Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Peter Houtsma)
ECLI:NL:RBAMS:2019:8345 
 
Datum uitspraak:06-11-2019
Datum gepubliceerd:08-11-2019
Instantie:Rechtbank Amsterdam
Zaaknummers:
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Achmea moet aan een bloembollen- en plantenkweker 122.199 euro uitkeren voor schade door verloren gegane zaden tijdens een brand in 2017.
Trefwoorden:agrarisch
gewassen
kwekerij
taxatie
uitkering
wettelijke rente
 
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht



zaaknummer / rolnummer: C/13/655682 / HA ZA 18-1043


Vonnis van 6 november 2019


in de zaak van

de vennootschap onder firma


[eiseres]
,
gevestigd te [plaats] ,
eiseres,
advocaat mr. J. Backx te Rotterdam,

tegen

de naamloze vennootschap

ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,
gevestigd te Apeldoorn,
gedaagde,
advocaat mr. E.H. Verweij te Apeldoorn.

Partijen worden hierna de vof en Achmea (ook wel: Interpolis) genoemd.
Aanvankelijk was ook Rabobank partij in deze procedure als gedaagde, maar met Rabobank heeft de vof tijdens de na te noemen comparitie een regeling getroffen waarmee de zaak tussen hen is beëindigd.





1De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit


het tussenvonnis van 1 mei 2019,


het proces-verbaal van comparitie van 25 september 2019 en de daarin vermelde stukken,


het faxbericht van mr. Backx van 1 oktober 2019, met daarin opmerkingen over het proces-verbaal van comparitie,


het faxbericht van mr. Verweij van 3 oktober 2019, met daarin een reactie op de opmerkingen van mr. Backx en met een verzoek om te mogen reageren op een suggestie van de rechter tijdens de comparitie,


het faxbericht van mr. Brenninkmeijer namens Rabobank van 8 oktober 2019, met daarin opmerkingen over het proces-verbaal,


het faxbericht van mr. Backx van 9 oktober 2019, waarin hij bezwaar maakt tegen het verzoek van mr. Verweij aan de rechtbank.





1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.






2De feiten

2.1.
De vof exploiteert een bloembollen- en vaste plantenkwekerij. Voor de risico’s die daarmee gepaard gaan zijn heeft de vof een ‘Bedrijven Compact Polis’ (hierna: de verzekering) via haar assurantietussenpersoon Rabobank afgesloten bij Achmea.



2.2.
Op de verzekering zijn de Verzekeringsvoorwaarden Bedrijven Compact Polis Agrarisch van toepassing. Deze luiden voor zover hier relevant:

“(..)

Hoofdstuk 2: Bedrijfsmiddelen


Paragraaf 1


Brand, storm

bedrijfsmiddelen (inventaris, voorraad zaken en/of producten, levende have en inboedel)
(..)

Omvang van de verzekering

De verzekering dekt schade aan bedrijfsmiddelen die volgens het verzekeringsbewijs verzekerd zijn op deze voorwaarden (..):”


“Begrippenlijst(..)


Voorraad zaken en/of producten


Geoogste gewassen en gewassen tijdens de teelt in bedrijfsgebouwen niet zijnde kassen en
gewassen die voorafgaand aan de periode van 30 dagen vóór de teelt al in opslag zijn, producten van de levende have anders dan de jongen daarvan, plantaardig zaad, pootgoed, plantmateriaal en grond- en hulpstoffen, hulpmiddelen, en verpakkingsmateriaal ten behoeve van het bedrijf van de verzekerde.
Ook tuincentrumartikelen worden als voorraad zaken en/of producten aangemerkt. (..).”



2.3.
In het polisblad zijn als ‘verzekerde zaken’ onder de rubriek ‘bedrijfsmiddelen’ voor zover hier relevant opgenomen:

“(..) 201 bloembollen
(..)

Verzekerd bedrag € 2.500.000,-
(..)

Clausules (..) 5 Clausuleblad terrorismedekking, 6 Exclusief BTW, 9 preventieafspraken, 12 Verzekerd bedrag
(..)

207 bloemen
(..)

Verzekerd bedrag € 200.000,-
(..)

Clausules (..) 5 Clausuleblad terrorismedekking, 6 Exclusief BTW


Clausules

(..)
012 Verzekerd bedrag
Voor de verzekering van de bloembollen is de premie gebaseerd op de maximaal aanwezige waarde van de bloembollen op enig moment, hierna te noemen: topwaarde.
Is de verzekerde som lager dan de topwaarde, dan geschiedt vergoeding van schade en bereddingskosten in evenredigheid van de verzekerde som tot de topwaarde. (..)”



2.4.
Op 10 juni 2017 heeft een grote brand de kwekerij van de vof volledig verwoest. De vof heeft de schade bij Interpolis gemeld en aanspraak gemaakt op uitkering onder de verzekering.



2.5.
Bij akte van taxatie van 15 december 2017 hebben de experts van Interpolis en de vof gezamenlijk de hier relevante schade die ten gevolge van de brand is ontstaan als volgt vastgesteld:

“(..)

Omschrijving (..) Schade
Rubriek 201 Bollen en knollen in schuur aanwezig (..) € 547782,75
(..)
Aanwezige voorraad zaden (..) € 122199,00 (..)

De aanwezige voorraad zaden staan niet apart vermeld op de verzekeringspolis. De voorraad zaden is wel vastgesteld maar dus uitdrukkelijk voorbehouden van verzekering en polisdekking. (..)”






3Het geschil

3.1.
De vof vordert, na wijziging en intrekking van eis, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis Achmea te veroordelen tot betaling van


€ 122.199,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 november 2017,


de buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente,


de proceskosten.





3.2.
Achmea voert verweer.



3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.






4De beoordeling

4.1.
De aanvankelijke vordering tegen Achmea betreffende schade aan de inventaris heeft de vof ingetrokken, nadat Achmea na het uitbrengen van de dagvaarding deze vordering alsnog had erkend. Nu de vof daarnaast al de vorderingen tegen de aanvankelijk gedaagde Rabobank heeft ingetrokken vanwege de met die partij getroffen regeling, resteert nog slechts het dekkingsgeschil met Achmea over de tijdens de brand verloren gegane hoeveelheid zaden met een onbetwiste waarde van € 122.199,-. Daarmee is het geschil teruggebracht tot de vraag of zaden gedekt zijn onder de verzekering onder de rubriek bloembollen, zoals de vof stelt en Achmea betwist. Buiten discussie staat immers dat als de stelling van de vof komt vast te staan, Achmea in dat geval gehouden is dekking te verlenen voor de zaden en dat ook de daarvan afhankelijke vorderingen met betrekking tot de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten in beginsel toewijsbaar zijn.



4.2.
De vof heeft haar stelling – dat zaden gedekt zijn onder de rubriek bloembollen – als volgt toegelicht. In de eerste plaats vertegenwoordigen bloembollen en zaden in de kwekerij exact dezelfde functie: het vermenigvuldigen van de plantsoort. Daarbij geldt dat de bolgewassen waar het hier om gaat worden vermenigvuldigd door middel van het zaad dat uit de bloem van de plant gewonnen wordt, en dit zaad groeit - na te zijn gezaaid - zelf weer tot bloembol uit. Wanneer een zaadje tot bloembol wordt is een semantische discussie. Op het bedrijf werd geen onderscheid gemaakt tussen bloembollen en zaden en Rabobank maakte dit onderscheid evenmin. Bovendien bestaat er ook qua risico geen verschil tussen bloembollen en zaden. Immers, beide producten zijn ieder jaar gedurende eenzelfde periode aanwezig op het risicoadres. Daarnaast is de waarde van de zaden bij de vaststelling van de verzekerde som voor de bloembollen van € 2,5 miljoen reeds meegenomen. Zouden de bloembollen en zaden separaat op de polis opgenomen zijn, dan was aldus sprake geweest van eenzélfde risico, eenzélfde verzekerde (totaal)som en (dus) eenzélfde premie.
Ten slotte worden de begrippen ‘bloembollen’ en ‘(bloem)zaden’ in de verzekering nergens gedefinieerd.



4.3.
Achmea heeft haar betwisting als volgt toegelicht. Onder de verzekering zijn bloembollen en zaden afzonderlijke, zelfstandige roerende zaken uit een limitatieve lijst van zaken die als ‘voorraad zaken en/of producten’ worden aangemerkt. Bloembollen zijn wel ter verzekering aangemeld en aangeboden, maar zaden niet. Uit de interne objectmemo behorend bij object 201 (bloembollen) blijkt ook dat er niet tijdens het afsluiten van de verzekering van de bloembollen, noch tijdens de looptijd van de verzekering met Interpolis is gesproken over het verzekeren van zaden. Hierdoor heeft de vof geen zaden verzekerd en is daarvoor ook geen premie betaald. Daar doet niet aan af dat er tussen bloembollen en zaden geen verschil in functie of risico bestaat, hetgeen overigens wordt betwist. Ook uit clausule 12 blijkt dat het verzekerde bedrag dat voor bloembollen is opgenomen, alleen voor bloembollen geldt en niet tevens voor zaden.



4.4.
De rechtbank stelt voorop dat het Achmea vrij staat om in de polisvoorwaarden de grenzen te omschrijven waarbinnen zij bereid is dekking te verlenen. Bij de beantwoording van de vraag hoe deze polisvoorwaarden moeten worden uitgelegd, komt het evenwel aan op de zin die partijen over en weer in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs aan de bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijze van elkaar mochten verwachten. Nu over dergelijke voorwaarden niet tussen partijen pleegt te worden onderhandeld, hetgeen ook onbetwist in dit geval niet is gebeurd, is de uitleg daarvan in het bijzonder afhankelijk van objectieve factoren zoals de bewoordingen waarin de desbetreffende bepaling is gesteld, gelezen in het licht van de polisvoorwaarden als geheel.



4.5.
Tegen deze achtergrond bezien heeft de vof concreet en gemotiveerd toegelicht dat zij bij haar aanmelding ter verzekering van bloembollen voor een bedrag € 2,5 miljoen een hoeveelheid zaden heeft begrepen. Dit is ook door haar assurantieadviseur Rabobank onderschreven, die anders dan Achmea op de hoogte was van de inrichting van het bedrijf van de vof en de daar aanwezige roerende zaken. Hiertegenover heeft Achmea haar betwisting onvoldoende gemotiveerd. Zij heeft immers nagelaten, hetgeen wel op haar weg had gelegen, om haar betwisting nader en concreet toe te lichten. Zo had van haar mogen worden verwacht om in te gaan op de bevestiging van de handelwijze van de vof door de assurantieadviseur, en daarnaast ook op de aanzienlijke hoogte van het met ‘bloembollen’ verzekerde bedrag, omdat dit gegeven tegen de genoemde achtergrond op zichzelf kan onderbouwen dat ook zaden daarin zijn begrepen. Ook heeft Achmea niet toegelicht waarom – nog los van de verzekering – per definitie een onderscheid tussen bloembollen en zaden te maken is als in aanmerking wordt genomen dat zaad in elk geval gedurende een bepaalde periode, namelijk de periode tot het moment dat het zaad gewonnen wordt, onderdeel blijft uitmaken van de plant die uit de bloembol groeit, en daarna, als het wordt gezaaid, zelf weer tot een bloembol uitgroeit. Tot slot is Achmea niet ingegaan op de stelling van de vof dat bloembollen en zaden onder de verzekering niet verschillen qua categorie, namelijk ‘voorraad zaken en/of producten’, noch qua functie, noch qua (in te schatten) risico of premie. Wat de laatste drie elementen betreft heeft Achmea volstaan met een enkele betwisting. Wat de genoemde categorie ‘voorraad zaken en/of producten’ betreft heeft Achmea er slechts op gewezen dat in de omschrijving van deze categorie onder meer ‘plantaardig zaad’ wordt genoemd. Dit enkele gegeven alleen, waarbij de term bloembollen in de omschrijving niet wordt vermeld, is onvoldoende om aan te nemen dat een onderscheid tussen bloembollen en zaad onder de verzekering van belang is. De omstandigheid dat in het interne computersysteem van Achmea ‘bloembollen’ en ‘zaden’ wel worden onderscheiden, zoals Achmea heeft aangevoerd, doet niet ter zake, nu de vof onbetwist heeft aangevoerd dat dit voor de vof niet kenbaar was.



4.6.
De conclusie is dat de uitleg die de vof heeft gehanteerd een redelijke uitleg is. Bovendien kan uit hetgeen Achmea heeft aangevoerd niet worden afgeleid dat zij in haar belangen is geschaad doordat de vof het door Achmea bepleite onderscheid niet heeft gemaakt. Bij die stand van zaken zou honorering van de verschillende verweren van Achmea die erop neerkomen dat de vof het onderscheid wel had behoeven te maken, ertoe leiden dat de vof jarenlang premie heeft betaald voor de verzekering van een risico, dat Achmea in dat geval niet op zich zou hebben genomen. Daarin kan Achmea niet worden gevolgd. Daarop stuiten de verweren van Achmea af.



4.7.
De slotsom van het voorgaande is dat Achmea dekking moet verlenen voor de zaden. De wettelijke rente over het daarmee gemoeide bedrag van € 122.199,- vanaf 21 november 2017 kan, als onbetwist, eveneens worden toegewezen.



4.8.
Ten overvloede overweegt de rechtbank dat het bij faxbericht van 3 oktober 2019 ingediende verzoek van mr. Verweij om naar de rechtbank begrijpt nog een akte te mogen nemen, buiten beschouwing wordt gelaten. Immers, met mr. Backx stelt de rechtbank vast dat dit verzoek eerst na het moment van vonnisbepaling is ingediend, en dat is gelet op het bepaalde in artikel 6.2 van het landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij rechtbanken, tardief.


buitengerechtelijke incassokosten



4.9.
De rechtbank stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is en dat de vof voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het met het toegewezen bedrag corresponderende wettelijke tarief aan buitengerechtelijke incassokosten kan daarom worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente over dit bedrag is niet betwist en kan eveneens worden toegewezen vanaf de datum van dagvaarding.


proceskosten



4.10.
Bij deze uitkomst van de procedure wordt Achmea als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van de vof. Deze worden, op basis van de toegewezen som tezamen met het bedrag van de oorspronkelijke vordering onder I - die Achmea eerst tijdens deze procedure heeft erkend -, als volgt begroot:
- explootkosten: € 85,79
- griffierecht: € 3.946,00
- salaris gemachtigde: € 4.804,00 (2x tarief VI € 2.402,00)
totaal: € 8.835,79



4.11.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.






5De beslissing
De rechtbank


5.1.
veroordeelt Achmea tot betaling aan de vof van € 122.199,-, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 21 november 2017,



5.2.
veroordeelt Achmea tot betaling aan de vof van € 1.996,99 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 8 oktober 2018,



5.3.
veroordeelt Achmea in de proceskosten, aan de kant van de vof begroot op € 8.835,79,



5.4.
veroordeelt Achmea in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Achmea niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,



5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.


Dit vonnis is gewezen door mr. M.L.S. Kalff, rechter, bijgestaan door mr. P.C.N. van Gelderen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 6 november 2019.
Link naar deze uitspraak