Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Peter Houtsma)
ECLI:NL:RBNHO:2019:3132 
 
Datum uitspraak:09-04-2019
Datum gepubliceerd:15-04-2019
Instantie:Rechtbank Noord-Holland
Zaaknummers:7503941 AO VERZ 19-12
Rechtsgebied:Arbeidsrecht
Indicatie:Arbeidszaak. De kantonrechter veroordeelt werkgever tot betaling van een aanzegvergoeding van ruim € 1.400,-. De werkgever heeft wel mondeling aangezegd, maar niet schriftelijk. De wetgever heeft onder ogen gezien dat een aanzegging ook mondeling zou kunnen worden gedaan, maar heeft niettemin de keuze gemaakt dat de aanzegverplichting “wordt geformaliseerd via een schriftelijke aanzegplicht”. De enkele omstandigheid dat mondeling duidelijkheid is verstrekt over het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst, is daarom onvoldoende om te oordelen dat de aanspraak op de aanzegvergoeding in dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
Trefwoorden:arbeidsovereenkomst
burgerlijk wetboek
uitkering
wettelijke rente
 
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Bewind
locatie Alkmaar

Zaaknr./rolnr.: 7503941 \ AO VERZ 19-12 BL
Uitspraakdatum: 9 april 2019


Beschikking in de zaak van:




[verzoekster]
,
wonende te [woonplaats 1]
verzoekende partij
verder te noemen: [verzoekster]
gemachtigde: mr. C.L. Toonen

tegen


Maatschap [naam maatschap], gevestigd te [vestigingsplaats] , en haar maten


[naam 1]
en [naam 2], beiden wonende te [woonplaats 2]
verwerende partijen
verder gezamenlijk te noemen (in enkelvoud): [verweerders]
vertegenwoordigd door mr. [naam 1]




1Het procesverloop


1.1.

[verzoekster] heeft een verzoek gedaan om [verweerders] te veroordelen tot betaling van een vergoeding wegens het niet nakomen van de zogenoemde aanzegverplichting en tot betaling van een dertiende maand. [verweerders] heeft een verweerschrift ingediend.



1.2.
Op 12 maart 2019 heeft een zitting plaatsgevonden. [verweerders] is op die zitting niet verschenen. [verzoekster] heeft op de zitting haar standpunt toegelicht en vragen beantwoord. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt.





2De feiten


2.1.

[verzoekster] , geboren op [geboortedatum] , is op 1 december 2016 in dienst getreden bij [verweerders] voor 21,5 uur per week, in de functie van notarieel medewerker. Het salaris van [verzoekster] bedraagt € 1.429,62 bruto per maand exclusief 8% vakantietoeslag en 13e maand.



2.2.
Voorafgaand aan ondertekening van de eerste arbeidsovereenkomst heeft op 25 oktober 2016 het volgende WhatsAppgesprek tussen partijen plaatsgevonden:


[naam 1] : “vanaf 1 december op eerst een jaarcontract”

[verzoekster] : “En als we toch bezig zijn: is er ook nog iets van een 13-de maand, winstuitkering?”

[naam 1] : “Haha”

[verzoekster] : “Dat is een ja?”

[naam 1] : “Nee, er is geen vaste 13e maand”

[verzoekster] : “Jaja, bedoel je?”

[naam 1] : “Maar hij wordt wel elk jaar uitgekeerd”

[naam 1] : “Hoewel, in 2009 niet geloof ik”



2.2.
De arbeidsovereenkomst is met ingang van 1 december 2016 aangegaan voor de duur van een jaar. Deze arbeidsovereenkomst is per 1 december 2017 verlengd voor bepaalde tijd en van rechtswege geëindigd op 1 december 2018. De arbeidsovereenkomst is nadien niet voortgezet.





3Het verzoek


3.1.

[verzoekster] verzoekt [verweerders] en haar maten hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een vergoeding van € 1.429,62 bruto, wegens het niet nakomen van de aanzegverplichting als bedoeld in artikel 7:668 lid 1, onderdeel a, van het Burgerlijk Wetboek (BW), alsmede een bedrag van € 1.310,49 bruto voor een dertiende maand naar rato over de maanden januari tot en met november 2018.



3.2.
Aan dit verzoek legt [verzoekster] – kort gezegd – het volgende ten grondslag. De arbeidsovereenkomst tussen partijen is aangegaan voor bepaalde tijd en is geëindigd op 1 december 2018. [verweerders] heeft verzuimd om [verzoekster] uiterlijk een maand daarvoor schriftelijk te informeren over het al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst. Een mondelinge aanzegging volstaat niet. Ten aanzien van de dertiende maand is sprake van een verworven recht. [verweerders] heeft in een WhatsAppgesprek op 25 oktober 2016 het vertrouwen bij [verzoekster] gewekt dat deze jaarlijks aan haar zal worden uitgekeerd, en dat dit voor [verweerders] ten minste vanaf 2010 een bestendig gebruik is. In 2017 heeft [verzoekster] een dertiende maand ontvangen, net als alle andere medewerkers.





4Het verweer


4.1.

[verweerders] verweert zich en stelt dat het verzoek om haar te veroordelen tot betaling van de gevorderde vergoeding en de dertiende maand moeten worden afgewezen.



4.2.

[verweerders] voert daartoe – samengevat – het volgende aan. [verweerders] heeft voldaan aan haar aanzegplicht, ondanks het feit dat dit niet schriftelijk is gebeurd. Twee maanden voor het einde van het dienstverband is in een gesprek aan [verzoekster] medegedeeld dat haar contract niet verlengd zou worden. Enkele weken later zijn op verzoek van [verzoekster] de beweegredenen daarvoor nogmaals mondeling toegelicht. Daarmee heeft [verzoekster] haar recht op de aanzegvergoeding verwerkt, dan wel brengt de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid mee dat [verweerders] deze niet aan haar verschuldigd is. In het WhatsAppgesprek van 25 oktober 2016 is duidelijk aangegeven dat de dertiende maand geen recht is. Ook de arbeidsovereenkomst die partijen vervolgens zijn aangegaan staat niets vermeld over het recht op een dertiende maand. De dertiende maand wordt alleen uitgekeerd als beloning voor goed functioneren, en [verzoekster] functioneerde niet voldoende.






5De beoordeling


5.1.
Het gaat in deze zaak onder meer om de vraag of [verweerders] moet worden veroordeeld tot betaling van € 1.429,62 bruto, wegens het niet nakomen van de aanzegverplichting van artikel 7:668 lid 1, onderdeel a, BW. Op grond van deze bepaling moest [verweerders] uiterlijk een maand voordat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van rechtswege eindigde, dus vóór 1 november 2018, [verzoekster] schriftelijk informeren over het al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst.



5.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat [verzoekster] in het geheel niet schriftelijk door [verweerders] is geïnformeerd over de status van haar op 1 december 2018 aflopende arbeidsovereenkomst. Verder staat onbetwist vast dat [verweerders] wel tijdig mondeling met [verzoekster] heeft besproken dat haar dienstverband per 1 december 2018 niet verlengd zou worden. Partijen verschillen van mening over de vraag of [verweerders] hiermee aan haar wettelijke aanzegverplichting heeft voldaan. De kantonrechter beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daarover het volgende.



5.3.
De eis dat de aanzegging schriftelijk moet worden gedaan is van dwingend recht. Voor het betrachten van de door [verweerders] bepleite soepelheid biedt de wettelijke bepaling geen ruimte. [verweerders] stelt zich op het standpunt dat gezien de gesprekken die tijdig met [verzoekster] zijn gevoerd over het einde van haar dienstverband daarover bij haar geen onzekerheid kan hebben bestaan. Onzekerheid is echter geen vereiste voor het toekennen van een aanzeggingsvergoeding. De wetgever heeft geen onderscheid gemaakt tussen de situatie waarin de werknemer wel of niet tijdig mondeling is geïnformeerd over het al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst. Dat [verzoekster] hierover niet in onzekerheid verkeerde staat dan ook niet in de weg aan toekenning van de aanzegvergoeding.



5.4.
Ook het beroep van [verweerders] op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid wordt gepasseerd. Toepassing van een tussen partijen geldende wettelijke regel kan onder omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn (artikel 6:248 lid 2 BW). De kantonrechter moet met een beroep op deze redelijkheid en billijkheid terughoudend omgaan, zeker als het gaat om een regel van dwingend recht, zoals het wettelijk recht op de aanzegvergoeding (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 5 oktober 2018, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, onder nummer ECLI:NL:HR:2018:1845 (Stichting Katholieke Scholengroep)). Als in de wettelijke regel al een afweging van belangen door de wetgever besloten ligt, zal een beroep op de genoemde redelijkheid en billijkheid alleen in heel uitzonderlijke gevallen kunnen slagen. In de wettelijke regel van de aanzegvergoeding ligt een dergelijke belangenafweging al besloten. De wetgever heeft namelijk onder ogen gezien dat een aanzegging ook mondeling zou kunnen worden gedaan, maar niettemin de keuze gemaakt dat de aanzegverplichting “wordt geformaliseerd via een schriftelijke aanzegplicht” (Kamerstukken I, 2013-2014, 33 818, C, pag. 79). De enkele omstandigheid dat mondeling duidelijkheid is verstrekt over het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst, is daarom onvoldoende om te oordelen dat de aanspraak op de aanzegvergoeding in dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Ook anderszins is geen sprake van een onaanvaardbare uitkomst door toepassing van artikel 7:668 lid 1, onderdeel a, BW. Daarbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat niet is gesteld of gebleken dat er voor [verweerders] beletselen waren om in aanvulling op het gesprek tussen partijen voor alle duidelijkheid de aanzegging schriftelijk aan [verzoekster] te bevestigen, om daarmee te voldoen aan de wettelijk op haar rustende informatieverplichting. Uit het voorgaande volgt dat ook het niet nader geconcretiseerde beroep van [verweerders] op rechtsverwerking niet kan slagen.



5.5.
De conclusie is dat [verweerders] op grond van artikel 7:668 lid 3 BW aan [verzoekster] een vergoeding verschuldigd is gelijk aan het bedrag van het loon voor één maand, nu de aanzegverplichting in het geheel niet is nagekomen. De hoogte van het maandloon is niet betwist, zodat de gevorderde aanzegvergoeding van € 1.429,62 bruto wordt toegewezen.



5.6.
Verder vordert [verzoekster] een dertiende maand over 2018, naar rato berekend over de maanden januari tot en met november 2018. Zij heeft concreet gesteld en onderbouwd waarom zij daar aanspraak op kan maken. Ter zitting heeft [verzoekster] hierop nog een nadere toelichting gegeven. Uit niets blijkt dat uitkering van de dertiende maand afhankelijk is gesteld van het gedrag van werknemers, zoals [verweerders] stelt. [verweerders] en haar maten zijn niet op de zitting van 12 maart 2019 verschenen, ondanks behoorlijke oproep daarvoor. Gelet op de wettelijke regels waren zij wel verplicht om op de zitting te verschijnen (artikel 279 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Die verplichting staat ook in het procesreglement voor deze zaken, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl (artikel 1.4.4 Procesreglement verzoekschriftprocedures rechtbanken, kantonzaken). Door desondanks niet te verschijnen op de zitting van 12 maart 2019, heeft [verweerders] geen vragen van de kantonrechter kunnen beantwoorden en geen inlichtingen kunnen geven. Dat betekent ook dat zij de hiervoor genoemde nadere toelichting van [verzoekster] niet heeft weersproken. Dat komt voor rekening en risico van [verweerders] , die ervoor heeft gekozen om niet te verschijnen. De kantonrechter verbindt daaraan ook het gevolg dat [verweerders] de (nadere) stellingen van [verzoekster] onvoldoende heeft betwist, zodat die stellingen voor juist worden gehouden. Dit betekent dat ook de gevorderde dertiende maand ten bedrage van € 1.310,49 bruto wordt toegewezen.



5.7.
De wettelijke rente over de aanzegvergoeding en de dertiende maand wordt toegewezen zoals gevorderd, nu [verweerders] hiertegen geen zelfstandig verweer heeft gevoerd en vaststaat dat deze niet tijdig aan [verzoekster] zijn betaald en [verweerders] daarmee in verzuim is gekomen.



5.8.
De proceskosten komen voor rekening van [verweerders] , omdat zij ongelijk krijgt.





6De beslissing

De kantonrechter:


6.1.
veroordeelt Maatschap [verweerders] , [naam 1] en [naam 2] hoofdelijk, in die zin dat als de een betaalt de ander zal zijn bevrijd, tot betaling aan [verzoekster] van de aanzegvergoeding van € 1.429,62 bruto en de dertiende maand naar rato van € 1.310,49 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf het tijdstip van opeisbaarheid tot aan de dag van de gehele betaling;



6.2.
veroordeelt Maatschap [verweerders] , [naam 1] en [naam 2] , hoofdelijk zoals hiervoor vermeld, tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [verzoekster] tot en met vandaag vaststelt op:
griffierecht € 231,00
salaris gemachtigde € 480,00 ;



6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.J. Jansen, kantonrechter en op 9 april 2019 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter
Link naar deze uitspraak