Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBDHA:2026:3261 
 
Datum uitspraak:18-02-2026
Datum gepubliceerd:20-02-2026
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:C/09/676470 / HA ZA 24-10 C/09/676470 / HA ZA 24-10
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Erfrecht. Nietige verdeling omdat niet alle deelgenoten hebben deelgenomen (art. 3:195 BW). De deelgenoten handelden bij de verdeling van de nalatenschap te goeder trouw als bedoeld in artikel 1:207 lid 5 BW. De door gedaagden verkregen rechten worden daarom niet geschaad en er ontstaat geen verplichting tot terugbetaling voor gedaagden.
Trefwoorden:burgerlijk wetboek
erfgenamen
erfrecht
inkomstenbelasting
legitieme portie
taxatie
testament
uitkering
wettelijke rente
 
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK DEN HAAG

Team handel


Zaak- / rolnummer: C/09/676470 / HA ZA 24-1019


Vonnis van 18 februari 2026


in de zaak van



[eiseres]
te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen: [eiseres] ,
eiseres,
advocaat: mr. I. Gorissen te Zoetermeer,

tegen




1 [gedaagde 1] te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen: [gedaagde 1] ,
niet verschenen,
2. [gedaagde 2] te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen: [gedaagde 2] ,
niet verschenen,
3. [gedaagde 3] te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen: [gedaagde 3] ,
niet verschenen,
4. [gedaagde 4] te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen: [gedaagde 4] ,
thans zonder advocaat, voorheen mr. A.H. van Haga,
5. [gedaagde 5], overleden, laatstelijk wonende te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen: [gedaagde 5] ,
thans zonder advocaat, voorheen mr. A.H. van Haga,
6. [gedaagde 6] te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen: [gedaagde 6] ,
thans zonder advocaat, voorheen mr. A.H. van Haga,
gedaagden.





1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:


de dagvaarding tevens houdende incidentele vordering tot verstrekken van bescheiden en inlichtingen van 19 november 2024, met producties 1 tot en met 20;


het ter rolzitting van 4 december 2024 tegen gedaagden verleende verstek;


het bij verstek gewezen vonnis in incident van 22 januari 2025 (hierna: het tussenvonnis);


het ter rolzitting van 19 maart 2025 namens [gedaagde 4] , [gedaagde 5] en [gedaagde 6] gezuiverde verstek;


de door [gedaagde 4] , [gedaagde 5] en [gedaagde 6] uitgebrachte verzetdagvaarding van 27 februari 2025, tevens houdende de incidentele vordering tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van het tussenvonnis, met producties 1 tot en met 6;


de conclusie van antwoord in incident, met producties 1 tot en met 4, van [eiseres] ;


het bericht van [eiseres] van 8 april 2025, met productie 5;


het vonnis in verzet van 14 mei 2025 (met zaak- / rolnummer C/09/681442 / HA ZA 25-222),


de akte van 25 juni 2025 van [eiseres] , met twee producties;


de akte strekkende tot schorsing van de procedure ex artikel 225 lid 1a Rv, van [gedaagde 4] en [gedaagde 6] ;


het B16-formulier van 27 augustus 2025 van [eiseres] ;


de mededeling van 24 november 2025 van mr. Van Haga dat zij zich als advocaat voor [gedaagde 4] , (de erfgenamen van) [gedaagde 5] en [gedaagde 6] aan de zaak onttrekt, waarna zich – ondanks daartoe gegeven gelegenheid – voor [gedaagde 4] en [gedaagde 6] en de erfgenamen van [gedaagde 5] geen nieuwe advocaat heeft gesteld;


de akte zijdens eiseres van 24 december 2025, met producties 1 tot en met 12, van [eiseres] .





1.2.
Volgens artikel 147 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) moet de verzetdagvaarding van [gedaagde 4] , [gedaagde 5] en [gedaagde 6] worden aangemerkt als conclusie van antwoord.



1.3.
Mr. Van Haga heeft in de hiervoor genoemde akte strekkende tot schorsing van de procedure met een beroep op artikel 225 Rv schorsing aangezegd van de procedure, in verband met het overlijden van [gedaagde 5] op 25 juli 2025. [eiseres] is in de gelegenheid gesteld zich hierover uit te laten en heeft bij B16-formulier van 27 augustus 2025 bevestigd zich niet tegen deze schorsing te verzetten, met dien verstande dat het moet gaan om een tijdelijke schorsing van drie maanden. Naar aanleiding hiervan is de procedure jegens [gedaagde 5] geschorst om de erfgenamen van [gedaagde 5] in de gelegenheid te stellen zich te beraden over hun positie in de procedure en is de zaak voor zover het deze gedaagde betreft verwezen naar de parkeerrol. Aangezien mr. Van Haga zich hierna heeft onttrokken en zich voor [gedaagde 4] en [gedaagde 6] en de erfgenamen van [gedaagde 5] geen nieuwe advocaat heeft gesteld, is niet bekend welke positie de erfgenamen van [gedaagde 5] innemen. [eiseres] is vervolgens in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over het gewenste vervolg van de procedure. Bij voormelde akte zijdens eiseres heeft [eiseres] gemotiveerd gesteld dat het erfdeel van haar vader € 37.478,15 bedraagt en heeft [eiseres] verklaard dat zij persisteert in haar vorderingen in de hoofdzaak.





2De feiten

2.1.
De vorderingen van [eiseres] hebben betrekking op de verdeling van de nalatenschap van [erflaatster] die op [dag 1] 2019 is overleden (hierna: erflaatster). Op grond van het testament van erflaatster zijn haar zes kinderen (waaronder de vier ten tijde van het openvallen van de nalatenschap nog in leven zijnde kinderen [gedaagde 3] , [gedaagde 4] , [gedaagde 5] en [gedaagde 6] ) haar erfgenamen, ieder voor 1/6e gedeelte van haar nalatenschap. De kinderen van haar vooroverleden zoon [naam 1] ( [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ) zijn in het testament als erfgenamen benoemd voor het deel waarop hun vader aanspraak zou hebben gemaakt indien hij niet was vooroverleden.



2.2.

[gedaagde 5] en [gedaagde 6] zijn in het testament van erflaatster benoemd tot executeurs. Zij hebben de executeursbenoeming niet aanvaard.



2.3.

[gedaagde 5] is op [dag 2] 2025 overleden.



2.4.

[naam 2] (hierna: [naam 2] ), die op [dag 3] 2020 is overleden, was de oudste zoon van erflaatster. De nalatenschap van erflaatster was ten tijde van het overlijden van [naam 2] nog niet afgewikkeld, waardoor hij zijn 1/6e erfdeel nog niet had ontvangen.



2.5.
Bij beschikking van 29 september 2021 van deze rechtbank is het ouderschap vastgesteld van [naam 2] ten aanzien van [eiseres] .



2.6.
Bij e-mailbericht van 23 november 2021 heeft notariskantoor Ellens & Lentze (hierna: de notaris) [eiseres] , op haar verzoek, het telefoonnummer en het e-mailadres van [gedaagde 6] verstrekt. Vervolgens heeft (de advocaat van) [eiseres] bij e-mailbericht van 9 december 2021 aan [gedaagde 6] bericht dat het ouderschap van [naam 2] ten aanzien van [eiseres] gerechtelijk is vastgesteld en dat [eiseres] een beroep doet op haar legitieme portie in de nalatenschap van erflaatster. Ook heeft zij stukken opgevraagd ter vaststelling van haar legitieme portie. [gedaagde 6] heeft hier niet op gereageerd. Op 30 december 2021 heeft (de advocaat van) [eiseres] [gedaagde 6] een herinnering gemaild. Ook hier heeft [gedaagde 6] niet op gereageerd.



2.7.
Bij akte van levering van 21 juni 2022 is de woning van erflaatster geleverd aan een derde. In de akte van levering staat dat [gedaagde 6] , [gedaagde 2] , [gedaagde 1] , [gedaagde 4] , [gedaagde 5] en [gedaagde 3] op grond van het testament van erflaatster bevoegd en gerechtigd zijn om over het registergoed te beschikken. De notaris heeft de verkoopopbrengst van € 184.857,65 aan gedaagden uitbetaald, te weten aan [gedaagde 3] , [gedaagde 6] , [gedaagde 4] en [gedaagde 5] ieder 1/5e gedeelte en aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ieder 1/10e gedeelte.



2.8.
Blijkens de verklaring van erfrecht van 12 september 2022, die is opgesteld naar aanleiding van het overlijden van [naam 2] , heeft [eiseres] de nalatenschap van [naam 2] beneficiair aanvaard. [eiseres] is daardoor rechtsopvolger onder algemene titel van [naam 2] en maakt daarom aanspraak op uitkering van het 1/6e erfdeel in de nalatenschap van erflaatster dat [naam 2] nog niet had ontvangen. [eiseres] heeft aangenomen dat de nalatenschap van erflaatster is afgewikkeld, nu er sinds het overlijden van erflaatster (ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding) al ruim vier jaar is verstreken.



2.9.
In voormelde verklaring van erfrecht van 12 september 2022 staat onder meer:
“Volgens opgave van de Basisregistratie Personen en de bevolkingsadministratie van Amsterdam heeft de overledene geen afstammelingen achtergelaten.”



2.10.
In het tussenvonnis heeft de rechtbank gedaagden (bij verstek) veroordeeld om binnen vier weken na betekening van het tussenvonnis aan [eiseres] bescheiden en inlichtingen te verstrekken met betrekking tot de nalatenschap van erflaatster, op straffe van een dwangsom.



2.11.
Na het wijzen van het tussenvonnis heeft een advocaat zich namens [gedaagde 4] , [gedaagde 5] en [gedaagde 6] gesteld. [gedaagde 4] , [gedaagde 5] en [gedaagde 6] zijn in verzet gegaan tegen het tussenvonnis. Door middel van het uitbrengen van een verzetdagvaarding voerden [gedaagde 4] , [gedaagde 5] en [gedaagde 6] als opposanten alsnog verweer tegen het gevorderde in het incident en ook in de hoofdzaak.



2.12.
Bij vonnis van 14 mei 2025 heeft de rechtbank onder meer het tussenvonnis vernietigd voor zover het [gedaagde 4] , [gedaagde 5] en [gedaagde 6] betreft, en opnieuw rechtdoende [gedaagde 5] , [gedaagde 4] en [gedaagde 6] , onder oplegging van een dwangsom, veroordeeld om binnen vier weken na dagtekening van het vonnis de volgende bescheiden en inlichtingen te verstrekken met betrekking tot de nalatenschap van erflaatster:


de boedelbeschrijving waaruit de omvang en samenstelling van de nalatenschap blijkt met waarden per datum overlijden;


overzicht banksaldi per sterfdatum van alle bankrekeningen van erflaatster;


aangifte en aanslag inkomstenbelasting van 2018 en 2019;


opgave van alle inboedelzaken en overige (on)roerende zaken met (taxatie)waarden per datum overlijden;


opgave van al hetgeen gedaagden als erfgenaam ontvangen hebben uit de nalatenschap van erflaatster onderbouwd met bewijsstukken.





2.13.
Bij voormelde akte van 25 juni 2025 heeft [eiseres] de rechtbank bericht dat [gedaagde 5] , [gedaagde 4] en [gedaagde 6] slechts ten dele aan de veroordeling hebben voldaan. [eiseres] heeft bij deze akte een brief van 12 juni 2025 overgelegd, met bijlagen, van mr. Van Haga, waarbij mr. Van Haga [eiseres] naar aanleiding van het vonnis van 14 mei 2025 stukken heeft toegestuurd.



2.14.
Bij voormelde akte van 24 december 2025 heeft [eiseres] gemotiveerd gesteld dat zij op grond van de door mr. Van Haga overgelegde informatie het erfdeel van [naam 2] heeft berekend en dat dit erfdeel € 37.478,15 bedraagt.





3Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. de verklaring voor recht dat er sprake is van een nietige verdeling;
II. vaststelling van de hoogte van de vordering van [eiseres] ter grootte van 1/6e erfdeel;
III. vaststelling van de verdeling;
IV. veroordeling van gedaagden om de vordering van [eiseres] te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid (8 juli 2024), dan wel vanaf de dag van dagvaarding, dan wel vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen dag, tot aan de dag van algehele voldoening;
V. veroordeling van gedaagden in de proceskosten.



3.2.

[gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] zijn niet verschenen en voeren geen verweer.



3.3.

[gedaagde 4] , [gedaagde 5] en [gedaagde 6] voeren verweer, zoals volgt uit de verzetdagvaarding. Zij vorderen bij gehele of gedeeltelijke toewijzing van de vorderingen van [eiseres] te bepalen dat zij gehouden zijn aan de nalatenschap te voldoen hetgeen onverbruikt en/of onverteerd is gebleven van de nalatenschap.



3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.





4De beoordeling

4.1.
Tegen [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] is verstek verleend. Omdat [gedaagde 4] , [gedaagde 5] en [gedaagde 6] wel zijn verschenen heeft dit vonnis, gelet op artikel 140 Rv, ook jegens [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] te gelden als een vonnis op tegenspraak. Dat betekent dat zij hoger beroep moeten instellen, als zij het niet met dit vonnis eens zijn (en dat zij geen verzet kunnen instellen).



4.2.
Artikel 139 Rv bepaalt dat ingeval van verstekverlening de vordering van eiser wordt toegewezen, tenzij deze de rechter onrechtmatig of ongegrond voorkomt. Daarbij geldt dat door de wel verschenen gedaagde aangevoerde verweren niet in het voordeel van de niet verschenen gedaagde werken, tenzij sprake is van een rechtsbetrekking tussen partijen die verplicht tot een voor alle partijen gelijke beslissing (vergelijk HR 28 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2911). Naar het oordeel van de rechtbank doet deze uitzonderingssituatie zich in dit geval voor. Gelet op de aard van het geschil moet de beslissing ten opzichte van alle betrokkenen hetzelfde zijn. Immers, deze vordering heeft betrekking op de verdeling van de nalatenschap van erflaatster, zodat sprake is van een processueel ondeelbare rechtsbetrekking.



4.3.

[eiseres] vordert een verklaring voor recht dat er sprake is van een nietige verdeling. [eiseres] legt hieraan ten grondslag dat noch haar vader, noch [eiseres] , als zijn rechtsopvolger onder algemene titel, in de verdeling van de nalatenschap van erflaatster zijn betrokken zodat de verdeling op grond van artikel 3:195 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) van rechtswege nietig is.



4.4.

[gedaagde 4] , [gedaagde 5] en [gedaagde 6] betwisten dat sprake is van een nietige verdeling. Zij hebben zich op het standpunt gesteld dat zij op het moment van de verdeling te goeder trouw waren ten aanzien van het aantal erfgenamen waaronder de verdeling diende plaats te vinden. Daarmee is de verdeling niet nietig of vernietigbaar. Op grond van artikel 1:207 lid 5 BW ontstaat er immers geen verplichting tot teruggave van vermogensrechtelijke voordelen voor de zogenaamde oude erfgenamen bij een latere vaststelling van het vaderschap. [eiseres] heeft gedaagden bij het starten van de procedure vaststelling vaderschap en/of na ontvangst van de beslissing dan wel op het moment van registratie niet op de hoogte gesteld van de procedure vaststelling vaderschap en/of waar die procedure voor bedoeld was. [gedaagde 4] , [gedaagde 5] en [gedaagde 6] hebben dan ook geen rekening gehouden of kunnen houden met de mogelijkheid dat [eiseres] zou meedelen in de nalatenschap van erflaatster. Op het moment van het passeren van de akte van levering van 21 juni 2022 hadden zij evenmin het idee dat [eiseres] zou kunnen meedelen in de nalatenschap van erflaatster. Ook de notaris had geen informatie over de vaststelling van het ouderschap. Daarbij komt dat datgene wat gedaagden hebben verkregen is verbruikt en verteerd. Op basis van artikel 1:207 lid 5 BW dienen zij enkel terug te geven het onverbruikte en onverteerde deel van de nalatenschap, als dit al aan de orde komt. Verder moet terugbetaling geschieden aan de nalatenschap en niet persoonlijk aan [eiseres] , aldus [gedaagde 4] , [gedaagde 5] en [gedaagde 6] .



4.5.
Artikel 3:195 lid 1 BW bepaalt dat een verdeling waaraan niet alle deelgenoten en alle andere personen wiens medewerking vereist was, hebben deelgenomen, nietig is, tenzij zij is geschied bij een notariële akte, in welk geval zij slechts kan worden vernietigd op vordering van degene die niet aan de verdeling heeft deelgenomen. Nu vast staat dat de verdeling niet in een notariële akte is vastgelegd en dat [eiseres] niet aan de verdeling heeft deelgenomen, is de verdeling nietig. Eventuele goede trouw doet daar niet aan af, aangezien er geen rechtsgeldige verdeling tot stand is gekomen. Een nietige rechtshandeling is immers nooit geldig geweest.



4.6.
De gerechtelijke vaststelling van het ouderschap heeft terugwerkende kracht, zodat als gevolg hiervan [eiseres] de enige erfgename is van [naam 2] . [naam 2] was op zijn beurt erfgenaam van erflaatster, voor 1/6e gedeelte van haar nalatenschap. [eiseres] is rechtsopvolger onder algemene titel van [naam 2] en treedt daarom in de rechten en plichten die [naam 2] als erfgenaam in de nalatenschap van erflaatster had. Omdat de gerechtelijke vaststelling van het ouderschap nadelige gevolgen kan hebben voor andere betrokkenen zoals gedaagden, waaronder het verlies van eigendom, heeft de wetgever ervoor gekozen om in artikel 1:207 lid 5 BW de gevolgen van de terugwerkende kracht te verzachten ter bescherming van derden en uit het oogpunt van rechtszekerheid. In artikel 1:207 lid 5, tweede volzin, BW is opgenomen dat te goeder trouw door derden verkregen rechten door de vaststelling van het ouderschap nochtans niet worden geschaad.



4.7.
In deze zaak is in geschil of de deelgenoten te goeder trouw waren bij de verdeling van de nalatenschap van erflaatster. [eiseres] stelt dat haar ooms bekend waren met de gerechtelijke procedure tot vaststelling van het vaderschap en dus niet te goeder trouw waren. [eiseres] verwijst ter onderbouwing van haar stelling naar de e-mailberichten van 9 en 30 december 2021, die haar advocaat aan [gedaagde 6] heeft gezonden. [gedaagde 4] , [gedaagde 5] en [gedaagde 6] betwisten dat deze e-mails aan [gedaagde 6] zijn gestuurd en [eiseres] heeft haar stelling over de wetenschap van haar ooms vervolgens niet nader onderbouwd.



4.8.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiseres] in deze procedure wel de gelegenheid gehad om haar stelling dat de ooms op de hoogte waren van haar procedure tot vaststelling van het vaderschap verder te onderbouwen. Het verweer is gevoerd in de verzetdagvaarding die moet worden aangemerkt als conclusie van antwoord. Ook in het vonnis van 14 mei 2025 staat dat [gedaagde 4] , [gedaagde 5] en [gedaagde 6] door middel van het uitbrengen van een verzetdagvaarding alsnog verweer voeren in de hoofdzaak (zie onder 2.8 en 4.3 van dat vonnis). In de door haar daarna ingediende processtukken had [eiseres] op dat verweer en de betwisting kunnen reageren, maar dat heeft zij niet gedaan. Daarom gaat de rechtbank voorbij aan de stelling van [eiseres] dat haar ooms door een of meer e-mailbericht(en) aan [gedaagde 6] op de hoogte waren van de procedure tot vaststelling van het vaderschap van [naam 2] , omdat die niet voldoende is onderbouwd.



4.9.
Uit de stellingen van [gedaagde 4] , [gedaagde 5] en [gedaagde 6] leidt de rechtbank af dat de nalatenschap van erflaatster na de levering van de woning van erflaatster is verdeeld door de uitbetaling door de notaris aan [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] , [gedaagde 4] , [gedaagde 5] en [gedaagde 6] en dat er geen andere verdelingshandelingen hebben plaatsgevonden. De rechtbank neemt dit hierna tot uitgangspunt.



4.10.
De rechtbank is van oordeel dat gedaagden tijdens de verdeling van de verkoopopbrengst van de woning van erflaatster te goeder trouw handelden als bedoeld in artikel 1:207 lid 5 BW. Zij licht dit als volgt toe. Vast staat dat de notaris niet bekend was met het feit dat [eiseres] ten tijde van de verdeling van de verkoopopbrengst erfgenaam was van [naam 2] . In de akte van levering van 21 juni 2022 staat immers dat [gedaagde 6] , [gedaagde 2] , [gedaagde 1] , [gedaagde 4] , [gedaagde 5] en [gedaagde 3] op grond van het testament van erflaatster bevoegd en gerechtigd zijn om over het registergoed te beschikken. De notaris heeft de verkoopopbrengst van € 184.857,65 dan ook aan hen uitbetaald. Dit correspondeert met de verklaring van erfrecht van 12 september 2022 die is opgesteld naar aanleiding van het overlijden van [naam 2] , waarin onder meer staat: “Volgens opgave van de Basisregistratie Personen en de bevolkingsadministratie van Amsterdam heeft de overledene geen afstammelingen achtergelaten.”. Ten overvloede merkt de rechtbank hierbij nog op dat de e-mailberichten waar [eiseres] zich op beroept alleen aan [gedaagde 6] zijn gestuurd. Als [gedaagde 6] deze berichten al heeft ontvangen (wat hij betwist), brengt dit niet mee dat de overige deelgenoten niet te goeder trouw zijn geweest ten tijde van de verdeling van de nalatenschap van erflaatster.



4.11.
Nu gedaagden te goeder trouw zijn geweest op het moment van verdeling van de nalatenschap van erflaatster, worden de door gedaagden verkregen rechten niet geschaad (zie artikel 1:207 lid 5, tweede volzin, BW). Hoewel sprake is van een nietige verdeling, brengt het bepaalde in artikel 1:207 lid 5, tweede volzin, BW mee dat er geen verplichting tot terugbetaling voor gedaagden ontstaat.



4.12.
Nu vast staat dat de nalatenschap van erflaatster is verdeeld met de verdeling van de verkoopopbrengst van de woning en er geen verplichting tot terugbetaling voor de deelgenoten bestaat, heeft [eiseres] naar het oordeel van de rechtbank geen belang bij haar vorderingen. De nietigheid van de verdeling heeft immers geen gevolgen doordat is voldaan aan het bepaalde in artikel 1:207 lid 5, tweede volzin, BW. De vorderingen zullen dan ook worden afgewezen.



4.13.
In de aard van de zaak en de familierechtelijke verhoudingen tussen partijen ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten tussen partijen te verdelen, in die zin dat ieder de eigen proceskosten draagt.






5De beslissing

De rechtbank:


5.1.
wijst de vorderingen af;



5.2.
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Dondorp en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026.





type: 2339
Link naar deze uitspraak