Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Peter Houtsma)
ECLI:NL:RBROT:2019:7689 
 
Datum uitspraak:25-09-2019
Datum gepubliceerd:09-10-2019
Instantie:Rechtbank Rotterdam
Zaaknummers:ROT 19/136
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Boete voor het niet zorgdragen voor de uitvoering en de handhaving van één of meer HACCP-procedures. Bij het reinigen en ontsmetten van de bij transport gebruikte voorzieningen zou de slachterij de hiervoor opgestelde procedure niet hebben gevolgd. Het is de rechtbank met het rapport van bevindingen, het voornemen, het primaire en bestreden besluit en de toelichting ter zitting niet duidelijk geworden welke gedraging nu precies tot de overtreding heeft geleid en welke interne procedure van eiseres precies daarbij niet zou zijn nageleefd. De vaststelling dat er niet (juist) is ontsmet is te vaag en vraagt een nadere concretisering die in dit geval is uitgebleven. Daar komt bij dat eiseres stelt dat naderhand nog ontsmetting plaatsvindt, waarop verweerder ter zitting heeft gesteld dat als dit het geval was geweest er wel aan de HACCP-procedure van eiseres zou zijn voldaan, maar dat uit het rapport van bevindingen blijkt dat dit kennelijk niet is gebeurd. In het rapport van bevindingen is echter alleen geconstateerd dat de desinfectieboog niet werkte en een truck was vrijgegeven en dat direct na de desinfectieboog containers werden afgespoten. Er is in het rapport niet expliciet vastgesteld dat de truck en containers nog verontreinigd waren en/of uiteindelijk niet zijn ontsmet. Gelet op het voorgaande is onvoldoende duidelijk geworden op basis waarvan kan worden geconcludeerd dat eiseres geen zorg droeg voor de uitvoering en handhaving van haar HACCP-procedure. Daarbij merkt de rechtbank op dat verweerder er expliciet voor heeft gekozen om eiseres te beboeten voor het niet naleven van haar eigen HACCP-procedures en niet voor het niet naleven van de voorschriften voor reiniging en ontsmetting in Verordening 853/2004. Het is dan ook aan verweerder om te onderbouwen welk voorschrift uit de HACCP-procedures van eiseres precies is overtreden en middels welke gedraging.
Trefwoorden:gewassen
landbouw
landbouw, natuur en voedselkwaliteit
pluimvee
 
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 19/136

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 september 2019 in de zaak tussen


[eiseres] , te [vestigingsplaats] , eiseres,
gemachtigde: mr. E. Dans,

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,
gemachtigde: mr. ing. H.D. Strookman.




Procesverloop

Bij besluit van 10 november 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres een boete opgelegd van € 15.000,- vanwege een overtreding van de Wet dieren.

Bij besluit van 28 november 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 september 2019. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.O. Visch, waarnemend kantoorgenoot van de gemachtigde van eiseres. Daarnaast zijn namens eiseres verschenen [naam] , plantmanager bij eiseres, en [naam] , directeur kwaliteit bij [bedrijf] Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.




Overwegingen

1. Verweerder heeft aan eiseres een boete opgelegd voor het volgende beboetbare feit:
De exploitant van het levensmiddelenbedrijf droeg geen zorg voor de uitvoering en de handhaving van één of meer permanente procedures die gebaseerd zijn op de HACCP-beginselen. Bij het reinigen en ontsmetten van de bij transport gebruikte voorzieningen heeft de exploitant van het levensmiddelenbedrijf de hiervoor opgestelde procedure niet gevolgd. Dit is in strijd met artikel 5, eerste lid, van de Verordening (EG) nr. 852/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake levensmiddelenhygiëne (Verordening 852/2004).
Volgens verweerder heeft eiseres daarmee een overtreding begaan van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 2.4, eerste lid, onder c, van de Regeling dierlijke producten.



2. Verweerder heeft zijn besluit gebaseerd op het rapport van bevindingen dat op
13 september 2017 is opgemaakt door een toezichthouder van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit. De toezichthouder beschrijft in het rapport onder meer het volgende.
“Tijdens de inspectie bevond ik mij in de aanvoerhal van [eiseres] . Ik voerde daar de tactische lijst R&O pluimvee uit en volgde de reiniging, ontsmetting van de truck met kenteken [kenteken] met aanhanger met kenteken [kenteken] . Tijdens het laden van deze wagen met lege schone containers die rechtstreeks uit de wasstraat kwamen, liep ik naar de wasstraat toe. Ik controleerde welk desinfectiemiddel was aangesloten en constateerde dat de desinfectieboog niet werkte. Na overleg met de chef slachthal liep ik terug naar de aanvoerhal. Ik zag op [nummer] Registratielijst wasplaats (zie bijlage 1) dat de truck met kenteken [kenteken] met aanhanger met kenteken [kenteken] was vrijgegeven. “Vrijgeven” is bij mij bekend als zijnde: volledig gereinigd en gedesinfecteerd, en gereed om de openbare weg op te gaan en opnieuw te beladen met kuikens bij een pluimveehouder. In het protocol [nummer] Aangewezen wasplaats versie 13 (zie bijlage 2) onder punt 3 Verantwoordelijkheden teamleider aanvoer staat ‘controleert op gebruik schoonmaak, desinfectiemiddelen en controleert op resultaat schoonmaak’, ‘geeft vrijgave vrachtwagen op afvinklijst / ontsmettingsboekje’. Na overleg met de chef aanvoer liep ik terug naar de wasstraat waar ik zag dat de desinfectieboog nu werkte. Ik zag dat de medewerker die vlak na de desinfectieboog stond direct de sloffen, zijkanten en ladenkleppen van de containers met water afspoot. In het protocol [nummer] Aangewezen wasplaats versie 13 (zie bijlage 2), punt 5 Procedure - reiniging containers staat dat alle oppervlakten van den containers worden gedesinfecteerd met inachtneming van de inwerktijd (volgens gebruiksvoorschrift). Het gebruikte desinfectiemiddel P3 Incidin 05 heeft volgens het CTGB een inwerktijd van 5 minuten (zie bijlage 3) en is niet aangehouden bij het ontsmetten van de containers. Uit mijn bevindingen bleek mij dat [eiseres] niet of onvoldoende had zorggedragen voor de uitvoering en handhaving van permanente procedures die gebaseerd zijn op HACCP- beginselen.”

3. Eiseres voert aan dat de toezichthouder ten onrechte heeft geconstateerd dat de inwerktijd van het desinfectiemiddel niet zou zijn aangehouden. Bij eiseres worden containers na leging door een automatische wasstraat geleid waar de containers grof worden gereinigd, worden ingeschuimd, gewassen en afgespoeld, waarna alle containers worden gedesinfecteerd met inachtneming van de inwerktijd. Na de geautomatiseerde wasstraat worden de containers gecontroleerd en eventuele resterende verontreinigingen aan de buitenzijde worden dan handmatig schoongemaakt met een hogedrukspuit; dit was in de onderhavige situatie ook het geval. Destijds werden de containers daarna nogmaals, dit keer handmatig, gedesinfecteerd wanneer de containers op de vrachtwagen zijn opgeladen. Dat de toezichthouder heeft geconstateerd dat een medewerker van eiseres een container heeft schoongespoten, zonder dat reeds vijf minuten waren verstreken sinds de geautomatiseerde desinfectie, laat onverlet dat containers na handmatige reiniging nogmaals handmatig worden gedesinfecteerd, waarbij de inwerktijd in ieder geval wordt aangehouden, omdat na de handmatige desinfectie de containers niet meer worden afgespoeld. Daarnaast worden de containers, ondanks de niet-werkende desinfectieboog, later alsnog gedesinfecteerd wanneer deze op de vrachtwagen staan. Voorts voert eiseres aan dat de verplichting om containers zoals de onderhavige te reinigen en ontsmetten rechtstreeks volgt uit bijlage III, sectie II, hoofdstuk I, onder punt 3 van Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende de vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (Verordening 853/2004). Exploitanten hoeven normen die reeds uit de wetgeving volgen niet ook op te nemen in hun interne HACCP-procedures die zij op grond van artikel 5 van Verordening 852/2004 moeten invoeren en handhaven. Als wordt geconstateerd dat een container onvoldoende is gereinigd of ontsmet, dient verweerder daartegen handhavend op te treden op basis van de wettelijke norm en niet op basis van de interne HACCP-procedures. Op overtreding van de reinigings- en ontsmettingseisen uit Verordening 853/2004 staat ook een aanzienlijk lagere boete dan op overtreding van artikel 5 van Verordening 852/2004, aldus eiseres.


3.1.
De rechtbank overweegt dat allereerst in geschil is of eiseres de overtreding heeft begaan. Verweerder heeft erop gewezen dat eiseres in bezwaar de overtreding heeft erkend. Voor zover dit al van belang zou zijn in de beroepsprocedure, merkt de rechtbank op dat de mededeling van eiseres dat zij in de bezwaarprocedure de overtreding niet zal bestrijden, niet betekent dat eiseres het plegen van de overtreding ook erkent. De vraag dient dus te worden beantwoord of in voldoende mate vaststaat dat eiseres geen zorg droeg voor de uitvoering en handhaving van de HACCP-procedures, in het bijzonder de procedure ten aanzien van het reinigen en ontsmetten van de bij transport gebruikte voorzieningen. In het rapport van bevindingen lijkt het in dit verband om twee verschillende punten te gaan, namelijk de constatering dat de desinfectieboog niet werkte en de truck met aanhanger stond geregistreerd als ‘vrijgeven’ en de constatering dat een medewerker direct na de desinfectieboog de containers afspoot en de inwerktijd van het ontsmettingsmiddel niet is aangehouden. In het voornemen en het primaire besluit wordt niet benoemd om welke van deze twee punten het gaat of dat de boete vanwege beide punten wordt opgelegd. Vervolgens wordt in het bestreden besluit (pagina 2 bovenaan) alleen overwogen dat eiseres de overtreding heeft begaan doordat de vrachtwagen niet met een ontsmettingsmiddel is ontsmet. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd aangegeven dat niet geheel duidelijk is of het alleen om de vrachtwagen of ook om de containers ging, maar dat het gaat om het niet naleven van de HACCP-procedure, namelijk om het verwijt dat niet juist met het desinfectiemiddel is omgegaan. Het is de rechtbank met het rapport van bevindingen, het voornemen, het primaire en bestreden besluit en de toelichting ter zitting niet duidelijk geworden welke gedraging nu precies tot de overtreding heeft geleid en welke interne procedure van eiseres precies daarbij niet zou zijn nageleefd. De vaststelling dat er niet (juist) is ontsmet is te vaag en vraagt een nadere concretisering die in dit geval is uitgebleven. Daar komt bij dat eiseres stelt dat naderhand nog ontsmetting plaatsvindt, waarop verweerder ter zitting heeft gesteld dat als dit het geval was geweest er wel aan de HACCP-procedure van eiseres zou zijn voldaan, maar dat uit het rapport van bevindingen blijkt dat dit kennelijk niet is gebeurd. In het rapport van bevindingen is echter alleen geconstateerd dat de desinfectieboog niet werkte en een truck was vrijgegeven en dat direct na de desinfectieboog containers werden afgespoten. Er is in het rapport niet expliciet vastgesteld dat de truck en containers nog verontreinigd waren en/of uiteindelijk niet zijn ontsmet.



3.2.
Gelet op het voorgaande is onvoldoende duidelijk geworden op basis waarvan kan worden geconcludeerd dat eiseres geen zorg droeg voor de uitvoering en handhaving van haar HACCP-procedure. Daarbij merkt de rechtbank op dat verweerder er expliciet voor heeft gekozen om eiseres te beboeten voor het niet naleven van haar eigen HACCP-procedures en niet voor het niet naleven van de voorschriften voor reiniging en ontsmetting in Verordening 853/2004. Het is dan ook aan verweerder om te onderbouwen welk voorschrift uit de HACCP-procedures van eiseres precies is overtreden en middels welke gedraging. Juist de overtreding van een niet wettelijk vastgelegd voorschrift, van een voorschrift dat door het bedrijf zelf is opgesteld, vraagt een goede en concrete onderbouwing door verweerder. Dit geldt des te meer nu verweerder in het bestreden besluit erop heeft gewezen dat overtreding van de eigen HACCP-procedures door de wetgever bewust in een zwaardere boetecategorie is ondergebracht dan de overtreding van wettelijke voorschriften inzake de voedselveiligheid en daarmee het belang van de naleving van de HACCP-procedures heeft benadrukt.



3.5.
Nu niet in voldoende mate vast staat dat eiseres de overtreding heeft begaan, moet worden geconcludeerd dat de boete ten onrechte is opgelegd. Aan de overige beroepsgronden komt de rechtbank niet meer toe.

4. Het beroep is dus gegrond en het bestreden besluit moet worden vernietigd. Voorts zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien en het primaire besluit herroepen. Dit betekent dat de boete vervalt.

5. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

6. Daarnaast ziet de rechtbank in de gegrondverklaring van het beroep aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.536,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512,- en wegingsfactor 1).





Beslissing

De rechtbank:


verklaart het beroep gegrond;


vernietigt het bestreden besluit;


herroept het primaire besluit;


bepaalt dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht van € 354,- vergoedt;


veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.536,-.



Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Flikweert, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.L. van der Duijn Schouten, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op
25 september 2019.







griffier rechter


Afschrift verzonden aan partijen op:




Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.
Link naar deze uitspraak