Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Peter Houtsma)
ECLI:NL:RBDHA:2019:5970 
 
Datum uitspraak:07-06-2019
Datum gepubliceerd:12-06-2019
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:18/9116
Rechtsgebied:Vreemdelingenrecht
Indicatie:Verweerder heeft de afgifte van een EU/EER document geweigerd, omdat eiseres niet heeft aangetoond dat zij samen met referent, die in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit, tenminste drie maanden heeft samengewoond in Letland. Volgens eiseres heeft verweerder de bewijsstukken te streng beoordeeld en is hij uitgegaan van een onjuist toetsingskader. Verweerder had moeten beoordelen of er sprake was van een “reëel en daadwerkelijk verblijf” bij een Unieburger. De rechtbank deelt het standpunt van verweerder dat onder “reëel en daadwerkelijk verblijf” dient te worden verstaan: samenwonen op één plek en van daaruit een gezamenlijke huishouding voeren. De rechtbank is het met eiseres eens dat er in het bestuursrecht sprake is van een vrije bewijsleer, maar daar staat tegenover dat het aan verweerder en de rechtbank is om te beoordelen welke waarde aan de overgelegde indicatieve bewijsstukken moet worden toegekend. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres met de overgelegde indicatieve stukken niet heeft aangetoond dat er sprake was van een ”reëel en daadwerkelijk verblijf” bij een Unieburger. Tot slot ziet de rechtbank geen aanleiding om de door eiseres aangedragen getuigen onder ede te horen, omdat verweerder niet heeft bestreden dat hun verklaringen juist zijn en hij bij de beoordeling ook niet is uitgegaan van de onjuistheid van de verklaringen.
Trefwoorden:huurovereenkomst
levensonderhoud
 
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 18/9116

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 juni 2019 in de zaak tussen



[eiseres]
, eiseres
(gemachtigde: mr. D.P.J. Cain),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, thans de minister van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. J.M.M. van Gils).

Procesverloop

Bij besluit van 25 april 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot afgifte van een EU/EER document, afgewezen.
Bij besluit van 2 november 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 april 2019. Eiseres, haar partner [naam partner] (referent) en haar gemachtigde zijn ter zitting verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank overweegt allereerst ambtshalve ten aanzien van het aanwezige procesbelang, als volgt.
1.1. Gebleken is dat eiseres bij besluit van 20 november 2018 in het bezit is gesteld van een machtiging tot voorlopig verblijf met het verblijfsdoel “verblijf als familie- of gezinslid bij [naam partner] ”. Daarnaar gevraagd heeft eiseres ter zitting verklaard dat zij belang heeft bij het voeren van de onderhavige procedure omdat een aan het EU-recht afgeleide verblijfstitel een sterker verblijfsrecht is dan een (nationale) verblijfsvergunning regulier voor verblijf bij partner. Door (de gemachtigde van) verweerder is dit bevestigd.
Onder de gegeven omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat eiseres belang heeft bij het voeren van de onderhavige procedure en zal zij overgaan tot inhoudelijke beoordeling hiervan. De rechtbank gaat daarbij uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.2. Eiseres is geboren op [geboortedatum] en burger van Oezbekistan. Tussen partijen is niet in geschil dat zij en referent op enig moment als studenten tegelijkertijd in Letland hebben verbleven en aldaar een relatie met elkaar zijn aangegaan. Op 5 september 2017 heeft verweerder de onderhavige aanvraag ontvangen.
2. Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag van eiseres afgewezen. Verweerder heeft in dat kader van belang geacht dat aan eiseres geen afgeleid verblijfsrecht kan worden toegekend op basis van artikel 21 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (het VWEU) omdat zij niet heeft aangetoond dat zij samen met referent tenminste drie maanden heeft samengewoond in een andere lidstaat.
3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder zijn in het primaire besluit ingenomen standpunten gehandhaafd en aanvullend gesteld dat met de in bezwaar overgelegde stukken nog steeds niet is aangetoond dat is voldaan aan de samenwoningseis.
4. In de gronden van beroep heeft eiseres betoogd dat verweerder de bewijsstukken die in de bezwaarfase zijn ingebracht te streng heeft beoordeeld. Verweerder heeft het bewijs uit zijn verband getrokken door hieraan een eigen betekenis te verbinden. Bovendien heeft verweerder onvoldoende meegewogen dat eiseres en referent beide studenten waren en hierdoor dus op een andere manier samenwonen. Door hier geen rekening mee te houden worden studenten, die ook Unieburgers zijn, benadeeld.
4.1. Ter zitting heeft eiseres nog naar voren gebracht dat verweerder bij zijn besluitvorming een onjuist toetsingskader heeft gehanteerd. Verweerder heeft ten onrechte beoordeeld of er sprake was van samenwonen en een gezamenlijke huishouding, aldus eiseres. Op grond van Werkinstructie (WI) 2018/4 had verweerder moeten beoordelen of er sprake was van een “reëel en daadwerkelijk verblijf” bij een Unieburger.
Voorts heeft eiseres in aanvulling op haar eerdere beroepsgronden erop gewezen dat in het bestuursrecht sprake is van een vrije bewijsleer. Dit betekent dat ook de getuigenverklaringen die zij heeft aangeleverd bij de beoordeling betrokken hadden moet worden. Bovendien zijn de getuigen bereid onder ede te komen verklaren.
Eiseres betwist voorts dat binnen het EU-recht vereist is dat de verklaringen van getuigen objectief en verifieerbaar zijn.
Verweerder heeft te veel waarde gehecht aan officiële registraties. Het gaat hier om studenten voor wie het belangrijker is de kosten voor hun levensonderhoud zo laag mogelijk te houden, dan het juist registreren van alle gegevens.
5. Verweerder heeft ter zitting gesteld dat het begrip “reëel en daadwerkelijk verblijf” niet anders kan worden opgevat dan het op één plek samenwonen en een gezamenlijke huishouding voeren. De bewijslast hieromtrent ligt bij de vreemdeling. Eiseres dient met objectieve stukken te onderbouwen dat er sprake is van een “reëel en daadwerkelijk verblijf” en hierin is zij niet geslaagd, aldus verweerder.


6De rechtbank acht bij haar beoordeling de navolgende bepalingen van belang.

Ingevolge artikel 21, eerste lid, van het VWEU heeft iedere burger van de Unie het recht vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij de Verdragen en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld.

In paragraaf B10/2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), voor zover hier van belang, is opgenomen dat voor het uit een derde land afkomstige familielid van een Nederlander een afgeleid verblijfsrecht ontstaat op basis van artikel 21, eerste lid, VWEU als de Nederlander en het familielid:
• daadwerkelijk hebben verbleven in een andere lidstaat van de EU;
• gedurende de gehele periode van daadwerkelijk verblijf in de andere lidstaat hebben voldaan aan de voorwaarden genoemd in lid 1 of lid 2 van artikel 7 of in artikel 16 van richtlijn 2004/38/EG; en
• tijdens het daadwerkelijke verblijf in de andere lidstaat een gezinsleven hebben opgebouwd of bestendigd.

De Immigratie- en Naturalisatiedienst (de IND) neemt alleen aan dat het gezinsleven is opgebouwd of bestendigd bij een daadwerkelijk, aaneengesloten verblijf in de andere lidstaat van ten minste drie maanden.
De IND verstrekt een document EU/EER (bijlage 7e, Voorschrift Vreemdelingen) aan het uit een derde land afkomstige familielid van een Nederlander als aan voornoemde vereisten is voldaan.

7. Tussen partijen is niet in geschil dat zowel eiseres als en referent ten minste drie maanden in Estland hebben gewoond en aldaar een relatie hadden. Wat partijen verdeeld houdt is de vraag of zij daar op een dusdanige manier samen hebben verbleven dat zij een gezinsleven hebben opgebouwd en bestendigd dat recht geeft op een afgeleid EU-verblijfsrecht.

8. De rechtbank overweegt hieromtrent allereerst dat zij het niet onjuist of onredelijk acht dat verweerder het begrip “reëel en daadwerkelijk verblijf”, uitlegt als samenwonen en dit als toets gebruikt. De rechtbank vermag namelijk niet in te zien hoe een reëel en daadwerkelijk verblijf bij elkaar anders uitgelegd kan worden dan samenwonen op één plek, dat wil zeggen op hetzelfde adres, en vanuit dit gezamenlijke woonadres een gezamenlijke huishouding voeren. Daarbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat eiseres niet heeft aangegeven hoe deze zinsnede anders geïnterpreteerd zou moeten worden.

9. De rechtbank acht ook verweerders standpunt dat het aan eiseres is om het “reëel en daadwerkelijk verblijf” bij de Unieburger met objectieve bewijsstukken te onderbouwen niet onjuist of onredelijk. Dat deze eis in strijd met het EU-recht zou zijn, zoals eiseres lijkt te betogen, is de rechtbank niet gebleken en het aantonen kan relatief eenvoudig. Bijvoorbeeld door middel van het overleggen van een stuk waaruit blijkt dat eiseres en referent geregistreerd stonden op hetzelfde adres of een afschrift van een gezamenlijke bankrekening.

10. De rechtbank is het met eiseres eens dat in het bestuursrecht sprake is van vrije bewijsleer. Dit betekent dat eiseres ook met andere middelen dan officiële registraties of stukken kan bewijzen dat zij ten minste drie maanden met referent heeft samengewoond. Daar staat echter tegenover dat het aan verweerder en de rechtbank is om te beoordelen welke waarde aan de overgelegde indicatieve bewijsstukken moet worden toegekend. In het onderliggende geval heeft verweerder de indicatieve stukken onvoldoende geacht om aan te nemen dat sprake was van een “reëel en daadwerkelijk verblijf”. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op dit standpunt heeft gesteld. De rechtbank betrekt bij dit oordeel dat verweerder er terecht op heeft gewezen dat eiseres weliswaar stelt dat zij samen met referent op drie adressen in Riga heeft gewoond, te weten het studentencomplex [naam hostel] Hostel, het appartement op [plaatsnaam 1] en [plaatsnaam 2] , maar dat dit niet uit de overgelegde bewijsstukken blijkt.


10.1.
Ten aanzien van het hostel heeft verweerder in dit verband gewicht mogen toekennen aan het feit dat eiseres en referent beiden, apart van elkaar, een kamer huurden en hiervoor beiden een eigen huurovereenkomst hadden. Verder betaalden zij beiden apart van elkaar de huur en waren er geen gezamenlijke woonlasten noch een gezamenlijke bankrekening. Daarbij komt dat referent in zijn brief van 4 september 2017 onweersproken heeft verklaard dat eiseres in het hostel heeft samengewoond met haar vriendin [naam vriendin] ). Verder blijkt uit de stukken dat eiseres vanaf mei 2012 tot eind augustus 2012 voor een stage in Griekenland heeft verbleven en referent in die periode in Letland verbleef.



10.2.
Inzake het appartement op [plaatsnaam 1] , heeft verweerder gewicht mogen toekennen aan het feit dat op de huurovereenkomst de naam van referent en andere huurders staat vermeld, maar niet de naam van eiseres. Dat eiseres wel met referent heeft samen gewoond blijkt evenmin uit de overgelegde getuigenverklaringen van vrienden, die – anders dan eiseres stelt – wel door verweerder bij de besluitvorming zijn betrokken. Daargelaten dat deze verklaringen niet objectief verifieerbaar zijn, komen zij niet overeen met wat eiseres zelf heeft verklaard. In de verklaring van [naam vriendin] staat opgenomen dat eiseres van februari 2012 tot juli 2012 in het hostel heeft samengewoond met referent. Dit is niet in overeenstemming met de eigen verklaring van eiseres dat zij vanaf halverwege mei 2012 tot eind augustus 2012 in Griekenland woonde. In de verklaring van [Naam] staat vervolgens weer dat zij van juli 2012 tot juni 2013 met eiseres in het hostel heeft samen gewoond, hetgeen ook niet overeenkomt met de verklaring van eiseres dat zij van halverwege mei 2012 tot eind augustus 2012 in Griekenland heeft gewoond. Verder heeft verweerder in aanmerking mogen nemen dat eiseres na haar gestelde verhuizing naar het adres [plaatsnaam 1] , haar oude adres van het hostel is blijven gebruiken. Dit blijkt uit de facturen van haar telefoonabonnement na augustus 2012, een e-mailbericht van iTunes van 28 december 2012 en een boekingsbewijs van een vliegticket in 2013. Deze omstandigheden duiden er op dat eiseres ook na september 2012 nog in het hostel woonde en niet bij referent is gaan wonen op het tweede adres.



10.3.
Met betrekking tot het derde adres heeft eiseres geen bewijsstukken overgelegd, zodat ook hier geen bewijs voor samenwoning uit volgt.

11. De rechtbank ziet voorts geen aanleiding de door eiseres aangedragen getuigen onder ede te horen. Verweerder heeft immers niet bestreden dat hun verklaringen onjuist zijn en is bij zijn beoordeling ook niet van uitgegaan van de onjuistheid van de verklaringen.

12. Ten aanzien van het feit dat eiseres en referent studenten zijn (althans waren) overweegt de rechtbank tot slot dat zij niet vermag in te zien waarom dit voor verweerder aanleiding zou moeten zijn sneller aan te nemen dat sprake is van samenwoning. Het feit dat studenten minder prioriteit geven aan een juiste registratie is hiertoe in ieder geval onvoldoende.
13. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich aldus terecht op het standpunt gesteld dat eiseres geen afgeleid verblijfsrecht kan ontlenen aan artikel 21, eerste lid, van het VWEU. Het beroep is daarom ongegrond.





14Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.E. Kessels, rechter, in aanwezigheid van
mr. D.S.A.W. Raes, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2019.






griffier rechter




Afschrift verzonden aan partijen op: 7 juni 2019.



Rechtsmiddel


Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.
Link naar deze uitspraak