Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Peter Houtsma)
ECLI:NL:GHDHA:2019:536 
 
Datum uitspraak:08-03-2019
Datum gepubliceerd:13-03-2019
Instantie:Gerechtshof Den Haag
Zaaknummers:BK-18/01028
Rechtsgebied:Belastingrecht
Indicatie:In hoger beroep is in geschil, net als voor de Rechtbank, of het bezwaar ontvankelijk is. [Belanghebbende] stelt dat hij weliswaar stond ingeschreven op het adres [Y] te [Z], maar dat hij daar feitelijk niet woonde. Hij had op dat moment geen vaste woon- of verblijfplaats en stond daarom ingeschreven op het adres van zijn moeder.
Trefwoorden:belastingrecht
heffingsrente
inkomstenbelasting
 
Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-18/01028

Uitspraak van 8 maart 2019

in het geding tussen:




[X] te [Z] , belanghebbende,

en


de inspecteur van de Belastingdienst/Particulieren, dienstverlening en bezwaar, kantoor Den Haag, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 6 september 2018, nummer SGR 18/2926.




Overwegingen

1. Blijkens een tot de gedingstukken behorend afschrift van een aanslagbiljet zijn met dagtekening 29 maart 2014 aan belanghebbende over het jaar 2011 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen naar een belastbaar inkomen van € 107.072 en bij beschikking een vergrijpboete van € 15.182 opgelegd en is bij beschikking € 2.238 aan heffingsrente in rekening gebracht. Bij gezamenlijke uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het bezwaar dat belanghebbende bij brief van 20 februari 2018 tegen de navorderingsaanslag en de beschikkingen heeft gemaakt wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard.

2. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Inspecteur beroep ingesteld bij de Rechtbank. Een griffierecht van € 46 is geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

3. Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Een griffierecht van € 126 is geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft gereageerd bij op 21 januari 2019 aan de Inspecteur doorgezonden brief van 17 januari 2019 en bij op 18 februari 2019 aan de Inspecteur doorgezonden brief van 15 februari 2019 met bijlage.

4. De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgehad in Den Haag ter zitting van het Hof van 1 maart 2019. Partijen zijn verschenen.

5. De Rechtbank heeft overwogen:
"(…)
3. In geschil is of het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard. [Belanghebbende] beantwoordt deze vraag ontkennend en voert daartoe aan dat hij de navorderingsaanslag en de boetebeschikking nooit heeft ontvangen. [Belanghebbende] stelt dat hij weliswaar stond ingeschreven op het adres [Y] te [Z] , maar dat hij daar feitelijk niet woonde. Hij had op dat moment geen vaste woon- of verblijfplaats en stond daarom ingeschreven op het adres van zijn moeder. [Belanghebbende] stelt dat hij pas op de hoogte is geraakt van het bestaan van de navorderingsaanslag en de vergrijpboete nadat een medewerker van de Belastingtelefoon meedeelde dat er nog een bedrag van een aanslag openstond.
4. [ De Inspecteur] stelt dat de navorderingsaanslag en de boetebeschikking zijn verzonden naar het adres [Y] te [Z] . Op dit adres stond [belanghebbende] destijds ingeschreven in de Basisregistratie Persoonsgegevens (BRP).
5. Gemachtigde heeft ter zitting gesteld dat eerst dient te worden beoordeeld of de navorderingsaanslag en de boetebeschikking rechtmatig zijn opgelegd. Voordat aan die inhoudelijke vraag kan worden toegekomen, dient echter te worden beoordeeld of het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard.
6. In zijn arrest van 5 maart 2004, nr. 39245, ECLI:NL:HR:2004:AO5063, oordeelde de Hoge Raad:
'Indien de bekendmaking van het aanslagbiljet geschiedt door toezending, kan in de regel ervan worden uitgegaan dat met de terpostbezorging van het aanslagbiljet de bekendmaking heeft plaatsgevonden. In een zodanig geval vangt ingevolge artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen de termijn voor het instellen van bezwaar aan met ingang van de dag na die van dagtekening van het aanslagbiljet, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van terpostbezorging. De evenvermelde regel lijdt echter uitzondering indien de zending de belastingschuldige niet heeft bereikt en zulks het gevolg is van een fout van de belastingdienst (bijvoorbeeld een verkeerde adressering die aan de belastingdienst is te verwijten). In een zodanig geval kan niet worden gezegd dat bekendmaking van de aanslag op de voorgeschreven wijze heeft plaatsgevonden.'
7. Nu [belanghebbende] stelt dat hij de navorderingsaanslag en de boetebeschikking niet heeft ontvangen, is het aan [de Inspecteur] om aannemelijk te maken dat deze zijn verzonden naar het juiste adres. [De Inspecteur] heeft daartoe een 'Rapport Datum Verzending' overgelegd van 1 mei 2018, opgesteld te Apeldoorn door [A] , medewerker Verwerken en Behandelen bij Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen. Voorts zijn screenprints uit verschillende onderdelen van de geautomatiseerde administratie van de belastingdienst overgelegd.
8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [de Inspecteur] met voormeld rapport, hetgeen hij daarover ter zitting heeft verklaard en de door hem overgelegde screenprints, voldoende aannemelijk gemaakt dat het aanslagbiljet en de boetebeschikking naar het juiste adres zijn verzonden. Dat [belanghebbende] feitelijk niet woonachtig was op het adres waar hij in de BRP stond ingeschreven, is een omstandigheid die voor zijn rekening en risico komt. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de navorderingsaanslag en boetebeschikking op juiste wijze zijn bekendgemaakt. Nu het bezwaarschrift pas op 21 februari 2018 door [de Inspecteur] is ontvangen, is het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard.
9. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding."

6. In hoger beroep is in geschil, net als voor de Rechtbank, of het bezwaar ontvankelijk is. Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de stukken van het geding.
7. Daargelaten dat het Hof, gelet ook op al wat belanghebbende, althans diens gemachtigde heeft gesteld (bijvoorbeeld op de zitting: we hebben niet aan de moeder gevraagd of ze de stukken van de Belastingdienst heeft ontvangen), niet zonder meer gelooft dat belanghebbende dan wel diens moeder, beiden geregistreerd op hetzelfde adres, de twee brieven van 14 oktober 2013 ("Vooraankondiging navordering") en van 28 februari 2014 ("Aankondiging navordering 2011") niet op of kort na die data heeft ontvangen en het aanslagbiljet niet op 29 maart 2014 of kort daarna heeft ontvangen, brengen de beschikbare gegevens mee dat de Rechtbank terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat het bezwaar niet-ontvankelijk is. Het Hof neemt, de overwegingen van de Rechtbank volgend, in aanmerking dat de Inspecteur met al wat hij over (de verzending van) het aanslagbiljet heeft aangevoerd en aan stukken heeft ingebracht, mede ter weerlegging van de door belanghebbende aangevoerde stelling, is geslaagd ruimschoots voldoende feiten en omstandigheden te stellen en ook, tegenover de betwisting door belanghebbende, aannemelijk te maken die de conclusie rechtvaardigen dat de navorderingsaanslag en beschikkingen op de voorgeschreven wijze zijn bekendgemaakt en ook door belanghebbende - dat moet ervoor worden gehouden - zijn ontvangen. Het Hof neemt verder in aanmerking dat uit wat belanghebbende in beroep en hoger beroep heeft aangevoerd geen enkele omstandigheid is te putten die erop wijst dat in redelijkheid niet is te oordelen dat belanghebbende met betrekking tot het (ruimschoots) buiten de termijn in bezwaar komen tegen de navorderingsaanslag en beschikkingen in verzuim is geweest. Belanghebbende heeft overigens, ook waar het gaat om het verzoek aan de Inspecteur het aan de navorderingsaanslag ten grondslag liggende proces-verbaal van de politie Haaglanden en de begeleidende brief te overleggen, niets aangevoerd waaruit een formeel of inhoudelijk beletsel is te putten voor het niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaar.

8. Het hoger beroep is ongegrond.

9. Het Hof ziet geen reden een partij te veroordelen in de proceskosten.




Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.


De uitspraak is vastgesteld door U.E. Tromp, J.T. Sanders en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier M.C.M. Boutier-Warmenhoven. De beslissing is op 8 maart 2019 in het openbaar uitgesproken.







aangetekend aan
partijen verzonden:




Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan
binnen zes weken
na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.
2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:
- - de naam en het adres van de indiener;
- - de dagtekening;
- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
- - de gronden van het beroep in cassatie.
Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.


De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Link naar deze uitspraak