Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Peter Houtsma)
ECLI:NL:RBNNE:2020:4078 
 
Datum uitspraak:25-11-2020
Datum gepubliceerd:26-11-2020
Instantie:Rechtbank Noord-Nederland
Zaaknummers:C/19/102257/HA ZA 13-322
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Verdeling van een agrarisch bedrijf tussen twee broers. Deskundigen hebben onderzoek gedaan naar de maximale uitkoopsom aan de niet voortzettende vennoot (agrarische going-concern waarde). Omdat beide broers niet willen dat het bedrijf aan de ander wordt
Trefwoorden:agrarisch
bedrijfswoning
taxatie
 
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht
Locatie Assen


zaaknummer / rolnummer: C/19/102257 / HA ZA 13-322


Vonnis van 25 november 2020


in de zaak van



[eiser]
,
wonende te [woonplaats] ,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
advocaat mr. A.J. Boer te Doetinchem,

tegen



[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
advocaat mr. P. Stehouwer te Groningen.


Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.





1De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:


het tussenvonnis van 15 mei 2019, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd,


het deskundigenbericht van 10 juni 2020 met bijlagen,


de conclusie na deskundigenbericht van [eiser] van 2 september 2020 met acht producties,


de conclusie na deskundigenbericht van [gedaagde] van 2 september 2020,


de brief van de griffier aan partijen va 22 oktober 2020 over de gewijzigde samenstelling van de rechtbank,


de brief van mr. Stehouwer van 23 oktober 2020 waarin hij aangeeft geen behoefte te hebben aan een nadere mondelinge behandeling,


de brief van mr. Boer van 5 november 2020 met het verzoek om een nadere mondelinge behandeling.


de brief van de rechtbank van 16 november 2020 waarin het verzoek om een nadere mondelinge behandeling is afgewezen.





1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.





2De verdere beoordeling in conventie en in reconventie

2.1.
Aan de orde is de verdeling van het agrarisch bedrijf dat [eiser] en [gedaagde] van hun ouders hebben overgenomen. Hierover bestaat al een langlopende procedure. Bij vonnis van 22 april 2015 heeft de rechtbank de tussen partijen bestaande maatschap ontbonden waarna de heer [naam] , verbonden aan Alan Accountants en Adviseurs te Leek, als deskundige is benoemd om te beoordelen of splitsing van het bedrijf mogelijk is. Naar aanleiding van de kritiek van [eiser] en [gedaagde] op dat deskundigenbericht heeft de rechtbank besloten een "second opinion" in te winnen en bij vonnis van 15 februari 2017 de heer ing. L. Spijkman, verbonden aan Countus Accountants en Adviseurs, als deskundige benoemd. Na een comparitie van partijen op 28 januari 2019 is bij tussenvonnis van 15 mei 2019 een nader onderzoek bevolen, gezamenlijk uit te voeren door de reeds eerder benoemde deskundigen, de heer Van Alphen en de heer Spijkerman, ter beantwoording van de volgende drie vragen:


Hoeveel grond van de gezamenlijke onderneming kan maximaal worden verkocht en/of eventueel in erfpacht worden teruggenomen, waarbij een rendabele onderneming overblijft?


Wat is, uitgaande van beantwoording van vraag 1 en verkoop van deze gronden, de actuele agrarische going-concern waarde van de gezamenlijke onderneming?


Heeft u verdere opmerkingen die van belang zijn voor de beoordeling van deze zaak?



Bij vraag 1 heeft de rechtbank de deskundigen verzocht het bouwplan van de overblijvende onderneming niet gedetailleerd in te vullen en tevens het bedrijfsplan van [gedaagde] met de kritiek van [eiser] daarop in de beantwoording van deze vraag te betrekken. Bij vraag 2 heeft de rechtbank de deskundigen verzocht de eerdere waardering van de onderneming te betrekken en de door [gedaagde] overgelegde taxatie van Schelhaas Makelaardij B.V. van
7 januari 2019 daarvoor als uitgangspunt te nemen.



2.2.
Van Alphen en Spijkerman hebben in hun rapport van 10 juni 2020 bij de beantwoording van vraag 1 - kort gezegd - geconcludeerd dat er meerdere scenario's mogelijk zijn waarbij een nog juist lonende exploitatie overblijft. Er zijn op basis van een model 45 scenario's doorgerekend, waarbij steeds als vertrekpunt is genomen dat er sprake is van een liquiditeitsmarge van 5% van de bruto geldomzet. In het rapport zijn vervolgens vier scenario's uitgewerkt, met een uitkoopsom van respectievelijk € 3.000.000,00,
€ 3.250.000,00, € 3.500.000,00 en een (maximale) uitkoopsom van € 3.815.000,00 en in het scenario dat de meeste grond voor het bedrijf in gebruik blijft en er het minste wordt verkocht. Bij een uitkoopsom van € 3.000.000,00 zou dat neerkomen op de verkoop van 20 hectare grond, de omzetting van 60 hectare van de resterende hectares in erfpacht en 37,2 hectare huur. Dit komt volgens de deskundigen uiteindelijk neer op 176,7 hectare te betelen oppervlakte. Als een uitkoopsom van € 3.250.000,00 moet worden aangehouden, komt dit neer op de verkoop van 40 hectare grond, de omzetting van 40 hectare van de resterende grond in erfpacht en 32,2 hectare huur. Aldus resteert er in dat geval 153 hectare te betelen oppervlakte. In het derde scenario - een uitkoopsom van € 3.500.000,00 - dient er 60 hectare grond te worden verkocht, terwijl van de resterende grond 20 hectare wordt omgezet in erfpacht en 27,2 hectare huur. Dat levert uiteindelijk een te betelen oppervlakte van 129,2 hectare op. Bij een maximale uitkoopsom van € 3.815.000,00 is de rekensom aldus dat er 80 hectare wordt verkocht en 22,21 hectare wordt gehuurd. Dat levert per saldo een te betelen oppervlakte van 105,5 hectare op. Het is volgens de deskundigen aan de rechtbank en aan partijen om een keuze te maken in de scenario's. De agrarische going-concern waarde (vraag 2) is door de deskundigen vastgesteld op een bedrag van € 5.978.823,00. Daarbij is als uitgangspunt genomen de balans van het bedrijf zoals weergegeven in de concept jaarrekening 2017. De deskundigen achten het verstandig om op basis van de balans per 31 december 2018 de agrarische going-concern waarde te actualiseren. In paragraaf 6.3 hebben de deskundigen toegelicht (als antwoord op vraag 3) dat er bewust voor is gekozen om uit te gaan van de prestaties van het bedrijf in de jaren 2012 tot en met 2017 en vervolgens van een gemiddeld saldo, exclusief betalingsrechten en overige opbrengsten. Voorts is er door de deskundigen op gewezen dat voor zover de grond voor een hoger bedrag dan de aangenomen € 60.000,00 per hectare kan worden verkocht, de uitkoopsom en de agrarische going-concern waarde ook hoger worden.



2.3.

[eiser] komt in zijn conclusie na deskundigenbericht - samengevat - tot de conclusie dat het rapport van de deskundigen niet gebruikt mag worden omdat de werkinstructie van de rechtbank om het bouwplan niet gedetailleerd in te vullen van invloed is geweest op de berekeningen waardoor er een diffuus beeld is ontstaan over de financiering. Door de werkinstructie hebben de deskundigen volgens [eiser] arbitraire keuzes moeten maken en bevat het rapport inconsistenties. Ook op andere punten heeft [eiser] inhoudelijke kritiek op het rapport. Voor het geval de rechtbank van mening mocht zijn dat het deskundigenrapport wel ten grondslag kan worden gelegd aan de beslissing, is [eiser] van mening dat op de berekeningen een aantal correcties moet plaatsvinden. [eiser] verzoekt de rechtbank er verder rekening mee te houden dat [gedaagde] op 20 januari 2020 in strijd met het incidenteel vonnis van 6 maart 2019 zonder overleg een bedrag van € 100.000,00 heeft opgenomen. [eiser] concludeert dat het rapport ondeugdelijk is, onder meer omdat feitelijk in strijd met de opdracht van de rechtbank (om niet uit te gaan van een gedetailleerd bouwplan) is gehandeld, en verder dat het rapport rept van 20 scenario's die niet cijfermatig zijn onderbouwd en een dergelijk groot aantal scenario's dermate vaag is dat de vraag (vraag 1) niet is beantwoord. Volgens [eiser] dient een en ander te worden besproken tijdens een comparitie.



2.4.

[gedaagde] heeft in zijn conclusie na deskundigenbericht - samengevat - voorgesteld om een bedrag van € 4.000.000,00 aan [eiser] te betalen, waarbij alle activa en passiva aan hem ( [gedaagde] ) worden toegescheiden en de geldmiddelen worden verdeeld overeenkomstig het bepaalde in randnummer 13 van zijn conclusie en gefinancierd overeenkomstig het bepaalde in randnummer 24 van zijn conclusie. Volgens [gedaagde] doet dat voorstel recht aan de belangen van partijen en als de rechtbank dit voorstel overneemt, behoeft het deskundigenbericht geen bespreking. Als de rechtbank het voorstel van [gedaagde] niet overneemt, kan hij er ook mee akkoord gaan dat het bedrijf wordt geliquideerd en alle activa te gelde worden gemaakt. [gedaagde] heeft op onderdelen punten van kritiek geleverd op het deskundigenrapport van de deskundigen, maar vindt dat het in de basis een doorwrocht stuk is. Voor het geval de rechtbank het deskundigenrapport als uitgangspunt wil nemen, dient wat [gedaagde] betreft uitgegaan te worden van scenario IV van de deskundigen, nu zijn voorstel daartoe ook strekt, met toedeling aan [gedaagde] conform diens voorstel.



2.5.
De rechtbank overweegt dat uit het partijdebat blijkt dat de hamvraag nog steeds is aan wie van de broers het bedrijf zou moeten worden toebedeeld. Beide broers willen graag boer blijven en het bedrijf van hun ouders voortzetten. Zij vorderen ook beiden - in conventie dan wel reconventie en al dan niet subsidiair - toedeling van de activa (en passiva) aan zichzelf. De rechtbank overweegt dat beide broers in beginsel evenveel recht hebben op voortzetting van het bedrijf. Zoals overwogen in het tussenvonnis van 12 september 2018 hebben beide broers een gelijk aandeel in het bedrijf en hebben zij beiden een groot persoonlijk belang bij toedeling. De rechtbank heeft in genoemd tussenvonnis overwogen of het bedrijf aan een derde kan worden verkocht, maar heeft uiteindelijk geoordeeld dat het bedrijf aan één van partijen zal moeten worden toegewezen en voorshands daarvoor [eiser] aangewezen. Van belang daarbij is geacht dat [eiser] met zijn gezin in de bedrijfswoning woont en [gedaagde] gezien zijn vooropleiding beter in staat lijkt te zijn een andere werkkring te vinden.



2.6.
Wat de rechtbank opvalt, is dat [eiser] veel bezwaren heeft tegen de bedragen die de deskundigen hebben voorgesteld voor een uittreedsom. [eiser] is bevreesd dat hij, bij toebedeling van het bedrijf aan hem overeenkomstig de voorstellen van de deskundigen, het bedrijf niet op een rendabele wijze kan voortzetten. [eiser] heeft geen concreet voorstel gedaan voor overname. Zijn vordering in conventie strekt (nog steeds) tot toedeling van de activa aan hem tegen een overbedelingssom aan [gedaagde] van € 400.000,00. Een ander concreet aanbod is ondanks de mondelinge behandeling waarbij dat ter sprake is geweest en alle ingewonnen adviezen van deskundigen, niet gedaan. [gedaagde] daarentegen komt wel met een concreet aanbod waarin nagenoeg het tienvoudige aan [eiser] wordt aangeboden. Ook ten tijde van de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] een voorstel gedaan. Dit maakt dat de rechtbank aanleiding ziet tot heroverweging van haar (voorlopige) oordeel in het tussenvonnis van 12 september 2018 om het bedrijf aan [eiser] toe te delen. De rechtbank merkt daarbij op dat in het tussenvonnis nog geen bindende eindbeslissing op dit punt was genomen. In het tussenvonnis is immers ook aangegeven dat alvorens een beslissing te nemen om het bedrijf aan [eiser] toe te delen tegen de agrarische going-concernwaarde de rechtbank, mede om andere mogelijkheden te onderzoeken, een comparitie van partijen gelast. Tijdens de comparitie van partijen op 28 januari 2019 zijn de verschillende opties besproken en dat heeft uiteindelijk geleid tot de opdracht aan de deskundigen. De rechtbank heeft bij die gelegenheid partijen uitdrukkelijk voorgehouden dat verkoop aan een derde ook nog een optie is voor de rechtbank.



2.7.
Verder valt de rechtbank op dat beide partijen (liever) niet willen dat het bedrijf in zijn geheel aan de ander wordt toegedeeld. [eiser] heeft zich in die zin reeds uitgelaten tijdens de mondelinge behandeling op 28 januari 2019 (vergelijk het hiervan opgemaakte proces-verbaal) en voor [gedaagde] geldt in wezen hetzelfde (vergelijk de conclusie na deskundigenbericht waarin [gedaagde] als eerste opteert voor toedeling aan hem, dan wel verkoop van het bedrijf). Nu splitsing niet (goed) mogelijk is gebleken, leidt een en ander na afweging van alle betrokken belangen tot de conclusie van de rechtbank dat het bedrijf in zijn geheel verkocht moet worden en de opbrengst moet worden gedeeld. Niet alleen is een dergelijke uitkomst in overeenstemming met de kennelijke wens van partijen dat de ander het gehele bedrijf in ieder geval niet krijgt toebedeeld, maar doet deze oplossing naar het oordeel van de rechtbank - uiteindelijk - ook het meeste recht aan hun beider belangen en aan het algemeen belang. Voorop staat immers dat beide broers evenwel recht hebben op het bedrijf, maar zij het bedrijf elkaar niet gunnen. Daarbij betrekt de rechtbank uitdrukkelijk dat toedeling van het gehele bedrijf aan [eiser] of [gedaagde] naar alle waarschijnlijkheid tot verdere tweespalt onderling en binnen de familie zal leiden. Het is mede om die reden dat de rechtbank het nieuwe voorstel van [gedaagde] buiten beschouwing laat. Bovendien zal de vrije verkoopwaarde een hogere totaalopbrengst generen dan in vergelijking tot voortzetting na uitkoop op basis van going concernwaarde. In zoverre wordt geen der broers benadeeld door een gedwongen uitkoop op basis van going concern waarde als gevolg van een beslissing door de rechtbank. Zij krijgen allebei hun deel van de - naar alle waarschijnlijkheid hogere - vrije verkoopwaarde. [eiser] en [gedaagde] moeten naar het oordeel van de rechtbank bij een geschatte vrije verkoopwaarde van rond de € 9.500.000,00 en de verdeling hiervan bij helfte (na aftrek van de schulden van plusminus € 2.500.000,00) in staat worden geacht om elders een eigen boerenbedrijf te verwerven, terwijl er ook niets aan in de weg staat voor [eiser] en/of [gedaagde] om bij verkoop te trachten (onderdelen van) het huidige bedrijf over te nemen.



2.8.
Op grond van de voorgaande overwegingen komt de rechtbank tot de conclusie dat de wijze van verdeling die het best recht doet aan de belangen van partijen en het algemeen belang bestaat uit verkoop van alle activa van het bedrijf, aflossing van de schulden en vervolgens verdeling tussen partijen van de netto-opbrengst. De rechtbank zal de verdeling op die wijze vaststellen en partijen zullen worden veroordeeld om hieraan hun volledige medewerking te verlenen. Het komt de rechtbank geraden voor om de verkoop van de activa en eindafrekening tussen partijen bindend in handen te stellen van een notaris, die zich desgewenst kan laten bijstaan door een makelaar en een accountant. Daar zal dan ook aan de orde moeten komen het door [gedaagde] in zijn conclusie na deskundigenbericht genoemde bedrag van € 80.000,00 als verschil in kapitaal tussen [gedaagde] en [eiser] en de door [eiser] in zijn conclusie na deskundigenbericht gestelde opname van
€ 100.000,00 door [gedaagde] . De rechtbank heeft hiervoor mr. J. de Groot (verbonden aan het kantoor Tijdhof, Daverschot & De Jong Posthumus Notarissen te Assen) bereid en in staat gevonden. Behoudens gegronde bezwaren tegen deze persoon, waarover partijen zich nog bij akte mogen uitlaten, zal de rechtbank daarna overgaan tot het wijzen van een eindvonnis, waarbij de wijze van verdeling op de hiervoor genoemde wijze zal worden vastgesteld en op de voet van artikel 677 Rv. zal worden overgaan tot de benoeming van mr. De Groot als notaris ten overstaan van wie de verdeling plaatsvindt. Bij de benoeming zal worden bepaald dat deze bevoegd is de activa van de gemeenschap te verkopen en te leveren en vervolgens na aflossing van de schulden de netto-opbrengst tussen partijen te verdelen op de wijze als in dit vonnis bepaald. Voor zover desalniettemin voor (enig onderdeel van) het voorgaande de medewerking van partijen nodig is, wijst de rechtbank partijen op de mogelijkheid om de rechtbank op voet van artikel 677, lid 2 Rv en 3: 181 BW te vragen een onzijdig persoon te benoemen voor het geval door een partij de benodigde medewerking niet wordt verleend.



2.9.
Iedere verdere beslissing houdt de rechtbank voorlopig aan.





3De beslissing
De rechtbank


in conventie en in reconventie


3.1.
verwijst de zaak naar de rol van 9 december 2020 op welke roldatum partijen (deugdelijk) onderbouwd eventuele bezwaren tegen de benoeming van mr. J. de Groot kenbaar kunnen maken,



3.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.



Dit vonnis is gewezen door mr. S.M. Schothorst, mr. S.B. van Baalen en mr. P.S. Bakker en in het openbaar uitgesproken op 25 november 2020.




type: Fout! Verwijzingsbron niet gevonden.
coll:
Link naar deze uitspraak