Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Peter Houtsma)
ECLI:NL:GHAMS:2019:2395 
 
Datum uitspraak:09-07-2019
Datum gepubliceerd:09-10-2019
Instantie:Gerechtshof Amsterdam
Zaaknummers:200.222.282/01
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Appel van ECLI:NL:RBNHO:2017:4649. Arbeidsongeschiktheidsverzekering. Vordering van een werknemer tot verklaring van recht dat het de verzekeraarster Loyalis niet is toegestaan een uitsluitingsclausule voor bepaalde ziektebeelden in de polis op te nemen. Vordering is door de eerste rechter afgewezen. De klachten die de werknemer daartegen opwerpt, leiden in hoger beroep niet tot een ander oordeel.
Trefwoorden:arbeidsovereenkomst
belastingrecht
 
Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer: 200.222.282/01

zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland: C/15/232510 / HA ZA 15-655


arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 9 juli 2019


inzake



[appellant]
,
wonende te [woonplaats],
appellant,
advocaat: mr. K.F.J. Machielsen te Utrecht,

tegen:


LOYALIS SCHADE N.V.,
gevestigd te Heerlen,
geïntimeerde,
advocaat: mr. D. Horeman te Amsterdam.





1Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en Loyalis genoemd.


[appellant] is bij dagvaarding van 17 augustus 2017 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 7 juni 2017, gewezen tussen hem als eiser en Loyalis als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, met producties;
- memorie van antwoord.

Ten slotte is arrest gevraagd.


[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en – uitvoerbaar bij voorraad – alsnog zijn vorderingen zal toewijzen, met veroordeling van Loyalis in de proceskosten in beide instanties.

Loyalis heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van [appellant] in zijn vorderingen, althans tot afwijzing, met beslissing over de proceskosten.





2Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.12 een aantal feiten opgesomd die tussen partijen vaststaan. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil, zodat het hof daarvan als vaststaand zal uitgaan. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.


2.1.
Loyalis levert producten en diensten voor inkomenszekerheid, waaronder verzekeringen ter aanvulling van het inkomen bij arbeidsongeschiktheid.



2.2.
Op 8 augustus 2008 heeft Loyalis met de Gemeente Haarlemmerliede en Spaarnwoude (hierna: de Gemeente) een ‘SEMI-COLLECTIEVE OVEREENKOMST INZAKE IPAP’ gesloten op basis waarvan werknemers van de Gemeente bij Loyalis een aanvullende arbeidsongeschiktheidsverzekering kunnen afsluiten. Deze overeenkomst luidt, voor zover van belang, als volgt:


‘(…)


Overwegende dat:


- voor overheids- en onderwijswerknemers (…) op grond van wetgeving op het gebied van arbeidsongeschiktheidsregelingen en werkloosheidsregelingen het risico bestaat op inkomensachteruitgang bij gehele of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid en de daarmee samenhangende onvrijwillige werkloosheid;


- Loyalis bereid is een gedeelte van dit risico door middel van haar arbeidsongeschiktheidsverzekering, IPAP genaamd, over te nemen;


- de Werkgever en Loyalis overeengekomen zijn dat de genoemde werknemers in actieve dienst bij de Werkgever, verder te noemen de Deelnemers, een dekking kunnen verkrijgen voor het risico van inkomensachteruitgang door deel te nemen aan een collectieve regeling waarin bovenstaande verzekering is opgenomen;

- de Werkgever door het aangaan van deze overeenkomst aan de Deelnemers de mogelijkheid biedt om van deze regeling gebruik te maken.


(…)



Artikel 1 Aard van de verzekering

1. Loyalis verbindt zich om gedurende de looptijd van deze overeenkomst de Deelnemers in staat te stellen bij haar op individuele basis IPAP af te sluiten. De polisvoorwaarden “IPAP” zijn op deze verzekering van toepassing.


(…)



Artikel 8 Medische acceptatie

1. De acceptatie van de Deelnemers vindt plaats zonder medische waarborgen (blanco acceptatie), met inachtneming van het overige in dit artikel bepaalde.

(…)

3. De acceptatie van Deelnemers die zich later dan zes maanden ná indiensttreding aanmelden dan wel een verzoek doen om uitbreiding van de dekking, vindt steeds plaats op grond van een korte gezondheidsverklaring.


(…)’




2.3.

[appellant] is sinds 1 maart 2010 in dienst bij de gemeente Haarlemmerliede en Spaarnwoude, waar hij inmiddels werkzaam is op de financiële afdeling.



2.4.
Op 16 juli 2014 heeft [appellant] een aanvraag ingediend bij Loyalis om toegelaten te worden tot de IPAP-verzekering.



2.5.
Bij brief van 31 juli 2014 heeft Loyalis [appellant] bericht dat meer medische informatie nodig was om zijn aanvraag goed te kunnen beoordelen. Loyalis heeft [appellant] verzocht de bijgevoegde gezondheidsverklaring in te vullen en terug te sturen naar Loyalis.



2.6.

[appellant] heeft aan dit verzoek gehoor gegeven. Op de gezondheidsverklaring heeft [appellant] aangegeven dat hij meerdere aandoeningen, ziekten, klachten en/of gebreken heeft, dan wel heeft gehad.



2.7.
Met behulp van de door [appellant] afgegeven machtiging heeft Loyalis vervolgens medische informatie opgevraagd bij de bedrijfsarts van [appellant]. Daarnaast heeft Loyalis [appellant] verzocht gegevens met betrekking tot de WIA-keuring in 2009 toe te sturen. [appellant] heeft deze gegevens verstrekt.



2.8.
Bij brief van 23 februari 2015 heeft Loyalis [appellant] geïnformeerd over de acceptatie voor de verzekering. In deze brief heeft Loyalis [appellant] laten weten dat op medische gronden uitsluitingen op de verzekering van toepassing zijn en dat een wachttermijn van 24 maanden geldt.



2.9.
Op 2 maart 2015 heeft Loyalis de polis ‘Arbeidsongeschiktheidsverzekering (AOV) Gemeenten’ aan [appellant] afgegeven. De polis luidt, voor zover van belang, als volgt:‘(…)Ingangsdatum verzekering 1 maart 2015Dekking(en) AOV Gemeenten dekking compleet (…) Bijzondere bepalingen Uitsluiting van elke invaliditeit en/of arbeidsongeschiktheid in verband met, dan wel voortkomend uit “1. psychische klachten, 2. energetische beperkingen, 3. aandoeningen van de lever, 4. aandoeningen van de knieën, 5. aandoeningen van het hart/hartritmestoornissen”, de gevolgen en de consequenties ervan. De wachttermijn bedraagt 24 maanden en eindigt op 1 maart 2017.Voor de volledige omschrijving van de dekkingen verwijzen we u naar de polisvoorwaarden. (…)’



2.10.
Bij e-mail van 9 maart 2015 heeft [appellant] Loyalis meegedeeld het niet eens te zijn met de uitsluitingen op de polis. [appellant] heeft Loyalis verzocht om een schriftelijke, inhoudelijke reactie en om in afwachting van deze reactie niet tot premieafschrijving en afschrijving van distributiekosten over te gaan.



2.11.
Bij brief van 17 maart 2015 heeft Loyalis [appellant] meegedeeld dat, gezien het sterk verhoogde risico voor de verzekering als zodanig, de nu reeds bekende aandoeningen en klachten worden uitgesloten van de verzekering en dat de aanvraag van [appellant] vooralsnog is geseponeerd.



2.12.
Bij brief van 7 april 2015 heeft de advocaat van [appellant] Loyalis in gebreke gesteld ter zake van de nakoming van de (pre-)contractuele verplichtingen en/of de verplichtingen voortvloeiende uit de Wet op de Medische Keuringen (hierna: WMK) en Loyalis verzocht binnen zeven dagen de polis af te geven ingaande 1 maart 2015 zonder uitsluitingsclausule.



2.13.
Aan dit verzoek heeft Loyalis geen gehoor gegeven. Op 12 mei 2015 heeft Loyalis (de advocaat van) [appellant] – voor zover hier relevant – bericht als volgt.


‘De arbeidsongeschiktheidsverzekering van Loyalis kan worden beschouwd als een aan de arbeidsverhouding verbonden arbeidsongeschiktheidsverzekering. Dat betekent dat in beginsel het keuringsverbod van artikel 4 lid 4 WMK van toepassing is. Echter op 1 januari 2010 is het zogenaamde Van Leeuwenconvenant in werking getreden (…). Het convenant biedt de mogelijkheid om, na een blanco acceptatieperiode van 3 maanden, een medische keuring verplicht te stellen bij de aanvraag van een arbeidsongeschiktheidsverzekering. (...) Voor de Overheid en Onderwijssector hanteert Loyalis een langere blanco acceptatieperiode van 6 maanden. In het geval van uw cliënt liep deze dus tot 1 september 2010. (…)’




2.14.
Op 27 mei 2015 heeft Loyalis in reactie op de vraag van (de advocaat van) [appellant] welke wettelijke basis Loyalis voor haar standpunt heeft, het volgende geschreven:


‘Uw brief van 18 mei 2015 hebben wij in goede orde ontvangen. U vraagt daarin op welke wettelijke basis wij ons beroepen wanneer wij ons standpunt handhaven dat op de situatie van uw cliënt, de heer [appellant], het Van Leeuwen Convenant van toepassing is. (…) De conclusie uit het voorgaande is derhalve dat het Van Leeuwen Convenant de VMK niet terzijde schuift maar een nadere uitwerking ervan is. (…)’



2.15.
Tussen partijen is geen verzekeringsovereenkomst tot stand gekomen.



2.16.
De voor deze zaak relevante bepalingen in de WMK luiden als volgt:

Artikel 1 WMK:

‘In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:


a. keuring: vragen over de gezondheidstoestand van de keurling en het verrichten van medisch onderzoek in verband met het aangaan of wijzigen van: (…)


5°. een verzekering wegens arbeidsongeschiktheid naar burgerlijk recht, (…)’


Artikel 4 lid 4 WMK:

‘Voor zover niet ondergebracht bij een pensioenvoorziening dan wel pensioenregeling, als bedoeld in het derde lid, vindt geen keuring plaats voor deelneming aan een aanvullende arbeidsongeschiktheidsverzekering die aan de burgerrechtelijke arbeidsverhouding die bij of krachtens de Ziektewet, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen of de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering als dienstbetrekking wordt aangemerkt, of in verband met een aanstelling in openbare dienst is verbonden.’


Artikel 4 lid 6 WMK:

‘Geen uitsluiting of vermindering van rechten op grond van ziekten, aandoeningen of gebreken wordt bedongen door de verzekeraar bij de deelneming aan een voorziening dan wel regeling als bedoeld in het derde lid en bij het aangaan of wijzigen van een verzekering als bedoeld in het vierde en vijfde lid, voor zover ingevolge deze leden een keuringsverbod geldt.’




2.17.
In de parlementaire geschiedenis van de WMK is onder meer als volgt overwogen:

Memorie van Toelichting zoals gewijzigd naar aanleiding van het advies van de Raad van State, Tweede Kamer 1993-1994, 23 259, nr. 7, p. 7:

‘Voor wat betreft aanstellingskeuringen (art. 4) wordt gepoogd meer evenwicht te brengen in de verhouding keuringvrager-keurling door middel van het noodzakelijkheidscriterium (een specifieke doelbeperking); geen keuring voor pensioen- of aan de arbeidsovereenkomst verbonden levensverzekering en voor arbeidsongeschiktheidsvoorziening; plaatsing van de keuring aan het einde van het selectieproces om te voorkomen dat andere dan medische overwegingen achter de keuring schuilgaan. Doel van deze bepalingen is het zoveel mogelijk wegnemen van belemmeringen bij de toegang tot arbeid.’


Nadere Memorie van Antwoord, Eerste Kamer 1996-1997, 23 259, nr. 91e, p. 6:

‘Met dit wetsvoorstel is beoogd belemmeringen weg te nemen, voor zover deze gelegen zijn in medische keuringen, die de toegang tot arbeid voor grote groepen mensen blokkeren. Keuringen voor pensioenvoorzieningen en verzekeringen die aan de arbeidsverhouding verbonden zijn, worden daarom verboden. Ik roep hier overigens in herinnering dat er al sinds 1991 een kabinetsstandpunt ligt dat luidt dat het wenselijk is een werknemer zonder pensioenkeuring in een pensioenregeling op te nemen (zie ook de memorie van toelichting, blz 18). De cruciale vraag is steeds of het kunnen afsluiten van een dergelijke verzekering (mede) bepalend is voor het kunnen aangaan of wijzigen van de arbeidsverhouding. Met andere woorden: als voor een dergelijke verzekering wel gekeurd zou mogen worden, dan zou deze keuring als een verkapte aanstellingskeuring kunnen worden gebruikt. Dat is nu juist hetgeen ik wil voorkomen. Daarover ben ik steeds helder geweest, ook bij de behandeling in de Tweede Kamer.’


Memorie van Antwoord, Eerste Kamer 1996-1997, 23 259, nr. 91c, p. 7:

‘De leden van de CDA-fractie hebben gevraagd naar de grond van het verbod van keuring voor een aan de een arbeidsverhouding verbonden pensioen/arbeidsongeschiktheidsverzekering. Een belangrijke reden is dat het onwenselijk zou zijn dat iemand die geschikt is voor een functie op grond van een andere keuring wellicht de functie niet zou krijgen. Dan zou de pensioen/arbeidsongeschiktheidsverzekering in feite als aanstellingskeuring gaan fungeren.’


Memorie van Antwoord, Eerste Kamer 1996-1997, 23 259, nr. 91c, p. 10:

‘Met het bepaalde in artikel 4 wordt beoogd medische keuringen te verbieden voor verzekeringen en pensioenvoorzieningen, voor zover die aan de arbeidsverhouding verbonden zijn.’


Tweede evaluatie WMK, Tweede Kamer 2007-2008, 28 172, nr. 5, p. 2:

‘Samenvattend, de Wmk beoogt de rechtspositie van aspirant-verzekeringnemers en sollicitanten te versterken. Dit doet de wet door regels te stellen aan het gebruik en de uitvoering van medische keuringen bij sollicitaties of het aangaan van (…) arbeidsongeschiktheidsverzekeringen.’


Tweede evaluatie WMK, Tweede Kamer 2007-2008, 28 172, nr. 5, p. 8:

‘Tijdens de parlementaire behandeling van de Wmk is de vraag aan de orde geweest naar de mogelijkheden voor verzekeraars om aan risicobeheersing te doen (…). De initiatiefnemer van de wet heeft verschillende signalen afgegeven. Enerzijds stelde hij dat het verbod op uitsluitingsclausules nodig is om te voorkomen dat het verbod op aanstellingskeuringen wordt omzeild door de toegang tot het werk op verzekeringstechnische gronden te belemmeren. Anderzijds erkende hij dat het verzekeraars vrij staat zelf de voorwaarden te formuleren waaronder zij een verzekering aanbieden. Ze hoeven geen “brandende huizen” te verzekeren. Er is immers geen acceptatieplicht.’


Tweede evaluatie WMK, Tweede Kamer 2007-2008, 28 172, nr. 4, bijlage 2, p. 107:

‘Voor de arbeidsongeschiktheidsverzekering die via de werkgever worden afgesloten zijn keuringen in het geheel niet toegestaan. Desondanks heeft één op de vijf baanwisselaars of sollicitanten een medisch/lichamelijk onderzoek ondergaan. Het aantal aspirant-verzekerden dat een gezondheidsvragenlijst heeft moeten invullen is met 59% nóg hoger. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat de respondenten een vrijwillige aanvullende arbeidsongeschiktheidsverzekering hebben afgesloten, waarbij de betreffende verzekeraar gewoon mag keuren. De vraag aan de respondenten bevatte echter expliciet de toevoeging ‘via de werkgever’, en ook als de werkgever niet betaalt maar wel faciliteert betreft het een aan de arbeid gerelateerde verzekering. Wat onder aan de arbeid gerelateerd moet worden verstaan is echter omstreden. Verzekeraars hanteren hierbij veelal de meer stringente opvatting van collectieve verzekeringen, zoals die gevonden kan worden in de Kamerstukken. Deze interpretatie staat echter op gespannen voet met het oordeel terzake van de Raad van Toezicht Verzekeringen. De kwestie is nog in behandeling bij de Ombudsman Verzekeringen en bij de rechter.’




2.18.
Op 1 januari 2010 is het Convenant toegang tot aan arbeid gerelateerde verzekeringen (ook: het Van Leeuwen Convenant) middels zelfregulering tot stand gekomen. Daarin is onder meer bepaald als volgt:

‘3.1 Definitie “aan arbeid gerelateerde verzekeringen”


Aan de arbeid gerelateerde verzekeringen zijn de verzekeringen voor werknemers die op grond van de arbeidsovereenkomst door de werkgever worden gesloten ten behoeve van een ouderdoms-, nabestaanden-, of arbeidsongeschiktheidspensioen als bedoeld in de Pensioenwet en door de werkgever ten behoeve van zijn werknemers gesloten aanvullende arbeidsongeschiktheidsverzekeringen alsmede verzekeringen gesloten in het kader van de loondoorbetaling bij ziekte of eigenrisicodragen WGA. Voor deze verzekeringen geldt het keuringsverbod conform de Wmk. (…)


Voor aan de arbeid gerelateerde verzekeringen waarbij deelname op vrijwillige basis plaatsvindt, geldt het keuringsverbod op grond van de Wet op de medische keuringen eveneens indien de werknemer een beslissing neemt binnen drie maanden na de eerste dag van indiensttreding of de ingangsdatum van de verzekeringsovereenkomst tussen de werkgever en de verzekeraar (indien de verzekeringsovereenkomst van kracht wordt als de werknemer reeds in dienst is getreden). De periode van drie maanden geldt ook als de desbetreffende werknemer door een salarisverhoging voor het eerst tot de kring van de verzekerden gaat behoren. Het keuringsverbod geldt niet als een werknemer een gemaakte keuze in zijn pensioen of verzekering wil wijzigen, danwel zich niet binnen drie maanden na aanvang van de verzekering of dienstbetrekking als deelnemer heeft aangemeld, of terugkomt op een beslissing om niet deel te nemen aan de pensioenregeling of verzekering.’







3Beoordeling


3.1.
Dit geding gaat over de vraag of het Loyalis was toegestaan om medische vragen te stellen aan [appellant] in verband met zijn IPAP-aanvraag voor een aanvullende arbeidsongeschiktheidsverzekering en om vervolgens naar aanleiding van de antwoorden een uitsluiting voor bepaalde ziektebeelden en een wachttijd op te nemen in de overeen te komen polis. [appellant] betoogt dat het antwoord ontkennend luidt. Hij stelt daartoe dat op grond van de WMK zowel een keuringsverbod als een verbod om uitsluitingsclausules te gebruiken geldt. [appellant] stelt verder dat het opnemen van een uitsluiting en/of wachttijd in strijd is met de Wet Gelijke Behandeling op grond van Handicap of Chronische Ziekte (hierna: WGBH/CZ). Ook beroept [appellant] zich op de redelijkheid en billijkheid. In dit geding vordert hij een verklaring voor recht dat het Loyalis niet is toegestaan de desbetreffende – onder 2.9 geciteerde – clausule in de polis op te nemen, alsook een veroordeling van Loyalis tot sluiting van een ongeclausuleerde verzekering IPAP Semi-collectief Gemeente met afgifte van een polisblad van die verzekering. Loyalis voert gemotiveerd verweer. Zij stelt dat er in de onderhavige situatie noch een keuringsverbod noch een uitsluitingsverbod geldt. Bovendien miskent [appellant] dat Loyalis geen acceptatieplicht heeft. Het staat haar vrij de aangevraagde verzekering niet met [appellant] aan te gaan.



3.2.
De rechtbank heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen. Daartoe oordeelde de rechtbank kort samengevat dat geen sprake is van een artikel 4 lid 4 WMK situatie en dat daarom geen wettelijk keuringsverbod of uitsluitingsverbod geldt. Van een verboden onderscheid als bedoeld in de WGBH/CZ is volgens de rechtbank geen sprake. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] met twaalf grieven op.



3.3.
De grieven van [appellant], die zich voor een gezamenlijke behandeling lenen, komen in de kern genomen neer op de volgende vier klachten. Ten eerste betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat in de onderhavige situatie geen wettelijk keuringsverbod geldt. Ten tweede voert [appellant] aan dat Loyalis bij brieven van 12 en 27 mei 2015 (buitengerechtelijk) heeft erkend dat de aangeboden arbeidsongeschiktheidsverzekering een aan de arbeidsverhouding verbonden verzekering is in de zin van artikel 4 lid 4 WMK. Gelet daarop zou daarvan ook in rechte moet worden uitgegaan. Ten derde heeft de rechtbank volgens [appellant] miskend dat de door Loyalis voorgestelde beperkende voorwaarde – bestaande uit een uitsluiting en wachttijd – nietig is en dat sprake is van een verboden onderscheid als bedoeld in de WGBH/CZ. Ten vierde draagt [appellant] aan dat de rechtbank het beroep op de redelijkheid en billijkheid ten onrechte heeft afgewezen. Ten aanzien van deze vier klachten overweegt het hof als volgt.


Keuringsverbod




3.4.
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat er geen keuringsverbod geldt in de onderhavige situatie. Die situatiekenmerkt zich door de omstandigheid dat de werknemer eerst na ruim vier jaar na indiensttreding de desbetreffende aanvullende arbeidsongeschiktheidsverzekering, die hem facultatief is aangeboden en die hij op eigen kosten en individueel kon aanvragen, heeft aangevraagd. Uit de WMK, de ratio van de WMK, de parlementaire geschiedenis van de WMK en het Van Leeuwen Convenant volgt immers dat het keuringsverbod slechts geldt voor de aanvullende arbeidsongeschiktheidsverzekering die aan de burgerrechtelijke arbeidsverhouding of in verband met een aanstelling in openbare dienst is verbonden. Het Van Leeuwen Convenant bepaalt meer specifiek dat het keuringsverbod – kort samengevat – geldt voor verzekeringen voor werknemers die op grond van de arbeidsovereenkomst door de werkgever worden gesloten en eveneens voor verzekeringen waarbij deelname op vrijwillige basis plaatsvindt, indien de werknemer een beslissing neemt binnen drie maanden na de eerste dag van indiensttreding of de ingangsdatum van de verzekeringsovereenkomst tussen de werkgever en de verzekeraar (indien de verzekeringsovereenkomst van kracht wordt als de werknemer reeds in dienst is getreden). De WMK en dit convenant hebben als strekking om verkapte aanstellingskeuringen (waarbij sollicitanten worden onderworpen aan een medische keuring ofschoon dat niet noodzakelijk is voor de uitoefening van het beoogde beroep) te voorkomen. In het onderhavige geval, waarin de aanvraag pas geruime tijd na indiensttreding is gedaan, is dit niet aan de orde. Het risico van belemmeringen bij de toegang tot arbeid en voorzieningen inzake oudedag en invaliditeit doet zich niet voor. Op het moment van aanvraag van de verzekering was er in de situatie van [appellant] geen sprake van arbeidsmobiliteit, laat staan van belemmeringen daarvan. Het gaat hier derhalve niet om een gewenste deelneming aan een aanvullende arbeidsongeschiktheidsuitkering als bedoeld in artikel 4 lid 4 WMK. Dit betekent dat bij de onderhavige aanvraag van [appellant] geen wettelijk keuringsverbod en evenmin een uitsluitingsverbod geldt. [appellant] heeft het eensluidend oordeel van de rechtbank tevergeefs bestreden.


Erkentenis




3.5.
Tussen partijen is niet langer in geschil dat de mededelingen van Loyalis zoals voorafgaand aan de procedure neergelegd in de brieven van 12 en 27 mei 2015 niet kunnen worden beschouwd als een gerechtelijke erkentenis in de zin van artikel 154 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering waarop niet mag worden teruggekomen. [appellant] stelt in haar eerste grief in hoger beroep dat sprake is van een buitengerechtelijke erkenning die bewijskracht heeft en waaraan de rechtbank (doorslaggevende) betekenis had moeten toekennen. Die erkenning houdt in dat aangeboden arbeidsongeschiktheidsverzekering een aan de arbeidsverhouding verbonden verzekering is in de zin van artikel 4 lid 4 WMK. Deze grief, die ertoe strekt dat in rechte van deze erkenning moet worden uitgegaan, kan niet tot vernietiging van het bestreden vonnis leiden.



3.6.
Naar het oordeel van het hof kan in dit geding in het midden blijven of de Semi-collectieve overeenkomst inzake IPAP die Loyalis facultatief aanbiedt, kan worden beschouwd als een aan de arbeidsverhouding verbonden arbeidsongeschiktheidsverzekering waarop het keuringsverbod van artikel 4 lid 4 WMK van toepassing is indien deze binnen de blanco acceptatieperiode van drie of zes maanden wordt aangevraagd. Dit heeft Loyalis destijds in haar brief van 12 mei 2015 geschreven, maar in rechte heeft zij haar standpunt anders weergegeven en stelt zij dat de semi-collectieve verzekering niet kwalificeert als een aan de arbeidsverhouding verbonden verzekering in de zin van de WMK. Het gevolg van het eerder door Loyalis ingenomen standpunt is slechts dat binnen de blanco acceptatieperiode van drie dan wel zes maanden geen keuring had mogen plaats hebben. Dat laat onverlet dat dit na vier jaar wel mag. Loyalis heeft zich dan ook van aanvang af op het standpunt gesteld dat het keuringsverbod niet geldt voor de aanvraag van [appellant], nu vaststaat dat [appellant] zich niet binnen de blanco acceptatieperiode bij Loyalis heeft gemeld. Daarop is Loyalis nimmer teruggekomen. Dit betekent dat het beroep van [appellant] op de gestelde erkenning, wat daarvan ook zij, hem niet kan baten.


Beperkende voorwaarde en verboden onderscheid




3.7.

[appellant] stelt dat Loyalis in strijd handelt met de WGBH/CZ. Dit standpunt snijdt naar het oordeel van het hof geen hout. Nog daargelaten dat i) Loyalis geen arbeidsvoorwaarde aanbiedt waarop artikel 4 sub e WGBH/CZ ziet, terwijl het nieuwe artikel 5b WGBH/CZ dat de reikwijdte van de WGBH/CZ uitbreidt eerst na de aanvraag van [appellant], namelijk per 14 juni 2016 van kracht geworden is en geen terugwerkende kracht heeft en ii) de WGBH/CZ indirect onderscheid dat objectief gerechtvaardigd is niet verbiedt, stuit de klacht van [appellant] reeds af op het feit dat Loyalis in de onderhavige situatie geen onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte maakt. [appellant] is – ook naar zijn eigen stellingen – noch gehandicapt noch chronisch ziek. Evenmin wordt vermeend dat daarvan sprake is. De stellingen van [appellant] kunnen dan ook niet de conclusie dragen dat de WGBH/CZ of de door hem aangehaalde jurisprudentie in de weg staat aan de voorwaarden waaronder Loyalis de aanvullende arbeidsongeschiktheidsverzekering aan [appellant] heeft aangeboden.


Redelijkheid en billijkheid




3.8.
Tot slot komt het hof tot het oordeel dat [appellant]’s grief dat de rechtbank het beroep op de redelijkheid en billijkheid ten onrechte afwees, eveneens tevergeefs is voorgesteld. De beperkte stellingen van [appellant] op dit punt zijn onvoldoende om het oordeel te kunnen dragen dat het acceptatiebeleid van Loyalis zoals zij dat ten opzichte van [appellant] heeft toegepast, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het hof volgt [appellant] niet in zijn standpunt dat Loyalis vooruit had moeten lopen op de ontwikkeling van gelijke behandelingswetgeving. Nu [appellant] ook in hoger beroep volstaat met een opsomming van regelgeving en maatregelen op het gebied van gelijke behandeling in arbeid en beroep, heeft hij zijn stelling dat de uitsluitingsclausule en de wachttijd die Loyalis wil hanteren naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moeten worden geacht, onvoldoende onderbouwd. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, ontgaat het hof welke relevantie [appellant] in dit verband aan de Richtlijn 2000/78/EG van 27 november 2000, de Gedragscode Verzekeraars, het Kroymans arrest (HR 12 januari 1996, NJ 1996, 683) of de jurisprudentie van het Kifid meent te kunnen toekennen. Bij het ontbreken van een meer concrete, feitelijke onderbouwing kan deze grief niet tot vernietiging van het bestreden vonnis leiden.



3.9.
De slotsom is dat de grieven falen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [appellant] zal als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep.






4Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Loyalis begroot op € 716,-- aan verschotten, € 1.074,-- voor salaris advocaat.


Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. Hoekzema, A.L.M. Keirse en J.F. Aalders en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2019.
Link naar deze uitspraak