Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Peter Houtsma)
ECLI:NL:RBNNE:2019:2999 
 
Datum uitspraak:28-06-2019
Datum gepubliceerd:11-07-2019
Instantie:Rechtbank Noord-Nederland
Zaaknummers:LEE 17-3979
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Wob-procedure voor wat betreft de subsidie-aanvragen voor het windmolenpark De Drentse Monden en Oostermoer. Omvang van het Wob-verzoek. Milieu-informatie in de zin van het arrest van het HvJ? Artikel 10 van het EVRM. Bedrijfsvertrouwelijke en concurrentiegevoelige gegevens. Persoonlijke levenssfeer. Belangenafweging.
Trefwoorden:geluidshinder
landbouwgrond
omgevingsvergunning
planschade
subsidies
wabo
wet milieubeheer
 
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 17/3979

uitspraak van de meervoudige kamer van 28 juni 2019 in de zaak tussen

de [eiseres], gevestigd te [plaats], eiseres,
(gemachtigde: mr. dr. J.G.L. van Nus),

en

de Minister van Economische Zaken, verweerder,
(gemachtigde: mr. J. van Essen).

Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen:
1. de [belanghebbende];
2. de [belanghebbende].;
3. de [belanghebbende]
hierna gezamenlijk te noemen: derde-belanghebbenden,
(gemachtigde: mr. A. ten Veen).



Procesverloop
Bij besluit van 29 maart 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder een beslissing genomen op het verzoek ingevolge de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) van eiseres d.d. 1 februari 2017.

Bij besluit van 9 oktober 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaarschrift van eiseres gedeeltelijk gegrond verklaard en het primaire besluit van 29 maart 2017 herroepen, in die zin dat de documenten met de nummers 1.1, 1.4, 1.9, 1.12, 1.15, 1.18, 1.21, 1.24, 1.27, 1.30, 1.33, 1.36, 1.39, 1.42, 2.7, 2.12, 2.16 tot en met 2.31, 3.8, 3.10, 3.12, 3.14, 3.16, 3.18, 3.20, 3.22, 3.24, 3.26, 3.28, 3.30, 3.32, 3.34, 3.36, 3.38, 3.40 en 4 gedeeltelijk openbaar worden gemaakt.

Tegen het bestreden besluit heeft eiseres beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 28 december 2017 de rechtbank verzocht ten aanzien van een aantal documenten toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en wel in die zin dat uitsluitend de rechtbank daarvan kennis zal mogen nemen.


Bij beslissing van 16 januari 2018 heeft de rechtbank geoordeeld dat de verzochte beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is.

Eiseres heeft bij brief van 29 januari 2018 toestemming in de zin van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb verleend.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is behandeld op de zitting van 12 juni 2018.
Namens eiseres is [naam] verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde.
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Namens derde-belanghebbenden is voornoemde gemachtigde verschenen.

Ingevolge artikel 8:64, eerste lid, van de Awb heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting van 12 juni 2018 geschorst, teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen om een set genummerde stukken (nummering per document), waarop artikel 8:29 van de Awb van toepassing is, te doen toekomen aan de rechtbank.

Op 25 juni 2018 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken in vorenbedoelde zin aan de rechtbank toegezonden. In de begeleidende brief heeft verweerder op grond van artikel 8:29 van de Awb aan de bestuursrechter medegedeeld dat uitsluitend hij kennis zal mogen nemen van een deel van de stukken.

Bij beslissing van 12 juli 2018 heeft de rechtbank geoordeeld dat de verzochte beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is.

Eiseres heeft bij brief van 17 juli 2018 toestemming in de zin van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb verleend.

Verweerder heeft bij brief van 20 juli 2018, aangevuld bij brief van 31 juli 2018, een nadere reactie in het geding gebracht.

Eiseres heeft bij brief van 17 oktober 2018 inhoudelijk gereageerd op voormelde reacties van verweerder.

De enkelvoudige kamer van deze rechtbank heeft besloten om de zaak te verwijzen naar een meervoudige kamer van deze rechtbank.

Het onderzoek ter zitting is hervat op 18 april 2019.
Namens eiseres is [naam] verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde.
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en mr. P.J. Kooiman.
Namens derde-belanghebbenden is [naam] verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde
mr. J. Tingen.



Overwegingen



Feiten en omstandigheden
1. Bij haar oordeelsvorming betrekt de rechtbank de navolgende feiten en omstandigheden.


1.1.
Eiseres heeft bij brief van 1 februari 2017 een Wob-verzoek ingediend bij verweerder. Dit Wob-verzoek heeft betrekking op de SDE+-subsidieaanvraag voor windpark De Drentse Monden en Oostermoer en meer specifiek op het navolgende:
- de verleende omgevingsvergunning;
- de toestemmingsverklaring van de eigenaar van de beoogde locatie;
- de haalbaarheidsstudie, overeenkomstig en ingevolge:
a. handleiding haalbaarheidsstudie SDE+;
b. model exploitatieberekening SDE+,
inclusief windrapport en inbegrepen de financiële onderbouwing die is vereist ingevolge artikel 56, tweede lid en sub e, van het Besluit stimulering duurzame energieproductie (hierna: het Besluit), dus met de wijze en de kosten van financiering van eigen en vreemd investeringsvermogen of althans inzicht in de uitkomsten van het onderzoek naar de uitvoerbaarheid en de in dat onderzoek betrokken elementen, met de totale tijdsopgave, haalbaarheidsopgave en zaaksopgave, gebruiksklaar met netopgave en opgave van de uitvoerbaarheid voor wat betreft de technische en economische haalbaarheid;
- een blijk van invulling van artikel 59 van het Besluit, waarbij verweerder in ieder geval afwijzend op een aanvraag beslist indien:
a. de aanvraag niet voldoet aan dit besluit en de daarop berustende bepalingen;
b. hij het onaannemelijk acht dat de productie-installatie binnen vier jaar of binnen de bij of krachtens artikel 61, eerste lid, vastgestelde termijn in gebruik wordt genomen;
c. hij het onaannemelijk acht dat het plan, bedoeld in artikel 56, tweede lid, onderdeel d:
1. uitvoerbaar is;
2. technisch haalbaar is;
3. financieel haalbaar is;
4. economisch haalbaar is;
d. één of meer vergunningen als bedoeld in artikel 56, tweede lid, onderdeel c, niet zijn verleend;
- een blijk van invulling van artikel 59 van het Besluit, waarbij voor een categorie productie-installaties kan worden bepaald dat verweerder afwijzend op een aanvraag beslist, indien geen toestemming van de eigenaar van de beoogde locatie is verkregen voor het plaatsen van de productie-installatie.



1.2.
Verweerder heeft bij brief van 13 februari 2017 de ontvangst op 3 februari 2017 van voormeld Wob-verzoek bevestigd. Tevens heeft verweerder met deze brief de beslistermijn met betrekking tot dit Wob-verzoek verdaagd tot 31 maart 2017.



1.3.
Bij e-mailbericht van 17 februari 2017 aan verweerder heeft eiseres voormeld Wob-verzoek verduidelijkt, in die zin dat gedoeld wordt op alle documenten die ingevolge artikel 56 en 59 van het Besluit bij een aanvraag moeten worden ingediend.



1.4.
Bij primair besluit van 29 maart 2017 heeft verweerder het Wob-verzoek van eiseres gedeeltelijk ingewilligd.



1.5.
Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 8 mei 2017 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend.



1.6.
Eiseres heeft het bezwaarschrift mondeling toegelicht op een telefonische hoorzitting van 13 juli 2017. Een verslag van deze hoorzitting bevindt zich onder de gedingstukken.


1.7.
Naar aanleiding van de telefonische hoorzitting heeft eiseres bij brief van 27 juli 2017 aanvullende gronden van bezwaar ingediend.



1.8.
Derde-belanghebbenden hebben bij brief van 3 augustus 2017 een zienswijze bij verweerder ingediend.



1.9.
Eiseres heeft bij brief van 28 augustus 2017 de gronden van bezwaar aangevuld.



1.10.
Derde-belanghebbenden hebben bij brief van 28 augustus 2017 een reactie op de aanvulling van de gronden van bezwaar bij verweerder ingediend.



1.11.
Eiseres heeft bij brief van 1 september 2017 de gronden van bezwaar aangevuld.



1.12.
Derde-belanghebbenden hebben bij brief van 12 september 2017 een nadere reactie op de aanvulling van de gronden van bezwaar bij verweerder ingediend.



1.13.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift van eiseres gedeeltelijk gegrond verklaard en het primaire besluit van 29 maart 2017 herroepen, in die zin dat de documenten met de nummers 1.1, 1.4, 1.9, 1.12, 1.15, 1.18, 1.21, 1.24, 1.27, 1.30, 1.33, 1.36, 1.39, 1.42, 2.7, 2.12, 2.16 tot en met 2.31, 3.8, 3.10, 3.12, 3.14, 3.16, 3.18, 3.20, 3.22, 3.24, 3.26, 3.28, 3.30, 3.32, 3.34, 3.36, 3.38, 3.40 en 4 gedeeltelijk openbaar worden gemaakt.




Toepasselijke regelgeving
2. Ingevolge artikel 1, aanhef, en onder a, van de Wob wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder document: een bij een bestuursorgaan berustend schriftelijk stuk of ander materiaal dat gegevens bevat.
Ingevolge artikel 1, aanhef, en onder b, van de Wob wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder bestuurlijke aangelegenheid: een aangelegenheid die betrekking heeft op beleid van een bestuursorgaan, daaronder begrepen de voorbereiding en de uitvoering ervan.
Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.
Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Wob vermeldt de verzoeker vermeldt bij zijn verzoek de bestuurlijke aangelegenheid of het daarop betrekking hebbend document, waarover hij informatie wenst te ontvangen.
Ingevolge artikel 3, vijfde lid, van de Wob wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11.
Ingevolge artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover dit: bedrijfs- en fabricagegegevens betreft, die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld.
Ingevolge artikel 10, tweede lid, van de Wob blijft, voor zover thans van belang, het verstrekken van informatie ingevolge deze wet eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen:
(…);
e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;
(…);
g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.
Ingevolge artikel 10, vierde lid, van de Wob zijn het eerste lid, aanhef en onder c en d, het tweede lid, aanhef en onder e, en het zevende lid, aanhef en onder a, niet van toepassing voor zover het milieu-informatie betreft die betrekking heeft op emissies in het milieu. Voorts blijft in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder c, het verstrekken van milieu-informatie uitsluitend achterwege voor zover het belang van openbaarmaking niet opweegt tegen het daar genoemde belang.


2.1.
Ingevolge artikel 19.1a, eerste lid, van de Wet milieubeheer (Wm) wordt in dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen verstaan onder milieu-informatie: alle informatie, neergelegd in documenten, over:
a. de toestand van elementen van het milieu, zoals lucht en atmosfeer, water, bodem, land, landschap en natuurgebieden met inbegrip van vochtige biotopen, kust- en zeegebieden, biologische diversiteit en haar componenten, met inbegrip van genetisch gemodificeerde organismen, en de interactie tussen deze elementen;
b. factoren, zoals stoffen, energie, geluid, straling of afval, met inbegrip van radioactief afval, emissies, lozingen en ander vrijkomen van stoffen in het milieu die de onder a. bedoelde elementen van het milieu aantasten of waarschijnlijk aantasten;
c. maatregelen, met inbegrip van bestuurlijke maatregelen, zoals beleidsmaatregelen, wetgeving, plannen, programma’s, milieuakkoorden en activiteiten die op de onder a. en b. bedoelde elementen en factoren van het milieu een uitwerking hebben of kunnen hebben, alsmede maatregelen of activiteiten ter bescherming van die elementen.




Overwegingen
3. Tussen partijen is in geschil of verweerder terecht het Wob-verzoek van eiseres gedeeltelijk heeft ingewilligd. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.


Intrekking beroepsgrond

4. Ter zitting is komen vast te staan dat het document 1.36 door verweerder aan eiseres is verstrekt, zodat de daarmee samenhangende grond van beroep is ingetrokken. Dit betekent dat deze grond geen inhoudelijke bespreking meer behoeft.


Omvang van het Wob-verzoek

5. In procedureel opzicht overweegt de rechtbank als volgt.


5.1.
Eiseres betoogt dat de planschaderisicoanalyse is gebaseerd op milieu-informatie,
zodat artikel 10, vierde lid, van de Wob van toepassing is. In dit verband wijst eiseres erop dat de afwaardering van de woningwaarde in planschadeprocedures objectief wordt onderbouwd door een opeenstapeling van milieueffecten. De mate van die effecten zijn volgens eiseres gebaseerd op milieu-informatie zoals (laagfrequent)geluidshinder, trillingen en aantasting van landschap, externe veiligheid, natuur, cultuurhistorie en dergelijke. Naar de mening van eiseres is er bij milieu-informatie sprake van een zwaarwegend belang, en weegt dit belang zwaarder dan het (eventuele) belang dat bedrijfsgevoelige informatie niet openbaar wordt.



5.2.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat de planschaderisicoanalyse geen (verplichte) bijlage is die bij een aanvraag in het kader van de SDE moet worden gevoegd. In dit verband wijst verweerder erop dat uit de niet-ingevulde exploitatieberekening, die bij het verweerschrift is gevoegd, blijkt dat een planschaderisicoanalyse geen onderdeel uitmaakt van de exploitatieberekening. Gelet hierop is het verweerder dan ook onduidelijk waarop eiseres precies doelt.



5.3.
Uit vaste jurisprudentie van de AbRvS, onder meer kenbaar uit ECLI:NL:RVS:2005: AU7938, volgt dat het eiseres is toegestaan om in de bezwaarprocedure een nadere invulling van het oorspronkelijke Wob-verzoek te geven.



5.4.
De rechtbank stelt vast dat het oorspronkelijke Wob-verzoek van eiseres geen betrekking heeft op de planschaderisicoanalyse. Verder dient te worden vastgesteld dat de door eiseres in de bezwaarprocedure gegeven nadere invulling van het oorspronkelijke Wob-verzoek geen betrekking heeft op de planschaderisicoanalyse. Uit voormelde jurisprudentie van de AbRvS leidt de rechtbank af dat het niet is toegestaan om het Wob-verzoek (in bezwaar of beroep) aan te vullen, zodat het ervoor moet worden gehouden dat het Wob-verzoek van eiseres geen betrekking heeft op de planschaderisicoanalyse. Dat eiseres betoogt dat er sprake is van een van een onlosmakelijke juridische samenhang in de zin van artikel 2.7, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) tussen de planschaderisicoanalyse en voormelde documenten, waarop het Wob-verzoek wel betrekking heeft, kan niet worden gevolgd, gelet op het feit dat de door haar gestelde onlosmakelijke samenhang in de zin van artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo niet van toepassing is op de Wob. Deze grond van eiseres slaagt niet.

6. De rechtbank stelt vast dat de gronden van beroep betrekking hebben op de navolgende aspecten:
a. artikel 10 van het Europese Verdrag voor Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM);
b. Wet open overheid (Woo);
c. milieu-informatie en emissiegegevens;
d. bedrijfsvertrouwelijke gegevens;
e. exploitatieovereenkomst;
f. anterieure overeenkomsten;
g. onevenredige bevoor- of benadeling;
h. persoonlijke levenssfeer;
Het komt de rechtbank in dit geval aangewezen voor om voormelde gronden van beroep afzonderlijk te beoordelen.


Ten aanzien van artikel 10 van het EVRM



7.1.
Eiseres voert aan dat recent is gebleken dat de Wob onder omstandigheden dient te wijken voor artikel 10 van het EVRM. Eiseres betoogt dat zij in dit geval wordt belemmerd in de uitoefening van het specifieke recht om op grond van artikel 10, eerste lid, van het EVRM inlichtingen te ontvangen, zonder dat dit op grond van artikel 10, tweede lid, van het EVRM is gerechtvaardigd. Verder wijst eiseres erop dat door voormalig minister Kamp is opgemerkt dat windturbines op land vaak als overlast worden ervaren. Op zee is dit veel minder en daarom worden windturbines geconcentreerd op de Noordzee. In de visie van eiseres is er door dit tegenstrijdige geluid bij haar en de omgeving veel verwarring ontstaan en is met verbijstering op dit bericht gereageerd, nu dit niet rijmt met het onderhavige windpark.



7.2.
Verweerder wijst erop dat de AbRvS in een uitspraak van 25 oktober 2017, kenbaar uit ECLI:NL:RVS:2017:2883, heeft overwogen dat met de weigeringsgronden in de Wob is voorzien in een wettelijke grondslag voor de inmenging in het in artikel 10 van het EVRM gewaarborgde recht om inlichtingen te ontvangen. In het algemeen mag er volgens de AbRvS vanuit worden gegaan dat de wetgever bij het formuleren van de weigeringsgronden in de Wob heeft voorzien in beperkingen die noodzakelijk zijn in een democratische samenleving met het oog op een legitiem belang. Dit gaat volgens de AbRvS echter niet altijd op. Een uitzondering is op zijn plaats als een verzoeker stelt en aannemelijk maakt dat er zeer bijzondere omstandigheden zijn die meebrengen dat hij, ondanks toepassing van de Wob, in de uitoefening van het specifieke recht om op grond van artikel 10, eerste lid, van het EVRM inlichtingen te ontvangen, wordt belemmerd zonder dat dit op grond van artikel 10, tweede lid, van het EVRM is gerechtvaardigd. Verweerder wijst er verder op dat het in voormelde uitspraak van de AbRvS gaat om het verzoek van de nieuwsmedia om de MCCb-verslagen over de ramp met de MH17 openbaar te maken. Het onderhavige beroep heeft betrekking op het verzoek om openbaarmaking van gegevens van het windpark De Drentse Monden en Oostermoer (najaarsronde 2016). Deze twee gevallen zijn naar de mening van verweerder niet met elkaar te vergelijken. Daarnaast wijst verweerder erop dat de AbRvS heeft geoordeeld dat er geen zeer bijzondere omstandigheden aannemelijk zijn gemaakt die zouden meebrengen dat van een ongerechtvaardigde belemmering als hiervoor bedoeld, sprake is. Daarnaast merkt verweerder op dat het gegeven dat windturbines op land vaak als overlast worden ervaren, eiseres niet kan verbazen. Zij is er immers zelf op gericht om voormeld windpark te stoppen. Verder wijst verweerder erop dat door voormalig minister Kamp is aangegeven dat windturbines vooral worden geconcentreerd op de Noordzee. In de visie van verweerder valt hieruit echter niet op te maken dat er geen windturbines op land meer zullen worden gerealiseerd. Gelet hierop kan verweerder eiseres dan ook niet volgen in haar stelling dat er in dit geval sprake is van ‘zeer bijzondere omstandigheden’, waardoor de Wob dient te wijken voor artikel 10 van het EVRM.



7.3.
Ingevolge artikel 10, eerste lid, van het EVRM heeft een ieder recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen. Dit artikel belet Staten niet radio,- omroep-, bioscoop- of televisieondernemingen te onderwerpen aan een systeem van vergunningen.
Ingevolge artikel 10, tweede lid, van het EVRM kan, daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, het in artikel 10 neergelegde recht worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen.



7.4.
Uit vaste jurisprudentie van de AbRvS, onder meer kenbaar uit ECLI:NL:RVS:2017: 2883, volgt dat artikel 10 van het EVRM niet vereist dat alle informatie verstrekt wordt of openbaar wordt gemaakt en biedt het artikel staten die partij zijn bij het verdrag de mogelijkheid bij wet beperkingen te verbinden aan het verstrekken dan wel openbaar maken van gegevens en documenten. Met de bepalingen betreffende de weigeringsgronden in de Wob is inmenging in het in artikel 10, eerste lid, van het EVRM gewaarborgde recht om inlichtingen te ontvangen bij wet voorzien. De AbRvS stelt voorop dat er in het algemeen van mag worden uitgegaan dat de wetgever bij het formuleren van de weigeringsgronden in de artikelen 10 en 11 van de Wob heeft voorzien in beperkingen die noodzakelijk zijn in een democratische samenleving met het oog op de in artikel 10, tweede lid, van het EVRM genoemde belangen. De weigeringsgronden van de Wob strekken ter bescherming van een of meer van deze belangen. Dit uitgangspunt staat er evenwel niet aan in de weg dat een verzoeker aangeeft dat en waarom in zijn concrete situatie aan dit uitgangspunt niet kan worden vastgehouden. Het ligt dan op de weg van de verzoeker om zeer bijzondere omstandigheden te stellen en aannemelijk te maken die zouden meebrengen dat de verzoeker, ondanks toepassing van de Wob, in de uitoefening van het specifieke recht om op grond van artikel 10, eerste lid, van het EVRM inlichtingen te ontvangen, wordt belemmerd zonder dat dit op grond van artikel 10, tweede lid, van het EVRM is gerechtvaardigd. Indien wordt aangenomen dat dergelijke bijzondere omstandigheden zich voordoen en een weigering om inlichtingen te verstrekken niet op grond van artikel 10, tweede lid, van het EVRM kan worden gerechtvaardigd, zal een weigering in strijd zijn met artikel 10 van het EVRM. In het geval een absolute weigeringsgrond aan de weigering ten grondslag is gelegd, wordt dan de desbetreffende bepaling van de Wob ingevolge artikel 94 van de Grondwet buiten toepassing gelaten. Indien een relatieve weigeringsgrond aan de weigering ten grondslag is gelegd, zal het ontbreken van een rechtvaardiging als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van het EVRM in beginsel tot uitdrukking kunnen komen bij uitleg en toepassing van de bepalingen van de Wob waarin de relatieve weigeringsgrond is neergelegd. Aan aspecten die voor de beoordeling van een Wob-verzoek in beginsel niet van belang zijn, zoals de hoedanigheid van de verzoeker en het onderwerp van het verzoek, komt bij de vraag naar toepasselijkheid van artikel 10, eerste lid, van het EVRM en bij de vraag of zich een rechtvaardiging als bedoeld in het tweede lid van dit artikel voordoet, wél betekenis toe.



7.5.
Na met toepassing van artikel 8:29 van de Awb kennis te hebben genomen van de door verweerder vertrouwelijk ingediende documenten, is de rechtbank van oordeel dat de verweerder zich, onder verwijzing naar de artikelen 10 en 11 van de Wob, op het standpunt heeft mogen stellen dat het belang bij openbaarheid niet opweegt tegen de met de weigering beschermde belangen, te weten: het belang van bedrijfs- en fabricagegegevens die vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld, het belang van de eerbieding van de persoonlijke levenssfeer en het voorkomen van onevenredige benadeling. Zeer bijzondere omstandigheden die zouden meebrengen dat van een ongerechtvaardigde belemmering als hiervoor bedoeld sprake is, zijn niet aannemelijk gemaakt. De enkele stelling van eiseres dat zij door uitlatingen van voormalig minister Kamp op het verkeerde been is gezet, is hiertoe, wat er verder ook van zij, onvoldoende. Voorts heeft het feit dat het maatschappelijke belang bij openbaarmaking groot is, naar het oordeel reeds voldoende plaats gekregen in de artikelen 10 en 11 van de Wob en de belangenafweging die met toepassing van deze artikelen heeft plaatsgevonden. Bij het voorgaande is van betekenis dat verweerder een aanzienlijk deel van de verzochte informatie via de wel openbaar gemaakte documenten aan eiseres heeft verstrekt. Het voorgaande brengt met zich dat eiseres in het licht van artikel 10, tweede lid, van het EVRM niet op onrechtmatige wijze is belemmerd in haar aan artikel 10, eerste lid, van het EVRM ontleende recht om inlichtingen van de overheid te ontvangen. Deze grond van eiseres slaagt niet.


Ten aanzien van de Woo



8.1.
Eiseres betoogt dat het gegeven dat het wetsvoorstel Woo nog niet in werking is getreden, niet wegneemt dat, gelet op de wijzigingen die de Woo met zich zal brengen, het voor de praktijk van belang is om de ontwikkelingen te volgen. In dit verband wijst eiseres erop dat het doel van de Woo is om overheden en semi-overheden transparanter te maken en een cultuuromslag te bewerkstelligen. Daarbij acht eiseres van belang dat de Woo een uitvloeisel en bovendien een bekrachtiging is van de voortdurende rechtspraak, gewezen aan de hand van de huidige Wob en dus een richtsnoer. Volgens eiseres zijn de initiatiefnemers van de Woo van mening dat de Wob niet meer past in de huidige informatiesamenleving, omdat te weinig informatie uit eigen beweging openbaar wordt gemaakt. Zo blijkt uit de Memorie van Toelichting (MvT) van de Woo dat actieve openbaarheid een belangrijke rol krijgt, aldus eiseres.



8.2.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat het Wob-verzoek van 1 februari 2017 is beoordeeld op grond van het wettelijk kader dat de Wob hiervoor geeft. Volgens verweerder is de Wob het van toepassing zijnde recht en uit vaste jurisprudentie van de AbRvS, onder meer kenbaar uit ECLI:NL:RVS:2014:4142, volgt dat op wetswijzigingen niet mag worden geanticipeerd. In dit verband wijst verweerder erop dat de behandeling van het wetsvoorstel Woo voorligt in de Eerste Kamer en daarmee geen zekere toekomstige gebeurtenis is.



8.3.
De rechtbank stelt vast dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit door verweerder de Wob het te hanteren toetsingskader is. Gelet op het feit dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit de behandeling van het wetsvoorstel voorligt in de Eerste Kamer, heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat op grond van vaste jurisprudentie van de AbRvS niet kan worden geanticipeerd op wetswijzigingen. In hetgeen eiseres heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van de door verweerder in rechtsoverweging 8.2. aangehaalde vaste jurisprudentie van de AbRvS. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat uit de door eiseres aangehaalde uitspraken van de AbRvS dient te worden afgeleid dat niet kan worden geanticipeerd op toekomstige wetswijzigingen. Deze grond van eiseres slaagt niet.niet onverkort van toepassing zijn in dit geval.


Ten aanzien van milieu-informatie



9.1.
Eiseres betoogt dat voor de berekening van de energieopbrengsten ter garantstelling van de financieel-economische uitvoerbaarheid een windmeting op locatie dient te worden uitgevoerd. Deze locatie specifieke windmetingen en turbine specifieke toerentallen zijn volgens eiseres van belang voor het in beeld brengen van (laagfrequente) geluidsemissies, externe veiligheidseffecten en sterftecijfers van vogels. Gelet hierop verzoekt eiseres om openbaarmaking van de voltallige windmeting(en) en toerentallen met energieopbrengst-berekeningen, zoals die in de haalbaarheidsstudie van de SDE+-aanvraag staan. In dit verband wijst eiseres erop dat ingevolge artikel 19.1a van de Wm onder factoren zoals geluid en straling, milieu-informatie moet worden verstaan. Tevens moeten onder “emissies in het milieu” en “informatie over emissies in het milieu” in de visie van eiseres niet alleen gegevens worden begrepen die de daadwerkelijke uitstoot betreffen, maar ook gegevens over de invloeden van die emissies op het milieu en gegevens die het publiek in staat stellen te controleren of beoordelingen van de daadwerkelijke of voorzienbare emissies, welke beoordelingen aan de besluitvorming door een bestuursorgaan ten grondslag hebben gelegen, juist zijn. In dit verband wijst eiseres erop dat uit de inhoudsopgave van voormelde windrapporten blijkt dat het rapport in ieder geval een relatie met het milieu heeft. Uit de inhoudsopgave onder ‘(2) Methoden’ van voormeld windrapport blijkt volgens eiseres dat een ‘(2.3) Windklimaat-analyse’ is uitgevoerd, zoals: (2.3.1) Windmetingen, (2.3.2) Lokale windklimaten per turbine, (2.3.3), Temperatuur, dichtheid en luchtdruk, (2.3.4). De vermogenscurve en (2.3.5) Turbines in de omgeving. Bovendien blijkt volgens eiseres ook uit voormeld windrapport onder ‘(3) Resultaten’ dat het rapport in ieder geval een relatie met het milieu heeft, namelijk: (3.1) Windklimaat, (3.2) Windviewer, (3.) Bruto en Netto P50 productievoorspelling, (3.3.1) Afslagen en de (3.3.2) Netto productieverwachtingen. Eiseres wijst erop dat de Memorie van Toelichting (MvT; TK 2002/03, 28 835, nr. 3) via voorbeelden illustreert wat onder milieu-informatie dient te worden verstaan. Onder milieu-informatie valt bijvoorbeeld een bij een bestuursorgaan berustend onderzoeksrapport naar de invloed van luchtverontreiniging op de gezondheid van inwoners van een bepaald geïndustrialiseerd gebied. In dit verband wijst eiseres erop dat voormelde windrapporten bij een bestuursorgaan, te weten de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, berusten. Volgens eiseres betreft dit een onderzoeksrapport naar de invloed van windenergie-opbrengstberekening van het windpark Drentse Monden en Oostermoer. Gelet hierop is eiseres van mening dat voormelde windrapporten milieu-informatie betreffen.



9.2.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat in het document “Windrapport Drentse Monden en Oostermoer” (documentnummers 1.3, 2.10 en 3.3) niet wordt ingegaan op milieu-informatie als omschreven in artikel 19.1a van de Wm. Dat eiseres uit informatie in het windrapport - derhalve indirect - in beeld zou kunnen brengen wat mogelijk de eventuele (laagfrequente) geluidsemissies, externe veiligheidseffecten en sterftecijfers onder bepaalde condities bij vogels zouden kunnen zijn, is naar de mening van verweerder onvoldoende om te kunnen stellen dat er sprake is van milieu-informatie.



9.3.
Uit vaste jurisprudentie van de AbRvS, onder meer kenbaar uit ECLI:NL:RVS:2017: 2211, volgt dat onder de begrippen “emissies in het milieu” en “informatie over emissies” niet alleen gegevens moeten worden begrepen die de daadwerkelijke uitstoot betreffen, maar ook de gegevens over de invloeden van die emissies op het milieu alsook de gegevens die het publiek in staat stellen te controleren of beoordeling van de daadwerkelijke of voorzienbare emissies, welke beoordeling aan de besluitvorming door een bestuursorgaan ten grondslag heeft gelegen, juist is.



9.4.
In een arrest van 23 november 2016 (ECLI:EU:C:2016:889) heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ), met betrekking tot de uitleg van het begrip milieu-informatie onder meer het volgende overwogen:

“Gelet op de door artikel 6, eerste lid, eerste volzin, van verordening nr. 1367/2006 nagestreefde doelstelling om principieel toegang te bieden tot „informatie [die] betrekking heeft op uitstoot in het milieu”, moet dat begrip aldus worden opgevat dat het met name de gegevens omvat die het publiek in staat stellen te weten wat daadwerkelijk in het milieu wordt uitgestoten, dan wel voorzienbaar in het milieu zal worden uitgestoten bij normaal of realistisch gebruik van het betrokken product of de betrokken stof in overeenstemming met de toelating voor het op de markt brengen die voor het product of de stof in kwestie is afgegeven en overeenkomstig de omstandigheden in het gebied waarvoor het product of de stof is bestemd. Bijgevolg moet dat begrip aldus worden uitgelegd dat het met name de inlichtingen omvat betreffende de aard, de samenstelling, de hoeveelheid, de datum en de plaats van de daadwerkelijke of voorzienbare emissies in dergelijke omstandigheden, van het product of de stof in kwestie.


Onder het begrip „informatie [die] betrekking heeft op uitstoot in het milieu” dient ook de informatie te vallen die het publiek in staat stelt te controleren of de beoordeling van de daadwerkelijke of voorzienbare emissies, op basis waarvan de bevoegde autoriteit het betrokken product of de betrokken stof heeft toegelaten, juist is, alsook de gegevens over de invloeden van die emissies op het milieu. Uit overweging 2 van verordening nr. 1367/2006 blijkt immers in wezen dat de door die verordening gewaarborgde toegang tot milieu-informatie er met name tot strekt een meer doeltreffende deelname van het publiek aan de besluitvorming te bevorderen, zodat de verantwoordingsplicht van de bevoegde instanties voor de besluitvorming wordt vergroot en een bijdrage wordt geleverd tot de bewustmaking van de publieke opinie en de verkrijging van steun van de publieke opinie voor de genomen besluiten. Teneinde zich ervan te kunnen vergewissen dat de beslissingen van de op milieugebied bevoegde autoriteiten gerechtvaardigd zijn en om doeltreffend deel te nemen aan het besluitvormingsproces inzake milieuaangelegenheden, dient het publiek echter toegang te hebben tot de informatie die het in staat stelt na te gaan of de emissies correct zijn beoordeeld, en dient het in staat te worden gesteld redelijkerwijs te begrijpen hoe bedoelde emissies het milieu negatief kunnen beïnvloeden.


Hoewel, zoals in punt 55 van het onderhavige arrest is uiteengezet, het begrip „informatie [die] betrekking heeft op uitstoot in het milieu” niet restrictief hoeft te worden uitgelegd, valt daarom echter nog niet alle informatie die om het even welk – zelfs direct – verband met emissies in het milieu vertoont, onder dat begrip. Zou dat begrip aldus worden opgevat dat het betrekking heeft op dergelijke informatie, zou het immers het begrip „milieu-informatie” in de zin van artikel 2, eerste lid, onder d), van verordening nr. 1367/2006 grotendeels uithollen. Een dergelijke uitlegging zou aldus de in artikel 4, tweede lid, eerste streepje, van verordening nr. 1049/2001 vastgestelde mogelijkheid voor de instellingen om te weigeren milieu-informatie openbaar te maken omdat een dergelijke openbaarmaking zou leiden tot de ondermijning van de bescherming van commerciële belangen van een bepaalde natuurlijke of rechtspersoon, elke nuttige werking ontnemen en een bedreiging vormen voor het evenwicht dat de Uniewetgever heeft willen verzekeren tussen de doelstelling van transparantie en de bescherming van die belangen. Zij zou ook op onevenredige wijze afbreuk doen aan de bescherming van de door artikel 339 (https://www.navigator.nl/document/openCitation/idbdf94c8caeb242b144e2d1dd8b465dca) VWEU gewaarborgde geheimhoudingsplicht.”




9.5.
Uit voormeld arrest van het HvJ en de onder rechtsoverweging 9.3. genoemde uitspraak van de AbRvS leidt de rechtbank af dat niet alle informatie die om het even welk - zelfs direct - verband vertoont met emissies in het milieu onder het begrip milieu-informatie valt. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het in het kader van milieu-informatie moet gaan om concrete, voorspelbare, niet hypothetische gegevens voor wat betreft de emissie. Gelet hierop is de rechtbank, na kennisneming van de door verweerder vertrouwelijk overgelegde windrapporten (documenten 1.3, 2.10 en 3.3), van oordeel dat verweerder zich voor wat betreft deze documenten terecht op het standpunt heeft gesteld dat die geen milieu-informatie in vorenbedoelde zin bevatten. Daarbij heeft verweerder in aanmerking kunnen nemen dat in voormelde windrapporten informatie voor wat betreft de geluidsemissie, de slagschaduw en het rendement van de windturbines is vermeld aan de hand van theoretische modellen en modelmatige berekeningen. Verder heeft verweerder daarbij kunnen betrekken dat de windsnelheid niet direct iets over de geluidsemissie van de windturbine zegt. Naar het oordeel van de rechtbank is uit voormelde windrapporten niet gebleken van gegevens die rechtstreeks of indirect iets zeggen over de daadwerkelijke emissiegegevens van de te plaatsen windturbines, zodat die windrapporten in die zin niet kunnen worden aangemerkt als milieu-informatie in vorenbedoelde zin. In zoverre slaagt deze grond van eiseres niet.



9.6.
Voor zover eiseres betoogt dat verweerder voor wat betreft de overige documenten (1.1, 1.2, 1.5, 1.9, 1.10, 1.13, 1.16, 1.19, 1.22, 1.25, 1.28, 1.34, 1.37, 1.40, 1.43, 2.1, 2.2, 2.3, 2.4, 2.5, 2.6, 2.7, 2.8, 2.16, 3.1, 3.8, 3.9, 3.11, 3.13, 3.15, 3.17, 3.19, 3.21, 3.23, 3.25, 3.27, 3.29, 3.31, 3.33, 3.35, 3.37, 3.39, 3.41 en 4) niet de in het bestreden besluit genoemde weigeringsgronden ingevolge de Wob heeft kunnen hanteren in verband met de daarin vermelde milieu-informatie, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank is, na kennisneming van de door verweerder vertrouwelijk overgelegde documenten, van oordeel dat verweerder zich voor wat betreft deze documenten terecht op het standpunt heeft gesteld dat die geen milieu-informatie in vorenbedoelde zin bevatten. Naar het oordeel van de rechtbank is uit voormelde documenten, voor zover die niet of deels niet openbaar zijn gemaakt, niet gebleken van gegevens die rechtstreeks of indirect iets zeggen over de daadwerkelijke emissiegegevens van de te plaatsen windturbines, zodat die documenten in die zin niet kunnen worden aangemerkt als milieu-informatie in vorenbedoelde zin. In zoverre slaagt deze grond van eiseres niet.


Ten aanzien van bedrijfsvertrouwelijke gegevens

10. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat van de documenten met nummers 1.9, 1.12, 1,15, 1.18, 1.21, 1.24, 1.27, 1.30, 1.33, 1,36, 1.39, 1.42, 2.25, 2.26, de telefoonnummers van de aanvragende bedrijven openbaar kunnen worden gemaakt, omdat dit het telefoonnummer is van Raedthuys Groep B.V. en dus geen persoonsgegevens betreffen. Verder heeft verweerder besloten van het document met nummer 3.8 de adresgegevens van Pondera Consult openbaar te maken, aangezien dit eveneens geen persoonsgegeven betreffen. Daarnaast heeft verweerder besloten van de documenten met de nummers 1.9, 1.12, 1.15, 1.18, 1.21, 1.24, 1.27, 1.30, 1.33, 1.36, 1.39, 1.42, 2.16 tot en met 2.31, 3.8, 3.10, 3.12, 3.14, 3.16, 3.18, 3.20, 3.22, 3.24, 3.26, 3.28, 3.30, 3.32, 3.34, 3.36, 3.38, 3.40 het nominaal vermogen per turbine en het aantal turbines openbaar te maken. In de visie van verweerder zijn dit geen gegevens waaruit wetenswaardigheden kunnen worden afgelezen of afgeleid met betrekking tot de technische bedrijfsvoering of het productieproces dan wel met betrekking tot de afzet van producten of de kring van afnemers of leveranciers. Tevens zijn het aantal turbines per initiatiefnemer al openbaar. Verder heeft verweerder besloten om de projectplanning openbaar te maken. Openbaarmaking van deze informatie leidt volgens verweerder niet tot onevenredige benadeling van de organisatie waarop deze informatie betrekking heeft. Duidelijk is immers dat er pas juridisch bindende aankopen of definitieve planningen kunnen worden gemaakt, indien alle op het project betrekking hebbende beslissingen formele rechtskracht hebben gekregen, hetgeen nu nog niet het geval is.



10.1.
Eiseres betoogt met betrekking tot de deels geweigerde documenten 1.1 tot en met 1.3, 1.5, 2.1, 2.2, 2.4 tot en met 2.6, 2.8 tot en met 2.10, 3.1, 3.3, 3.4 en 4 en met betrekking tot de volledig geweigerde documenten dat de te verwachten kosten voor inrichting en verwerving van gronden geen financiële bedrijfsgegevens zijn, omdat die zijn gebaseerd op de algemeen bekende gemiddelde prijzen voor landbouwgrond. Eiseres verwijst daarbij naar een uitspraak van 5 december 2012 van de AbRvS, kenbaar uit ECLI:NL:RVS:2012: BY5146. Voor de overige stukken die op deze grond (deels) worden geweigerd, wijst eiseres eveneens op voormelde uitspraak van de AbRvS waaruit volgt dat de te verwachten kosten voor inrichting geen financiële gegevens zijn wanneer deze kunnen worden gebaseerd op algemeen bekende prijzen. Met betrekking tot de gekozen windturbine-types, het opgesteld vermogen, windmetingen en de energieopbrengst die daaruit voortvloeit, betoogt eiseres dat deze in lijn met vaste jurisprudentie van de AbRvS kunnen worden aangemerkt als ‘algemeen bekend’ waardoor die niet onder de noemer financiële bedrijfsgegevens vallen, zodat het beroep van verweerder op deze grond geen stand houdt. Volgens vaste jurisprudentie en met het oog op de Woo, die de codificatie is van de reeds geldende rechtspraak en met het oog daarop als richtsnoer kan worden gebruikt, vallen volgens eiseres gegevens onder de noemer bedrijfsgevoelig wanneer zij concurrentiegevoelig zijn. Eiseres verwijst daarbij naar een uitspraak van 7 mei 2014 van de AbRvS, kenbaar uit ECLI:NL:RVS:2014:1403. Met het oog op de vereiste toepassing van best beschikbare technieken, is de huidige algemene markt voor windturbines naar de mening van eiseres niet zodanig divers dat openbaarmaking van deze stukken leidt tot gevolgen voor de concurrentiepositie van initiatiefnemers.


10.2.
Verweerder merkt op dat bij het bestreden besluit het nominaal vermogen per windturbine en het aantal turbines openbaar zijn gemaakt. Daarmee heeft verweerder het opgesteld vermogen dus reeds openbaar gemaakt. Verweerder wijst erop dat de AbRvS in de uitspraak van 5 december 2012 tot de conclusie komt dat de economische en financiële belangen van de rechtspersoon die worden gediend met het besluit om de financiële gegevens die zien op de te verwachten kosten voor grondverwerving en inrichting, zwaarder hebben mogen wegen dan de met de openbaarmaking gediende belangen. Als verweerder die conclusie doortrekt naar het onderhavige geval dan zijn de financiële gegevens die zien op de te verwachten kosten voor de grondverwerving, in zijn visie terecht geweigerd. Daarnaast wijst verweerder erop dat het in voormelde uitspraak gaat om de ‘gemiddelde landbouwprijs’ en de ‘gemiddelde hectareprijs’. In dit geval gaat het volgens verweerder om plaatsing van windturbines op de landbouwgrond waardoor het landbouwkundig gebruik van die
landbouwgrond wordt gehinderd. Hierdoor is de vergoeding voor de grond dus anders opgebouwd.


10.3.1.
In de Memorie van Toelichting (MvT, TK 1986-1987, 19859, nr. 3, p. 33) van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob is onder meer vermeld dat gegevens ook als vertrouwelijk moeten worden beschouwd als die zijn verstrekt in het kader van een contact dat het bedrijf redelijkerwijs als vertrouwelijk mag beschouwen.



10.3.2.
Uit vaste jurisprudentie van de AbRvS, onder meer kenbaar uit ECLI:NL:RVS:2012: BW6910, volgt dat van bedrijfs- en fabricagegegevens slechts sprake is, indien en voor zover uit die gegevens wetenswaardigheden kunnen worden gelezen of afgeleid met betrekking tot de technische bedrijfsvoering of het productieproces, dan wel met betrekking tot de afzet van producten of de kring van afnemers en leveranciers.
Verder blijkt uit vaste jurisprudentie van de AbRvS, onder meer kenbaar uit ECLI:NL:RVS: 2013:288, dat gegevens over de financiële bedrijfsvoering ook onder de definitie van bedrijfs- en fabricagegegevens worden geschaard.
Daarnaast heeft de AbRvS in een uitspraak van 8 februari 2017, kenbaar uit ECLI:NL:RVS: 2017:344, geoordeeld dat gegevens die concurrentiegevoelige informatie betreffen, bedrijfs- en fabricagegegevens zijn.



10.4.1.
De rechtbank overweegt dat artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob imperatief is geformuleerd. Dat betekent dat openbaarmaking van een document geweigerd moet worden indien het bedrijfs- en fabricagegegevens bevat die vertrouwelijk aan de overheid zijn medegedeeld. Van een ‘vertrouwelijk mededelen’ is niet alleen sprake wanneer de betreffende informatie is gegeven met de uitdrukkelijke vermelding dat die informatie vertrouwelijk wordt verstrekt, maar ook wanneer de informatieverstrekker erop mag vertrouwen dat geheimhouding is gewaarborgd vanwege het kader waarin die informatie is gegeven. De rechtbank is, na kennisneming van de door verweerder vertrouwelijk overgelegde stukken, van oordeel dat verweerder zich voor wat betreft de in rechtsoverweging 10. genoemde documenten terecht op het standpunt heeft gesteld dat de in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob vervatte weigeringsgrond al dan niet deels aan de orde is. Daarbij heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in aanmerking kunnen nemen dat het gaat om informatie over de (financiële) bedrijfsvoering, de vermogenspositie en/of de concurrentiepositie van derde-belanghebbenden. Hieruit kunnen naar het oordeel van de rechtbank wetenswaardigheden worden afgelezen of afgeleid met betrekking tot de technische bedrijfsvoering of het productieproces dan wel met betrekking tot de afzet van producten, aangezien ook dit een gegeven bevat waarmee de derde-belanghebbenden zich oriënteren op de meest adequate windmolen nu er met verschillende turbinefabrikanten wordt gesproken. Verder heeft verweerder daarbij naar het oordeel van de rechtbank in aanmerking kunnen nemen dat het gaat om informatie die door derde-belanghebbenden vertrouwelijk aan de overheid is meegedeeld. Deze grond van eiseres slaagt niet.



10.4.2.
Voor zover eiseres betoogt dat verweerder voor wat betreft de in rechtsoverweging 10. genoemde documenten niet de in het bestreden besluit genoemde weigeringsgronden ingevolge de Wob heeft kunnen hanteren in verband met de daarin vermelde milieu-informatie, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank is, na kennisneming van de door verweerder vertrouwelijk overgelegde documenten, van oordeel dat verweerder zich voor wat betreft deze documenten terecht op het standpunt heeft gesteld dat die geen milieu-informatie in vorenbedoelde zin bevatten. Naar het oordeel van de rechtbank is uit voormelde documenten, voor zover die niet of deels niet openbaar zijn gemaakt, niet gebleken van gegevens die rechtstreeks of indirect iets zeggen over de daadwerkelijke emissiegegevens van de windturbines, zodat die documenten in die zin niet kunnen worden aangemerkt als milieu-informatie in vorenbedoelde zin. In zoverre slaagt deze grond van eiseres niet.


Ten aanzien van de exploitatieovereenkomsten




11.1.
Eiseres betoogt dat de door verweerder geweigerde stukken in “Bijlage 1.11, 1.14, 1.17, 1.20, 1.23, 1.26, 1.29, 1.32, 1.35, 1.38, 1.41, 1.44 Exploitatieberekening” niet in het bestreden besluit worden genoemd. Naar de mening van eiseres ligt er dan ook geen inhoudelijke motivering aan de weigering om voormelde stukken openbaar te maken ten grondslag, zodat er geen inzicht kan worden verkregen in de verrichte belangenafweging. Daarnaast bestrijdt eiseres dat deze stukken gegevens bevatten waaruit wetenswaardigheden kunnen worden afgeleid met betrekking tot de technische bedrijfsvoering of het productieproces, dan wel de afzet van de producten of de kring van afnemers en leveranciers. Evenmin bevatten voormelde stukken volgens eiseres gegevens die uitsluitend de financiële bedrijfsvoering betreffen. Immers - zover verweerder doelt op de vertrouwelijkheid van de niet openbaar gemaakte exploitatieberekening - deze bevat vrijwel dezelfde informatie als de wel openbaar gemaakte informatie in het kader van de projecten SDE+ van najaar 2016. Gelet hierop kan openbaarmaking in de visie van eiseres niet leiden tot onevenredige bevoordeling van eventuele concurrerende projectontwikkelaars, dan wel onevenredige benadeling van de initiatiefnemers. Eiseres betoogt verder dat ieder geval een deel van de exploitatie-berekeningen emissies in het milieu, dan wel informatie over emissies in het milieu omvatten, waarbij een zwaarwegend belang bestaat.



11.2.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat in de door eiseres genoemde documenten bedrijfs- en fabricagegegevens staan die vertrouwelijk aan verweerder zijn meegedeeld. In dit verband wijst verweerder erop dat de exploitatieberekeningen inzicht geven in de financiële bedrijfsvoering van de derde-belanghebbenden. Daarnaast kunnen hieruit volgens verweerder wetenswaardigheden worden afgeleid met betrekking tot bijvoorbeeld de technische bedrijfsvoering of het productieproces. Verder zal met de exploitatieberekening onder meer financiering moeten worden verkregen. Verweerder deelt niet het standpunt van eiseres dat de exploitatieberekeningen emissies in het milieu, dan wel informatie over
emissies in het milieu omvatten. Aangezien eiseres dit standpunt niet onderbouwt, kan verweerder hier niet (verder) op ingaan. Daarnaast betwist verweerder dat de exploitatie-berekeningen dezelfde informatie bevatten als de wel openbaar gemaakte informatie in “Beschikte projecten SDE+ najaar 2016”. In dit verband wijst verweerder erop dat in dit document slechts de referentie, het thema, de categorie, de naam van de aanvrager, het adres, het postadres, de plaats van de locatie, het vermogen (MW), de beschikte productie per jaar (MWh), de looptijd (r.) en de maximale subsidie vermeld. Volgens verweerder is in de exploitatieberekeningen meer, dan wel andere informatie wordt vermeld, zoals blijkt uit de niet-ingevulde exploitatieberekening die bij het verweerschrift is gevoegd.


11.3.1.
Uit rechtsoverweging 10.4. volgt dat artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob imperatief is geformuleerd. Dat betekent dat openbaarmaking van een document geweigerd moet worden indien het bedrijfs- en fabricagegegevens bevat die vertrouwelijk aan de overheid zijn medegedeeld. Van een ‘vertrouwelijk mededelen’ is niet alleen sprake wanneer de betreffende informatie is gegeven met de uitdrukkelijke vermelding dat die informatie vertrouwelijk wordt verstrekt, maar ook wanneer de informatieverstrekker erop mag vertrouwen dat geheimhouding is gewaarborgd vanwege het kader waarin die informatie is gegeven. De rechtbank is, na kennisneming van de door verweerder vertrouwelijk overgelegde stukken, van oordeel dat verweerder zich voor wat betreft de in rechtsoverweging 11.1. genoemde documenten terecht op het standpunt heeft gesteld dat de in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob al dan niet deels aan de orde is. Daarbij heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in aanmerking kunnen nemen dat het gaat om informatie over de (financiële) bedrijfsvoering, de vermogenspositie en/of de concurrentiepositie van derde-belanghebbenden. Hieruit kunnen naar het oordeel van de rechtbank wetenswaardigheden worden afgelezen of afgeleid met betrekking tot de technische bedrijfsvoering of het productieproces dan wel met betrekking tot de afzet van producten, aangezien ook dit een gegeven bevat waarmee de derde-belanghebbenden zich oriënteren op de meest adequate windmolen nu er met verschillende turbinefabrikanten wordt gesproken. Verder heeft verweerder daarbij naar het oordeel van de rechtbank in aanmerking kunnen nemen dat het gaat om informatie die door derde-belanghebbenden vertrouwelijk aan de overheid is meegedeeld. Deze grond van eiseres slaagt niet.



11.3.2.
Voor zover eiseres betoogt dat verweerder voor wat betreft de in rechtsoverweging 11.1. genoemde documenten niet de in het bestreden besluit genoemde weigeringsgronden ingevolge de Wob heeft kunnen hanteren in verband met de daarin vermelde milieu-informatie, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank is, na kennisneming van de door verweerder vertrouwelijk overgelegde documenten, van oordeel dat verweerder zich voor wat betreft deze documenten terecht op het standpunt heeft gesteld dat die geen milieu-informatie in vorenbedoelde zin bevatten. Naar het oordeel van de rechtbank is uit voormelde documenten, voor zover die niet of deels niet openbaar zijn gemaakt, niet gebleken van gegevens die rechtstreeks of indirect iets zeggen over de daadwerkelijke emissiegegevens van de windturbines, zodat die documenten in die zin niet kunnen worden aangemerkt als milieu-informatie in vorenbedoelde zin. In zoverre slaagt deze grond van eiseres niet.


Ten aanzien van de anterieure overeenkomsten




12.1.
Eiseres betoogt met betrekking tot de documenten 1.10, 1.13, 1.16, 1.22, 1.25, 1.28, 1.31, 1.34, 1.37, 1.40, 1.43, 3.9, 3.11, 3.13, 3.15, 3.17, 3.19, 3.21, 3.23, 3.25, 3.27, 3.29, 3.31, 3.33, 3.35, 3.37, 3.39 en 3.41 dat niet valt in te zien dat derde-belanghebbenden door de bekendmaking van de anterieure overeenkomst met bijlagen in hun huidige of toekomstige onderhandelingspositie worden benadeeld. In dit verband wijst eiseres erop dat derde- belanghebbenden nalaten dit ook maar enigszins specifiek concreet te verhelderen of toe te lichten. Dat de overeenkomsten ontwikkeld zijn door jaren van ervaring met het opstellen van dergelijke overeenkomsten doet daaraan volgens eisers niet af. Het vermeend bewaken van creativiteit, ervaring en eventuele auteursrechten van opstellers van die overeenkomsten is naar de mening van eiseres geen Wob-grond om openbaarmaking te weigeren. Met betrekking tot het door derde-belanghebbenden aangevoerde argument dat de uitspraak van 14 juni 2017 van derde belanghebbenden, dat de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBB), kenbaar uit ECLI:NL:CBB:2017:240, niet doorwerkt naar de toepassing van de weigeringsgronden van de Wob, wijst eiseres erop dat dit een onjuist uitgangspunt is. Dat in deze uitspraak sprake is van een concurrent-aanvrager versterkt in de visie van eiseres het door haar eerder gevoerde betoog juist des te meer. Immers, als zelfs een concurrent, werkzaam in dezelfde branche die daadwerkelijk baat en economisch belang heeft bij deze openbaarmaking de stukken mag inzien, dan zou het algemeen belang en de specifieke belangen van bezorgde omwonenden - die eiseres vertegenwoordigt – logischer-wijs ook moeten prevaleren. Gelet op controle van de overheid en het meedenken door burgers en bedrijven, de doelen die de Wob nastreeft, dienen de haalbaarheidsstudie, exploitatiebegroting met planschaderisicoanalyse van het windpark evengoed om deze reden voor eiseres inzichtelijk gemaakt te worden. Daarnaast wijst eiseres erop dat de vrijheid die de aanvrager van een omgevingsvergunning in beginsel heeft, wettelijk beperkt is. Ingevolge artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo mogen voor een (gedeelte van een) project dat bestaat uit meerdere, op grond van de Wabo vergunningplichtige activiteiten die onlosmakelijk met elkaar samenhangen, geen afzonderlijke omgevingsvergunningen worden aangevraagd. In dit verband wijst eiseres erop dat in de parlementaire geschiedenis is benadrukt dat het om een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de aanvrager en het bevoegd gezag gaat, om er voor te zorgen dat de aanvraag volledig is. Dit betekent dat alvorens een weloverwogen besluit kan worden genomen, wordt bezien of alle vereiste gegevens en bescheiden bij de aanvraag zijn gevoegd, maar ook of alle onlosmakelijk samenhangende activiteiten uit een project deel uitmaken van de aanvraag. Zoals reeds betoogt, brengen de doelen van de Wob - specifiek de controlefunctie - naar de mening van eisers met zich dat eveneens om deze reden de anterieure overeenkomst met haalbaarheidsstudie, exploitatiebegroting en planschaderisico-analyse van het windpark, voor haar inzichtelijk dienen te worden gemaakt. Verder wijst eiseres erop dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Delfzijl (hierna: het college van B&W) in een zeer recent voorstel met betrekking tot de anterieure overeenkomst van “Windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding” heeft gesteld, dat de bedragen niet geheim zijn. In de visie van eiseres is de anterieure overeenkomst onderdeel van, en onlos-makelijk verbonden met de haalbaarheidsstudie, exploitatiebegroting en planschaderisico-analyse in juridische zin als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo. Daarnaast is eiseres van mening dat voormelde toezegging/verklaring van het college van B&W ook geldt voor andere financiële rapporten en documenten, en bewijst dit dat deze stukken geen vertrouwelijke bedrijfs- en fabricagegegevens als bedoeld in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob bevatten, zodat dit niet kan gelden als een absolute weigeringsgrond. Aangezien de anterieure overeenkomst eveneens onderdeel is van, en onlosmakelijk verbonden is met de haalbaarheidsstudie, exploitatiebegroting, planschade-risicoanalyse en de SDE+-aanvraag dan wel behoort tot andere financiële rapporten en documenten, dient deze aanvraag in de visie van eiseres in het kader van de Wob openbaar te worden gemaakt.



12.2.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat de overeenkomsten met de locatie-eigenaren bedrijfs- en fabricagegegevens bevatten die vertrouwelijk aan verweerder zijn meegedeeld. In dit verband wijst verweerder erop dat de overeenkomsten inzicht geven in de bedrijfsvoering van de derde-belanghebbenden. De bedrijfsvoering van de derde-belanghebbenden is volgens verweerder gericht op het ontwikkelen van energieprojecten in
samenwerking met de locatie-eigenaren en hiertoe sluiten de derde-belanghebbenden overeenkomsten met de locatie-eigenaren. Daarnaast bevatten de overeenkomsten naar de mening van verweerder bedrijfsgegevens die concurrentiegevoelig zijn. Daarbij heeft verweerder betrokken dat de derde-belanghebbenden te kennen hebben gegeven dat de overeenkomst met de locatie-eigenaar in de loop der jaren is ontwikkeld. Bij openbaar-making zouden concurrerende projectontwikkelaars daar oneigenlijk gebruik/misbruik van kunnen maken. Daarnaast zouden potentiële toekomstige locatie-eigenaren hiervan kunnen profiteren. Als bijvoorbeeld de vergoedingen die de derde-belanghebbenden betalen aan de locatie-eigenaren bekend zijn, kunnen potentiële toekomstige locatie-eigenaren hiervan
oneigenlijk gebruik/misbruik van maken tijdens gesprekken met de derde-belanghebbenden,
dan wel andere projectontwikkelaars. Hierdoor zal in de visie van verweerder de markt-positie van de derde-belanghebbenden verzwakken en zullen onderhandelingen moeizamer verlopen. Dat het college van B&W in een recent voorstel met betrekking tot de anterieure
overeenkomst van “Windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding” zou hebben aangegeven dat de bedragen niet geheim zijn, doet naar de mening van verweerder aan het voorgaande niets af. Voor zover eiseres stelt dat de overeenkomst met de locatie-eigenaar onderdeel is van en onlosmakelijk verbonden is met de haalbaarheidsstudie, exploitatieberekening en planschaderisicoanalyse in de zin van artikel 2.7, eerste lid van de Wabo, kan verweerder dit betoog niet volgen. In dit verband wijst verweerder erop dat in voormeld artikel wettelijk is bepaald dat voor onlosmakelijk samenhangende activiteiten in één keer een omgevings-vergunning moet worden aangevraagd. Bij een aanvraag in het kader van de SDE moeten
een aantal (verplichte) bijlagen zijn gevoegd, wil deze aanvraag voor subsidie in aanmerking kunnen komen. Dit is naar de mening van verweerder niet gelijk te stellen met hetgeen is bepaald in artikel 2.7, eerste lid van de Wabo.



12.3.
Ter zitting is door de gemachtigde van verweerder erkend dat in het kader van het inzenden van de gedingstukken een fout is gemaakt voor wat betreft de anterieure overeen-komst, neergelegd in document 1.31, in die zin dat een groot gedeelte van de inhoud van die overeenkomst ten onrechte niet is weggelakt. In het kader van de op haar rustende verplichting heeft de rechtbank de gedingstukken, inclusief voormeld document, doorgezonden aan eiseres. In dit verband stelt de rechtbank voorop dat het bestreden besluit dat ter toetsing voorligt, niet strekt tot openbaarmaking van voormeld document. Dit brengt met zich dat voormeld document in dit geval niet openbaar is gemaakt ingevolge de Wob. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding om verweerder dit tegen te werpen voor wat betreft de andere in rechtsoverweging 12.1. genoemde documenten, aangezien verweerder niet gehouden is om de eerder gemaakte fout te herhalen. Nu vaststaat dat het bestreden besluit niet strekt tot het openbaar maken van document 1.31 ingevolge de Wob, ziet de rechtbank geen aanleiding om het ter zitting door de gemachtigde van derde-belanghebbenden aan de rechtbank gedane verzoek om te bepalen dat dit document niet openbaar is gemaakt, in te willigen. Het verzoek daartoe wordt afgewezen.


12.4.1.
Met betrekking tot de in rechtsoverweging 12.1. genoemde documenten overweegt de rechtbank als volgt. Uit rechtsoverweging 10.4. volgt dat artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob imperatief is geformuleerd. Dat betekent dat openbaarmaking van een document geweigerd moet worden indien het bedrijfs- en fabricagegegevens bevat die vertrouwelijk aan de overheid zijn medegedeeld. Van een ‘vertrouwelijk mededelen’ is niet alleen sprake wanneer de betreffende informatie is gegeven met de uitdrukkelijke vermelding dat die informatie vertrouwelijk wordt verstrekt, maar ook wanneer de informatieverstrekker erop mag vertrouwen dat geheimhouding is gewaarborgd vanwege het kader waarin die informatie is gegeven. De rechtbank is, na kennisneming van de door verweerder vertrouwelijk overgelegde stukken, van oordeel dat verweerder zich voor wat betreft de in rechtsoverweging 12.1. genoemde documenten terecht op het standpunt heeft gesteld dat de in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob al dan niet deels aan de orde is. Daarbij heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in aanmerking kunnen nemen dat het gaat om informatie over de (financiële) bedrijfsvoering, de vermogenspositie en/of de concurrentiepositie van derde-belanghebbenden. Hieruit kunnen naar het oordeel van de rechtbank wetenswaardigheden worden afgelezen of afgeleid met betrekking tot de technische bedrijfsvoering of het productieproces dan wel met betrekking tot de afzet van producten, aangezien ook dit een gegeven bevat waarmee de derde-belanghebbenden zich oriënteren op de meest adequate windmolen nu er met verschillende turbinefabrikanten wordt gesproken. Verder heeft verweerder daarbij naar het oordeel van de rechtbank in aanmerking kunnen nemen dat het gaat om informatie die door derde-belanghebbenden vertrouwelijk aan de overheid is meegedeeld. In zoverre slaagt deze grond van eiseres niet.



12.4.2.
Voor zover verweerder de weigeringsgronden, als bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e en g, van de Wob aan de weigering om de in rechtsoverweging 12.1. genoemde documenten (deels) openbaar te maken ten grondslag heeft gelegd, overweegt de rechtbank als volgt. Uit vaste jurisprudentie van de AbRvS, onder meer kenbaar uit ECLI: NL:RVS:2016:356, volgt dat het recht op openbaarmaking op grond van de Wob uitsluitend het belang van een goede en democratische bestuursvoering dient. Bij de te verrichten belangenafweging wordt het algemene of publieke belang bij openbaarmaking van de gevraagde informatie afgezet tegen de door de weigeringsgronden te beschermen belangen, maar niet het specifieke belang van de verzoeker om openbaarmaking. Na met toepassing van artikel 8:29 van de Awb kennis te hebben genomen van de in rechtsoverweging 12.1. genoemde documenten, waarvan openbaarmaking is verzocht, is de rechtbank van oordeel dat die documenten bedrijfs- en fabricagegegevens bevatten die inzicht geven in de bedrijfsvoering van de derde-belanghebbenden. Aannemelijk is dat kennisneming van voormelde documenten inzichten kunnen verschaffen waarmee de onderhandelingspositie van derde-belanghebbenden onder druk komt te staan. Nu openbaarmaking van voormelde documenten op grond van de Wob ertoe leidt dat die voor een ieder openbaar zal zijn, kunnen ook derden bij inwilliging van het verzoek van eiseres hun onderhandelingspositie ten opzichte van de derde-belanghebbenden op voormelde documenten afstemmen. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat voormelde documenten uitgangspunten bevatten die op zichzelf geschikt zijn voor herhaalde toepassing, waardoor aannemelijk is dat openbaarmaking ook gevolgen heeft voor de onderhandelingspositie van de derde-belanghebbenden in de toekomst. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het belang van openbaarmaking niet opweegt tegen de belangen waarop verweerder en de derde-belanghebbenden zich hebben beroepen. In zoverre heeft verweerder aan de weigering om voormelde documenten (deels) openbaar te maken de weigeringsgronden, als bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e en g, van de Wob ten grondslag mogen leggen. In zoverre slaagt deze grond van eiseres niet.



12.4.3.
Voor zover eiseres betoogt dat verweerder voor wat betreft de in rechtsoverweging 12.1. genoemde documenten niet de in het bestreden besluit genoemde weigeringsgronden ingevolge de Wob heeft kunnen hanteren in verband met de daarin vermelde milieu-informatie, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank is, na kennisneming van de door verweerder vertrouwelijk overgelegde documenten, van oordeel dat verweerder zich voor wat betreft deze documenten terecht op het standpunt heeft gesteld dat die geen milieu-informatie in vorenbedoelde zin bevatten. Naar het oordeel van de rechtbank is uit voormelde documenten, voor zover die niet of deels niet openbaar zijn gemaakt, niet gebleken van gegevens die rechtstreeks of indirect iets zeggen over de daadwerkelijke emissiegegevens van de windturbines, zodat die documenten in die zin niet kunnen worden aangemerkt als milieu-informatie in vorenbedoelde zin. In zoverre slaagt deze grond van eiseres niet.


Ten aanzien van de persoonlijke levenssfeer




13.1.
Eiseres betoogt dat het door derde-belanghebbenden gestelde nadeel in dit geval niet voldoende concreet en aannemelijk wordt gemaakt. In dit verband wijst eiseres erop dat verweerder zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt stelt dat de derde- belanghebbenden zouden worden benadeeld in de persoonlijke levenssfeer door openbaar-making van de gevraagde stukken vanwege de gespannen relatie met de omgeving van het beoogde windpark. Het enkel stellen door de derde-belanghebbenden dat er incidenten in de vorm van vernielingen en bedreigingen hebben plaatsgevonden is naar de mening van eiseres onvoldoende. Daarbij heeft eiseres betrokken dat die incidenten niet zijn toe te schrijven aan een omwonende van het windpark. Gelet hierop is het in de visie van eiseres onvoldoende om aan te nemen dat openbaarmaking schade als gevolg van voormelde incidenten voor de derde-belanghebbenden met zich zal brengen.



13.2.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres in dit geval niet heeft gemotiveerd
waarom in dit geval het belang van openbaarmaking zwaarder moet wegen dan de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de betrokken personen. Daarnaast hebben de derde-belanghebbenden in hun zienswijze aangegeven dat zij, gezien de gespannen houding met de omgeving, vrezen dat als - naast wat zij zijn overeengekomen - hun persoonsgegevens openbaar worden gemaakt, betrokkenen negatief zullen worden benaderd door mensen die deze stukken zullen zien. In dit verband wijst verweerder erop dat derde-belanghebbenden erop hebben gewezen dat in documentnummer 1.1. met de titel “Haalbaar-heidsstudie Drentse Monden”, openbaar gemaakt bij het primaire besluit van 29 maart 2017, ten onrechte een functie is blijven staan. Daarbij is aangegeven dat een collega van de betreffende persoon brieven op zijn huisadres heeft gekregen die als bedreigend zijn ervaren. Daarnaast is door de derde-belanghebbenden aangegeven dat er diverse incidenten hebben plaatsgevonden, zoals bedreigingen, brandstichting van have en goed van locatie-eigenaren,
vernielingen van agrarische apparatuur en meetapparatuur, het hangen van kettingen in het maïsland van enkele locatie-eigenaren, het in november 2016 in omloop brengen van een brief waarin werd voorgewend dat deze afkomstig was van verweerder en het onder druk
zetten van financiële instellingen. Verder is volgens verweerder aangegeven dat is getracht om betrokkenen individueel in de media te beschadigen om te bereiken dat locatie-eigenaren
zich terugtrekken. Daarbij heeft verweerder het onderzoek van dagblad Trouw betrokken dat tot stand is gekomen na gesprekken met veertig betrokkenen in het betreffende gebied.



13.3.
Uit vaste jurisprudentie van de AbRvS, onder meer kenbaar uit ECLI:NL:RVS:2015: 1903, volgt dat, waar het gaat om het beroepshalve functioneren van ambtenaren, slechts in beperkte mate een beroep op het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer kan worden gedaan, maar dat dit niet geldt voor de namen van de betreffende ambtenaren, aangezien namen persoonsgegevens zijn en het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zich tegen het krachtens de Wob openbaar maken daarvan kan verzetten.



13.4.
Gezien de maatschappelijke weerstand tegen de realisering van dit windmolenpark en de daarmee samenhangende onrust en uiting van bedreigingen alsmede de door verweerder gegeven toelichting voor wat betreft de aard van de bedreigingen, acht de rechtbank in dit geval aannemelijk dat openbaarmaking van de namen en voorletters van de betrokken ambtenaren of de betrokken zakelijke functionarissen, waarna deze persoons-gegevens niet alleen kenbaar zijn voor eiseres, maar voor een ieder openbaar zijn, een veiligheidsrisico voor deze betrokken ambtenaren en betrokken zakelijke functionarissen met zich brengt. Gelet hierop mag verweerder zich op het standpunt stellen dat bij de afweging tussen openbaarmaking van documenten zonder deze gegevens weg te lakken enerzijds en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de betrokken ambtenaren en betrokken zakelijke functionarissen anderzijds, de persoonlijke levenssfeer van de betrokken ambtenaren en de betrokken zakelijke functionarissen prevaleert. Hetzelfde geldt naar het oordeel van de rechtbank voor de weggelakte gegevens voor wat betreft de zakelijke telefoonnummers, e-mailadressen en vestigingsadressen, aangezien die gegevens eenvoudig tot de betrokken ambtenaren dan wel de betrokken zakelijke functionarissen vallen te herleiden. In zoverre slaagt deze grond van eiseres niet.


Conclusie

14. Gelet op de voorgaande overwegingen is het beroep van eiseres ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling, als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb, bestaat geen aanleiding.

Beslist wordt als volgt.




Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.F. Bruinenberg, voorzitter, en mr. E.M. Visser en
mr. D. Pool, leden, in aanwezigheid van mr. H.L.A. van Kats als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 juni 2019.






De griffier De rechter



Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.



Afschrift verzonden op:
Link naar deze uitspraak