Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Peter Houtsma)
ECLI:NL:RBROT:2020:2370 
 
Datum uitspraak:20-03-2020
Datum gepubliceerd:25-03-2020
Instantie:Rechtbank Rotterdam
Zaaknummers:ROT 19/4927
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Boete op grond van Verordening 142/2011 voor niet schone container. De rechtbank oordeelt dat in voldoende mate vaststaat dat de container niet schoon was. De toezichthouder beschrijft in het rapport dat zich in en op de container nog resten dierlijke bijproducten bevonden, namelijk veren en andere resten. Weliswaar is niet geheel duidelijk wat die andere resten waren, maar ook de enkele aanwezigheid van veren rechtvaardigt de conclusie dat de container niet schoon was in de zin van Verordening 142/2011. Ook als het slechts zou gaan om enkele droge veren, zoals eiseres stelt, is er voldoende grond voor deze conclusie. Veren zijn dierlijke bijproducten, namelijk categorie 3-materiaal, zoals volgt uit artikel 10 van Verordening 1069/2009, waar Verordening 142/2011 een uitwerking van is. Uit overweging 1 en 2 van de preambule van Verordening 1069/2009 volgt dat dierlijke bijproducten een risico vormen voor de volksgezondheid, de diergezondheid en het milieu. Ook bij een beperkt aantal is dat risico aan de orde. Derhalve valt niet in te zien dat een container met één of twee droge veren als ‘schoon’ in de zin van Verordening 142/2011 kan worden aangemerkt. Dat eiseres, zoals gesteld, in die container alleen maar veren vervoert, doet allereerst niet af aan de conclusie dat de container niet schoon was. Maar het leidt evenmin tot de conclusie dat er geen risico voor de volksgezondheid, diergezondheid of milieu was. Zoals verweerder ter zitting heeft toegelicht kan versleping plaatsvinden; als er nog een restant van de veren van de ene lading aanwezig is in de container waar een volgende lading veren terecht komt kan een eventuele besmetting op de veren van de eerste lading zich verspreiden over de volgende lading veren. Naar het oordeel van de rechtbank staat eveneens in voldoende mate vast dat de container niet schoon was ‘voor gebruik’. Dat de toezichthouder dit alleen kan vaststellen op het moment dat de container opnieuw wordt gebruikt, namelijk opnieuw wordt geladen, volgt de rechtbank niet. In dit geval is de constatering door de toezichthouder gedaan op het moment dat de container was gelost en gereinigd en ontsmet en vervolgens de weg op was gegaan. Daaruit heeft de toezichthouder mogen afleiden dat de reiniging van de container klaar was en dat de container in deze staat opnieuw zou worden gebruikt. Eiseres heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat het in dit geval anders was.
Trefwoorden:landbouw
landbouw, natuur en voedselkwaliteit
pluimvee
 
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 19/4927

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 maart 2020 in de zaak tussen


[eiseres] , te [plaats] , eiseres,
gemachtigde: mr. P.M.J. de Goede,

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,
gemachtigde: drs. ing. H.D. Strookman.




Procesverloop

Bij besluit van 10 augustus 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres een boete opgelegd van € 5.000,- vanwege een overtreding van de Wet dieren.

Bij besluit van 28 augustus 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard en aan eiseres een dwangsom toegekend van € 1.442,-.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2020. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, bijgestaan door [naam] , directeur. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.




Overwegingen

1. In deze zaak zijn de volgende Europese verordeningen relevant: Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002 (hierna: Verordening 1069/2009) en de ter uitvoering van deze verordening opgestelde Verordening (EU) nr. 142/2011 van de Commissie van 25 februari 2011 tot uitvoering van Verordening 1069/2009 en tot uitvoering van Richtlijn 97/78/EG van de Raad wat betreft bepaalde monsters en producten die vrijgesteld zijn van veterinaire controles aan de grens krachtens die richtlijn (hierna: Verordening 142/2011).

2. Verweerder heeft aan eiseres een boete opgelegd voor het volgende beboetbare feit:
“De exploitant zag er niet op toe dat dierlijke bijproducten voldeden aan de eisen inzake vervoer van bijlage VIII van de Verordening 142/2011. De exploitant die dierlijke bijproducten of afgeleide producten vervoerde zag er niet op toe dat er gebruik werd gemaakt van een schoon en droog recipiënt.” Volgens verweerder heeft eiseres daarmee een overtreding begaan van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 3.3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling dierlijke producten, met artikel 17, eerste lid en bijlage VIII, hoofdstuk I, afdeling 1, onder punt 2, van Verordening 142/2011 en met artikel 21, eerste lid, van Verordening 1069/2009.

3. Verweerder heeft zijn besluit gebaseerd op het rapport van bevindingen dat op 7 november 2017 is opgemaakt door een toezichthouder van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). De toezichthouder beschrijft in het rapport onder meer het volgende:
“ Ik, toezichthouder [naam] , zag dat het vervoermiddel was voorzien van de Nederlandse kentekens [kenteken] (truck) en [kenteken] (aanhanger), met respectievelijk de containernummers [nummer] en [nummer] , hierna te noemen vervoermiddel. Ik, toezichthouder [naam] , sprak, nadat ik mij had gelegitimeerd als toezichthouder van de NVWA en het doel van de controle, had meegedeeld, een mannelijk persoon die zich voorstelde als [naam chauffeur] , chauffeur van voornoemd vervoermiddel aan. Op mijn verzoek verschafte [naam chauffeur] mij toegang tot de laadruimte van het vervoermiddel. Ik liep naar het vervoermiddel teneinde een controle uit te voeren en zag dat de containers leeg waren en bestemd waren voor het vervoeren van cat.3-materiaal. Ik zag dat in en op de lege container, met het nummer [nummer] , zich nog resten dierlijke bijproducten bevonden, namelijk veren en andere resten. Ik zag dat de resten vermoedelijk ook afkomstig waren van pluimvee. Ik stelde vast dat de containers vuil waren. Dit werd door de chauffeur, [naam chauffeur] , bevestigd. Ik zag dat tijdens het verzamelen/opslag/vervoer geen gebruik werd gemaakt van afgesloten/ lekvrije/ schone en droge recipiënten of voertuigen voor de opslag/verzamelen/vervoer van dierlijke bijproducten of afgeleide producten, ter voorkoming van risico’s voor de volksgezondheid en de diergezondheid, als omschreven in voornoemde verordeningen.” Vervolgens beschrijft de toezichthouder dat hij ter plaatse de chauffeur van het vervoermiddel heeft gehoord en dat die heeft verklaard: “Ik heb geen verklaring.” en dat hij op 3 november 2017 [naam] , als gemachtigde en vertegenwoordiger van eiseres, heeft gehoord en dat die heeft verklaard: “Ik wil als verklaring graag verwijzen naar een WhatsApp die naar iedere werknemer is gestuurd.”
In het rapport is een weergave van een Whatsapp bericht opgenomen dat op 30 oktober 2017 naar alle werknemers is verzonden met de tekst: “Allemaal. Ik lees in de overzichten dat er containers bijzitten die echt heel smerig zijn. Let aub op en ik kan het niet vaak genoeg zeggen als ze je aanhouden met een smerige container dan kost je dat heel veel geld. Laten we er samen opletten want niemand heeft wat aan die narigheid. NOOIT gaan rijden met een smerige container vraag staat ook in de boordcomputer. Dank jullie wel. Gr [naam]”
Bij het rapport van bevindingen zijn vier foto’s gevoegd.

4. Eiseres voert aan dat de container schoon en droog was. Uit de foto’s bij het rapport van bevindingen blijkt dat sprake was van droge veren en dus een droge container en de enkele aanwezigheid van enkele veren kan niet de conclusie dragen dat de container niet schoon was. De container is namelijk bij het vertrekpunt door gespecialiseerd personeel vakkundig gereinigd en gedroogd volgens de normen van de NVWA. De aanslag die op de foto’s is te zien is normaal bij deze containers en wordt niet gezien als vuil. Daarnaast stelt verweerder ten onrechte dat de containers vervuild waren op het moment dat ze in gebruik werden genomen aangezien er met lege containers werd gereden die pas bij de volgende bestemming in gebruik zouden worden genomen. Voorts stelt verweerder ten onrechte dat er een risico op versleping was; de enkele aanwezigheid van enkele veren nadat de container volgens de NVWA-normen is gereinigd en ontsmet is daarvoor onvoldoende. Daarnaast betwist eiseres dat sprake was van ‘andere resten’ in de container; verweerder verschaft geen duidelijkheid wat voor resten dit zouden zijn geweest. Ook voert eiseres aan dat zij erop mocht vertrouwen dat de containers waren gereinigd en ontsmet volgens de eisen van de NVWA, aangezien de containers vakkundig zijn gereinigd door gespecialiseerd personeel in een NVWA-erkende wasstraat waar minstens vier keer per jaar medewerkers van de NVWA aanwezig zijn voor controle. Die NVWA-medewerkers hebben nooit eerder aangegeven dat de methode of het resultaat van de reiniging niet afdoende zou zijn. Eiseres kan dan ook niet worden verweten dat andere NVWA-medewerkers later containers in dezelfde staat wel als een overtreding beschouwen. Nu bij eiseres elke schuld ontbreekt mocht verweerder geen boete opleggen, aldus eiseres.


4.1.
Volgens verweerder heeft eiseres punt 2 van bijlage VIII, hoofdstuk I, afdeling 1, van Verordening 142/2011 overtreden. Daarin staat:
Voertuigen en recipiënten die opnieuw gebruikt kunnen worden en alle opnieuw te gebruiken uitrusting of apparatuur die in contact komen met andere dierlijke bijproducten of afgeleide producten dan afgeleide producten die in de handel worden gebracht overeenkomstig Verordening (EG) nr. 767/2009 en die worden opgeslagen en vervoerd overeenkomstig bijlage II bij Verordening (EG) nr. 183/2005, moeten schoon worden gehouden. Tenzij zij bestemd zijn voor het vervoeren van bijzondere dierlijke bijproducten of afgeleide producten op zodanige wijze dat er geen gevaar voor versleping bestaat, moeten zij met name:
a) schoon en droog zijn voor gebruik, en
b) voor zover nodig na elk gebruik gereinigd, gespoeld en/of ontsmet te worden om versleping te voorkomen.
In het boetebesluit is in de beschrijving van het beboetbare feit opgenomen: “De exploitant die dierlijke bijproducten of afgeleide producten vervoerde zag er niet op toe dat er gebruik werd gemaakt van een schoon en droog recipiënt.” De rechtbank leidt hieruit af dat volgens verweerder onderdeel a van punt 2 is overtreden. Ter zitting heeft verweerder ook bevestigd dat alleen onderdeel a aan de orde is. De gronden die zien op onderdeel b van punt 2 behoeven dan ook geen bespreking.



4.2.
Naar het oordeel van de rechtbank staat in voldoende mate vast dat de container niet schoon was. De toezichthouder beschrijft in het rapport dat zich in en op de container nog resten dierlijke bijproducten bevonden, namelijk veren en andere resten. Weliswaar is niet geheel duidelijk wat die andere resten waren, maar ook de enkele aanwezigheid van veren rechtvaardigt de conclusie dat de container niet schoon was in de zin van Verordening 142/2011. Ook als het slechts zou gaan om enkele droge veren, zoals eiseres stelt, is er voldoende grond voor deze conclusie. Veren zijn dierlijke bijproducten, namelijk categorie 3-materiaal, zoals volgt uit artikel 10 van Verordening 1069/2009, waar Verordening 142/2011 een uitwerking van is. Uit overweging 1 en 2 van de preambule van Verordening 1069/2009 volgt dat dierlijke bijproducten een risico vormen voor de volksgezondheid, de diergezondheid en het milieu. Ook bij een beperkt aantal is dat risico aan de orde. Derhalve valt niet in te zien dat een container met één of twee droge veren als ‘schoon’ in de zin van Verordening 142/2011 kan worden aangemerkt. Dat eiseres, zoals gesteld, in die container alleen maar veren vervoert, doet allereerst niet af aan de conclusie dat de container niet schoon was. Maar het leidt evenmin tot de conclusie dat er geen risico voor de volksgezondheid, diergezondheid of milieu was. Zoals verweerder ter zitting heeft toegelicht kan versleping plaatsvinden; als er nog een restant van de veren van de ene lading aanwezig is in de container waar een volgende lading veren terecht komt kan een eventuele besmetting op de veren van de eerste lading zich verspreiden over de volgende lading veren.


4.3.
Naar het oordeel van de rechtbank staat eveneens in voldoende mate vast dat de container niet schoon was ‘voor gebruik’. Dat de toezichthouder dit alleen kan vaststellen op het moment dat de container opnieuw wordt gebruikt, namelijk opnieuw wordt geladen, volgt de rechtbank niet. In dit geval is de constatering door de toezichthouder gedaan op het moment dat de container was gelost en gereinigd en ontsmet en vervolgens de weg op was gegaan. Daaruit heeft de toezichthouder mogen afleiden dat de reiniging van de container klaar was en dat de container in deze staat opnieuw zou worden gebruikt. Eiseres heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat het in dit geval anders was. Zij heeft alleen ter zitting naar voren gebracht dat er naast de reguliere reiniging na een aantal keer nog een extra reiniging op een andere plek plaatsvindt, maar gesteld noch onderbouwd dat de betreffende container op weg was naar die extra reiniging en dus niet bedoeld was opnieuw te worden gebruikt.



4.4.
De stelling dat NVWA-medewerkers bij controle van de wasstraat geen problemen hebben geconstateerd, kan niet afdoen aan de constateringen van de toezichthouder in dit concrete geval. Ook indien NVWA-medewerkers bij een controle van de wasstraat hebben geconcludeerd dat de reiniging op juiste wijze plaatsvindt, heeft dit slecht betrekking op de reiniging op dat moment en is daarmee niet uitgesloten dat op andere momenten de reiniging toch onvoldoende gebeurt. Daarbij merkt de rechtbank op dat uit het rapport van bevindingen volgt dat eiseres al vijf maal eerder is gewaarschuwd en eenmaal ook een boete is opgelegd voor eenzelfde overtreding. Dat eiseres gebruik maakt van door de NVWA erkende wasstraten doet bovendien niet af aan haar eigen verantwoordelijkheid als exploitant die dierlijke bijproducten vervoert om bij het vervoer te voldoen aan de voorschriften van Verordening 142/2011 en dus na iedere reiniging te controleren of containers schoon en droog zijn alvorens weer de weg op te gaan voor een volgend gebruik van de containers.



4.5.
Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat verweerder terecht heeft vastgesteld dat eiseres de overtreding heeft begaan en dat de overtreding eiseres kan worden verweten. Verweerder was dus bevoegd de boete aan eiseres op te leggen.

5. Eiseres voert aan dat de boete te hoog is. Er is geen enkele aanwijzing dat er sprake zou zijn van een risico voor de volks- en diergezondheid. Verweerder had de boete dan ook moeten halveren. Daarnaast heeft verweerder de opgelegde boete ten onrechte niet onderworpen aan de redelijkheidstoets van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De opgelegde boete staat niet in redelijke verhouding tot de ernst, te weten slechts de aanwezigheid van enkele veren in de grote container, en de verwijtbaarheid van de overtreding. Eiseres heeft zich gehouden aan de normen van de NVWA nu NVWA-medewerkers deze staat van containers na reiniging goedkeurden, aldus eiseres.



5.1.
De rechtbank overweegt dat de wetgever reeds een afweging heeft gemaakt welke boete bij een bepaalde overtreding evenredig moet worden geacht. Daarbij verwijst de rechtbank naar rechtsoverwegingen 8.1 en 8.2 in haar uitspraak van de meervoudige kamer van 29 november 2018 (ECLI:NL:2018:9782). Het met Verordening 142/2011 en Verordening 1069/2009 gediende doel - bescherming van de volksgezondheid, de diergezondheid en het milieu - staat voorop. De hoogte van de boete die geldt bij een overtreding als hier aan de orde (€ 2.500,-) acht de rechtbank als zodanig niet onredelijk. Voorts heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank geen bijzondere omstandigheden gesteld op grond waarvan verweerder het boetebedrag had dienen te matigen. Dat sprake was van slechts enkele veren en dat eiseres gebruik maakte van een NVWA erkende wasstraat vormt geen reden tot matiging, mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen. Voorts heeft verweerder terecht geen aanleiding gezien om het boetebedrag te halveren op grond van artikel 2.3, aanhef en onder a, van Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren, nu er wel degelijk sprake is van een risico voor de volksgezondheid, diergezondheid of het milieu, zoals hiervoor is overwogen. Voorts stelt de rechtbank vast dat eiseres geen gronden heeft gericht tegen de verhoging van het boetebedrag vanwege recidive.

6. Het beroep is dus ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.





Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Flikweert, rechter, in aanwezigheid van mr. A.L. van der Duijn Schouten, griffier. De uitspraak is gedaan op 20 maart 2020 en openbaar gemaakt door middel van publicatie op www.rechtspraak.nl.



de griffier is buiten staat


de uitspraak te ondertekenen



griffier rechter


Afschrift verzonden aan partijen op:





Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.
Link naar deze uitspraak