hierdoor ten onrechte in de gebruiksmogelijkheden met betrekking tot de zaadveredelingsactiviteiten voor zijn bedrijf, zoals vergund bij besluit van 16 juni 2016, wordt beperkt, overweegt de Afdeling als volgt.
    Bij besluit van 16 juni 2016 is voor het perceel een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van tijdelijke tunnelkassen ten behoeve van de zaadveredelingsactiviteiten. Ter zitting is vast komen te staan dat deze tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak staan. Nu de zaadveredelingsactiviteiten plaatsvinden in de tijdelijke tunnelkassen, die, zoals in de voorschriften bij de omgevingsvergunning staat, op 1 januari 2021 moeten zijn verwijderd en ook verwijderd moeten blijven, heeft de raad in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om voor het perceel [locatie 1] de aanduiding "teeltondersteunende voorziening hoog permanent" in het plan op te nemen. Evenmin heeft de raad aanleiding hoeven zien om voor het perceel de specifieke aanduiding "zaadveredeling" in het plan op te nemen. Hierbij is van belang dat uit artikel 1, lid 1.52 en lid 1.69, van de planregels volgt dat zowel onder hoge als lage tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen mede dient te worden begrepen bouwwerken en voorzieningen ter ondersteuning van zaadteelt en zaadveredeling. Dat wil zeggen dat het plan toestaat dat ter plaatse van de tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen ook zaadveredelingsactiviteiten plaatsvinden. Voor zover de zaadveredelingsactiviteiten ook plaatsvinden in de hoge permanente teeltondersteunende voorzieningen, wijst de Afdeling erop dat uit artikel 1, lid 1.51, van de planregels volgt dat daaronder mede dient te worden begrepen bouwwerken en voorzieningen ter ondersteuning van zaadteelt en zaadveredeling.  
    Uit het voorgaande volgt dat het plan voorziet in de bij het besluit van 16 juni 2016 voor het perceel [locatie 1] vergunde gebruiksmogelijkheden voor de tijdelijke tunnelkassen. In hetgeen is aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de bij besluit van 16 juni 2016 vergunde gebruiksmogelijkheden voor de tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen ter plaatse van het perceel [locatie 1] ten onrechte heeft ingeperkt.
    het betoog faalt.
4.10.    Voor zover [appellant sub 1] onder verwijzing naar andere percelen aanvoert dat aan zijn perceel ten onrechte niet de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - zaadteelt- en zaadverdelingsbedrijf" is toegekend, overweegt de Afdeling als volgt. De percelen met deze aanduiding vallen binnen het plangebied van een ander plan, het bestemmingsplan "[bedrijf] - Locatie Oude Heijningsedijk 16b". In de plantoelichting van dat plan staat dat het zaadveredelingsbedrijf [bedrijf] eigenaar is van deze percelen en dat deze percelen zijn ontwikkeld en gemoderniseerd tot een zaadveredelingslocatie. Mede daarom is aan die percelen de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - zaadteelt- en zaadverdelingsbedrijf" toegekend.
De percelen van [appellant sub 1] liggen in het plangebied van het voorliggende plan en worden, zo heeft [appellant sub 1] ter zitting verklaard, gedeeltelijk verpacht aan [bedrijf]. Ten behoeve van de zaadveredelingsactiviteiten door [bedrijf] ter plaatse is een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van tijdelijke tunnelkassen. Na verloop van de omgevingsvergunning kan eventueel opnieuw een omgevingsvergunning worden aangevraagd. Mede gelet op dit tijdelijke karakter heeft de raad er in redelijkheid voor kunnen kiezen om bij de vaststelling van het voorliggende plan aan de percelen van [appellant sub 1] niet de specifieke aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - zaadteelt- en zaadverdelingsbedrijf", maar de algemene bestemming "Agrarisch" toe te kennen. Hierbij is mede van belang dat uit artikel 3, lid 3.2.1, aanhef en onder d, van de planregels, gelezen in samenhang met artikel 1, lid, 1.51, lid, 1.52, lid 1.68 en lid 1.69, van de planregels, volgt dat de binnen de bestemming "Agrarisch" toegestane teeltondersteunende voorzieningen, te weten lage en hoge tijdelijke alsook lage en hoge permanente teeltondersteunende voorzieningen, alle zaadteelt en zaadveredeling toestaan.
    In hetgeen is aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad bij de vaststelling van het plan aan het perceel van [appellant sub 1] ten onrechte niet een specifieke aanduiding voor zaadteelt en zaadveredeling of voor een zaadteelt- en zaadverdelingsbedrijf heeft toegekend.
    Het betoog faalt.
5.    Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 1] ongegrond.
6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beroep [appellant sub 2] 
Ontvankelijkheid
7.    Ten aanzien van het beroep van [appellant sub 2] voert de raad aan dat [appellant sub 2] geen zienswijze over het ontwerp van het bestreden besluit naar voren heeft gebracht en dat zijn beroep om die reden niet-ontvankelijk is. Volgens de raad kan de door [gemachtigde A] ingediende zienswijze niet worden geacht namens [appellant sub 2] te zijn ingediend, omdat niet is gebleken dat [gemachtigde A] daartoe gemachtigd was.
    Het zorgvuldigheidsbeginsel brengt met zich dat, indien bij het naar voren brengen van een zienswijze een machtiging ontbreekt, deze niet om die reden buiten behandeling kan worden gelaten dan nadat de indiener in de gelegenheid is gesteld het verzuim te herstellen.
    Ter zitting is vast komen te staan dat de raad [appellant sub 2] niet in de gelegenheid heeft gesteld een machtiging over te leggen teneinde het geconstateerde verzuim te herstellen. Er is dan ook geen aanleiding om het beroep van [appellant sub 2] om die reden niet-ontvankelijk te achten.
Inhoudelijk 
8.    Het bedrijf van [appellant sub 2] is gevestigd op het perceel [locatie 2] te Moerdijk. Op het perceel staan op de gronden binnen de bouwstede hoge permanente teeltondersteunende voorzieningen. Hiervoor is bij besluit van 5 december 2001 een vergunning verleend.
Op de gronden aansluitend aan de bouwstede staan ook teeltondersteunende voorzieningen. Hiervoor hoefde onder het voorheen geldende planologische regime geen vergunning te worden afgegeven. Deze teeltondersteunende voorzieningen worden gebruikt voor de teelt van zachtfruit. Ter zitting is toegelicht dat de planten worden geteeld in bakken, waarin een stelling staat met een hoogte van ongeveer 1,50 m. De planten worden ongeveer twee maanden per jaar afgedekt.
    [appellant sub 2] betoogt dat het plan de op zijn perceel bestaande teeltondersteunende voorzieningen ten onrechte niet toestaat.
    [appellant sub 2] voert tevens aan dat in artikel 3, lid 3.2.2, aanhef en onder j, sub 1, van de planregels het oppervlak voor hoge permanente teeltondersteunende voorzieningen binnen de bouwstede ten onrechte is beperkt tot 5.000 m². Het plan voorziet in artikel 3, lid 3.3.10, van de planregels volgens [appellant sub 2] ten onrechte niet in een afwijkingsmogelijkheid met toepassing waarvan het oppervlak voor hoge permanente teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak of de bouwstede verder kan worden uitgebreid. Volgens [appellant sub 2] moet daarom het woord 'tijdelijk' uit die bepaling worden geschrapt.
8.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat het plan, voor zover het betreft het perceel [locatie 2], is vastgesteld in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening. De raad stelt onder verwijzing naar het besluit van 5 december 2001 dat voor het perceel [locatie 2] permanente hoge teeltondersteunende voorzieningen tot een maximaal oppervlak van 960 m² binnen de bouwstede zijn toegestaan. Volgens de raad zijn deze vergunde teeltondersteunende voorzieningen verwerkt in het plan. De raad heeft ter zitting, onder verwijzing naar artikel 3, lid 3.2.1, aanhef en onder d, van de planregels, verklaard dat het plan ook de op dit perceel bestaande teeltondersteunende voorzieningen op de gronden buiten de bouwstede toestaat.
8.2.    In het plan is aan het perceel [locatie 2] de bestemming "Agrarisch" toegekend en de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - bouwstede".
8.3.    Bij het besluit van 5 december 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Moerdijk, op een aanvraag van [appellant sub 2] een bouwvergunning verleend voor het bouwen van vier tunnelkassen en een silo. Het besluit vermeldt dat het bij de aanvraag overgelegde bouwplan paste binnen de mogelijkheden van het ten tijde van de aanvraag voor het perceel geldende bestemmingsplan "Landelijk Gebied 1992".
8.4.    De Afdeling stelt vast dat in het voorliggende plan de bouwmogelijkheden voor permanente hoge teeltondersteunende teeltvoorziening in de vorm van vier tunnelkassen ter plaatse van het perceel [locatie 2], zoals vergund bij besluit van 5 december 2001, zijn toegestaan.
Uit artikel 3, lid 3.2.2, aanhef, onder j, sub 1, van de planregels volgt voor de maatvoering van hoge en lage permanente teeltondersteunende voorzieningen binnen het bouwvlak of de bouwstede dat het maximale oppervlak niet meer mag bedragen dan 5.000 m2 per bouwvlak of bouwstede.
    Het oppervlak van de vier vergunde tunnelkassen bedraagt 960 m². Het besluit van 5 december 2001 vermeldt dat het bij de aanvraag overgelegde bouwplan voor de vier tunnelkassen paste binnen de mogelijkheden van het ten tijde van de aanvraag voor het perceel geldende bestemmingsplan "Landelijk Gebied 1992". Volgens dat bestemmingsplan mocht het oppervlak voor permanente kassen en permanente hoge tunnels maximaal 1.000 m² bedragen.
    Uit het voorgaande volgt dat de bij het besluit van 5 december 2001 vergunde mogelijkheden, daaronder mede begrepen het vergunde oppervlak, voor de bouw van hoge permanente teeltondersteunende voorzieningen ook zijn toegestaan in het voorliggende plan. Omdat de vergunde bouwmogelijkheden voor hoge permanente teeltondersteunende voorzieningen daarmee positief zijn bestemd, hoeft niet te worden ingegaan op het betoog van [appellant sub 2] dat de inperking in strijd is met de Verordening 2014.
    Het betoog faalt.
8.5.    [appellant sub 2] vreest dat de op zijn perceel feitelijk aanwezige teeltondersteunende voorzieningen die zich buiten de bouwstede bevinden niet positief zijn bestemd en ook niet planologisch mogelijk kunnen worden gemaakt door gebruik te maken van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid. De Afdeling overweegt hierover als volgt.
    Uit artikel 3, lid 3.2.1, aanhef en onder d, van de planregels, gelezen in samenhang met de verbeelding, volgt voor het perceel [locatie 2] dat op de gronden buiten de bouwstede lage en hoge tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen zijn toegestaan. Uit deze bepaling volgt voorts dat op de gronden direct aansluitend aan de bouwstede ook lage permanente teeltondersteunende voorzieningen toegestaan. Verder volgt uit artikel 3, lid 3.2.1, aanhef en onder d, zesde bolletje, van de planregels dat ook de bestaande hoge permanente teeltondersteunende voorzieningen buiten de bouwstede zijn toegestaan.
Uit artikel 1.26, onder a, van de planregels volgt dat onder bestaande bebouwing dient te worden begrepen legaal aanwezige bebouwing op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan. Ter zitting is vast komen te staan dat de teeltondersteunende voorzieningen, die ten tijde van de inwerkingtreding van het plan op het perceel van [appellant sub 2] bestonden, daar legaal aanwezig waren. De Afdeling stelt vast dat uit artikel 3, lid 3.2.1, aanhef en onder d, van de planregels, gelezen in samenhang met de verbeelding, volgt dat de op het perceel van [appellant sub 2] legale en bestaande teeltondersteunende voorzieningen, ook voor zover het betreft de legale en bestaande hoge permanente teeltondersteunende voorzieningen op de gronden buiten de bouwstede, zijn toegestaan.
    Het betoog faalt.
8.6.    [appellant sub 2] betoogt nog dat behalve aan zekerheid over de aanwezige, bestaande teeltondersteunde voorzieningen tevens behoefte bestaat aan uitbreiding van de planologische mogelijkheden voor hoge permanente teeltondersteunende voorzieningen. Daarover overweegt de Afdeling als volgt. Zoals hiervoor, onder 4.7, reeds is overwogen, acht de Afdeling het ruimtelijk beleid voor het toestaan van dit type teeltondersteundende voorzieningen niet onredelijk.
De raad heeft in de wens van [appellant sub 2] in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om af te wijken van het vastgestelde beleid en in het plan het maximaal toegestane oppervlak van 5.000 m² voor hoge permanente teeltondersteunende voorzieningen binnen het bouwvlak of de bouwstede verder te vergroten.
    Gelet op het voorgaande heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid ook geen aanleiding hoeven zien om het woord 'tijdelijke' uit artikel 3, lid 3.3.10, van de planregels te schrappen om aldus mogelijk te maken dat met toepassing van de afwijkingsmogelijkheid ook nieuwe hoge permanente teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak of de bouwstede mogen worden gebouwd.
    Het betoog faalt.
9.    Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 2] ongegrond.
10.    Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van het beroep van [appellant sub 2] bestaat geen aanleiding.
Beroep [appellante sub 3]
11.    [appellante sub 3] is een gemengd agrarisch bedrijf op het perceel [locatie 3] te Oudemolen, dat zich bezig houdt met het houden van vleesrundvee en pluimvee alsook met akkerbouw. [appellante sub 3] kan zich niet met het plan verenigen, voor zover aan dit perceel ten onrechte niet de aanduiding "intensieve veehouderij", maar de aanduiding "grondgebonden veehouderij" die intensieve veehouderij als neventak toestaat. [appellante sub 3] voert hiertoe aan dat de intensieve veehouderij die op het perceel plaatsvindt een primaire activiteit is en niet kan worden aangemerkt als een ondergeschikte neventak.
11.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat het plan, voor zover het betreft het perceel [locatie 3], is vastgesteld in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening. De raad heeft verklaard dat het plan met de aanduiding "grondgebonden veehouderij" voldoende mogelijkheden biedt om de agrarische activiteiten die reeds plaats vinden, ook voort te zetten. De raad wijst erop dat het plan ter plaatse van de aanduiding "grondgebonden veehouderij" ook intensieve veehouderij als neventak toestaat. Volgens de raad hoeft de intensieve veehouderij als neventak niet zo te worden uitgelegd dat deze ondergeschikt is aan de grondgebonden veehouderij als hoofdtak. Tevens wijst de raad erop dat het toekennen van de aanduiding "intensieve veehouderij" in strijd is met de Visie Buitengebied.
11.2.    In het plan is aan het perceel [locatie 3] de bestemming "Agrarisch" toegekend en de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - bouwstede" en de aanduiding "grondgebonden veehouderij".
Tevens is aan het perceel de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 5" toegekend. 
11.3.    De Visie Buitengebied vormt de basis voor de actualisering van het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied". In het kader daarvan is bij de voorbereiding van de visie het gehele buitengebied van de gemeente Moerdijk bezien aan de hand van het voorheen geldende planologische regime. In de Visie Buitengebied staat het versterken en het behouden van de kwaliteit van het buitengebied centraal.
    In paragraaf 6.2.6 van de Visie Buitengebied staat voorop dat, gelet op het overwegend grondgebonden karakter van de agrarische bedrijvigheid in het buitengebied, de vestiging van een nieuwe intensieve veehouderij of een nieuwe neventak in de intensieve veehouderij niet wordt toegestaan.
De Visie Buitengebied vermeldt dat bestaande intensieve veehouderijen als hoofdtak (die in het voorheen geldende bestemmingsplan de bestemming "Agrarisch - Intensieve veehouderij" hadden) wel ruimte krijgen binnen de kaders van de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij (de BZV). Dit betekent volgens de visie voor het bestemmingsplan dat de geldende bouwvlakken worden overgenomen en dat bestaande uitbreidingsmogelijkheden van de bebouwing binnen de bouwvlakken niet worden ingeperkt. Bij gebruikmaking van de bestaande uitbreidingsmogelijkheden geldt de toets aan de BZV.
De Visie Buitengebied vermeldt voorts dat er volgens het planologisch regime geldende ten tijde van de vaststelling van de visie, te weten 14 juli 2016, geen agrarische bedrijven waren met intensieve veehouderij als neventak. Volgens de visie geldt voor het bestemmingsplan dat het ontwikkelen van een neventak in de intensieve veehouderij niet mag worden toegestaan. Voor bestaande bedrijven met intensieve veehouderij als hoofdtak, naast akkerbouw of tuinbouw als hoofdtak, moet een maatwerkoplossing worden gezocht en geregeld in het bestemmingsplan.
Evenmin wordt de omschakeling van een grondgebonden agrarisch bedrijf naar een intensieve veehouderij toegestaan, zo staat in de Visie Buitengebied.
11.4.    Over het betoog dat in het plan aan het perceel [locatie 3] ten onrechte niet de aanduiding "intensieve veehouderij" is toegekend, overweegt de Afdeling als volgt.
    In het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied" had het perceel een agrarische bestemming en de aanduiding "bouwstede". Volgens dat plan was intensieve veehouderij als hoofdtak ter plaatse niet toegestaan.
    Volgens de Visie Buitengebied mogen in het bestemmingsplan alleen bestaande intensieve veehouderijen als hoofdtak, dat wil zeggen dat alleen de intensieve veehouderijen die in het voorheen geldende bestemmingsplan de bestemming "Agrarisch - Intensieve veehouderij" hadden, worden toegestaan. De raad heeft verklaard dat er in de Visie Buitengebied bewust voor is gekozen om grondgebonden veehouderij te ontwikkelen. In de visie wordt het niet wenselijk geacht om ruimte te bieden aan nieuwe intensieve veehouderij. De Afdeling acht dit beleid niet onredelijk. Hierbij is in aanmerking genomen dat in de Visie Buitengebied het versterken en het behouden van de kwaliteit van het buitengebied centraal staat. Vaststaat dat het perceel niet de bestemming "Agrarisch - Intensieve veehouderij" had.
Verder mag volgens de Visie Buitengebied in het bestemmingsplan omschakeling van een grondgebonden veehouderij naar intensieve veehouderij niet worden toegestaan.
    Gelet op het voorgaande heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om in het plan voor het perceel [locatie 3] te voorzien in de aanduiding "intensieve veehouderij" om aldus intensieve veehouderij als hoofdtak mogelijk te maken.
    Het betoog faalt.
11.5.    Over het betoog dat in het plan aan het perceel [locatie 3] ten onrechte de aanduiding "grondgebonden veehouderij" is toegekend, overweegt de Afdeling als volgt.
    In het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied" had het perceel een agrarische bestemming en de aanduiding "bouwstede". Volgens dat plan was ter plaatse grondgebonden veehouderij als hoofdtak toegestaan.
    In het voorliggende plan is aan het perceel [locatie 3] de bestemming "Agrarisch" en de aanduiding "grondgebonden veehouderij" toegekend. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder b, van de planregels zijn de gronden met de bestemming "Agrarisch" en de aanduiding "grondgebonden veehouderij" binnen de daarbij behorende bouwstede bestemd voor grondgebonden veehouderij en de bestaande oppervlakte van een bestaande neventak van een intensieve veehouderij. Hieruit volgt dat het plan ter plaatse van de aanduiding "grondgebonden veehouderij" en de daarbij behorende bouwstede bestaande intensieve veehouderij als neventak toestaat. Uit artikel 1, lid 1.26, van de planregels volgt dat onder een bestaande neventak van een intensieve veehouderij moet worden begrepen een ten tijde van de inwerkingtreding van het plan bestaande en legale neventak van een intensieve veehouderij.
    De Afdeling overweegt dat de raad in het voorliggende plan onvoldoende heeft gemotiveerd dat ter plaatse van het perceel ten tijde van belang sprake was van een bestaande en legale neventak van een intensieve veehouderij, als bedoeld in artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder b, gelezen in samenhang met artikel 1, lid 1.26, van de planregels.
De Afdeling wijst er in dit verband op dat er volgens de Visie Buitengebied geen agrarische bedrijven met intensieve veehouderij als neventak waren en dat bij het bestemmingsplan een nieuwe neventak in de intensieve veehouderij niet mag worden toegestaan. De raad heeft onvoldoende onderbouwd dat ten tijde van belang ter plaatse van het perceel sprake was van een bestaande en legale intensieve veehouderij.
    Voor zover [appellante sub 3] stelt dat ten tijde van de inwerkingtreding van het plan ter plaatse van zijn perceel sprake was van intensieve veehouderij als primaire activiteit, die niet kan worden aangemerkt als een ondergeschikte neventak, en de raad heeft beoogd om de activiteit voor intensieve veehouderij in de bestaande omvang als zodanig te bestemmen, is het de Afdeling niet duidelijk op grond waarvan de raad ervan uitgaat dat deze activiteit in deze omvang op grond van het plan is toegestaan. De Afdeling betrekt hierbij dat het begrip 'intensieve veehouderij als neventak' niet in het plan is omschreven.
    Gelet hierop heeft de raad onvoldoende gemotiveerd op grond waarvan het plan voor het perceel [locatie 3] voorziet in de bestemming "Agrarisch" en de aanduiding "grondgebonden veehouderij", als bedoeld in artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder b, van de planregels.
    Gezien het vorenstaande berust het bestreden besluit in zoverre niet op een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 3:46 van de Awb.
     Het betoog slaagt.
12.    [appellante sub 3] betoogt voorts dat aan het perceel [locatie 3] ten onrechte een archeologische dubbelbestemming is toegekend. Zij voert hiertoe aan dat bij de voorbereiding van het plan ten onrechte geen nieuw archeologisch onderzoek heeft plaatsgevonden. [appellante sub 3] wijst er op dat er, nadat daartoe de vereiste omgevingsvergunningen zijn verleend, na 2014 bebouwing op haar perceel is gerealiseerd. De gronden ter plaatse van het perceel zijn al bebouwd en dus geroerd. Volgens [appellante sub 3] is daarom geen sprake meer van een archeologische verwachtingswaarde op haar perceel. Gelet hierop had de raad, naar [appellante sub 3] stelt, bij de voorbereiding van het plan nieuw archeologisch onderzoek moeten verrichten. Nu bij de voorbereiding van het plan geen nieuw archeologisch onderzoek heeft plaatsgevonden, is het plan, voor zover het betreft de toekenning van de archeologische dubbelbestemming aan het perceel [locatie 3], onzorgvuldig tot stand gekomen, aldus [appellante sub 3].
12.1.    In de plantoelichting, hoofdstuk 4, paragraaf 4.2, wordt ingegaan op het gemeentelijke erfgoedbeleid. Aan dit gemeentelijke erfgoedbeleid heeft onder meer de Erfgoedwet en de Wet op de archeologische monumentenzorg ten grondslag gelegen. Volgens de plantoelichting wordt met dit beleid beoogd om het cultureel erfgoed dat zich in de bodem bevindt beter te beschermen.
De plantoelichting vermeldt dat het gemeentelijke erfgoedbeleid bestaat uit vier onderdelen, te weten de Cultuurhistoriekaart, de Archeologiekaart, de Erfgoedverordening en het Uitvoeringskader Erfgoed, die door de raad zijn vastgesteld op 18 december 2014. In dit kader heeft in 2014 voor het buitengebied van de gemeente Moerdijk archeologisch onderzoek plaatsgevonden. De bevindingen van dat onderzoek zijn opgenomen op de Archeologiekaart. Op deze kaart is aan de hand van bevindingen van het onderzoek de archeologische (verwachtings)waarde van de gronden weergegeven. De gebieden met een archeologische verwachtingswaarde zijn conform de archeologiekaart voorzien van de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie ". Op deze manier is beoogd om de mogelijke archeologische waarde van deze gebieden te beschermen. De plantoelichting vermeldt dat op basis van de Archeologiekaart in het plan een aantal dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie" is opgenomen, waarbij onderscheid is gemaakt in de waarden 4, 5 en 6.
    Aan het perceel [locatie 3] is de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 5" toegekend. Dit correspondeert met het archeologisch beleidsadviesgebied 5, waarvoor geldt dat het een gebied met hoge archeologische verwachtingen betreft. Uit dit beleid volgt dat ter bescherming en veiligstelling van de archeologische (verwachtings)waarde, voorafgaand aan het verlenen van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen ter plaatse van de beoogde bouwgronden, nader archeologisch onderzoek dient te worden verricht. Dit nadere archeologische onderzoek is beperkt tot die gronden, waar de bebouwing is beoogd. Afhankelijk van de uitkomsten van het nadere onderzoek kan het bevoegd gezag voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning. Deze voorwaarden hebben onder meer betrekking op de maximaal toegestane diepte en het maximaal toegestane oppervlak, die gelden voor de grondwerkzaamheden ter plaatse van de beoogde bouwgronden. Aldus wordt per beoogd bouwproject de archeologische (verwachtings)waarde nader ingevuld aan de hand van een archeologisch onderzoek ter plaatse van de beoogde bouwgronden. De Afdeling acht dit beleid niet onredelijk. De Afdeling stelt vast dat het gemeentelijke erfgoedbeleid, voor zover het betreft de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 5", in artikel 31 van de planregels is verwerkt. De raad heeft bij de planvaststelling in zoverre rekening gehouden met het gemeentelijke erfgoedbeleid.
    Voor zover [appellante sub 3] betoogt dat bij het aanvragen van een omgevingsvergunning ten onrechte door haar een nader archeologisch onderzoeksrapport moet worden overgelegd terwijl de gronden op haar perceel al zijn geroerd, wijst de Afdeling op artikel 31, lid 3.2.1 en lid 3.2.2, van de planregels.
Uit artikel 31, lid 3.2.1, van de planregels volgt dat bij het aanvragen van een omgevingsvergunning voor het bouwen op gronden met de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 5" door de aanvrager een archeologisch onderzoeksrapport wordt overgelegd. Dit is in overeenstemming met het gemeentelijke beleid.
Hierop is in artikel 31, lid 3.2.2, van de planregels een uitzondering gemaakt.
Uit lid 3.2.2 volgt dat lid 3.2.1. niet van toepassing is in de daar beschreven situaties, waaronder de situatie dat de aanvrager heeft aangetoond dat de gronden reeds zijn geroerd. Hieruit volgt dat in die situaties geen archeologisch onderzoeksrapport hoeft te worden overgelegd.
    Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad bij de voorbereiding van het plan ten onrechte geen nieuw archeologisch onderzoek heeft uitgevoerd of dat het plan, voor zover het betreft de toekenning van de archeologische dubbelbestemming aan het perceel [locatie 3], onzorgvuldig tot stand is gekomen.
    Het betoog faalt.
13.    Gelet op hetgeen onder 11.5 van deze uitspraak is overwogen is het beroep van [appellante sub 3] gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voor zover het voor het perceel [locatie 3] voorziet in de bestemming "Agrarisch" en de aanduiding "grondgebonden veehouderij", als bedoeld in artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder b, van de planregels.
De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de raad op te dragen om, voor de vernietigde planonderdelen, met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen en bekend te maken en zal daartoe een termijn stellen. Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid.
14.    De raad dient ten aanzien van het beroep van [appellante sub 3] op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
        Ten aanzien van de opgevoerde reis- en verletkosten ziet de Afdeling aanleiding om de veroordeling te beperken tot de kosten van één persoon, nu niet is gebleken dat vertegenwoordiging door meer dan één persoon redelijkerwijs noodzakelijk was.
Beroepen van [appellante sub 4] en [appellant sub 5]
15.    [appellant sub 5] exploiteert een agrarisch bedrijf op het perceel [locatie 4], dat zich onder meer bezig houdt met het houden van vleesvarkens en melkvee. [appellante sub 4] en [appellant sub 5] kunnen zich niet met het plan verenigen, voor zover daarin aan het perceel [locatie 4] ten onrechte niet de aanduiding "intensieve veehouderij", maar de aanduiding "grondgebonden veehouderij" is toegekend. [appellante sub 4] en [appellant sub 5] voeren hiertoe aan dat de intensieve veehouderij die op het perceel plaatsvindt, daaronder mede begrepen de varkenshouderij, niet kan worden aangemerkt als een ondergeschikte neventak. [appellante sub 4] en [appellant sub 5] stellen voorts dat de raad er bij de planvaststelling ten onrechte geen rekening mee heeft gehouden dat de varkenshouderij zou worden uitgebreid.
15.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat het plan, voor zover het betreft het perceel [locatie 3], is vastgesteld in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening. De raad wijst erop dat het plan ter plaatse van de aanduiding "grondgebonden veehouderij" ook intensieve veehouderij toestaat. Tevens wijst de raad erop dat het toekennen van de aanduiding "intensieve veehouderij" in strijd is met de Visie Buitengebied.
15.2.    In het plan is aan het perceel [locatie 4] de bestemming "Agrarisch" toegekend en de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - bestaande ruwvoeropslag" en de aanduiding "grondgebonden veehouderij".
15.3.    De bedrijfsactiviteiten op het perceel bestaan onder meer uit het houden van dieren ten behoeve van het melkveebedrijf en de varkenshouderij. Vaststaat dat [appellant sub 5] zich heeft aangemeld voor de zogenoemde stoppersregeling voor de varkenshouderij ter plaatse van het perceel [locatie 4]. Later heeft hij zich echter bedacht. [appellant sub 5] wenste de varkenshouderij toch voort te zetten. Ten tijde van de planvaststelling was de stoppersregeling nog niet geëffectueerd.
    In november 2017 is voor [appellant sub 5] een revisievergunning voor het onderdeel milieu aangevraagd om aldus de bedrijfsactiviteiten voor de varkenshouderij opnieuw vergund te krijgen om uitbreiding of wijziging van de veehouderij mogelijk te maken. Hiertoe is op 29 november 2017 een vormvrije milieueffectrapport (hierna: het MER) ingediend. Ten tijde van de planvaststelling, te weten 1 maart 2018, was op deze aanvraag nog geen besluit genomen.
De procedure voor de vormvrije MER is op 26 april 2018 afgerond.
Op 14 juni 2018 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Moerdijk verzocht om een verklaring van geen bedenkingen (hierna: vvgb) voor de door [appellant sub 5] voorgenomen uitbreiding of wijziging van de veehouderij ter plaatse het perceel [locatie 4].
Op 2 januari 2019 is naar aanleiding van dit verzoek een ontwerp-vvgb verleend.
15.4.    Over het betoog dat in het plan aan het perceel [locatie 4] ten onrechte niet de aanduiding "intensieve veehouderij" is toegekend, verwijst de Afdeling naar hetgeen over dit onderwerp reeds onder 11.4 van deze uitspraak is overwogen.
    In het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied" had het perceel een agrarische bestemming. Binnen deze bestemming was intensieve veehouderij als hoofdtak ter plaatse niet toegestaan.
    Gelet op het in de Visie Buitengebied neergelegde beleid heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om in het plan voor het perceel [locatie 4] te voorzien in de aanduiding "intensieve veehouderij" om aldus intensieve veehouderij als hoofdtak mogelijk te maken.
    Het betoog faalt.
15.5.    Over het betoog dat in het plan aan het perceel [locatie 4] ten onrechte de aanduiding "grondgebonden veehouderij" is toegekend, verwijst de Afdeling naar hetgeen over dit onderwerp reeds onder 11.5 van deze uitspraak is overwogen.
    In het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied" had het perceel een agrarische bestemming. Volgens dat plan was ter plaatse grondgebonden veehouderij als hoofdtak toegestaan.
    In het voorliggende plan is aan het perceel [locatie 4] de bestemming "Agrarisch" en de aanduiding "grondgebonden veehouderij" toegekend.
    Gelet op hetgeen in 11.5 is overwogen heeft de raad onvoldoende gemotiveerd op grond waarvan het plan voor het perceel [locatie 4] voorziet in de bestemming "Agrarisch" en de aanduiding "grondgebonden veehouderij", als bedoeld in artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder b, van de planregels.
    Gezien het vorenstaande berust het bestreden besluit in zoverre niet op een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 3:46 van de Awb.
         Het betoog slaagt.
16.    [appellante sub 4] en [appellant sub 5] betogen dat in het plan, voor zover het betreft het perceel [locatie 4], onzorgvuldig tot stand is gekomen, nu ten onrechte niet is voorzien in de gewenste uitbreiding voor de varkenshouderij, terwijl de raad hiervan al bij de planvaststelling op de hoogte was.
16.1.    De Afdeling overweegt dat door [appellante sub 4] en [appellant sub 5] geen stukken zijn overgelegd waaruit blijkt dat ten tijde van de vaststelling van het plan reeds een concreet bouwplan bestond voor uitbreiding van de varkenshouderij op het perceel [locatie 4]. Noch is anderszins aannemelijk gemaakt dat het voornemen zodanig concreet is dat dit zonder meer in het plan kon worden opgenomen. Met dit voornemen hoefde de raad bij de vaststelling van het plan dan ook geen rekening te houden.
    Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in zoverre niet zorgvuldig tot stand is gekomen.
    Het betoog faalt.
17.    Gelet op hetgeen onder 15.5 van deze uitspraak is overwogen zijn de beroepen van [appellante sub 4] en [appellant sub 5] gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voor zover het voor het perceel [locatie 4], voorziet in de bestemming "Agrarisch" en de aanduiding "grondgebonden veehouderij", als bedoeld in artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder b, van de planregels.
De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de raad op te dragen om, voor de vernietigde planonderdelen, met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen en bekend te maken en zal daartoe een termijn stellen. Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid.
18.    De raad dient ten aanzien van de beroepen van [appellante sub 4] en [appellant sub 5] op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
    Ten aanzien van de proceskosten voor de behandeling van de beroepen van [appellante sub 4] en [appellant sub 5] ziet de Afdeling aanleiding om de veroordeling te beperken tot de kosten voor de behandeling van één beroep. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de werkzaamheden voor de behandeling van de beroepen in dit geval nagenoeg identiek zijn, zodat redelijkerwijs ervan kan worden uitgegaan dat, in vergelijking met de behandeling van één zaak, de behandeling van beide zaken voor de rechtshulpverlener geen reële extra inspanning vergde.
Beroep [appellant sub 6] 
19.    [appellant sub 6] exploiteert een agrarisch bedrijf op het perceel [locatie 5] en het perceel [locatie 6]. De bedrijfslocaties liggen op ongeveer 500 m afstand van elkaar. Op het perceel [locatie 5] staat een bij het bedrijf behorende bedrijfswoning. [appellant sub 6] wenst een tweede bedrijfswoning te bouwen op het perceel [locatie 6], terwijl de bedrijfswoning op het perceel [locatie 5] blijft voortbestaan.
    [appellant sub 6] kan zich niet met het plan verenigen, voor zover het plan voor het perceel [locatie 6] niet voorziet in bouwmogelijkheden voor een tweede bedrijfswoning bij het agrarische bedrijf.
    [appellant sub 6] betoogt daartoe dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het toestaan van een tweede bedrijfswoning op het perceel [locatie 6] in strijd is met artikel 7.7 van de Verordening 2014. [appellant sub 6] voert aan dat de raad ten onrechte niet heeft onderkend dat de vereiste noodzaak, als bedoeld in artikel 7.7 van de Verordening 2014, voor de bouw van de bedrijfswoning op het perceel [locatie 6] is aangetoond.
    [appellant sub 6] stelt dat de raad het plan ten onrechte heeft vastgesteld zonder voorafgaand overleg met het college van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant (hierna: het college van GS) en zonder mee te denken over een goede maatwerk-oplossing, als bedoeld in artikel 3.3 van de Verordening 2014. [appellant sub 6] voert aan dat de noodzaak vanwege een groot openbaar belang, als bedoeld in artikel 3.3 van de Verordening 2014, van bouw van de bedrijfswoning op het perceel [locatie 6] is aangetoond.
Voorts stelt [appellant sub 6] in dit verband dat de bouw van een tweede bedrijfswoning op het perceel [locatie 6] niet kan worden aangemerkt als nieuwvestiging. Volgens [appellant sub 6] leidt het opheffen van de koppeling tussen de twee bedrijfslocaties niet tot nieuwvestiging, nu geen sprake is van verkoop van het perceel [locatie 5] aan derden en evenmin sprake is van het ontstaan van twee afzonderlijke bedrijven.
19.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat het plan, voor zover het betreft het perceel [locatie 6], is vastgesteld in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening. De raad stelt dat de bouw van een bedrijfswoning op dat perceel in strijd is met het in de Visie Buitengebied opgenomen gemeentelijke beleid en in beginsel ook met het in de Verordening 2014 opgenomen provinciale beleid. Daarom, zo stelt de raad, is in het plan niet voorzien in een tweede bedrijfswoning.
De raad heeft echter verklaard mee te willen denken over een maatwerk-oplossing, die past binnen de Verordening 2014.
19.2.    Aan het perceel [locatie 5] en het perceel [locatie 6] is de bestemming "Agrarisch" toegekend met de aanduiding "grondgebonden veehouderij" en de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - bouwstede". Het plan staat ter plaatse een bedrijfswoning toe. De op het perceel [locatie 5] bestaande woning is als zodanig bestemd.
    Het plan voorziet voor het perceel [locatie 6] niet in een tweede bedrijfswoning.
19.3.    In de gemeentelijke Visie Buitengebied, paragraaf 6.2.10 over woonfuncties op agrarische bedrijven, staat dat in principe bij elk agrarisch bedrijf een bedrijfswoning is toegestaan, mits er sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf en de noodzaak daarvoor aanwezig is (bijvoorbeeld levende have met verzorging).
De Visie Buitengebied vermeldt dat een nieuwe tweede bedrijfswoning alleen wordt toegestaan, mits hiervoor de noodzaak wordt aangetoond en aangetoond wordt dat in de directe omgeving geen woning beschikbaar is. Aan het aantonen van de noodzaak worden hoge eisen gesteld, aangezien de technologische mogelijkheden het steeds beter mogelijk maken om een bedrijf op afstand in de gaten te houden, zo staat in de Visie Buitengebied.
19.4.    De raad heeft toegelicht dat het niet toestaan van een tweede bedrijfswoning een bewuste keuze is geweest. De Afdeling overweegt dat de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat deze keuze in overeenstemming is met het gemeentelijke beleid, als opgenomen in de Visie Buitengebied, en met het provinciale beleid, als opgenomen in de Verordening 2014.
19.5.    De Afdeling stelt vast dat de raad, anders dan [appellant sub 6] betoogt, heeft meegedacht over en diverse oplossingen heeft bezien voor de wens van [appellant sub 6] om een tweede bedrijfswoning bij het bedrijf mogelijk te maken.
    De raad heeft verklaard dat naar een maatwerkoplossing wordt gezocht in de vorm van het toestaan van een tijdelijke bedrijfswoning op het perceel [locatie 6]. Hierbij is ook het college van GS om advies verzocht, met name over de vraag of en in hoeverre deze tijdelijkheid past binnen de Verordening 2014. Mede naar aanleiding van de schriftelijke reactie van het college van GS heeft de raad [appellant sub 6] bij brief van 29 januari 2019 geïnformeerd dat het gemeentebestuur in principe bereid is om onder voorwaarden medewerking te verlenen aan de realisatie van een tijdelijke bedrijfswoning in een bestaand of nieuw op te richten bedrijfsgebouw op het perceel. De raad heeft aangegeven dat voor het realiseren van deze tijdelijke woning een omgevingsvergunning voor bouwen en voor afwijken van het bestemmingsplan is benodigd.
    Uit het bovenstaande blijkt dat de raad actief heeft meegedacht en nog steeds meedenkt over een oplossing voor de wens van [appellant sub 6] om een tweede bedrijfswoning op het perceel [locatie 6] te bouwen. Om een maatwerk-oplossing te zoeken die past binnen de Verordening 2014 heeft de raad ook het college van GS geraadpleegd.
    Het betoog faalt.
20.    [appellant sub 6] kan zich niet verenigen met de in het plan toegekende aanduiding "overige zone - schootsveld", voor zover het betreft de omvang van deze aanduiding aan de gronden bij de Klundertsedijk.
[appellant sub 6] betoogt hiertoe dat omvang van de gronden met de aanduiding "overige zone - schootsveld" ten onrechte zo is vergroot in het vastgestelde plan, dat daarbij ook een deel van zijn perceel [locatie 6] en van zijn perceel [locatie 5] daaronder zijn komen te vallen.
[appellant sub 6] betoogt dat hij hierdoor ten onrechte wordt belemmerd in de bouwmogelijkheden voor zijn bedrijf.
20.1.    De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de omvang van de gronden met de aanduiding "overige zone - schootsveld" correct is vastgesteld in het plan. Ten opzichte van het ontwerpplan is de omvang van deze gronden vergroot in het vastgestelde plan. De raad heeft verklaard dat hierbij is aangesloten bij de provinciale Cultuurhistorische waardenkaart bij de Verordening 2014.
20.2.    Aan de gronden aan de Klundertsedijk en deels op de percelen van [appellant sub 6] is de bestemming "Agrarisch" met de aanduiding "overige zone - schootsveld" toegekend.
20.3.    In artikel 42, lid 42.10, van de planregels staat dat de gronden ter plaatse van de aanduiding "overige zone - schootsveld" tevens zijn bestemd voor het behoud van het open zicht op het bijbehorende fort. In artikel 42 zijn onder de kopjes 'bouwregels' geen beperkende bouwregels opgenomen voor de gronden met de aanduiding "overige zone - schootsveld". Dit betekent dat de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan voor deze gronden bij recht mogelijk maakt, direct kunnen worden gebruikt. De raad heeft verklaard dat pas als sprake is van een bouwaanvraag die niet past in het bestemmingsplan, de aanduiding "overige zone - schootsveld" mogelijk gevolgen kan hebben, omdat dan toetsing aan het gemeentelijke erfgoedbeleid nodig is.
    Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat [appellant sub 6], naar hij stelt, als gevolg van de omvang van de aanduiding "overige zone - schootsveld" ten onrechte wordt belemmerd in de bouwmogelijkheden voor zijn bedrijf.
    Het betoog faalt.
21.    [appellant sub 6] heeft voor zijn agrarische bedrijf tevens een aantal losse percelen in gebruik ten noorden van de Klundertsedijk. [appellant sub 6] betoogt dat hij ten onrechte in zijn bedrijfsvoering wordt beperkt door de toekenning van de aanduiding "overige zone - groenblauwe mantel" en de aanduiding "overige zone - behoud en herstel watersystemen" aan die gronden.
21.1.    De raad heeft bij de planvaststelling rekening gehouden met het terzake relevante provinciale beleid, als opgenomen in artikel 6 van de Verordening 2014. De plantoelichting, paragraaf 4.3.1, vermeldt dat het provinciale beleid terzake van de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen de groenblauwe mantel zijn mogelijk, mits deze gunstig zijn voor (bijdragen aan en rekening houden met) de natuur- en landschapswaarden en het bodem- en watersysteem; hiervoor geldt de zogenoemde ja-mitsbenadering, zo staat in paragraaf 4.22.2 van de toelichting op de Verordening 2014 en ook in de plantoelichting.
    In het plan zijn voor het plangebied verschillende aanduidingen binnen de agrarische bestemming opgenomen ter bescherming van de groenblauwe structuur, te weten de aanduiding "overige zone - groenblauwe mantel" en de aanduiding "overige zone - behoud en herstel watersystemen".
In artikel 42, lid 42.6, van de planregels staat dat de gronden ter plaatse van de aanduiding "overige zone - groenblauwe mantel" tevens zijn bestemd voor behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden.
In artikel 42, lid 42.4, van de planregels staat dat de gronden ter plaatse van de aanduiding "overige zone - behoud en herstel watersystemen" tevens zijn bestemd voor de verwezenlijking en het behoud, beheer en herstel van watersystemen.
De percelen van [appellant sub 6] hebben een agrarische hoofdbestemming. Binnen deze bestemming is de agrarische bedrijfsvoering van [appellant sub 6] toegestaan. De raad heeft verklaard dat het plan geen regels bevat, op grond waarvan [appellant sub 6] door de toekenning van de aanduiding "overige zone - groenblauwe mantel" en de aanduiding "overige zone - behoud en herstel watersystemen" aan zijn percelen rechtstreeks wordt beperkt in zijn agrarische bedrijfsvoering. [appellant sub 6] heeft niet concreet onderbouwd dat deze stellingname onjuist is.
    Daarnaast wijst de Afdeling erop dat de gronden met de aanduiding "overige zone - groenblauwe mantel" en de aanduiding "overige zone - behoud en herstel watersystemen" liggen aan de overzijde van de Klunderstedijk en buiten de aan de percelen van [appellant sub 6] toegekende bouwstede. Uit artikel 3, lid 3.4.1, aanhef en onder f, van de planregels volgt dat permanente verharding op de gronden buiten de bouwstede niet is toegestaan.
    Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat [appellant sub 6], naar hij stelt, als gevolg van de aanduiding "overige zone - groenblauwe mantel" en de aanduiding "overige zone - behoud en herstel watersystemen" ten onrechte wordt belemmerd in zijn agrarische bedrijfsvoering.
    Het betoog faalt.
22.    Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 6] ongegrond.
23.    Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van het beroep van [appellant sub 6] bestaat geen aanleiding.
24.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart de beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 6] ongegrond;
II.    verklaart de beroepen van [appellante sub 3], [appellante sub 4] en [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] gegrond;
III.    vernietigd het besluit van de gemeente Moerdijk van 1 maart 2018 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied,
-voor zover het voor het perceel [locatie 3] voorziet in de bestemming "Agrarisch" en de aanduiding "grondgebonden veehouderij", als bedoeld in artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder b, van de planregels, en
-voor zover het voor het perceel [locatie 4], voorziet in de bestemming "Agrarisch" en de aanduiding "grondgebonden veehouderij", als bedoeld in artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder b, van de planregels;
IV.    draagt de raad van de gemeente Moerdijk op om binnen 20 weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen ten aanzien van de onder III. genoemde onderdelen en dit zo spoedig mogelijk op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;
V.    veroordeelt de raad van de gemeente Moerdijk tot vergoeding van
-bij [appellante sub 3] in verband met de behandeling van haar beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1221,30 (zegge: duizendtweehonderdeenentwintig euro en dertig cent), waarvan € 1024,00 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand,
-bij [appellante sub 4], [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] in verband met de behandeling van hun beroepen opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1024,00 (zegge: duizendvierentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
VI.    gelast dat de raad van de gemeente Moerdijk aan [appellante sub 3] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 338,00 (zegge: driehonderdachtendertig euro) vergoedt;
VII.    gelast dat de raad van de gemeente Moerdijk aan [appellante sub 4] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 338,00 (zegge: driehonderdachtendertig euro) vergoedt;
VIII.    gelast dat de raad van de gemeente Moerdijk aan [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 170,00 (zegge: honderdzeventig euro) vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.
Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, voorzitter, en mr. F.D. van Heijningen en mr. E.A. Minderhoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.S.D. Ramrattansing, griffier.
w.g. Helder    w.g. Ramrattansing
voorzitter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2019
408.
 
BIJLAGE BIJ DE UITSPRAAK
 
VERORDENING 2014
Artikel 1
In deze verordening wordt verstaan onder:
1.64 nieuwvestiging
vestiging op een locatie die volgens het geldende bestemmingsplan niet is voorzien van een (bouwvlak op een) bestaand bouwperceel of de (af)splitsing van een (bouwvlak op een) bestaand bouwperceel;
Artikel 3.3, tweede lid
2. In afwijking van artikel 3.1, tweede lid onder a kan een bestemmingsplan nieuwvestiging mogelijk maken, mits:
a. dit noodzakelijk is vanwege een groot openbaar belang;
b. is verzekerd dat er elders daadwerkelijk een gelijkwaardige ruimtelijke ontwikkeling planologisch, juridisch en feitelijk wordt opgeheven;
c. de ruimtelijke ontwikkeling zich verhoudt tot de doelstelling van het gebied waarbinnen de ontwikkeling plaatsvindt, mede gelet op de bepalingen die zijn gesteld in hoofdstuk 3 'Structuren' en hoofdstuk 4 'Aanduidingen';
d er vanwege de nieuwvestiging geen onevenredige aantasting van waarden plaatsvindt;
e. aannemelijk is dat ruimtelijk-economische belangen voor de langere termijn aanwezig zijn;
f. de juridische of feitelijke mogelijkheden voor vestiging op een bestaand bouwperceel in de gemeente en in de omliggende gemeenten ontbreken.
Artikel 6.1
1. Een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel:
a. strekt tot behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden;
b. stelt regels ter bescherming van de ecologische, landschappelijke en hydrologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden.
2. De toelichting bij een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid, bevat een verantwoording over de wijze waarop de nodige kennis over de aanwezige ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken is vergaard.
Artikel 7.7
1. Een bestemmingsplan dat is gelegen in gemengd landelijk gebied bepaalt dat:
a. alleen bestaande burgerwoningen, bedrijfswoningen of solitaire recreatiewoningen zijn toegestaan;
b. zelfstandige bewoning van bedrijfsgebouwen, al dan niet solitaire recreatiewoningen en andere niet voor bewoning bestemde gebouwen is uitgesloten.
2. In afwijking van het eerste lid kan een bestemmingsplan voorzien in de nieuwbouw van ten hoogste één bedrijfswoning ten behoeve van een op grond van deze verordening toegelaten bedrijf binnen het bij dat bedrijf behorende bouwperceel mits de toelichting een verantwoording bevat waaruit blijkt dat:
a. de noodzaak vanwege de aard van de bedrijfsvoering aanwezig is;
b. de noodzaak van deze nieuwbouw niet het gevolg is van een eerder aanwezige, inmiddels afgestoten bedrijfswoning.
PLANREGELS BESTEMMINGSPLAN "Buitengebied"
Artikel 1
In deze regels wordt verstaan onder:
1.9 agrarisch bedrijf:
een bedrijf, gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren en waarbij de bedrijfsvoering aanbod gericht is; nader te onderscheiden in:
a. grondgebonden veehouderij:
veehouderij waarvan het voer en de mest voor het overgrote deel gewonnen respectievelijk aangewend worden op gronden die in gebruik zijn van de veehouderij en die in de directe omgeving liggen van de bedrijfslocatie, niet zijnde een paardenhouderij;
c. intensieve veehouderij:
de teelt van slacht-, fok-, leg- of pelsdieren in gebouwen (nagenoeg) zonder weidegang en/of zonder in overwegende mate afhankelijk te zijn van de bij het bedrijf behorende agrarische grond als productiemiddel;
e. fruitteelt:
de teelt van fruit in boomgaarden;
1.23 bedrijfswoning:
een woning, in of bij een gebouw of op een terrein, bedoeld voor (het huishouden van) een of meerdere personen wiens huisvesting daar gelet op de bedrijfsvoering noodzakelijk moet worden geacht;
1.26 bestaand
a. t.a.v. bebouwing: bebouwing, zoals legaal aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, dan wel die mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip verleende vergunning;
b. t.a.v. bebouwing ten behoeve van grondgebonden veehouderijen en intensieve veehouderijen, niet zijnde bestaande bedrijfswoningen:
1. de bebouwing die op 21 september 2013 aanwezig of in uitvoering
was, of
2. de bebouwing die gebouwd mag worden krachtens een verleende omgevingsvergunning, of
3. de bebouwing die is gebaseerd op een vóór 21 september 2013 ingediende volledige en ontvankelijke bouwaanvraag die in overeenstemming is met het geldende bestemmingsplan per 21 september 2013;
c. t.a.v. gebruik: het gebruik van grond en opstallen, zoals legaal aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan;
1.34 bouwstede:
een aaneengesloten oppervlakte in en rondom de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - bouwstede", waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing en verhardingen zijn toegelaten;
1.51 hoge permanente teeltondersteunende voorzieningen:
bouwwerken en voorzieningen met een bouwhoogte van meer dan 1,5 m, die ten behoeve van het verbeteren van de productie- en arbeidsomstandigheden en ten behoeve van het matigen van weersinvloeden gedurende het hele jaar aanwezig zijn ter ondersteuning van de vollegrondsgroenteteelt, boomteelt, fruitteelt, bloementeelt, sierteelt, bloembollenteelt en/of zaadteelt/zaadveredeling. Hieronder worden onder meer kassen en permanente hoge tunnels verstaan;
1.52 hoge tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen:
bouwwerken en voorzieningen met een bouwhoogte van meer dan 1,5 m, die ten behoeve van het verbeteren van de productie- en arbeidsomstandigheden en ten behoeve van het matigen van weersinvloeden gedurende maximaal zes maanden worden geplaatst ter ondersteuning van de vollegrondsgroenteteelt, boomteelt, fruitteelt, bloementeelt, sierteelt, bloembollenteelt en/of zaadteelt/zaadveredeling. Hieronder worden onder meer tijdelijke hoge tunnels en stellingen verstaan;
1.68 lage permanente teeltondersteunende voorzieningen:
bouwwerken en voorzieningen met een bouwhoogte van minder dan 1,5 m, die ten behoeve van het verbeteren van de productie- en arbeidsomstandigheden en het matigen van weersinvloeden gedurende het hele jaar aanwezig zijn ter ondersteuning van de vollegrondsgroenteteelt, boomteelt, fruitteelt, bloementeelt, sierteelt, bloembollenteelt en/of zaadteelt/zaadveredeling. Hieronder worden onder meer permanente lage tunnels verstaan;
1.69 lage tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen:
bouwwerken en voorzieningen met een bouwhoogte van minder dan 1,5 m, die ten behoeve van het verbeteren van de productie- en arbeidsomstandigheden en ten behoeve van het matigen van weersinvloeden gedurende maximaal zes maanden worden geplaatst ter ondersteuning van de vollegrondsgroenteteelt, boomteelt, fruitteelt, bloementeelt, sierteelt, bloembollenteelt en/of zaadteelt/zaadveredeling; Hieronder worden onder meer stellingen, agrocover en agryl vliesdoek verstaan;
Artikel 3
3.1
De voor "Agrarisch" aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. een volwaardig of een reëel agrarisch bedrijf, een agrarisch bedrijf bij wijze van deeltijd of agrarische activiteiten op niet-bedrijfsmatige wijze, dat kan bestaan uit één of meerdere hoofdtakken zoals is bedoeld in artikel 1, lid 1.9, onder b, e, f en h;
b. grondgebonden veehouderij, zoals is bedoeld in artikel 1 lid 1.9 onder a, en de bestaande oppervlakte van een bestaande neventak van een intensieve veehouderij, zoals is bedoeld in artikel 1 lid 1.9 onder c, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "grondgebonden veehouderij" en de daarbij behorende bouwstede;
c. intensieve veehouderij, zoals is bedoeld in artikel 1 lid 1.9 onder c, en een grondgebonden veehouderij, zoals is bedoeld in artikel 1 lid 1.9 onder a, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij';
o. bedrijfswoning, met dien verstande dat:
1. het aantal bedrijfswoningen niet meer mag bedragen dan 1 per bouwvlak of bouwstede dan wel niet meer mag bedragen dan is aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal bedrijfswoningen';
2. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' geen bedrijfswoning is toegestaan;
3.2.1
Voor het bouwen van bebouwing gelden de volgende regels:
a. er is ten hoogste 1 bedrijf per bouwvlak of bouwstede toegestaan;
b. op de gronden in en rondom de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - bouwstede" is een bouwstede toegestaan, met dien verstande dat:
1. de oppervlakte van de bouwstede niet meer mag bedragen dan 1,5 ha dan wel niet meer dan is opgenomen ter plaatse van de aanduiding "maximum oppervlakte (m²)";
2. de langste zijde van de bouwstede niet meer mag bedragen dan 150 m dan wel niet meer dan is opgenomen ter plaatse van de aanduiding "maximum lengte (m)";
3. indien de bouwsteden met elkaar verbonden zijn door middel van de aanduiding "relatie", dan is het bepaalde onder 2 niet van toepassing;
(…)
d. op de gronden welke niet zijn gelegen ter plaatse van:
1. het bouwvlak;
2. de bouwstede;
3. de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - solitaire schuur";
zijn uitsluitend toegestaan:
-terrein- en erfafscheidingen;
-voorzieningen ten behoeve van de waterbeheersing;
-lage tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen;
-lage, permanente teeltondersteunende voorzieningen mits gelegen direct aansluitend buiten bouwvlakken/bouwstedes, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - groenblauwe mantel' de oppervlakte hiervan maximaal 3 ha mag bedragen;
-hoge tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen, met uitzondering van de gronden ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - groenblauwe mantel' of de dubbelbestemming 'Waarde - Beschermd stadsgezicht', en
-bestaande hoge permanente teeltondersteunende voorzieningen.
3.2.2
Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:
a. gebouwen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van:
1. het bouwvlak;
2. de bouwstede;
3. de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - solitaire schuur";
c. de gronden welke zijn opgenomen in sublid 3.2.2, onder a.1 tot en met a.3, mogen volledig worden bebouwd, tenzij anders is aangegeven ter plaatse van de aanduiding "maximum bebouwd oppervlak"';
d. op de gronden welke niet zijn gelegen ter plaatse van:
1. het bouwvlak;
2. de bouwstede;
3. de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - solitaire schuur";
zijn uitsluitend toegestaan:
-terrein- en erfafscheidingen;
-voorzieningen ten behoeve van de waterbeheersing;
-lage tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen;
-lage permanente teeltondersteunende voorzieningen, mits gelegen direct aansluitend buiten bouwvlakken/bouwstedes, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding "overige zone - groenblauwe mantel" de oppervlakte hiervan maximaal 3 ha mag bedragen;
-hoge tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen, met uitzondering van de gronden ter plaatse van de aanduiding "overige zone - groenblauwe mantel" of de dubbelbestemming "Waarde - Beschermd stadsgezicht", en
-bestaande hoge permanente teeltondersteunende voorzieningen.
j. voor de maatvoering van hoge en lage permanente teeltondersteunende voorzieningen binnen het bouwvlak of de bouwstede geldt dat:
1. de maximale oppervlakte niet meer mag bedragen dan 5.000 m2 per bouwvlak of bouwstede;
3.3.10
Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 3.2 sublid 3.2.2 ten behoeve van het realiseren van hoge tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak of bouwstede voor het op het desbetreffende bouwvlak of bouwstede gevestigde bedrijf ter plaatse van de aanduiding "overige zone - groenblauwe mantel" of de dubbelbestemming "Waarde - Beschermd stadsgezicht", met dien verstande dat:
a. hoge tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen uitsluitend mogen worden gebruikt ten behoeve van grondgebonden teelten;
b. teeltondersteunend glas en teeltondersteunende voorzieningen met de verschijningsvorm van kassen niet zijn toegestaan;
c. de teeltondersteunende voorzieningen noodzakelijk zijn voor de agrarische bedrijfsvoering;
d. de realisatie van hoge tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen past binnen de ontwerprichtlijnen uit het Landschapskwaliteitsplan.
3.4.1
Onder strijdig gebruik met deze bestemming wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving, waaronder in elk geval wordt begrepen:
f. het gebruiken en realiseren van permanente verharding ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering, met uitzondering van toegangswegen, buiten het bouwvlak of de bouwstede;
Artikel 31
31.1
De voor "Waarde - Archeologie 5" aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor bescherming en veiligstelling van archeologische (verwachtings)waarden.
31.2.1
Alvorens een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt verleend, moet door de aanvrager een archeologisch onderzoeksrapport worden overgelegd waarin is aangetoond dat:
a. het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan worden gewaarborgd, of;
b. de archeologische waarden door de verstoring niet onevenredig worden geschaad of vernield, of;
c. in het geheel geen archeologische waarden aanwezig zijn.
31.2.2
Het bepaalde in lid 31.2.1 is niet van toepassing indien de aanvraag betrekking heeft op:
a. vervanging, vernieuwing, verandering of vergroting van bestaande bebouwing, waarbij geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd dieper dan 50 cm over een oppervlakte groter dan 100 m²;
b. het bouwen van nieuwe bouwwerken, waarbij geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd dieper dan 50 cm over een oppervlakte groter dan 100 m2;
c. een bouwwerk dat zonder verstoring, beschadiging of vernieling van archeologische waarden kan worden geplaatst;
d. gronden waarvan de aanvrager heeft aangetoond dat deze reeds zijn geroerd.
Artikel 42
42.4
Ter plaatse van de aanduiding "overige zone - behoud en herstel watersystemen" zijn de gronden tevens bestemd voor de verwezenlijking en het behoud, beheer en herstel van watersystemen.
.
42.6
Ter plaatse van de aanduiding "overige zone - groenblauwe mantel" zijn de gronden tevens bestemd voor behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden.
42.10
Ter plaatse van de aanduiding "overige zone - schootsveld" zijn de gronden tevens bestemd voor het behoud van het open zicht op het bijbehorende fort.
Link naar deze uitspraak