Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Peter Houtsma)
ECLI:NL:RBZWB:2020:2565 
 
Datum uitspraak:16-06-2020
Datum gepubliceerd:29-06-2020
Instantie:Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zaaknummers:AWB- 19_4316
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:AWB- 19_4316
Trefwoorden:tuinbouw
uitkering
 
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/4316 ZW

uitspraak van 16 juni 2020 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen


[eiser], te [plaatsnaam], eiser,
gemachtigde: mr. M.J.M. Sanders,

en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Eindhoven), verweerder.




Procesverloop
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 12 juli 2019 (bestreden besluit) van het UWV inzake zijn aanspraak op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 15 januari 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het UWV heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.H.C. de Bruijn. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Op 16 januari 2020 heeft de rechtbank het onderzoek heropend om nadere vragen te stellen aan het UWV.

Het UWV heeft bij brief van 17 februari 2020 op deze vragen geantwoord. Eiser heeft daarop gereageerd.

Bij brief van 31 maart 2020 heeft de rechtbank partijen gevraagd of zij een nadere zitting wensen. Partijen hebben laten weten dat zij geen gebruik wensen te maken van een nadere zitting. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens op 26 mei 2020 gesloten.



Overwegingen
1. Feiten en omstandigheden

Eiser is werkzaam geweest als [functie]. Tijdens een periode van werkloosheid heeft eiser zich op 20 december 2017 ziek gemeld vanwege klachten aan de linkerschouder.

Het UWV heeft bij besluit van 1 februari 2018 aan eiser met ingang van 5 februari 2018 een ZW-uitkering toegekend.

Bij besluit van 18 december 2018 (primair besluit) heeft het UWV na een zogeheten eerstejaarsbeoordeling de ZW-uitkering beëindigd met ingang van 20 januari 2019.

Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

2. Omvang geschil

In geschil is of het UWV terecht de ZW-uitkering van eiser heeft beëindigd per
20 januari 2019.

3. Wettelijk kader

De verzekerde die ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek heeft recht op ziekengeld (artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW).

Naar vaste rechtspraak wordt onder het begrip ‘zijn arbeid’ verstaan de arbeid die de verzekerde het laatst voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid heeft verricht.

Als een verzekerde geen werkgever (meer) heeft en 52 weken arbeidsongeschikt is geweest heeft deze recht op ziekengeld als hij:
- ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid, als bedoeld in artikel 19 én
- slechts in staat is ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur met algemeen geaccepteerde arbeid waartoe hij met zijn krachten en bekwaamheden in staat is (artikel 19aa, eerste lid, en artikel 19ab, derde lid, van de ZW).

De mate van arbeidsongeschiktheid wordt vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek (artikel 19ab, eerste lid, van de ZW).

4. Toetsingskader

Niet in geschil is dat eiser 52 weken arbeidsongeschikt is geweest. Dit betekent dat het UWV terecht ook heeft beoordeeld of eiser in staat is met algemeen geaccepteerde arbeid meer dan 65% van zijn maatmaninkomen te verdienen. Bij een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35% bestaat er geen recht meer op een ZW-uitkering.

5. Medische beoordeling

Het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de medische beoordeling, is gebaseerd op rapportages van arts [arts], getoetst en akkoord bevonden door een verzekeringsarts, en een verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b) van het UWV.

De arts heeft eiser gezien op het spreekuur, hem lichamelijk en psychisch onderzocht en dossieronderzoek verricht. De arts rapporteert dat eiser is uitgevallen met locomotore klachten en is aangewezen op werkzaamheden waarbij zijn linker dominante zijde (schouder/arm) wordt ontzien. Bij de eigen bevindingen worden door de arts forse bewegingsbeperkingen waargenomen. De beperkingen en de belastbaarheid van eiser zijn neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 25 november 2018.

De verzekeringsarts b&b heeft eiser gezien op de hoorzitting en dossieronderzoek verricht, waarbij ook de medische informatie van orthopedisch chirurg [chirurg] van 28 november 2018 is betrokken. De verzekeringsarts b&b rapporteert dat hij geen reden ziet om het onderzoek van de primaire arts onzorgvuldig te achten of om af te wijken van zijn conclusies. Recente informatie van de curatieve sector geeft de verzekeringsarts b&b geen reden om eisers belastbaarheid te wijzigen. Kijkend naar de diagnose, het ontbreken van behandeling op en rond datum in geding, de onderzoeksbevindingen in combinatie met de tijdens de hoorzitting en in bezwaar naar voren gebrachte informatie is de verzekeringsarts b&b van mening dat de vertaling van eisers klachten naar beperkingen adequaat en volledig is. Mede op basis van de informatie van de chirurg is het volgens de verzekeringsarts b&b duidelijk dat eiser beperkt is in het belasten van linkerarm en -schouder, waarbij hij met name beperkt is in kracht zetten met links en werken boven schouderhoogte links. De orthopeed geeft ook aan dat werken boven schouderhoogte beperkt is. Omdat eiser pijnklachten krijgt bij abductie vanaf 60 graden is een bij deze problematiek passende beperking aangenomen ten aanzien van frequent reiken verder dan 50 cm. Rechts is deze handeling normaal waardoor een lichte beperking volstaat. Omdat eiser met betrekking tot het gebruik van de rechterschouder en -arm niet beperkt is, is hij niet beperkt in duwen en trekken (tot de norm). De beperkingen ten aanzien van tillen, dragen en frequent lichte voorwerpen hanteren, passen bij medisch geobjectiveerde schouderproblematiek. Als met deze beperkingen rekening wordt gehouden wordt overbelasting van de linkerschouder voorkomen en krijgt eiser voldoende mogelijkheid om verder te herstellen. Bij beeldvormend onderzoek bij de chirurg in januari 2019 zijn geen afwijkingen naar voren gekomen, anders dan op basis van het medisch beeld verwacht kon worden. Eiser mag doorgaan met oefenen en hoeft niet terug voor controle. De operatie waarmee eiser rekening hield is niet geïndiceerd en dus niet aan de orde. De verzekeringsarts b&b ziet daarom geen reden de FML te wijzigen.


5.2

Beroepsgronden tegen de medische beoordeling


Eiser heeft tegen het medisch oordeel van het UWV aangevoerd dat de klachten aan zijn linkerschouder en -arm fors zijn onderschat. Door een val in de badkamer heeft eiser de spieren en pezen van de cuff van de linkerschouder afgescheurd. Hij is hieraan reeds tweemaal geopereerd. Als gevolg daarvan is eiser zeer beperkt in het gebruik van zijn linkerschouder en -arm. Hij heeft weinig kracht en kan zijn arm niet boven de 1,5 meter heffen. Bovendien zijn eisers arm en schouder zeer pijnlijk wanneer hij zijn arm beweegt. Hierdoor kan hij onder meer niet lang autorijden en niet fietsen. Door de (pijn)klachten aan zijn linkerschouder en -arm slaapt eiser slecht. Daarnaast heeft hij klachten aan de vingers van zijn linkerhand. Eiser stelt dat in de FML verdergaande beperkingen gesteld hadden moeten worden, zoals ten aanzien van werken met toetsenbord en muis, reiken, tillen, zware lasten hanteren en boven schouder werken.



5.3

Oordeel van de rechtbank over de medische beoordeling


De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Uit de rapportages van de (verzekerings)artsen blijkt dat zij op de hoogte waren van de door eiser gestelde klachten, waaronder de (pijn)klachten aan linkerschouder en -arm en dat hij deze arm niet goed kan optillen. De primaire arts vermeldt namelijk: ‘Linker schouder: Elevatie en abductie actief tot 90 graden’. En de verzekeringsarts b&b vermeldt: ‘Omdat belanghebbende pijnklachten krijgt bij abductie vanaf 60 graden, is een bij deze problematiek passende beperking aangenomen ten aanzien van frequent reiken, verder dan 50 cm.’ De (verzekerings)artsen hebben naar die klachten onderzoek gedaan. Zij hebben eiser gezien en dossieronderzoek verricht. De primaire arts heeft eiser lichamelijk en psychisch onderzocht. De verzekeringsarts b&b heeft medische informatie van eisers behandelaar in zijn onderzoek betrokken. Daarmee is het medisch onderzoek naar het oordeel van de rechtbank zorgvuldig verricht. De rechtbank ziet verder geen aanleiding voor het oordeel dat de (verzekerings)artsen de belastbaarheid van eiser niet juist hebben vastgesteld (in de FML).

Eiser heeft gesteld dat de (verzekerings)artsen zijn beperkingen hebben onderschat. Hij heeft echter geen medische stukken overgelegd die dat standpunt onderbouwen en die doen twijfelen aan de belastbaarheid die de (verzekerings)artsen hebben aangenomen.

Nu naar het oordeel van de rechtbank niet is gebleken dat in de FML van 25 november 2018 de beperkingen van eiser zijn onderschat, gaat zij voor de verdere beoordeling uit van de belastbaarheid die is neergelegd in die FML.

6. Geschiktheid voor de functies



6.1
Een arbeidsdeskundige van het UWV heeft, rekening houdend met de vastgestelde FML de volgende functies ten grondslag gelegd aan de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid: productiemedewerker textiel (Sbc-code 272043), administratief ondersteunend medewerker (Sbc-code 315100) en medewerker tuinbouw (Sbc-code 242030).

Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep (arbeidsdeskundige b&b) heeft de door de arbeidsdeskundige geduide functies beoordeeld op geschiktheid. De arbeidsdeskundige b&b acht de functie productiemedewerker textiel (Sbc-code 272043) niet geschikt voor eiser vanwege de belasting op schroefbewegingen. Voorts heeft de arbeidsdeskundige b&b één van de functies binnen Sbc-code 315100 laten vervallen vanwege de opleidingseisen. De arbeidsdeskundige b&b acht eiser geschikt voor de volgende functies, die hij ten grondslag heeft gelegd aan de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid: administratief medewerker (Sbc-code 315100), teeltmedewerker (Sbc-code 242030) en medewerker quality control (Sbc-code 267060).



6.2

Beroepsgronden tegen de functieduiding


Eiser heeft gesteld dat hij door zijn klachten en beperkingen niet in staat is om de geduide functies te verrichten. Deze functies zijn voor hem ongeschikt omdat hij langdurig met toetsenbord en muis moet werken, ver en vaak moet reiken en boven de schouder actief moet zijn. Daarnaast is de functie medewerker quality control (Sbc-code 267060) niet geschikt omdat opleidingsniveau MBO niveau 2 wordt vereist en eiser slechts LEAO heeft.



6.3

Oordeel van de rechtbank over de functieduiding


De rechtbank ziet geen reden om te oordelen dat de voor eiser geselecteerde functies in medisch opzicht niet passend zijn. De rechtbank verwijst naar het rapport van de arbeidsdeskundige van 7 december 2018 en het rapport van de arbeidsdeskundige b&b van 11 juli 2019. Daarin is inzichtelijk gemotiveerd dat, uitgaande van de vastgestelde beperkingen, eiser de werkzaamheden kan verrichten die verbonden zijn aan deze functies. Eisers standpunt dat hij medisch gezien niet in staat is de geduide functies te verrichten, vloeit mede voort uit zijn opvatting dat zijn beperkingen zijn onderschat. Zoals de rechtbank in overweging 5.3 heeft geconcludeerd is die opvatting niet juist.

Eiser heeft verder aangevoerd dat de functie medewerker quality control (Sbc-code 267060) niet geschikt is voor hem vanwege de opleidingseisen. Voor deze functie geldt als opleidingseis ‘Niveau MBO niveau 2.’ Eiser betwist een MBO-opleiding te hebben.

De arbeidsdeskundige b&b heeft in reactie hierop aanvullend gerapporteerd dat eiser over een LEAO diploma beschikt en in de periode september 2014 tot en met november 2015 werkzaam is geweest als loodgieter. Zij merkt op dat thans geen specifieke opleiding tot loodgieter meer bestaat. Men kan nu kiezen voor een specialisatie Loodgieter in de regionale opleiding installatietechniek, bij een werkbedrijf in de leer gaan of cursussen volgen. Dit zijn opleidingen/cursussen op minimaal Niveau MBO niveau 2. Uit de rapportage van de primaire arbeidsdeskundige blijkt dat eiser de volgende taken als loodgieter verrichtte: ‘De voornaamste taken zijn het installeren en monteren van CV-ketels. Het op maat maken en aansluiten van pijpleidingen. Alle overige loodgieter taken.’ De arbeidsdeskundige b&b stelt dat voor zover eiser niet daadwerkelijk een opleiding/cursus tot loodgieter heeft gevolgd, hij wel gedurende een aanzienlijke periode werkzaamheden als loodgieter - en daarmee werkzaamheden op minimaal niveau MBO-2 - heeft verricht. Gelet op deze werkzaamheden is aannemelijk dat eiser over Niveau MBO niveau 2 beschikt en derhalve voldoet aan het opleidingsniveau.

Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep kan aan een gestelde opleidingseis worden voldaan door een combinatie van opleiding en opgebouwde werkervaring (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 12 maart 2014, ECLI:NL:CRVB: 2014:823 en 8 april 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:891).

De rechtbank acht door de arbeidsdeskundige b&b voldoende gemotiveerd dat eiser door een combinatie van opleiding en werkervaring een opleidingsniveau heeft dat ten minste gelijk is aan Niveau MBO niveau 2. Daarmee voldoet hij aan de opleidingseis van de functie medewerker quality control.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de door de arbeidsdeskundige b&b geduide functies mochten worden gebruikt voor de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid.

7. Mate van arbeidsongeschiktheid

Op basis van de inkomsten die eiser met de geduide functies zou kunnen verdienen, heeft het UWV een berekening gemaakt die leidt tot de conclusie dat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Omdat eiser tegen deze berekening geen gronden naar voren heeft gebracht, gaat de rechtbank uit van deze mate van arbeidsongeschiktheid.

Omdat pas recht bestaat op een ZW-uitkering bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 35% of meer, heeft het UWV de ZW-uitkering terecht beëindigd per 20 januari 2019.

Het beroep zal dan ook ongegrond worden verklaard.

8. Proceskosten

Omdat het beroep ongegrond wordt verklaard is er geen reden om een proceskostenveroordeling of een veroordeling tot schadevergoeding uit te spreken.




Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.Z.B. Sterk, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.D. Sebel, griffier, op 16 juni 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.




griffier rechter


Afschrift verzonden aan partijen op:




Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Link naar deze uitspraak