Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Peter Houtsma)
ECLI:NL:RBROT:2021:1768 
 
Datum uitspraak:03-03-2021
Datum gepubliceerd:05-03-2021
Instantie:Rechtbank Rotterdam
Zaaknummers:C/10/613465 / FT EA 21/21 C/10/613465 / FT EA 21/21
Rechtsgebied:Insolventierecht
Indicatie:Artikel 42a Fw, whoa. Verstrekking krediet aan tuindersbedrijf om het bedrijf voort te kunnen zetten tijdens de voorbereiding van een akkoord. Rechtbank verleent machtiging ex artikel 42a.
Trefwoorden:glastuinbouw
herstructurering
 
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam

Team insolventie



Verzoek tot het afgeven van een machtiging voor het verrichten van een rechtshandeling, ex artikel 42a Fw


rekestnummer: [rekestnummer]
uitspraakdatum: 3 maart 2021

beschikking op het ingekomen verzoekschrift ex artikel 42a Fw

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid


[verzoekster] B.V.

statutair gevestigd te Berkel en Rodenrijs,
verzoekster,
advocaat: mr. S. El Hadouchi, kantoorhoudende te Den Haag,
hierna te noemen: verzoekster




1De procedure


1.1.
Verzoekster heeft op 22 januari 2021 een verklaring ex artikel 370 lid 3 Faillissementswet (Fw) ter griffie gedeponeerd.



1.2.
Bij verzoekschrift met bijlagen van 16 februari 2021 heeft verzoekster de rechtbank verzocht machtiging te verlenen voor de verstrekking van een oogstkrediet door Coöperatieve Rabobank U.A. (hierna te noemen: Rabobank) aan verzoekster, teneinde het risico van pauliana ex artikel 42 Fw uit te sluiten.



1.3.
Het verzoek is behandeld ter zitting in raadkamer van deze rechtbank van 23 februari 2021.



1.4.
In raadkamer zijn gehoord:
- mr. S. El Hadouchi, advocaat van verzoekster;
- mr. S. Broeseliske, advocaat van verzoekster;
- mevrouw [naam 1] , middellijk bestuurster van verzoekster;
- de heer [naam 2] , adviseur van verzoekster;
- mr. A.M. Mennens, advocaat van Rabobank; en
- mr. [naam 3] , namens de Rabobank.

Bij die gelegenheid heeft mr. El Hadouchi het verzoek toegelicht aan de hand van – aan de rechtbank en de partijen overgelegde – aantekeningen. Partijen en hun advocaten hebben vragen van de rechtbank beantwoord en inlichtingen verstrekt.





2De standpunten


2.1.
Ter onderbouwing van haar verzoek heeft verzoekster ter zitting het volgende aangevoerd. Verzoekster exploiteert een onderneming in de glastuinbouw. Door grote investeringen in het verleden, een verliesgevende periode van enkele jaren, de reparatie van een defecte warmtevoorziening en tegenvallende prijsvorming van haar producten mede als gevolg van de Covid-19 pandemie verkeert verzoekster in een toestand waarin het redelijkerwijs aannemelijk is dat zij niet zal kunnen voortgaan met het betalen van haar schulden. Verzoekster heeft daarom een akkoord in voorbereiding, welk akkoord op korte termijn aan haar schuldeisers ter stemming zal worden voorgelegd.



2.2.
Er is sprake van een seizoensgebonden exploitatie, waarbij jaarlijks in de periode eind maart-begin november een gemiddelde omzet wordt gemaakt van € 7 miljoen . Van november tot maart worden alleen kosten gemaakt, ter voorbereiding van de teelt en oogst voor het volgende seizoen, van ongeveer € 85.000 per week.



2.3.
Met het door verzoekster beoogde akkoord met haar schuldeisers wil verzoekster een dreigend faillissement afwenden en de onderneming na herstructurering op een financieel gezonde wijze voortzetten. Essentieel daarvoor is dat de onderneming ook gedurende de voorbereiding van het akkoord kan worden voortgezet.



2.4.
De kredietbehoefte van verzoekster is € 85.000 ,- per week om de ondernemingsactiviteiten voort te zetten en uitvoering te geven aan de betalingsverplichtingen die zijn ontstaan vanaf november 2020. Rabobank is bereid een bedrag van € 1,5 miljoen aan verzoekster als oogstkrediet ter beschikking stellen. Deze financiering is noodzakelijk voor de voorzetting van de onderneming gedurende de voorbereiding van het akkoord. Zonder het oogstkrediet zal verzoekster haar ondernemingsactiviteiten per direct moeten stopzetten en zal er geen akkoord aangeboden kunnen worden.



2.5.
Rabobank heeft ter zitting verklaard dat sinds medio 2020 tot heden bij verzoekster een ongeoorloofde debetstand is ontstaan, in verband met de kosten die moeten worden gemaakt voor de voortzetting van de onderneming. Aanvankelijk was de gedachte dat het oogstkrediet na homologatie van het akkoord beschikbaar zou worden gesteld, maar het aanbieden van het akkoord neemt meer tijd in beslag dan verwacht. Voor de voortzetting van de onderneming tot de start van de oogst is de verstrekking van het oogstkrediet noodzakelijk en Rabobank is bereid dat oogstkrediet ter beschikking te stellen, als daarvoor een machtiging wordt verstrekt ex artikel 42a Fw.






3De beoordeling


3.1.
In de beschikking van heden ex artikel 378 Fw heeft de rechtbank geoordeeld dat haar rechtsmacht toekomt ten aanzien van alle aan de rechtbank voorgelegde kwesties in verband met het door verzoekster aan haar schuldeisers voor te leggen akkoord. Voorts is daarin vastgesteld dat is gekozen voor een besloten akkoordprocedure buiten faillissement.



3.2.
Artikel 42a Fw bepaalt dat een rechtshandeling die is verricht nadat de schuldenaar ter griffie van de rechtbank een startverklaring heeft gedeponeerd niet met een beroep op artikel 42 Fw kan worden vernietigd, als de rechter op verzoek van de schuldenaar voor die rechtshandeling een machtiging heeft afgegeven. Het verzoek wordt gehonoreerd als het verrichten van de rechtshandeling noodzakelijk is om de onderneming tijdens de voorbereiding van een akkoord te kunnen blijven voortzetten en op het moment dat de machtiging wordt verstrekt redelijkerwijs valt aan te nemen dat de belangen van de gezamenlijke schuldeisers bij de rechtshandeling gediend zijn, terwijl geen van de individuele schuldeisers daardoor wezenlijk in zijn belangen wordt geschaad.



3.3.
In de maand november 2020 is gestart met de teelt van 2021. Vanaf die periode moeten forse kosten worden gemaakt om de oogst (vanaf eind maart 2021) mogelijk te maken. Als verzoekster deze kosten niet zou maken kan alleen al in feitelijke zin van een voortzetting van de onderneming geen sprake zijn en zou de door verzoekster beoogde akkoordprocedure dus zinledig zijn. In dat geval zou het gewas immers binnen enkele dagen afsterven en zou de onderneming geliquideerd moeten worden. Om deze kosten te kunnen voldoen is noodzakelijk dat verzoekster gebruik kan maken van het oogstkrediet.



3.4.
Voorts valt redelijkerwijs aan te nemen dat de belangen van de gezamenlijke schuldeisers van verzoekster gediend zijn bij het verstrekken van het oogstkrediet. Zoals door verzoekster is toegelicht worden schuldeisers met een vordering die is ontstaan vanaf 12 november 2020 volledig voldaan (uit het oogstkrediet althans vooralsnog vanuit een ongeoorloofde debetstand), terwijl de schuldeisers met een vordering ontstaan vóór 12 november 2020 betrokken zullen worden in het akkoord, waarbij zij naar thans valt aan te nemen méér zullen ontvangen dan bij staking van de onderneming, wat gezien de schuldenpositie van verzoekster een faillissement zou betekenen. Niet valt in te zien op wat voor manier individuele schuldeisers door de verstrekking van het oogstkrediet wezenlijk in hun belangen worden geschaad.



3.5.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat aan de voorwaarden voor honorering van het verzoek is voldaan, maar met de volgende kanttekening. Artikel 42a Fw heeft het oog op het verrichten van een rechtshandeling na deponering van de startverklaring. Zoals ter zitting met partijen is besproken heeft het oogstkrediet enerzijds de strekking om van daaruit de kosten van de voortzetting te kunnen voldoen, maar anderzijds is het bedoeld om een thans ongeoorloofde (maar door Rabobank gedoogde) debetstand te dekken. Deze debetstand is zoals hiervoor aan de orde kwam ontstaan medio 2020 en sindsdien opgelopen. Hoewel de rechtshandeling als zodanig, namelijk de verstrekking van het oogstkrediet, pas plaatsvindt na de deponering van de startverklaring, is hieraan dus materieel daarvóór al (gedeeltelijk) uitvoering gegeven. De machtiging ex artikel 42a Fw kan alleen zien op krediet dat wordt verschaft na de deponering van de startverklaring, op 22 januari 2021. Ter zitting is door verzoekster toegelicht dat op die datum de debetstand € 640.813,- was. Er zal dan ook machtiging worden verstrekt voor de verstrekking van een oogstkrediet van € 859.187,- . Rabobank heeft overigens ter zitting bevestigd dat ook als de rechtbank de machtiging aldus zou beperken, de verstrekking van het oogstkrediet zoals door haar voorzien doorgang zal vinden. De machtiging wordt uiteraard afgegeven op voorwaarde dat het krediet wordt gebruikt op de wijze zoals door verzoekster beschreven, namelijk om daaruit de kosten van de voortzetting te voldoen.
4. De beslissing

De rechtbank:

verleent machtiging voor de verstrekking van een oogstkrediet van € 859.187,- door Rabobank aan verzoekster, om daaruit de kosten van de voortzetting van de bedrijfsvoering te voldoen, op de wijze zoals door verzoekster beschreven.


Deze beslissing is gegeven door mr. F. Damsteegt-Molier, voorzitter, mr. A.E. de Vos en mr. M. Wouters, rechters, en is in aanwezigheid van mr. A.M. Pieters-Boelhouwer, griffier, in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2021.
Link naar deze uitspraak