Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Peter Houtsma)
ECLI:NL:RBNHO:2019:3784 
 
Datum uitspraak:08-05-2019
Datum gepubliceerd:15-05-2019
Instantie:Rechtbank Noord-Holland
Zaaknummers:7455614 EJ VERZ 19-4
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:erfrecht; vereffening; salaris vereffenaar; voorschot; vereffenaar komt slechts salaris toe voor die werkzaamheden die hij in het belang van de schuldeisers in redelijkheid heeft kunnen uitvoeren; weigering toekenning aanvullend voorschot
Trefwoorden:burgerlijk wetboek
uitkering
 
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Afdeling Privaatrecht
Sectie Kanton – locatie Alkmaar

zaaknr.: 7455614 EJ VERZ 19-4 WD
datum uitspraak: 8 mei 2019



Beschikking van de kantonrechter ex artikel 4:206 lid 3 BW
op het verzoek van:




[verzoeker] ,
kantoorhoudende te [plaats] (vereffenaar)
verzoeker

inzake



de nalatenschap van [erflater] ,
geboren op [geboortedatum] en overleden op [datum overlijden] te [plaats] , laatstelijk gewoond hebbende te [plaats] .



De procedure

De procedure blijkt uit:


het verzoek van de vereffenaar van 8 januari 2019;


de beschikking van de kantonrechter van 28 januari 2019;


de brief van de vereffenaar van 5 februari 2019;


de mondelinge behandeling van 17 april 2019, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt;


de na de mondelinge behandeling door de vereffenaar aan de kantonrechter verzonden brieven van 17 en 18 april 2019.





Het verzoek

De vereffenaar verzoekt dat de kantonrechter een voorschot toekent ter hoogte van het bedrag van € 70.000,00 inclusief btw van het aan de vereffenaar toekomende salaris.

De vereffenaar heeft ter onderbouwing van het verzochte voorschot gemotiveerd en onder verwijzing naar verschillende bijlagen uiteengezet dat uitgaande van het aantal in het kader van de vereffening gemaakte uren (164) en het op basis van de Recofa richtlijnen toe te passen uurtarief van € 339,20 exclusief btw en de niet gespecificeerde verschotten de vereffenaar thans toekomt een salaris van € 70.003,28 en dat de tot de boedel behorende liquide middelen (lees: banksaldi) uitbetaling van het verzochte voorschot mogelijk maken.



De uitgangspunten

Op [datum overlijden] is overleden [erflater] ,
geboren op [geboortedatum] laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats] (hierna: de erflater). De erflater was zelfstandig hypotheekadviseur en handelde als franchisenemer onder de naam [naam 1] .

Enig erfgenaam van de erflater is de thans minderjarige [erfgenaam] .

Bij leven heeft de erflater een levensverzekering afgesloten met zijn minderjarige erfgenaam als enige begunstigde. De uitkering in het kader van deze levensverzekering bedraagt € 265.000,00. Deze uitkering valt niet in de nalatenschap van de erflater.

Bij beschikking van 12 april 2018 van de rechtbank is de vereffenaar benoemd tot vereffenaar in de nalatenschap van de erflater.

Tot de nalatenschap behoorde, naar opgave van de vereffenaar, voor zover van belang:

activa
- banksaldi ter hoogte van het bedrag € 90.224,16;
- woning ter waarde van € 255.000,00;
- portefeuille hypotheekshop € p.m.


passiva

- hypotheekschuld € 283.147,76;
- overige preferente schulden € 12.287,73;
- concurrente schulden € 12.608,19

De moeder van erflater heeft bij de vereffenaar een vordering ingediend van € 178.190,63. De vereffenaar heeft deze vordering (nog) niet erkend.

De tot de nalatenschap behorende woning is verkocht en geleverd op 3 augustus 2018 voor een bedrag van € 405.000,00. Na voldoening van de hypothecaire schuld en overige kosten is het restant op de banksaldi van de erflater bijgeschreven. Sindsdien behoort tot de nalatenschap aan banksaldi in totaal een bedrag van € 220.662,38

Op 8 januari 2019 heeft de vereffenaar gelijktijdig met zijn verzoek tot het toekennen van een voorschot verzocht de kantonrechter een uiterste datum te bepalen voor de schuldeisers om de vordering in te dienen.

Bij afzonderlijke beschikkingen van 28 januari 2019 heeft de kantonrechter (i) op het verzoek van de vereffenaar tot toekenning van een voorschot van € 70.000,00 inclusief btw aan de vereffenaar een voorschot van € 15.000,00 inclusief btw, kantoorkosten en verschotten toegekend en (ii) bepaald dat de vereffenaar de schuldeisers van de nalatenschap op zal roepen de vorderingen in te dienen voor 12 april 2019.

Bij brief van 5 februari 2019 heeft de vereffenaar de kantonrechter verzocht om zich over het meerdere uit te laten (de kantonrechter begrijpt: alsnog over te gaan tot toekenning van het verzochte voorschot van € 70.000,00 inclusief btw).



De beoordeling

De vereffening van een nalatenschap, ongeacht of deze vereffening plaatsvindt door een erfgenaam- vereffenaar na beneficiaire aanvaarding dan wel door een – zoals in onderhavig geval - door de rechtbank benoemde vereffenaar, geschiedt in het belang van de schuldeisers van de nalatenschap.

In het belang van de schuldeisers zijn aan de vereffenaar de taken gegeven die in de artikel 4: 211 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en verder staan omschreven.
Zo bepaalt artikel 4:211 lid 3 BW dat de vereffenaar met bekwame spoed een onderhandse of notariële boedelbeschrijving op dient te (doen) maken en ter inzage neer te leggen. Voorts dient de vereffenaar de schuldeisers op te roepen om voor een door de kantonrechter bepaalde datum hun vorderingen in te dienen; dient de vereffenaar na het verstrijken van de bepaalde indieningstermijn een lijst van erkende en betwiste vorderingen en aanspraken op voorrang ter inzage te leggen en ieder die zich als schuldeiser heeft aangemeld van deze neerlegging in kennis te stellen (artikel 4:214 lid 1 en 4 BW). Ook is de vereffenaar belast met het te gelde maken van de goederen der nalatenschap, voor zover dit voor de schulden van de nalatenschap nodig is (4:215 BW). Dit alles in het belang van de schuldeisers van de te vereffenen nalatenschap.

De vereffenaar komt daarom slechts salaris toe voor die werkzaamheden die hij in het belang van de schuldeisers in redelijkheid heeft kunnen uitvoeren. Voor werkzaamheden die niet in redelijkheid in het belang van de schuldeisers worden geacht te zijn uitgevoerd, komt de vereffenaar geen door de kantonrechter op de voet van artikel 4:206 lid 3 BW toe te kennen salaris toe. Dit onderscheid wordt gerechtvaardigd door het feit dat het salaris van de vereffenaar als boedelschuld geldt en om die reden in mindering strekt op hetgeen aan de overige schuldeisers van de nalatenschap valt uit te keren.

Aan de vereffenaar komt bij de uitvoering van diens werkzaamheden een zekere mate van beleidsvrijheid toe.

Het voorgaande overziende wordt als volgt overwogen.

De werkzaamheden in deze nalatenschap door of namens de vereffenaar verricht, vloeien voor een zeer groot deel voort uit de onduidelijkheid omtrent de gegrondheid van de vordering van de moeder van de erflater. De kantonrechter begrijpt dat tot deze werkzaamheden mede heeft behoord de discussie die de vereffenaar heeft gevoerd met de heren [naam 2] en [naam 3] , die zich de belangen van de minderjarige erfgenaam van de erflater hebben aangetrokken. Voorts begrijpt de kantonrechter dat de belangen van de minderjarige erfgenaam met het bestaan van de vordering van de moeder van de erflater zijn verbonden, omdat uitgaande van het bestaan van deze vordering, sprake is van een negatieve nalatenschap wat mogelijkerwijs zal kunnen leiden tot inkorting op de levensverzekeringsuitkering aan de minderjarige erfgenaam. De onzekerheid over het bestaan van de schuld van de moeder van de erflater duurt tot op heden voort, waarbij ook ter zitting geen duidelijkheid is verkregen over de vraag wanneer hierover een definitief standpunt door de vereffenaar wordt ingenomen.

Vastgesteld kan worden dat, indien niet van het bestaan van de vordering van de moeder behoeft te worden uitgegaan, sprake is van een qua vereffening eenvoudige nalatenschap; zeker na de verkoop en levering van de voormalige woning van de erflater. Immers, vanaf dat moment beschikte de vereffenaar over meer dan € 220.000,00 aan liquide middelen terwijl aan erkende schulden in totaal open stond circa € 25.000,00. Met andere woorden: de erkende schuldeisers kunnen uit de liquide middelen worden voldaan.

Gelet op het voorgaande lag het op de weg van de vereffenaar om in ieder geval na 3 augustus 2018, (i) alle schuldeisers op te roepen om tot indiening van de vordering over te gaan en (ii) jegens de moeder van de erflater een standpunt in te nemen over de door haar gepretendeerde vordering. Onder de gegeven omstandigheden heeft de vereffenaar in redelijkheid niet tot 8 januari 2019 kunnen wachten met zijn verzoek tot het bepalen van een uiterste datum voor de schuldeisers om de vordering in te dienen. Hierbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat reeds bij aanvang van de vereffening of kort daarna de gepretendeerde vordering van de moeder van de erflater reeds bekend was.

Weliswaar is van de zijde van de vereffenaar gesteld dat het betwisten van de vordering en de mogelijk hieropvolgende juridische procedures de boedel niet ten goede zouden zijn gekomen, maar vastgesteld kan worden dat dat evenzeer geldt voor het uitstel dat de vereffenaar zich heeft gegund met het innemen van een standpunt met betrekking tot de betreffende vordering en de voortdurende discussies die zijn gevoerd met de (vertegenwoordigers van de) moeder van de erflater en de heren [naam 2] en [naam 3] over de door de moeder gepretendeerde vordering en de mogelijke inkorting als gevolg daarvan op de levensverzekeringsuitkering.

Nu is gebleken dat de opbrengst van de verkoop van de woning ten goede is gekomen aan de hypothecaire geldverstrekker is deze verkoop in het belang van de schuldeisers geweest en komen de hiervoor gemaakte uren in principe voor beloning in aanmerking.
Ook de werkzaamheden in het kader van de verkoop van de hypotheekportefeuille heeft de vereffenaar in redelijkheid kunnen uitvoeren en komen voor beloning in aanmerking.

Echter, gelet op de vertraging die is opgetreden, die niet bij de schuldeisers in rekening mag worden gebracht en gelet op het feit dat een deel van de door de vereffenaar in zijn urenuitdraai opgenomen werkzaamheden niet in het belang van de schuldeisers zijn uitgevoerd en daarom niet voor beloning op de voet van artikel 4:206 lid 3 BW in aanmerking komen, ziet de kantonrechter thans geen aanleiding om een aanvulling te geven op het reeds gegeven voorschot.

De kantonrechter draagt de vereffenaar op om bij zijn verzoek om definitieve vaststelling van het salaris de urenspecificatie aan te passen in die zin dat werkzaamheden die blijkens het voorgaande niet in het belang van de schuldeisers worden geacht te zijn uitgevoerd, niet meer in deze specificatie voorkomen.




De beslissing
De kantonrechter:

- wijst het verzoek tot toekenning van een aanvullend voorschot af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.S. Reid, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van bovengenoemde datum.
Link naar deze uitspraak