Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Peter Houtsma)
ECLI:NL:RBOVE:2021:94 
 
Datum uitspraak:06-01-2021
Datum gepubliceerd:13-01-2021
Instantie:Rechtbank Overijssel
Zaaknummers:C/08/230456 / HA ZA 19-15 C/08/230456 / HA ZA 19-15
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Verklaringsprocedure artikel 476a Rv.
Trefwoorden:fiscale eenheid
inkomstenbelasting
invorderingsrente
omzetbelasting
schenking
terbeschikkingstelling
vennootschapsbelasting
wettelijke rente
 
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rolnummer: C/08/230456 / HA ZA 19-154


Vonnis van 6 januari 2021


in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST/MIDDEN- EN KLEINBEDRIJF,
domicilie kiezende te Amsterdam,
eiser,
advocaat mr. S.C. Zum Vörde Sive Vörding te Amsterdam,

tegen




1 [gedaagde 1] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde,
advocaat mr. F.M. [C] te Deventer,
2. de rechtspersoon naar het recht van het Verenigd Koninkrijk

BOTAQUALUS HOLDING LIMITED,
gevestigd te London, England, Verenigd Koninkrijk
gedaagde,
advocaat mr. F.M. [C] te Deventer,
3. de coöperatie

COÖPERATIEVE REAL ESTATE INVESTEMENT TRUST IX U.A.,
gevestigd te Amsterdam en kantoorhoudende te Wanneperveen,
gedaagde,
niet verschenen.


Partijen zullen hierna de Ontvanger, [gedaagde 1] , Botaqualus en Coöp REIT worden genoemd. Gedaagden gezamenlijk zullen met [gedaagde 1] c.s. aangeduid worden.





1De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:


het tussenvonnis van 24 juni 2019,


de akte overlegging producties t.b.v. de comparitie van partijen van de Ontvanger,


de producties van de zijde van [gedaagde 1] ontvangen op 10 oktober 2019,


het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 10 oktober 2019,


de akte van Botaqualus van 13 november 2019 met productie, waarbij het verstek van Botaqualus is gezuiverd,


de conclusie van antwoord van Botaqualus,


de conclusie van repliek van de Ontvanger in de zaak tegen Botaqualus,


de conclusie van dupliek van Botaqualus.





1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.






2De feiten

2.1.

[gedaagde 1] heeft een belastingschuld van € 824.132,- exclusief invorderingsrente en kosten. Het betreft aanslagen inkomstenbelasting en inkomensafhankelijke bijdragen Zorgverzekeringswet over de jaren 2009 tot en met 2014.



2.2.

[gedaagde 1] was enig aandeelhouder en tot 1 juli 2009 bestuurder van Waterpark Belterwiede B.V. Waterpark Belterwiede exploiteerde 36 recreatievilla’s.



2.3.
In 2008 heeft een boekenonderzoek plaatsgevonden bij de fiscale eenheid vennootschapsbelasting en de fiscale eenheid omzetbelasting waarvan Waterpark Belterwiede onderdeel uitmaakt. Dit heeft geresulteerd in oplegging van aanslagen vennootschapsbelasting en omzetbelasting aan Waterpark Belterwiede en aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen aan [gedaagde 1] .



2.4.
In 2008 is gedaagde sub 3, hierna te noemen Coöp REIT, opgericht. De leden van Coöp REIT zijn de echtgenote van [gedaagde 1] en zijn drie kinderen.



2.5.
Op 29 juli 2009 is gedaagde sub 2, hierna te noemen Botaqualus, opgericht. Enig aandeelhouder van Botaqualus is Stichting Particulier Fonds Aqua Luna Terra Mundi SPF (hierna te noemen ALTM). Begunstigden bij ALTM zijn de echtgenote van [gedaagde 1] en zijn drie kinderen.



2.6.
In augustus 2009 heeft [gedaagde 1] een bedrag van € 965.000,- geleend van de heer [A] . Op 6 augustus 2009 heeft [A] dit bedrag rechtstreeks naar de derdenrekening van de notaris overgemaakt voor de aanschaf van twee recreatievilla’s.



2.7.
De twee recreatievilla’s zijn op 21 augustus 2009 door Coöp REIT in eigendom verkregen met door Botaqualus ter beschikking gestelde gelden. De koopprijs bedroeg in totaal € 892.500,-. Coöp REIT heeft ten behoeve van Botaqualus bij akte van 21 augustus 2009 een recht van hypotheek gevestigd op de twee recreatievilla’s voor een hoofdsom van € 1.000.000,-.


2.8.
Botaqualus had twee bestuurders, te weten mevrouw [B] en Nightshade Services LLC, respectievelijk wonende en gevestigd te Cyprus. Op 20 januari 2011 is door
beide formele bestuurders een verzoek tot ‘voluntary strike off’ ingediend. Op 17 mei 2011 is Botaqualus uitgeschreven uit het handelsregister en ontbonden door het Companies House in Engeland.


2.9.
Op grond van een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting 2011 heeft de Ontvanger uit kracht van dwangbevelen voor deze aanslag en andere aanslagen vennootschapsbelasting op 25 november 2014 ten laste van Coöp REIT executoriaal beslag gelegd op de recreatievilla’s.


2.10.
Coöp REIT is op 9 maart 2016 ontbonden door de Kamer van Koophandel en uitgeschreven uit het handelsregister. Op verzoek van de echtgenote van [gedaagde 1] , mevrouw [X] , is bij beschikking van de rechtbank Overijssel van 17 mei 2017 de vereffening heropend en is [gedaagde 1] is tot vereffenaar benoemd.



2.11.
Op 3 september 2017 heeft de boekhouder van Botaqualus een balans met betrekking tot 2011 opgemaakt. In de “Balance sheet (pro forma) as of May 17, 2011” van Botaqualus is een vordering van [gedaagde 1] op Botaqualus van € 965.000,- opgenomen. Onder deze balans staat:Remark:
The above provisional balance sheet had been drawn up on the basis of information provided by the parties involved.


2.12.
Uit het vonnis van de Britse rechter van 11 oktober 2017 volgt dat ALTM op 15 mei 2017 een verzoek tot ‘restoration’ heeft ingediend en dat Botaqualus herleeft bij ‘court order’ van 11 oktober 2017, ingeschreven op 25 oktober 2017. Op 9 november 2017 is mevrouw [Y] benoemd tot bestuurder van Botaqualus.



2.13.
Botaqualus heeft Coöp REIT eind 2017 verzocht om terugbetaling van haar lening en aangekondigd dat zij bij gebreke van betaling tot uitwinning van het hypotheekrecht op de recreatievilla’s zal overgaan. De (toenmalige) raadsman van Botaqualus heeft de Ontvanger verzocht om opheffing van de gelegde executoriale beslagen in verband met de door haar gewenste onderhandse verkoop van de recreatievilla’s.



2.14.
Bij akte van cessie van 9 april 2018 heeft Botaqualus een deel van haar vordering op Coöp REIT ten bedrage van € 70.000,- verkocht en geleverd aan [C] die ook het daarbij behorende hypotheekrecht heeft verkregen. Botaqualus en [C] zijn overgegaan tot executie van de recreatievilla’s.



2.15.
Op 25 juni 2018 is de heer [D] benoemd tot bestuurder van ALTM. Tot 28 november 2012 was Comanco N.V. bestuurder van ALTM.



2.16.
Bij exploot van 17 juli 2018 heeft de Ontvanger ten laste van [gedaagde 1] executoriaal derdenbeslag doen leggen onder Botaqualus tot verhaal van hetgeen de Ontvanger van [gedaagde 1] heeft te vorderen. Onder verwijzing naar de in r.o. 2.11 genoemde balans beoogt de Ontvanger daarmee de vordering van [gedaagde 1] op Botaqualus te treffen.



2.17.
Ter verzekering van nakoming van verplichtingen van Botaqualus uit hoofde van het executoriaal derdenbeslag heeft de Ontvanger met daartoe verkregen verlof van 13 juli 2018 conservatoir derdenbeslag gelegd onder Coöp REIT, op wie Botaqualus een vordering heeft. Daarnaast heeft de Ontvanger in juli 2018 ten laste van Botaqualus conservatoir beslag gelegd onder de met executieverkoop belaste notaris.



2.18.
Ten laste van Coöp REIT heeft de Ontvanger rechtstreeks conservatoir beslag gelegd op de twee recreatievilla’s.


2.19.
De villa’s zijn, met door Botaqualus en [C] verkregen verlof van de voorzieningenrechter, op 20 juli 2018 onderhands verkocht voor een bedrag van respectievelijk € 455.000,- en € 515.000,-. De levering van de recreatievilla’s heeft plaatsgevonden op 2 augustus 2018. De koopsom is door de executiekopers in handen van de notaris voldaan.


2.20.
Bij monde van [Y] heeft Botaqualus op 28 augustus 2018 een verklaring derdenbeslag gedaan. Bij brief van 28 augustus 2018 schrijft zij: In de bijlage stuur ik u de verklaring derdenbeslag namens Botaqualus Holding ltd.


[gedaagde 1] heeft thans geen vordering meer op Botaqualus, daar deze vordering middels een akte van cessie d.d. 27 september 2017 is overgedragen aan SPF Aqua Luna Terra Mundi te Curaçao.

Deze akte is door de belastingdienst geregistreerd onder nummer 2017.032050 d.d. 4 oktober 2017. Bijgaand stuur ik u tevens hiervan een kopie. (…)



2.21.
In de meegezonden bijlage is onder meer opgenomen:
(…) Aqua Luna Terra Mundi is destijds in het leven geroepen onder meer om eigenaar te worden van de vordering die door middel van deze akte van cessie wordt overgedragen (hierna: de “Vordering”).

Voor het geval Aqua Luna Terra Mundi nog niet de eigendom van de Vordering had, wenst [gedaagde 1] door middel van deze akte van cessie de Vordering aan Aqua Luna Terra Mundi over te dragen.

De Vordering is een vordering waarvan [gedaagde 1] in ieder geval de eigendom had, en waarvan [gedaagde 1] de eigendom nog steeds heeft indien die eigendom niet reeds eerder naar Aqua Luna Terra Mundi is overgegaan.

De debiteur van de Vordering is Botaqualus (…)

De vordering beloopt in hoofdsom EUR 965.000,00, en is rentedragend, met een rentevoet van 4%.



2.22.
De Ontvanger heeft bij brief van 24 september 2018 de overdracht van de vordering betwist en – subsidiair – met een beroep op pauliana de rechtshandelingen die ten grondslag hebben gelegen aan de overdracht van de vordering vernietigd.





3Het geschil

3.1.
De Ontvanger vordert samengevat –

Primair:
1. voor recht te verklaren dat de Ontvanger uit hoofde van het op 17 juli 2018 door de belastingdeurwaarder onder Botaqualus ten laste van [gedaagde 1] gelegde executoriale beslag een bedrag van € 965.000,- toekomt,
2. Botaqualus te veroordelen tot betaling en afgifte aan de belastingdeurwaarder die het beslag heeft gelegd van een bedrag van € 965.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente,
3. Botaqualus te veroordelen in de kosten van het geding, waaronder de kosten van het conservatoir derdenbeslag,

Subsidiair:

1. voor recht te verklaren dat [gedaagde 1] en Coöp Reit jegens de Ontvanger onrechtmatig hebben gehandeld,
2. Coöp REIT te veroordelen tot betaling aan de Ontvanger van de door hem geleden (verhaals)schade ten bedrage van € 970.000,-
3. voor recht te verklaren dat de Ontvanger bij het verhaal van zijn vordering op Coöp Reit op de executieopbrengst van de recreatievilla’s het recht van hypotheek van Botaqualus volgens de hypotheekakte van 21 augustus 2009 niet behoeft te respecteren,
althans voor recht te verklaren dat Botaqualus onrechtmatig jegens de Ontvanger handelt door uit hoofde van het recht van hypotheek aanspraak te maken op voldoening uit de executieopbrengst en Botaqualus om die reden de bevoegdheid te ontzeggen zich in relatie tot de Ontvanger bij de verdeling van de executieopbrengst op het hypotheekrecht te beroepen,
4. Coöp Reit en Botaqualus te veroordelen in de kosten van de ten laste van hen gelegde conservatoire beslagen,
5. [gedaagde 1] , Coöp Reit en Botaqualus hoofdelijk te veroordelen in de kosten van deze procedure.



3.2.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.





4De beoordeling
De primaire vordering


4.1.
De Ontvanger heeft executoriaal derdenbeslag gelegd onder Botaqualus tot verhaal van zijn vordering op [gedaagde 1] . [gedaagde 1] heeft weliswaar verweer gevoerd ten aanzien van deze vordering door te wijzen op het ambtshalve karakter daarvan, maar heeft het bestaan en de omvang daarvan niet gemotiveerd weersproken. Gelet op de toelichting van de Ontvanger ter zitting dat het verlof niet is gebaseerd op de betwiste aanslag successiebelasting alsmede gelet op het niet weersproken overzicht van de Ontvanger overgelegd als productie 37, staat voldoende vast dat de Ontvanger een vordering heeft op [gedaagde 1] ten bedrage van € 824.132,- exclusief invorderingsrente en kosten.



4.2.
Op grond van artikel 476a Rv is de derde, derhalve Botaqualus, gehouden verklaring te doen van hetgeen door het beslag is getroffen. In haar verklaring met begeleidende brief heeft Botaqualus zich op het standpunt gesteld dat [gedaagde 1] geen vordering meer heeft op Botaqualus aangezien hij deze door middel van cessie aan ALTM heeft overgedragen. Botaqualus heeft de vraag of zij geld of roerende zaken aan [gedaagde 1] verschuldigd is, ontkennend beantwoord. De Ontvanger heeft deze verklaring gemotiveerd betwist. De eerste vraag die voorligt is derhalve of [gedaagde 1] een vordering heeft op Botaqualus.

Vordering van [gedaagde 1] op Botaqualus



4.3.
De Ontvanger betoogt dat [gedaagde 1] een vordering heeft op Botaqualus. Hij verwijst daarbij naar de balans van 17 mei 2011, naar de inhoud van de verklaring derdenbeslag en de akte van cessie – waaruit blijkt dat [gedaagde 1] in ieder geval een vordering op Botaqualus heeft gehad – en naar correspondentie met de toenmalige advocaat mr. [Z] van Botaqualus in 2018.



4.4.
Botaqualus stelt zich op het standpunt dat [gedaagde 1] in 2009 de bedoeling had om het bedrag van € 965.000,- in ALTM in te brengen. Aangezien het dossier van ALTM zoek is kan geen bewijs worden geleverd van een daadwerkelijke inbreng. Aan de pro forma-balans van 2011 kan niet veel waarde worden gehecht. Bij gebrek aan informatie heeft de boekhouder de vordering “banks/creditor [gedaagde 1] ” op de balans geplaatst. Voor zover geen schriftelijke vastlegging van de inbreng in ALTM in 2009 boven water komt, dient deze kapitaalverstrekking als informele kapitaalstorting te worden aangemerkt, aldus Botaqualus.


4.5.
De rechtbank overweegt als volgt. Nu Botaqualus geen concrete feiten en omstandigheden heeft aangevoerd waaruit zou kunnen worden afgeleid dat [gedaagde 1] in 2009 daadwerkelijk een vordering heeft ingebracht, dan wel kapitaal heeft verstrekt aan ALTM, heeft zij het onderbouwde standpunt van de Ontvanger onvoldoende gemotiveerd betwist. Dat leidt ertoe dat rechtbank zal uitgaan van de door de boekhouder van Botaqualus opgestelde balans van 2011, die is gebaseerd op de door betrokken partijen verstrekte informatie. Daaruit volgt dat [gedaagde 1] op 17 mei 2011 een vordering op Botaqualus had, hetgeen strookt met de inhoud van de akte van cessie en de begeleidende brief.


De gestelde cessie




4.6.
Volgens de Ontvanger heeft geen rechtsgeldige cessie plaatsgevonden omdat een rechtsgeldige titel ten tijde van de beoogde overdracht ontbrak. Van wilsovereenstemming tussen ALTM en [gedaagde 1] is niet gebleken, aldus de Ontvanger.Botaqualus heeft betoogd dat wel sprake is van een rechtsgeldige cessie. Volgens haar belichaamt de akte van 27 september 2018 de rechtshandeling waarmee [gedaagde 1] – voor zover nodig – zijn eventuele vorderingsrechten op Botaqualus – voor zover die er waren – aan ALTM overdraagt.



4.7.
De rechtbank stelt voorop dat voor een rechtsgeldige overdracht ingevolge artikel 3:84 BW is vereist een levering krachtens een rechtsgeldige titel door een beschikkingsbevoegde vervreemder. De titel zal vaak bestaan uit een meerzijdige overeenkomst die tot overdracht verplicht, zoals koop of schenking, maar kan ook voortvloeien uit een andersoortige rechtshandeling, zoals een legaat of een verbintenis uit onrechtmatige daad. Vorderingen op naam, zoals de onderhavige, worden geleverd door een daartoe bestemde akte, en mededeling daarvan aan die personen door de vervreemder of verkrijger (artikel 3:94 BW).



4.8.
Anders dan Botaqualus heeft betoogd levert “de wens de vordering over te dragen voor zover dat nog niet was gebeurd” nog geen voldoende titel voor overdracht op. Daaruit volgt immers niet waaruit de rechtsverhouding bestaat die tot overdracht verplicht. Ook anderszins heeft Botaqualus geen concrete aanwijzingen naar voren gebracht waaruit een rechtsgeldige titel kan worden afgeleid. Zo is onder meer gesteld noch gebleken dat voorafgaand aan de beoogde overdracht op enig moment wilsovereenstemming is bereikt tussen [gedaagde 1] en ALTM. Mede gelet op het feit dat ALTM in de periode van 2012 tot juni 2018 niet over een bestuurder beschikte, had op dit punt een nadere toelichting van Botaqualus mogen worden verwacht. Dat [D] in oktober 2017, dan wel in 2018 namens ALTM de cessie heeft aanvaard kan niet gelden als onderbouwing van een geldige titel voor de overdracht in september 2017. Bovendien blijkt daaruit niet wat de aard en omvang van de titel tot zekerheidsoverdracht zou zijn. Voor zover Botaqualus heeft willen aanvoeren dat de wilsovereenstemming reeds in 2009 is bereikt, heeft zij die stelling evenmin voldoende met omstandigheden onderbouwd. Gelet op het voorgaande kan niet worden vastgesteld dat [gedaagde 1] de vordering rechtsgeldig heeft overgedragen.


4.9.
Echter, ook als er veronderstellenderwijs van uit wordt gegaan dat wel sprake is geweest van een rechtsgeldige titel, zoals een overeenkomst van schenking, kan dit op grond van het hierna volgende Botaqualus niet baten.


Het beroep op pauliana




4.10.
Met een beroep artikel 3:45 juncto 3:47 BW heeft de Ontvanger betoogd dat de beoogde overdracht een onverplichte rechtshandeling om niet betreft, die heeft geleid tot benadeling van de Ontvanger.Botaqualus heeft aangevoerd dat er bij [gedaagde 1] geen wetenschap van benadeling was gelet op de omstandigheid dat de beoogde inbreng reeds in 2009 heeft plaatsgevonden, dan wel had moeten plaatsvinden.


4.11.
Indien de rechtbank veronderstellenderwijs uitgaat van een rechtsgeldige cessie heeft het volgende te gelden.
Uitgaande van hetgeen uit het dossier naar voren is gekomen dient de cessie te worden aangemerkt als een onverplichte rechtshandeling om niet. Van een contractuele verplichting of andere rechtsgrond om de vordering over te dragen is niet gebleken en evenmin is gesteld of gebleken dat ALTM voor de overdracht van de vordering een tegenprestatie heeft geleverd aan [gedaagde 1] . Daarnaast kan worden vastgesteld dat de Ontvanger als schuldeiser van [gedaagde 1] daadwerkelijk benadeeld is door de cessie. Nu sprake is van een rechtshandeling om niet is niet vereist dat [gedaagde 1] wetenschap had van deze benadeling (3:47 BW). Het voorgaande leidt ertoe dat de Ontvanger de rechtshandeling die ten grondslag ligt aan de cessie terecht buitengerechtelijk heeft vernietigd. Gelet op de vernietiging van de cessie is er nog steeds sprake van een vordering van [gedaagde 1] op Botaqualus.


De verklaringsprocedure




4.12.
Ingevolge artikel 476a Rv heeft Botaqualus een verklaring derdenbeslag afgelegd. De Ontvanger heeft in deze procedure de verklaring ex artikel 477a lid 2 Rv betwist en Botaqualus heeft daartegen verweer gevoerd. Gelet op hetgeen in het voorgaande is overwogen is voldoende komen vast te staan dat [gedaagde 1] een vordering heeft op Botaqualus zodat de afgelegde verklaring onjuist is.
Botaqualus heeft nog aangevoerd dat de non peius-regel meebrengt dat Botaqualus alle verweren kan voeren die [gedaagde 1] ter beschikking staan, maar deze regel kan Botaqualus gelet op het navolgende niet baten.



4.13.
Naast de verweren die hiervoor reeds zijn besproken heeft Botaqualus betoogd dat [gedaagde 1] een eventuele vordering jegens haar niet meer zou mogen opeisen. Zij heeft aangevoerd dat na tijdsverloop van tien jaar het opeisen van de vordering in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid zou zijn en dat de feitelijke terbeschikkingstelling van het bedrag van € 965.000,- niet als een zakelijke geldlening dient te worden aangemerkt maar als een informele kapitaalstorting. Deze verweren leiden niet tot een ander oordeel. Uit de tekst akte van cessie volgt dat de vordering rentedragend is met een rentevoet van 4%. Dit strookt met de door Botaqualus zelf aangehaalde correspondentie met voormalig advocaat [Z] , waarin wordt vermeld dat de vordering is verhoogd met opgelopen rente. Deze omstandigheden wijzen veeleer op een zakelijke lening dan op een informele kapitaalstorting of schenking. Botaqualus heeft in dit licht bezien te weinig gesteld om tot bewijs van een informele kapitaalstorting en/of schenking te worden toegelaten. Concrete aanwijzingen voor afspraken tussen [gedaagde 1] en Botaqualus waaruit volgt dat het bedrag nooit zou hoeven te worden terugbetaald of afgelost zijn niet gesteld en ook niet anderszins gebleken. Evenmin is aangevoerd dat een tijdsbepaling voor nakoming is overeengekomen, zodat uit niets blijkt dat de vordering niet opeisbaar zou zijn. Het enkele feit dat [gedaagde 1] nooit rente in rekening heeft gebracht en evenmin heeft verzocht om aflossing – wat daar ook van zij – doet daar niet aan af.
Het verweer dat sprake is van rechtsverwerking, doordat [gedaagde 1] al die jaren tenminste de indruk heeft gewekt dat Botaqualus het bedrag nooit zou hoeven terug te betalen, is evenmin voldoende gemotiveerd. Zonder nadere toelichting die ontbreekt, kan Botaqualus derhalve niet worden gevolgd in haar visie dat het opeisen van de vordering in strijd is met de maatstaven van redelijkheid en billijkheid, dan wel dat [gedaagde 1] zijn rechten tot opeisen van de vordering heeft verwerkt.



4.14.
Geconcludeerd wordt dat Botaqualus een onjuiste verklaring heeft afgelegd, alsmede dat het executoriaal derdenbeslag onder Botaqualus doel heeft getroffen. Botaqualus zal daarom conform de primaire vordering worden veroordeeld tot betaling aan de belastingdeurwaarder van de schuld aan [gedaagde 1] . Anders dan Botaqualus meent dient zij niet in de gelegenheid te worden gesteld haar verklaring in overeenstemming te brengen met dit vonnis. Dat zou Botaqualus ook niet baten, omdat zij ook dan gehouden is tot afdracht aan de belastingdeurwaarder van haar schuld aan [gedaagde 1] . Dat Botaqualus niet feitelijk gelden van [gedaagde 1] onder zich heeft maakt het voorgaande niet anders.


De subsidiaire vordering




4.15.
De Ontvanger heeft subsidiair een beroep gedaan op misbruik van identiteitsverschil. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank aan deze subsidiaire vordering jegens [gedaagde 1] en Coöp Reit niet toe.


De proceskosten




4.16.
Botaqualus zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Ontvanger worden begroot op:
- dagvaarding € 16,00
- griffierecht 4.030,00
- salaris advocaat 9.297,00 (3,0 punten × tarief € 3.099,00)
Totaal € 13.343,00



4.17.
De Ontvanger heeft daarnaast gevorderd Botaqualus te veroordelen tot betaling van de kosten van de ten laste van haar gelegde conservatoire derdenbeslagen. Deze vordering is door Botaqualus niet weersproken en is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op € 112,00 voor verschotten en € 6.198,00 voor salaris advocaat (2 rekesten x € 3.099,00).





5De beslissing
De rechtbank


5.1.
verklaart voor recht dat de Ontvanger uit hoofde van het op 17 juli 2018 door de belastingdeurwaarder onder Botaqualus ten laste van [gedaagde 1] gelegde executoriale beslag een bedrag van € 965.000,00 toekomt;



5.2.
veroordeelt Botaqualus tot betaling en afgifte aan de belastingdeurwaarder die het beslag heeft gelegd, van een bedrag van € 965.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 11 september 2018 tot de dag van volledige betaling,



5.3.
veroordeelt [gedaagde 1] c.s. in de beslagkosten, tot op heden begroot op € 6.310,00,



5.4.
veroordeelt [gedaagde 1] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van de Ontvanger tot op heden begroot op € 13.343,00,



5.5.
verklaart dit vonnis behoudens de verklaring voor recht uitvoerbaar bij voorraad,



5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit vonnis is gewezen door mr. J.N. Bartels, mr. M.H.S. Lebens - de Mug en mr. H.J.H. van Meegen en in het openbaar uitgesproken op 6 januari 2021.
Link naar deze uitspraak