Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Peter Houtsma)
ECLI:NL:CRVB:2019:795 
 
Datum uitspraak:21-02-2019
Datum gepubliceerd:13-03-2019
Instantie:Centrale Raad van Beroep
Zaaknummers:17/2140 AOW
Rechtsgebied:Socialezekerheidsrecht
Indicatie:In zijn uitspraak van 17 april 2015 heeft de voorzieningenrechter van de Raad een eindoordeel gegeven over de beroepsgronden die appellant thans in hoger beroep weer aanvoert. Daarbij zijn die beroepsgronden verworpen. Wat appellant hier nu tegen inbrengt kan niet meer aan de orde komen, omdat de omvang van het geding is beperkt. Geoordeeld wordt dat de Svb op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de Raad. De Raad kan zich verenigen met de mate van herziening en de terugvordering.
Trefwoorden:aow
wettelijke rente
 
Uitspraak
17/2140 AOW en 17/2141 AOW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
7 februari 2017, 14/4272 en 16/6222 (aangevallen uitspraak)
Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 21 februari 2019
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft nadere stukken ingezonden.
Beide partijen zijn gewezen op hun recht ter zitting te worden gehoord en hebben verklaard dat zij geen gebruik willen maken van dit recht. Vervolgens heeft de Raad besloten dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft en is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN


1.1.
Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de uitspraak van 17 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1240. Volstaan wordt met het volgende.



1.2.
In de uitspraak van 17 april 2015 heeft de voorzieningenrechter van de Raad inhoudelijk uitspraak gedaan over de herziening en terugvordering van het ouderdomspensioen van appellant ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW), omdat appellant vanaf 20 mei 2011 in een land (Ghana) is gaan wonen waarvoor de Wet beperking export uitkeringen (Wet BEU) gevolgen heeft. De voorzieningenrechter was van oordeel dat, hoewel appellant medio mei 2011 feitelijk is vertrokken uit Nederland en op dat moment niet meer beschikte over zelfstandige woonruimte, dat niet tot de conclusie kan leiden dat al per medio mei 2011 geen sprake meer was van een duurzame band van persoonlijke aard tussen appellant en Nederland. Van belang werd daarbij geacht dat appellant jarenlang in Nederland heeft gewoond, zich in Ghana ging oriënteren op zijn verdere verblijf daar en tot eind september ook in Ghana niet beschikte over zelfstandige woonruimte. In deze in meer of mindere mate onzekere periode kan niet worden aangenomen dat het vertrek van appellant uit Nederland van definitieve aard was. Het omslagmoment waaruit dit wel dient te worden geconcludeerd is het huren van definitieve woonruimte. Deze omstandigheid, in samenhang bezien met het opstarten van een eigen bedrijf en het aanvragen van een verblijfsvergunning, heeft de voorzieningenrechter tot het oordeel geleid dat vanaf eind september 2011 kan worden geconcludeerd dat de duurzame band van persoonlijke aard tussen appellant en Nederland is geëindigd. De op artikel 9a van de AOW gebaseerde herziening van het ouderdomspensioen, en daarmee ook de terugvordering, zou dan ook per die datum aan de orde kunnen zijn. Met betrekking tot artikel 9a van de AOW, in relatie tot de door appellant ingeroepen internationale bepalingen, is overwogen dat de toepassing van dat artikel onder omstandigheden geen ontoelaatbare inbreuk op het eigendomsrecht in de zin van artikel 1 van het Eerste Protocol noch een ontoelaatbaar onderscheid naar woonplaats in de zin van artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden in samenhang met artikel 1 van het Eerste Protocol met zich brengt. De stelling van appellant dat de Wet BEU onzorgvuldig tot stand is gekomen, heeft geen doel getroffen. De voorzieningenrechter heeft de Svb opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Daarbij dient bij de herziening en terugvordering als uitgangspunt te worden genomen dat appellant eerst vanaf eind september 2011 niet meer in Nederland woonde.



1.2.
De Svb heeft ter uitvoering van deze uitspraak de thans bestreden besluiten van
26 mei 2015 genomen. Daarbij heeft de Svb als uitgangspunt genomen de vaststelling door de Raad dat de duurzame band van persoonlijke aard van appellant met Nederland sinds eind september 2011 is geëindigd. Het AOW-pensioen van appellant is eerst herzien met ingang van oktober 2011, omdat appellant in een land woont waarvoor de Wet BEU geldt. Over de maanden juni 2011 tot en met september 2011 en mei 2012 heeft appellant recht op een nabetaling van € 1.368,30. Ook heeft appellant recht op wettelijke rente over deze nabetaling. Het ten onrechte uitbetaalde AOW-pensioen over de maanden oktober en november 2011 ten bedrage van € 652,56 wordt van appellant teruggevorderd.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak de beroepen ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft in hoger beroep uitvoerig inhoudelijke gronden aangevoerd tegen de Wet BEU en de toepassing daarvan, schending van internationale verdragen, ontneming van eigendom en discriminatie.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.



4.1.
In zijn uitspraak van 17 april 2015 heeft de voorzieningenrechter van de Raad een eindoordeel gegeven over de beroepsgronden die appellant thans in hoger beroep weer aanvoert. Daarbij zijn die beroepsgronden verworpen. Wat appellant hier nu tegen inbrengt kan niet meer aan de orde komen, omdat de omvang van het geding is beperkt tot de vraag of de Svb met de bestreden besluiten op de juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de Raad.



4.2.
Geoordeeld wordt dat de Svb op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de Raad. De Svb heeft aan de opdracht van de Raad voldaan door de herziening van het AOW-pensioen en de terugvordering van het ten onrechte betaalde pensioen te beperken tot de maanden oktober en november 2011. Dit betekent dat de Raad zich kan verenigen met de mate van herziening en de terugvordering.



4.3.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5.Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

















BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in tegenwoordigheid van M.D.F. Smit-de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op
21 februari 2019.



(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum



(getekend) M.D.F. Smit-de Moor





ew
Link naar deze uitspraak