Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Peter Houtsma)
ECLI:NL:CRVB:2019:2204 
 
Datum uitspraak:26-06-2019
Datum gepubliceerd:11-07-2019
Instantie:Centrale Raad van Beroep
Zaaknummers:17/4917 WIA
Rechtsgebied:Socialezekerheidsrecht
Indicatie:Mate van arbeidsongeschiktheid WGA-uitkering juist vastgesteld. Zorgvuldig medisch onderzoek. Geen twijfel over de juistheid van de medische beoordeling. Geschiktheid voor de geselecteerde functie voldoende gemotiveerd.
Trefwoorden:tuinbouw
uitkering
 
Uitspraak
174917 WIA

Datum uitspraak: 26 juni 2019

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer









Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam
van 2 juni 2017, 16/6788 (aangevallen uitspraak)





Partijen:


[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)


PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K.M. van Wijngaarden, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Wijngaarden. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. van Riet.




OVERWEGINGEN


1.1.
Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als printoperator. Hij heeft zich op
4 november 2013 ziek gemeld met lichamelijke en psychische klachten. Bij besluit van
14 augustus 2015 heeft het Uwv appellant met ingang van 2 november 2015 in aanmerking gebracht voor een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 75,57%.



1.2.
Op 23 september 2015 heeft appellant bij het Uwv gemeld dat zijn gezondheid is verslechterd door de vastgestelde ernstige OSAS. Bij besluit van 12 januari 2016 heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant vastgesteld op 75,64% en meegedeeld dat zijn WGA-uitkering niet is gewijzigd. Bij besluit van 6 september 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant gegrond verklaard en vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid 78,34% bedraagt. Met inachtneming van een gewijzigde resterende verdiencapaciteit heeft het Uwv het besluit van 12 januari 2016 voor het overige gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat de beperkingen van appellant in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 10 december 2015 (lees: 11 januari 2016) op de juiste wijze zijn verwoord. Uit de medische gegevens valt volgens de rechtbank niet af te leiden dat er verdergaande beperkingen nodig zijn. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn aanvullende rapport van 8 mei 2017 afdoende gemotiveerd dat bij de eerdere beoordeling (halverwege 2015) al rekening is gehouden met de vermoeidheidsklachten van appellant en dat het vaststellen van OSAS geen reden is voor aanvullende beperkingen. Ook voor wat betreft de spier- en polsklachten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgens de rechtbank voldoende gemotiveerd dat dit geen aanvullende beperkingen rechtvaardigt. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in zijn aanvullende rapport van 17 mei 2017 naar het oordeel van de rechtbank verder inzichtelijk en genoegzaam toegelicht dat de belastbaarheid op ‘staan’ in de functies machinaal metaalbewerker met SBC-code 264122 en productiemedewerker textiel met SBC-code 272043 niet wordt overschreden.



3.1.
Appellant heeft in hoger beroep de beroepsgronden grotendeels herhaald. Hij heeft aangevoerd dat hij over zijn hand- en polsklachten niet expliciet is bevraagd en dat door de artsen van het Uwv is uitgegaan van verouderde medische informatie. Hij heeft daarnaast betoogd dat hij verdergaand beperkt is dan door de het Uwv is aangenomen met name ten aanzien van zijn fysieke belastbaarheid, de duurbelasting en arbeidsduur. Er is ten onrechte geen verdergaande urenbeperking aangenomen, terwijl een ernstige OSAS is vastgesteld. Verder zijn de rechterpols- en handklachten en de gevolgen van spierpijn als bijwerking van het gebruik van statines (cholesterolremmers) in onvoldoende mate door de verzekeringsartsen erkend. In hoger beroep heeft appellant een rapport van 20 juni 2018 ingediend van de arts A.A. Schuler en de arbeidsdeskundige M. Overduin, verbonden aan de Landelijke Expertisebalie. Schuler heeft geconcludeerd dat appellant verdergaand beperkt moet worden geacht ten aanzien van knijpkracht en repetitieve handbewegingen door de klachten aan zijn rechterhand. Overduin heeft vermeld dat de functies samensteller kunststof- en rubberproducten met SBC-code 271130 en medewerker tuinbouw met SBC-code 111010 niet passend zijn wegens een hoog handelingstempo.



3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.



4.1.
Het medisch onderzoek heeft op zorgvuldige wijze plaatsgevonden. Een arts heeft appellant op het spreekuur gezien en een verzekeringsarts bezwaar en beroep is bij de hoorzitting aanwezig geweest. Deze artsen hebben de medische stukken, alsook de naar voren gebrachte klachten, kenbaar bij hun beoordeling betrokken. De stelling van appellant dat de artsen hem niet hebben bevraagd over zijn polsklachten, wordt niet gevolgd. Uit het rapport van 15 december 2015 volgt dat de arts appellant op het spreekuur heeft bevraagd over zijn polsklachten en dat hij te kennen heeft gegeven daarvan op dat moment geen last te hebben. Ook volgt uit de stukken dat de artsen beschikten over informatie van de plastisch chirurg over de polsklachten en dat zij deze informatie hebben meegewogen. Dat de artsen bij hun beoordeling zijn uitgegaan van verouderde medische informatie, is door appellant niet nader onderbouwd en bovendien niet uit de stukken gebleken. De artsen hebben de aanwezige medische informatie meegenomen en de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in beroep en hoger beroep verder aanvullend gerapporteerd in reactie op de gronden en de overgelegde medische informatie, waaronder nadere informatie van de plastisch chirurg over de polsklachten en de informatie van Schuler. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat aspecten van de gezondheidssituatie van appellant zijn gemist.



4.2.
De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat niet is gebleken dat de beperkingen van appellant zijn onderschat. De aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.



4.3.
Over de hand- en polsklachten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 8 mei 2017 vermeld dat deze klachten bij de beoordeling in het kader van de WIA-aanvraag onderwerp van de weging zijn geweest en er geen medische grond is om aan te nemen dat de klachten sindsdien zijn verergerd. Er was volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen grond om meer beperkingen aan te nemen voor de polsklachten dan die per einde wachttijd golden, te weten frequent reiken, boven de norm duwen/trekken (rechts), tillen/dragen, frequent lichte voorwerpen hanteren, frequent zware lasten hanteren en klimmen. Op de conclusie van Schuler, dat wegens de polsklachten een aanvullende beperking aangewezen is op knijpkracht en repetitieve handbewegingen, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gereageerd in een rapport van 13 mei 2019. Hij wijst erop dat de plastisch chirurg in 2017 heeft vermeld dat de kracht aan de rechterzijde mogelijk minder zou zijn dan de gezonde zijde, maar dat het wel mogelijk moet zijn om kracht te zetten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vermeld dat appellant kijkend vanuit de in het CBBS gegeven omschrijving in staat moet zijn kracht op een object uit te oefenen om objecten te kunnen manipuleren, daarbij gaat het om zaken zoals thee inschenken en veters strikken. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep kon appellant daartoe in staat worden geacht. Er wordt geen aanleiding gezien om aan deze motivering te twijfelen. Er is niet gebleken dat appellant hiertoe niet in staat was. Hetzelfde geldt voor wat betreft de repetitieve handbewegingen. Voor de conclusie van Schuler en het standpunt van appellant dat hij door zijn hand- en polsklachten verdergaand beperkt is dan in de FML van
11 januari 2016 is vastgesteld, is in de medische informatie, waaronder de informatie van de plastisch chirurg, geen onderbouwing te vinden.



4.4.
Voorts is voor de beroepsgrond van appellant dat een verdergaande urenbeperking aangenomen had moeten worden door de spierklachten als gevolg van statines en de OSAS, geen steun gevonden in de medische informatie. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 8 mei 2017 over de spierklachten als gevolg van statines vermeld dat er geen medische informatie aanwezig is waaruit op grond van bloedwaardenbepalingen bestaande spierschade is aangetoond bij appellant. Er is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep daarom geen aanleiding gezien om op grond van die klacht verdergaande beperkingen aan te nemen. Appellant heeft hier niets tegenovergesteld en hierover geen medische informatie ingediend, zodat geen aanleiding wordt gezien om aan deze conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep te twijfelen. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep met betrekking tot de gestelde diagnose van ernstige OSAS in het rapport van 3 mei 2016 te kennen gegeven dat de vermoeidheid reeds bekend was en is meegewogen, en dat daarvoor reeds een urenbeperking is aangenomen. Dat is gebleken dat OSAS bij de vermoeidheidsklachten mede een rol speelt, maakt de belastbaarheid volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet anders. Zo gaat het om dezelfde klachten als eerder en is wegens vermoeidheid reeds een urenbeperking aangenomen. Deze conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep wordt gevolgd. Van belang is dat niet de diagnose bepalend is voor de vraag of een betrokkene al dan niet arbeidsongeschikt is, maar diens beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek. Uit de informatie van de KNO-arts van 7 augustus 2015, waarbij de diagnose ernstige OSAS is gesteld, is niet af te leiden dat de FML een onjuist beeld geeft van de situatie van appellant en dat als gevolg van die diagnose een verdergaande urenbeperking is aangewezen.



4.5.
Nu geen twijfel over de juistheid van de medische beoordeling bestaat, is er geen aanleiding om een onafhankelijk medisch deskundige te benoemen.



4.6.
Voor zover appellant onder verwijzing naar de conclusie van Overduin heeft betoogd dat de functies van samensteller kunststof- en rubberproducten en medewerker tuinbouw niet passend zijn wegens het hoge handelingstempo, wordt hij niet gevolgd. De arbeidsdeskundig analist heeft naar aanleiding van deze beroepsgrond inzichtelijk gemotiveerd dat in beide functies geen sprake is van een hoog handelingstempo. Nu appellant hier niets tegenover heeft gesteld, wordt geen reden gezien om aan de gegeven motivering te twijfelen.



4.7.
Gelet op de overwegingen 4.1 tot en met 4.6 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door R.B. Kleiss, in tegenwoordigheid van D.S. Barthel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2019.



(getekend) R.B. Kleiss



(getekend) D.S. Barthel






KS
Link naar deze uitspraak