Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Peter Houtsma)
ECLI:NL:RBZWB:2022:4273 
 
Datum uitspraak:02-08-2022
Datum gepubliceerd:05-08-2022
Instantie:Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zaaknummers:AWB- 21_5453
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:21/5453
Trefwoorden:agrarisch
bestemmingsplan
omgevingsvergunning
perceel
planschade
wabo
 
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 21/5453

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 augustus 2022 in de zaak tussen



[naam eiser] , uit [plaatsnaam] , eiser,
gemachtigde: mr. drs. C.R. Jansen,

en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Alphen-Chaam, verweerder.

Als derde-partij neemt aan de zaak deel:


[naam vergunninghouder]
, uit [plaatsnaam] (vergunninghouder),
gemachtigde: mr. drs. H.A. Pasveer.




Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de omgevingsvergunning voor het verplaatsen en onderkelderen van een bijgebouw op het adres [adres] 5 in [plaatsnaam] .

Bij besluit van 1 februari 2021 (primair besluit) heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het verplaatsen en het onderkelderen van een bijgebouw op het adres [adres] 5 in [plaatsnaam] . Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

In het besluit van 9 november 2021 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit, onder aanvulling van de motivering, in stand gelaten.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghouder heeft ook schriftelijk gereageerd.

De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2022 op zitting besproken. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van het college, vergunninghouder en de gemachtigde van vergunninghouder.




Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank beoordeelt de verleende omgevingsvergunning onder meer aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.

De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.


Feiten



1.1.
Op 12 november 2020 heeft vergunninghouder een omgevingsvergunning aangevraagd voor het verplaatsen van het bijgebouw op het perceel aan het adres [adres] 5 in [plaatsnaam] .



1.2.
Bij besluit van 1 februari 2021 (primair besluit) heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het verplaatsen en onderkelderen van een bijgebouw op het adres [adres] 5 in [plaatsnaam] .



1.3.
Tegen het primaire besluit heeft eiser bezwaar gemaakt. Het bezwaar is besproken op 28 juni 2021 op de hoorzitting van de commissie bezwaarschriften. Daarnaast heeft de commissie bezwaarschriften het college geadviseerd om het bezwaar ongegrond te verklaren en het primaire besluit in stand te laten.



1.4.
In het besluit van 9 november 2021 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit, onder aanvulling van de motivering, in stand gelaten.



1.5.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.


Wettelijk kader


2. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.


Is de kruimelgevallenregeling ten onrechte toegepast?




3.1.
Eiser stelt zich op het standpunt dat ten onrechte en met een onjuiste toepassing van de kruimelgevallenregeling de omgevingsvergunning is verleend. De kruimelgevallenregeling kon niet worden toegepast, omdat het bijgebouw niet wordt gerealiseerd op hetzelfde perceel als het hoofdgebouw. Het perceel waar het bijgebouw wordt gebouwd, is feitelijk een bosperceel en is niet in gebruik als tuin bij het hoofdgebouw.

Daarnaast ligt het perceel volgens eiser buiten de bebouwde kom. Er is niet voldaan aan de vereisten van artikel 4, eerste lid, van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bijlage II van het Bor). Er kon daarom ook geen omgevingsvergunning worden verleend met toepassing van artikel 4, eerste lid en negende lid, van Bijlage II van het Bor.



3.2.
Het college en vergunninghouder zijn van mening dat het bijgebouw wordt gebouwd op hetzelfde perceel als het hoofdgebouw. Het gedeelte van het perceel waar het bijgebouw is vergund is zodanig dicht gelegen bij de hoofdbebouwing en de hoofdontsluiting van het perceel, dat deze geen onderdeel uitmaakt van de bosstructuur. Dat er ten behoeve van de realisatie diverse bomen en planten moeten worden verwijderd, maakt dat niet anders. De bedoelde locatie is niet ingericht als bosperceel, maar hoort bij het perceel waarop het hoofdgebouw is gevestigd.

Daarnaast stellen het college en vergunninghouder dat het perceel in Villawijk [naam villawijk] ligt en een groen karakter heeft. Er is een concentratie van bebouwing en het gebied heeft voornamelijk een woon- en verblijfsfunctie. Het college en vergunninghouder zijn van mening dat het perceel ligt binnen een woonwijk. Er is terecht toepassing gegeven aan artikel 4, eerste en negende lid, van Bijlage II van het Bor.



3.3.
Voor de beantwoording van de vraag of de kruimelgevallenregeling mocht worden toegepast, moet de rechtbank eerst de vraag beantwoorden of er sprake is van hetzelfde perceel.

De rechtbank is van oordeel dat voor beantwoording van de vraag of er sprake is van hetzelfde perceel de feitelijke situatie maatgevend is. Bij het bepalen van de feitelijke situatie is van belang op welke wijze de gronden zijn ingericht en hoe zij worden gebruikt. Het is niet noodzakelijk dat de gronden dezelfde bestemming hebben. De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van één perceel, nu het perceel waar het bijgebouw op zal worden gebouwd de bestemming ‘Tuin-1’ heeft en ook daadwerkelijk als tuin wordt gebruikt. Dit perceel hoort bij het perceel met het hoofdgebouw. Dat beide percelen een andere bestemming hebben is gelet op de aangehaalde jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRvS) niet van doorslaggevende betekenis. Ook het feit dat vergunninghouder wat beplanting zal moeten verwijderen voordat het bijgebouw kan worden gerealiseerd maakt niet dat er feitelijk sprake is van een bosperceel en niet van de tuin behorend bij het hoofdgebouw.



3.4.
De tweede vraag die de rechtbank moet beantwoorden is de vraag of het perceel waarop het bijgebouw wordt gerealiseerd buiten de bebouwde kom ligt. Gelet op vaste jurisprudentie van de ABRvS is de vraag of er sprake is van de bebouwde kom van feitelijke aard. Niet de plaats van een verkeersbord dat de bebouwde kom aangeeft is bepalend, maar de aard van de omgeving is dat. Daarbij is in het bijzonder van belang of er sprake is van een concentratie van bebouwing en of het gebied door die bebouwing overwegend een woon- of verblijfsfunctie heeft.

De rechtbank is van oordeel dat het perceel van vergunninghouder binnen de bebouwde kom ligt. Het perceel van vergunninghouder ligt in het bos, waar de woningen op een grotere afstand van elkaar liggen. Dit maakt echter niet dat het perceel van vergunninghouder buiten de bebouwde kom ligt. Dat het perceel van vergunninghouder aan het einde van de woonwijk ligt, maakt ook niet dat het perceel buiten de bebouwde kom ligt. Rondom het perceel van vergunninghouder zijn meerdere woningen gebouwd. Het perceel van eiser ligt in een woonwijk. Er is naar oordeel van de rechtbank sprake van samenhangende bebouwing en het gebied heeft overwegend een woon- of verblijfsfunctie. Het perceel van vergunninghouder ligt daarom binnen de bebouwde kom.



3.5.
De rechtbank is van oordeel dat er is voldaan aan de vereisten van artikel 4, eerste en negende lid, van Bijlage II van het Bor, nu er sprake is van één perceel en het perceel in de bebouwde kom ligt. Het college kon met toepassing van artikel 4, eerste en negende lid, van Bijlage II van het Bor een omgevingsvergunning verlenen voor het verplaatsen en onderkelderen van een bijgebouw op het adres [adres] 5 in [plaatsnaam] . Het beroep is in zoverre ongegrond.


Zijn de belangen van eiser voldoende meegenomen?




4.1.
Eiser stelt zich ook op het standpunt dat niet is gebleken dat het college zijn belangen heeft meegewogen bij het verlenen van de omgevingsvergunning. Het college heeft op geen enkele manier contact gezocht met eiser om zijn belangen te inventariseren. Ten onrechte heeft het college de belangen van vergunninghouder laten prevaleren boven de belangen van eiser. Eiser is van mening dat zijn belangen ten onrechte niet zijn meegenomen in de besluitvorming. Het besluit dient om deze reden te worden vernietigd.



4.2.
Het college stelt zich op het standpunt dat het opslaan van tuingereedschappen en twee oldtimers niet kan worden aangemerkt als belastend gebruik. Door de verplaatsing van het bijgebouw wordt geen onevenredige vermindering van privacy of uitzicht verwacht. Het college is van mening dat het beoogde gebruik voorspelbaar en aanvaardbaar is. Daarnaast is bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid wel degelijk gekeken naar de belangen van eiser en andere omwonenden.



4.3.
De rechtbank is van oordeel dat het college relatief weinig aandacht heeft gehad voor de belangen van eiser. Gezien het feit dat het al een langlopende procedure is, had het college met eiser in gesprek kunnen gaan over het bouwplan en zijn belangen kunnen inventariseren. Vervolgens had het college die belangen kunnen afwegen tegen het belang van vergunninghouder om het bouwwerk te realiseren. Als het college dan had geoordeeld dat eiser geen onevenredig nadeel ondervindt van het bouwplan, had zij dit in het bestreden besluit kunnen en moeten opnemen.

Ter zitting heeft heeft het college het standpunt ingenomen dat de belangen van eiser niet dusdanig zijn dat de vergunning hierdoor niet verleend had mogen worden. Eiser heeft ter zitting uiteengezet dat hij vooral vreest voor waardevermindering van zijn woning door het bijgebouw op het perceel van vergunninghouder. Daarnaast heeft hij naar voren gebracht dat hij zicht heeft op het bijgebouw. De rechtbank is van oordeel dat eiser de gevreesde schade niet nader heeft onderbouwd. Als eiser al schade zou lijden, dan maakt dit niet dat de vergunning niet had kunnen worden verleend. Eiser kan immers een verzoek voor planschade indienen. Dat eiser zicht heeft op het bijgebouw , is hier evenmin een doorslaggevend belang. Het gaat in deze woonwijk om grote percelen, waarop ook veel bomen voorkomen. Eiser wordt dus zeer beperkt in zijn zichtmogelijkheden geraakt. De rechtbank is met het college van oordeel dat er geen sprake is van een dusdanige zichtbeperking dat de omgevingsvergunning daarom had moeten worden geweigerd. Het bestreden besluit kan standhouden. Het beroep is ongegrond.





Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college op goede gronden een omgevingsvergunning heeft verleend voor het verplaatsen en onderkelderen van een bijgebouw aan het adres [adres] 5 te [plaatsnaam] .

6. Nu het beroep ongegrond is, krijgt eiser het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.



Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. de Roo, griffier, op 2 augustus 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.











griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.





Bijlage


Wettelijk kader



Algemene bepalingen omgevingsrecht:


Op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder aanhef en sub a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.

Op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder aanhef en sub c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet.


Besluit omgevingsrecht:


Op grond van artikel 4, eerste lid, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht komen voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van die wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2º, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken in aanmerking een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, wordt voldaan aan de volgende eisen:


niet hoger dan 5 m, tenzij sprake is van een kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf,


de oppervlakte niet meer dan 150 m².



Op grond van artikel 4, negende lid, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht komen voor verlening van de omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van die wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2º, van die wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken in aanmerking het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten en van bij die bouwwerken aansluitend terrein, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, het uitsluitend betreft een logiesfunctie voor werknemers of de opvang van asielzoekers of andere categorieën vreemdelingen.



Zie bijvoorbeeld ABRvS 7 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3617 en ABRvS 26 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:587.


Zie bijvoorbeeld ABRvS 28 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1039.


ABRvS 26 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:587.


Zie bijvoorbeeld ABRvS 25 mei 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ5896 en ABRvS 18 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1294.
Link naar deze uitspraak