|
|
|
| ECLI:NL:RBOVE:2026:3128 | | | | | Datum uitspraak | : | 05-06-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 09-06-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Overijssel | | Zaaknummers | : | ak_25_2310 | | Rechtsgebied | : | Socialezekerheidsrecht | | Indicatie | : | Ongegrond beroep. Afwijzing WIA-aanvraag, omdat het arbeidsongeschiktheidspercentage minder is dan 35%. Zorgvuldig onderzoek. De verzekeringsgeneeskundige beoordeling is inzichtelijk en navolgbaar.
Op basis van de FML en de arbeidskundige beoordeling is het aannemelijk dat eiser in staat is om de geselecteerde functies snackbereider, medewerker tuinbouw en textielproductenmaker te verrichten. | | Trefwoorden | : | tuinbouw | | | uitkering | | | | Uitspraak | RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/2310
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser]
, uit [woonplaats] , (hierna: [eiser] )
gemachtigde: mr. R. Verspaandonk,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV),
gemachtigde: E.H. van den Brink.
Samenvatting
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van [eiser] ’s aanvraag voor een WIA-uitkering. [eiser] is het daar niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV de WIA-aanvraag terecht heeft afgewezen. [eiser] krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond.
Inleiding
1. [eiser] was sinds mei 2021 werkzaam als schoonmaker bij [bedrijf] B.V. voor gemiddeld 15,46 uur per week. Na het einde van zijn tijdelijke dienstverband heeft hij een WW-uitkering aangevraagd. Het UWV heeft deze uitkering met ingang van 31 maart 2021 aan [eiser] toegekend. Op 5 januari 2022 heeft hij zich ziekgemeld. Na een doorbetalingsperiode van 13 weken is per 6 april 2022 een ZW-uitkering aan hem toegekend. Met het besluit van 5 december 2023 heeft het UWV de ZW-uitkering per
2 januari 2024 beëindigd, omdat de maximale uitkeringsduur van 104 weken was bereikt.
1.1
Op 4 januari 2024 heeft [eiser] een WIA-uitkering aangevraagd. Met het besluit van 30 april 2024 heeft het UWV de aanvraag afgewezen, omdat het arbeidsongeschiktheids-percentage minder is dan 35%. Met het bestreden besluit van 18 juli 2025 op het bezwaar is het UWV bij de afwijzing gebleven.
1.2.
[eiser] heeft vervolgens beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft daarop gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 23 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser] , zijn gemachtigde en de gemachtigde van UWV. Ook was tolk
N. Acikyurek aanwezig.
Standpunt van het UWV
2. Volgens het UWV heeft [eiser] met ingang van 3 januari 2024 geen recht op een
WIA-uitkering, omdat het arbeidsongeschiktheidspercentage minder is dan 35%. Vanwege zijn gezondheidsklachten en beperkingen kan hij zijn werk als schoonmaker niet meer verrichten, maar kan hij nog wel in staat worden geacht om de voorbeeldfuncties snackbereider, medewerker tuinbouw en textielproductenmaker te verrichten.
2.1.
Door het middelste uurloon van deze functies te vergelijken met het uurloon dat [eiser] verdiende als schoonmaker, is de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 27,18 %. Hiervoor baseert het UWV zich op het rapport van 8 juli 2025 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (B&B), de functionele mogelijkhedenlijst (FML) en het rapport van 17 juli 2025 van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.
Standpunten van [eiser]
3. [eiser] stelt dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onzorgvuldig is geweest, omdat de verkregen informatie van de huisarts en de medisch specialisten te beperkt is. De verzekeringsarts had niet alleen informatie bij de huisarts moeten opvragen maar (ook) verder navraag moeten doen bij de medisch specialisten. Doordat dit is nagelaten was er onvoldoende actuele medische informatie aanwezig. Daarbij komt dat hij in behandeling is bij de neuroloog en geopereerd dient te worden. Ook stelt [eiser] dat zijn gezondheidssituatie ernstiger dan door de verzekeringsarts B&B is vastgesteld in de FML. Verder stelt [eiser] dat hij de geselecteerde functies vanwege zijn gezondheidsklachten en beperkingen niet kan verrichten. Tijdens de zitting is verzocht om een deskundige te benoemen.
Beoordeling door de rechtbank
4. De rechtbank is van oordeel dat het UWV terecht met ingang van 3 januari 2024 geen WIA-uitkering aan [eiser] heeft toegekend. De rechtbank licht dit als volgt toe.
4.1.
Op grond van artikel 5 van de WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het uurloon dat een betrokkene in zijn of haar laatste werk verdiende, te vergelijken met het uurloon dat hij of zij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
Het UWV moet zich daarvoor dan ook baseren op rapporten van de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige. Deze rapporten moeten aan een aantal voorwaarden voldoen: zij moeten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, ze mogen geen tegenstrijdigheden bevatten en de conclusies moeten logisch volgen uit de rapporten.
Zorgvuldigheid van het onderzoek
5. [eiser] stelt dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onzorgvuldig is geweest. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat het onderzoek wel zorgvuldig is geweest, omdat de verzekeringsarts [eiser] tijdens het spreekuur op
20 februari 2024 (kort na de datum in geding) heeft onderzocht en informatie van de huisarts en van de spoedeisende hulp aanwezig was. Vervolgens heeft ook de verzekeringsarts B&B op 14 mei 2025 hem op een spreekuur gezien. Daarbij was een tolk aanwezig en nadien heeft de verzekeringsarts B&B met concrete vraagstelling nog een keer informatie opgevraagd bij de huisarts. Bij de verkregen informatie van de huisarts zat ook informatie van de KNO-arts, de neuroloog, de radioloog en van de physician assistent chirurgie. De rechtbank is niet gebleken dat informatie is gemist of niet bij de beoordeling is betrokken. Gelet op hun eigen onderzoeken en de verkregen informatie waren de verzekeringsartsen niet gehouden om verder navraag te doen bij de medisch specialisten.
Verzekeringsgeneeskundige beoordeling
6. In het rapport van 3 april 2024 heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat [eiser] bekend is met rugpijn, een beeld dat passend is bij claudicatio intermittens en dat er sterke aanwijzingen zijn voor perifeer arterieel vaatlijden. Ook zijn de LDL-cholesterol en de bloeddruk iets verhoogd. In december 2021 is sprake geweest van een eenmalige episode van neuritis vestibularis. Volgens de verzekeringsarts is [eiser] gelet op deze problematiek aangewezen op werkzaamheden waar geen fysiek zware handelingen in voorkomen. Daarom zijn er beperkingen vastgesteld voor duwen en trekken en voor tillen en dragen. Ook is hij aangewezen op werk waarbij hij niet continue moet lopen of staan of vaak moet traplopen. Door deze beperking wordt volgens de verzekeringsarts ook rekening gehouden met de ervaren duizeligheidsklachten. Daarnaast kan [eiser] vanwege de duizeligheidsklachten geen werkzaamheden verrichten op hoogtes of werken met gevaarlijke/grote machines. Deze beperkingen zijn vastgesteld in de FML van 3 april 2024.
6.1.
In het rapport van 8 juli 2025 concludeert de verzekeringsarts B&B dat de beoordeling van de verzekeringsarts grotendeels juist is geweest, maar dat [eiser] vanwege zijn beenklachten verdergaand beperkt is dan door de verzekeringsarts is vastgesteld. Volgens de verzekeringsarts B&B blijkt uit de informatie van 10 september 2024 van de physician assistent chirurgie en de anamnese van de verzekeringsarts dat problemen bij traplopen, lopen en staan een direct gevolg zijn van de claudicatio intermittens. Daarom zijn voor deze items verdergaande beperkingen vastgesteld in de FML van 8 juli 2025. Voor het vaststellen van meer of verdergaande beperkingen is volgens de verzekeringsarts B&B geen aanleiding.
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat de rapporten van de verzekeringsartsen inzichtelijk en navolgbaar zijn. Alle gezondheidsklachten van [eiser] zijn bij de beoordeling betrokkenen en de beperkingen die zijn vastgesteld zijn goed gemotiveerd. Het is de rechtbank niet gebleken dat die beoordeling onjuist is geweest. De rechtbank twijfelt dan ook niet aan de medische beoordeling en ziet daarom geen aanleiding om een deskundige te benoemen. Dit betekent dat het UWV mocht uitgaan van de FML van 8 juli 2025.
Arbeidskundige beoordeling
6.3.
Op basis van die FML en het arbeidskundige rapport van 17 juli 2025 is het aannemelijk dat [eiser] in staat is om de geselecteerde functies snackbereider, medewerker tuinbouw en textielproductenmaker te verrichten. Hiertegen zijn geen concrete beroepsgronden aangevoerd. Op basis van een vergelijking van het middelste uurloon van deze functies met het uurloon dat [eiser] verdiende, is de mate van arbeidsongeschiktheid dan ook terecht vastgesteld op 27,18%. Omdat dit minder is dan 35% heeft het UWV terecht besloten dat hij geen recht heeft op een WIA-uitkering.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat [eiser] geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.T. de Kwaasteniet, rechter, in aanwezigheid van
J.T. Boddeüs, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.
Werkloosheidswet.
Ziektewet. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|