Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Peter Houtsma)
ECLI:NL:RBGEL:2019:5713 
 
Datum uitspraak:10-12-2019
Datum gepubliceerd:14-01-2020
Instantie:Rechtbank Gelderland
Zaaknummers:AWB - 18 _ 1691
Rechtsgebied:Belastingrecht
Indicatie:Inkomstenbelasting. Forfaitair voordeel uit aanmerkelijk belang in buitenlandse beleggingsvennootschap (artikel 4.13 Wet IB 2001). Verweerder heeft aannemelijk gemaakt dat de vereiste aangifte niet is gedaan omdat een veel te lage waarde in het economisch verkeer is aangegeven. Uit correspondentie met de belastingadviseur volgt dat eiser heeft moeten begrijpen dat de waarde in het economisch verkeer op 1 januari 2012 in dit geval niet gelijk kan staan aan het eigen vermogen, gelet op de hoogte van de jaarlijkse dividenduitkeringen van de deelnemingen en de verkoopprijs van de deelnemingen in maart 2014. Omkering en verzwaring bewijslast. Verweerder heeft de waarde in het economisch verkeer op redelijke uitgangspunten gebaseerd, met uitzondering van de kapitalisatiefactor. De rechtbank verlaagt die factor in goede justitie. Beroep in zoverre gegrond.
Trefwoorden:aanmerkelijk belang
belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang
belastbaar inkomen uit sparen en beleggen
belastingrecht
box 1
box 2
forfaitair
forfaitair rendement
inkomstenbelasting
omzetbelasting
vennootschapsbelasting
wev
 
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 18/1691

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van

in de zaak tussen


[X] , te [Q] , [naam land] , eiser
(gemachtigde: mr. [persoon A] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Utrecht, verweerder,

en


de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid), te Den Haag, de Staat.




Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 6 juli 2017 voor het jaar 2012 een aanslag (aanslagnummer [XXX] .H.26.01) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 1.525.365 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 191.263. Tevens is bij beschikking € 10.853 aan belastingrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 13 februari 2018 de aanslag en de beschikking belastingrente gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 26 maart 2018, ontvangen door de rechtbank op 27 maart 2018, beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 augustus 2019. Namens eiser zijn verschenen zijn gemachtigde en mr. [B] . Namens verweerder zijn verschenen mr. [C] en drs. [D] .

Na de zitting heeft de rechtbank nadere vragen gesteld aan partijen. Eiser heeft daarop gereageerd bij brieven van 24 september 2019 en 16 oktober 2019. Verweerder heeft gereageerd bij brieven van 25 september 2019 en 17 oktober 2019.

Bij brief van 28 oktober 2019 heeft de rechtbank partijen medegedeeld het onderzoek te sluiten en binnen zes weken uitspraak te doen.

De Staat heeft afgezien van het voeren van verweer (Beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juni 2014, nr 436.935, Stcrt. 2014, 20210).




Overwegingen


Feiten

1. Eiser houdt sinds 2009 alle aandelen in [bedrijf E] N.V. ( [bedrijf E] ), een vennootschap met haar statutaire zetel op [land 2] .

2. Eiser woont in 2012 in Nederland. In de aangifte IB/PVV 2012 heeft hij aangegeven dat hij op 7 december 2012 is geëmigreerd naar [naam land] .

3. [bedrijf E] heeft op 1 januari 2012 de volgende deelnemingen in buitenlandse vennootschappen, die alle (indirect) actief zijn in het aanbieden van online kansspelen:
 33,3% 33,3% van de aandelen in [bedrijf F] N.V. ( [bedrijf F] ), die 100% van de aandelen houdt in [bedrijf F] ;
 33,3% 25% van de aandelen in [bedrijf G] ( [bedrijf G] ), die 100% van de aandelen houdt in [bedrijf H] ( [bedrijf H] ) en [bedrijf I] ( [bedrijf I] ;
 33,3% 25% van de aandelen in [bedrijf J] N.V. ( [bedrijf J] ).

4. Op 4 maart 2014 heeft [bedrijf K] ( [bedrijf K] ) de aandelen in [bedrijf G] van [bedrijf E] gekocht. Daarnaast heeft [bedrijf K] de activa en de passiva van [bedrijf F] en [bedrijf J] overgenomen. In een persbericht van 7 februari 2014 van [bedrijf K] staat dat in 2013 door [bedrijf H] , [bedrijf L] en een derde gelieerde onderneming een EBIT van € 22,1 miljoen is behaald. [bedrijf K] heeft € 100 miljoen betaald, waarvan € 60 miljoen in eigen aandelen en € 40 miljoen contant. Dit komt overeen met een prijs van EBIT (2013) maal 4,5. De prijs kan volgens het persbericht uiteindelijk nog oplopen tot EBIT maal 6,6, afhankelijk van de ontwikkelingen in Nederland op het gebied van online kansspelen. [bedrijf K] verwacht uiteindelijk EBIT maal 5,9 te zullen betalen.

5. Eiser heeft op 22 april 2014 de aangifte IB/PVV 2012 ingediend. In de aangifte is als regulier voordeel uit aanmerkelijk belang in [bedrijf E] een bedrag aangegeven van € 421.000. Dit is het forfaitair voordeel als bedoeld in artikel 4.13 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001). Dit bedrag komt overeen met de dividenduitkering uit [bedrijf E] en volgens eiser was dat bedrag hoger dan 4% van de waarde in het economisch verkeer (WEV) op 1 januari 2012. De WEV van [bedrijf E] bedroeg volgens eiser op dat moment € 11.199.461 en (11/12de deel van) 4% daarvan is € 410.646.

6. Bij brief van 20 oktober 2016 heeft verweerder aan eiser een informatiebeschikking opgelegd. Deze informatiebeschikking is bij brief van 5 juli 2017 door verweerder vernietigd, omdat de gevraagde informatie uit andere onderzoeken aan verweerder bekend is geworden. Deze informatie bevat onder meer e-mailverkeer van (middellijk) aandeelhouders met onderhandelaars van [bedrijf M] over de verkoop van de deelnemingen. Deze e-mails behoren tot de gedingstukken.

7. Bij brief van 28 juni 2017 heeft verweerder aangekondigd voornemens te zijn van de aangifte IB/PVV 2012 af te wijken. In die brief heeft verweerder onder meer het forfaitaire reguliere voordeel uit [bedrijf E] als volgt berekend:
















EBIT (jaarrekening 2011)


Multi-plier


Waarde


Zichtbaar IW


Bezit [bedrijf E]


Waarde [bedrijf E]





[bedrijf G]



13.120.321


6,6


86.594.119


7.548.686


25%


23.535.701





[bedrijf F] NV


2.356.593


6,6


15.553.514


4.175.422


33,33%


6.575.654





[bedrijf J] NV


157.686


6,6


1.040.728


769.708


25%


452.609






















30.563.964




Zichtbaar EV [bedrijf E]














11.272.210




Af: waardering deelneming














-/- 235.322




WEV [bedrijf E] per 01-01-2012















41.600.852




























Forfaitair voordeel (volledig jaar)











4%


1.664.034
























Forfaitair voordeel 11 maanden














1.525.365




Af: (aangegeven) werkelijk dividend














-/- 421.000




Correctie forfaitair voordeel [bedrijf E] NV









1.104.365







8. Vervolgens heeft verweerder met dagtekening 6 juli 2017 de aanslag IB/PVV 2012 opgelegd overeenkomstig het voornemen. Eiser heeft daartegen tijdig bezwaar gemaakt.

9. In beroep heeft eiser een (ongedateerd) rapport van [N] overgelegd. De opstellers van het rapport concluderen onder meer dat de uitkomsten van de berekeningen zoals die door verweerder zijn gemaakt niet een weerspiegeling vormen van de waarde in het economisch verkeer van het minderheidsbelang dat [bedrijf E] heeft in [bedrijf G] en [bedrijf F] . In het rapport wordt geen eigen waardebepaling gegeven.

10. Verweerder heeft in beroep informatie overgelegd uit het strafrechtelijk onderzoek naar eiser, die verweerder heeft opgevraagd op grond van artikel 55 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). Daarnaast heeft verweerder gegevens overgelegd afkomstig uit internationale gegevensuitwisseling met betrekking tot [bedrijf E] .


Geschil

11. In geschil is in de eerste plaats het antwoord op de vraag of verweerder terecht stelt dat de vereiste aangifte niet is gedaan, zodat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard. Meer specifiek is in geschil de hoogte van het forfaitair voordeel in de zin van artikel 4.13, eerste lid, letter a, van de Wet IB 2001. Niet in geschil is dat de vennootschappen waarin eiser belangen heeft beleggingsvennootschappen zijn in de zin van genoemde bepaling.



Beoordeling van het geschil



Omkering en verzwaring bewijslast?

12. Naar vaste jurisprudentie geldt dat bij inhoudelijke gebreken in een aangifte slechts dan kan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Tevens is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van deze gebreken niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden hierbij slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Ook dit moet worden vastgesteld aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast.

13. Zoals hiervoor onder punt 7 staat vermeld, kan volgens verweerder de WEV van [bedrijf E] op 1 januari 2012 worden bepaald op € 41.600.852. Ter onderbouwing van de stelling dat de vereiste aangifte niet is gedaan, stelt verweerder zich echter op het standpunt dat de WEV minimaal € 13.755.166 bedroeg. Dit is gebaseerd op het zichtbaar eigen vermogen van (in afwijking van de cijfers waarvan nog werd uitgegaan in de aangifte) € 11.272.210 vermeerderd met het (te verwachten te ontvangen) dividend over 2012 van € 2.482.956. Van de WEV van € 13.755.166 bedraagt het forfaitair regulier voordeel 4%, zijnde € 550.206.

14. Eiser heeft primair betoogd dat geen rekening kan worden gehouden met een toekomstige dividenduitkering, omdat dat op 1 januari 2012 nog onzeker was. Subsidiair heeft eiser betoogd dat geen sprake is van een relatief en absoluut aanzienlijk bedrag aan belasting dat niet is aangegeven. Rekening houdend met de emigratie in december 2012 bedraagt het voordeel niet € 550.206, maar 11/12de deel daarvan, zijnde € 504.355. Eiser heeft een bedrag van € 421.000 aangegeven, zodat – uitgaande van 11/12de deel – € 83.355 te weinig zou zijn verantwoord. Dit komt neer op een belastingbedrag van € 20.838. Relatief zou in dat geval 13% te weinig zijn aangegeven.

15. De WEV – zo is niet in geschil – is de prijs die bij aanbieding van de zaak ten verkoop op de meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meestbiedende gegadigde daarvoor zou zijn betaald.
15. De rechtbank is van oordeel dat het niet denkbaar is dat de verkoper en een potentiële koper op 1 januari 2012 geen rekening zouden houden met een redelijkerwijze te verwachten dividendopbrengst in 2012. Uit de stukken blijkt dat de dividenduitkeringen in 2010 en 2011 respectievelijk € 3,6 en € 4,5 miljoen bedroegen. Een dividendverwachting van € 2,5 miljoen over 2012 is dan redelijk, omdat niet is gebleken van feiten en omstandigheden die op dat moment tot een (nog) lagere dividendverwachting zouden nopen. Gelet hierop, heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat een eventuele koper op 1 januari 2012 rekening zou houden met minimaal het zichtbaar eigen vermogen vermeerderd met een redelijkerwijs te verwachten dividenduitkering van minimaal € 2,5 miljoen.

17. De rechtbank is verder van oordeel dat 13% een relatief aanzienlijk deel is van de werkelijk verschuldigde belasting en dat een bedrag van € 20.838 in absolute zin een aanzienlijk bedrag is.

18. De rechtbank is tot slot van oordeel dat aannemelijk is dat eiser zich ten tijde van het doen van de aangifte in april 2014 bewust is geweest van de te lage aangifte. In de aangifte is bij de waardebepaling van [bedrijf E] immers uitgegaan van de boekwaarde van de deelnemingen in de online casino's, zijnde € 235.326. In een e-mail van 13 december 2011 (door verweerder overgelegd bij brief van 8 juli 2019) heeft eisers belastingadviseur echter het volgende aan hem geschreven:

" (…) We bespraken al eerder dat er in beginsel jaarlijks een zogenaamd forfaitair rendement in box II moet worden aangegeven ten aanzien van de aandelen in [bedrijf E] . Het rendement wordt berekend op 4% van de waarde in het economisch verkeer (i.e. de werkelijke- of verkoopwaarde) van de aandelen [bedrijf E] op 1 januari van ieder jaar. (…)

Ten aanzien van de aangifte IB 2011 geldt dat we er sowieso niet aan zullen ontkomen om een forfaitair rendement in aanmerking te nemen. Op basis van de huidige balans zou dit rendement € 278.962 bedragen (i.e. 4% van het eigen vermogen van [bedrijf E] op 1/1/2011 (…)). (…) Dit los van het feit dat de waarde in het economische verkeer wellicht hoger (of lager) is. "

19. Eiser was dus al sinds december 2011 op de hoogte van het feit dat uitgangspunt is de WEV en dat dat de "werkelijke of verkoopwaarde" van de aandelen is. En eiser was ervan op de hoogte dat die waarde los staat van het eigen vermogen zoals dat uit de balans blijkt. Gelet op de hiervoor genoemde ontvangen dividenden in 2010, 2011 en 2012 van gemiddeld ruim € 3,5 miljoen per jaar en de verkoop van de online casino's aan [bedrijf K] in maart 2014 voor € 100 miljoen (waarin eiser een aandeel had van 33% en 25%), heeft eiser in april 2014 moeten begrijpen dat de in de aangifte opgegeven WEV op 1 januari 2012 van [bedrijf E] van ruim € 11 miljoen (veel) te laag is geweest. Die € 11 miljoen weerspiegelde immers alleen het zichtbaar eigen vermogen en de boekwaarde van de deelnemingen in plaats van de waarde die een derde minimaal bereid zou zijn geweest te betalen voor de aandelen van [bedrijf E] . Gelet op eisers kennis en de hem ter beschikking staande feitelijke gegevens, is zijn andersluidende standpunt ten tijde van het doen van de aangifte IB/PVV 2012 niet pleitbaar, zoals ter zitting door eiser is betoogd.

20. De conclusie is dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat eiser de vereiste aangifte niet heeft gedaan. Dit betekent dat de rechtbank geen oordeel meer hoeft te geven over het door verweerder pas ter zitting ingenomen standpunt dat de vereiste aangifte ook niet is gedaan omdat geen te conserveren inkomen uit aanmerkelijk belang bij emigratie is aangegeven.


Redelijke schatting van de WEV van [bedrijf E] ?

21. De omkering en verzwaring van de bewijslast laat onverlet dat verweerder gehouden is bij het vaststellen van de belastingaanslag uit te gaan van een redelijke schatting. Dit vereiste strekt, in de context van de omkering en verzwaring van de bewijslast, ertoe te voorkomen dat een belastingaanslag naar willekeur wordt vastgesteld. In dat kader rust op een inspecteur de taak zijn schatting van het inkomen zodanig met feitelijke stellingen te onderbouwen dat die schatting de redelijkheidstoets kan doorstaan. Wanneer verweerder daarin slaagt, ligt het vervolgens op de weg van eiser, wanneer hij de schatting betwist, daarvoor het verzwaarde (tegen)bewijs te leveren.

22. De in punt 7 weergegeven schatting van de WEV berust op een aantal uitgangspunten die zowel op zichzelf genomen als in onderlinge samenhang bezien op redelijkheid moet worden beoordeeld.

23. Het eerste uitgangspunt is dat volgens verweerder de WEV kan worden bepaald door uit te gaan van EBIT vermenigvuldigd met een kapitalisatiefactor (multiplier). Verweerder heeft hiervoor ook verwezen naar het persbericht van 7 februari 2014 van [bedrijf K] , waaruit volgt dat de prijs die [bedrijf K] heeft betaald is gebaseerd op EBIT maal een multiplier. Uit de door verweerder overgelegde e-mails met onderhandelaars van [bedrijf M] blijkt dat in die eerdere onderhandelingen is gesproken over een prijs gebaseerd op EBITDA maal een multiplier. Gelet hierop, acht de rechtbank het uitgangspunt van verweerder redelijk, omdat deze waarderingsmethode blijkbaar als uitgangspunt is gebruikt bij twee verschillende onderhandelingen met serieuze gegadigden. Uit het door eiser overgelegde rapport van [N] volgt weliswaar dat kritische kanttekeningen kunnen worden geplaatst bij deze waarderingsmethode, maar in dat rapport worden kritische kanttekeningen geplaatst bij alle waarderingsmethodes kennelijk omdat het in zijn algemeenheid ingewikkeld is om een onderneming te waarderen op de waarde in het economisch verkeer. Desondanks is de door verweerder gehanteerde methode bruikbaar gebleken bij de verkoop van de online casino's en is het daarom redelijk om die methode aan de schatting ten grondslag te leggen.

24. De rechtbank heeft partijen gevraagd om een toelichting op de verschillen tussen EBITDA, EBIT en EBT, onder andere omdat volgens eiser verweerder weliswaar stelt uit te gaan van EBIT maar in werkelijkheid is uitgegaan van EBT. Uit de reacties van partijen leidt de rechtbank af dat de cijfermatige verschillen tussen deze grootheden in deze zaak gering zijn (zie met name de reactie van eiser op de antwoorden b en d van verweerder). Gelet hierop, kan naar het oordeel van de rechtbank in het kader van de redelijke schatting worden uitgegaan van de door verweerder gehanteerde cijfers, die berusten op de enkelvoudige cijfers van de vennootschappen (en niet op de geconsolideerde cijfers van [bedrijf G] ). Ook kan dan in het midden blijven welk cijfermatig gevolg het gebruik van EBIT zou hebben gehad.

25. Het volgende uitgangspunt van verweerder is dat de multiplier in redelijkheid op 6,6 kan worden gesteld. Ter onderbouwing van deze factor heeft verweerder gewezen op de transactie met [bedrijf K] . Ook heeft verweerder verwezen naar de e-mails met betrekking tot de onderhandelingen met [bedrijf M] . Daaruit volgt dat [bedrijf M] bereid leek te zijn om een factor 6 tot 7 te betalen (waar door de verkopers een factor 9 werd gevraagd).

26. De rechtbank acht de redelijkheid van de multiplier van 6,6 door verweerder onvoldoende onderbouwd. Weliswaar was [bedrijf K] kennelijk bereid om onder bepaalde gunstige omstandigheden tot die prijs (na) te betalen, maar ging ook [bedrijf K] er blijkens het persbericht vanuit dat dat geen waarschijnlijk scenario was. Verweerder heeft geen concrete feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan in januari 2012 een zo hoge factor wel (meteen) zou zijn betaald. Uit het persbericht volgt dat de verkoop in 2014 heeft plaatsgevonden en de marktomstandigheden op dat moment onzeker waren als gevolg van onzekerheid over de ophanden zijnde regulering van online gokken door de Nederlandse overheid. Die onzekerheid was er blijkens de stukken in 2012 ook al. De rechtbank leidt hieruit af dat de marktomstandigheden in zoverre ongewijzigd waren. Zonder nadere toelichting, die verweerder niet heeft gegeven, is dan niet aannemelijk dat een (veel) hogere multiplier zou zijn betaald. Aan de onderhandelingen met [bedrijf M] kan in dit verband ook maar beperkt houvast worden ontleend, omdat de daar bedoelde multiplier zou worden gebruikt om EBITDA mee te vermenigvuldigen. Niet alleen is dit een andere waarde dan EB(I)T en is niet bekend uit de stukken wat EBITDA op dat moment inhield, maar ook zijn partijen niet tot overeenstemming gekomen. Gelet hierop, acht de rechtbank het niet redelijk om voor 1 januari 2012 uit te gaan van een multiplier die in maart 2014 als maximaal werd aangenomen bij de meest gunstige toekomstige marktregulering.

27. Omdat geen van beide partijen concrete feiten of omstandigheden heeft gesteld waaruit aannemelijk wordt dat de marktsituatie op 1 januari 2012 in significante mate afweek van die van maart 2014 en de regulering van de Nederlandse markt op dat moment nog lang op zich zou laten wachten, zal de rechtbank in goede justitie de multiplier bepalen op 4,5.

28. Uit het voorgaande blijkt dat bij de prijsbepaling in de onderhandelingen met [bedrijf K] , net als in de onderhandelingen met [bedrijf M] , de onzekerheid over de regulering van de Nederlandse online gokmarkt een belangrijke rol speelde. Die onzekerheid moet daarom geacht worden te zijn meegenomen in de prijs die [bedrijf K] heeft betaald. Daarom ziet de rechtbank geen aanleiding om vanwege deze onzekerheid nog extra waardedruk in aanmerking te nemen bij de bepaling van de WEV, zoals door eiser is bepleit.

29. Volgens eiser moet ook nog rekening worden gehouden met het waardedrukkend effect van de aanzienlijke navorderings- en naheffingsaanslagen in de vennootschapsbelasting, omzetbelasting, dividendbelasting en kansspelbelasting die verweerder heeft opgelegd bij [bedrijf F] en [bedrijf J] . Hoewel in beginsel bij de waardebepaling van een onderneming rekening zal worden gehouden met mogelijk omvangrijke belastingschulden, betreft het in dit geval belastingaanslagen die pas in oktober 2016 zijn vastgesteld. Eiser heeft niet gesteld dat deze belastingaanslagen op 1 januari 2012 al zodanig voorzienbaar waren voor een koper dat zij om die reden tot waardedruk zouden hebben geleid. Gelet hierop, heeft verweerder daarmee in redelijkheid dan ook geen rekening gehouden.

30. Verweerder heeft vervolgens als uitgangspunt genomen om ook de zichtbaar intrinsieke waarde (Zichtbaar IW) van de deelnemingen in aanmerking te nemen als onderdeel van de WEV. De Zichtbaar IW is de nettovermogenswaarde en bestaat uit het eigen vermogen zonder goodwill en inclusief het vastgestelde maar nog niet uitgekeerde dividend. Volgens verweerder blijkt uit het persbericht van [bedrijf K] en uit de op 8 juli 2019 nader ingediende stukken dat onderdeel van de verkooptransactie van 4 maart 2014 is geweest dat door middel van dividenduitkeringen op 25 februari 2014 en 3 maart 2014 een groot deel van het eigen vermogen uit de deelnemingen is gehaald. Daarnaast zijn van de [land 2] vennootschappen alleen de activa/passiva verkocht en zijn de aandelen dus in [bedrijf E] gebleven. Volgens verweerder rechtvaardigt dat dat de Zichtbaar IW bij de prijs van EBIT maal multiplier wordt opgeteld. De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan deze interpretatie van de feiten. Gelet hierop, acht de rechtbank het redelijk om de zichtbaar intrinsieke waarde mee te nemen bij de WEV. Want als tussen koper en verkoper is afgesproken dat de te verkopen vennootschap vóór de overdracht wordt "leeggehaald", dan zal de koper, zoals eiser terecht heeft gesteld, een lagere multiplier bedingen. Als het eigen vermogen intact zou zijn gelaten, dan zou een (nog) hogere multiplier logisch zijn.

31. Eiser heeft gesteld dat hij een minderheidsbelang had en dat zo'n belang minder waard is. Dit volgt volgens eiser ook uit de door verweerder overgelegde e-mails van de onderhandelingen met [bedrijf M] , waaruit blijkt dat het plan was om de "inactieve" aandeelhouders voor een lager bedrag uit te kopen door de actieve aandeelhouders. De rechtbank acht op zichzelf aannemelijk dat omstandigheden denkbaar zijn waarin minderheidsbelangen of belangen van "inactieve" aandeelhouders minder waard zijn dan een meerderheidsbelang of een belang van een "actieve" aandeelhouder. Eiser heeft echter zijn stelling, dat die omstandigheden zich in dit geval voordoen en van toepassing zijn op zijn minderheidsbelangen, tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerder niet concreet onderbouwd. Gelet hierop heeft verweerder met een eventuele waardedruk in redelijkheid geen rekening gehouden.

32. De conclusie is dat de schatting op één onderdeel na redelijk is. De rechtbank zal de schatting in goede justitie vaststellen door de multiplier te stellen op 4,5. De schatting kan voor het overige in stand blijven. Dit betekent het volgende:
















EBIT (jaarrekening 2011)


Multi-plier


Waarde


Zichtbaar IW


Bezit [bedrijf E]


Waarde [bedrijf E]





[bedrijf G]



13.120.321


4,5


59.041.444


7.548.686


25%


16.647.532





[bedrijf F] NV


2.356.593


4,5


10.604.668


4.175.422


33,33%


4.926.203





[bedrijf J] NV


157.686


4,5


709.587


769.708


25%


369.823






















21.943.558




Zichtbaar EV [bedrijf E]














11.272.210




Af: waardering deelneming














-/- 235.322




WEV [bedrijf E] per 01-01-2012















32.980.446




























Forfaitair voordeel (volledig jaar)











4%


1.319.217
























Forfaitair voordeel 11 maanden















1.209.282





Af: (aangegeven) werkelijk dividend














-/- 421.000




Correctie forfaitair voordeel [bedrijf E] NV 2012









788.282







33. Eiser heeft geen controleerbare gegevens overgelegd waaruit blijkt dat de WEV van [bedrijf E] lager is en heeft dus niet doen blijken dat – en in hoeverre – de uitspraak op bezwaar onjuist is.

34. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal de uitspraak op bezwaar vernietigen en de aanslag IB/PVV 2012 verminderen tot een berekend naar een inkomen uit aanmerkelijk belang van € 1.209.282 en een inkomen uit sparen beleggen van € 191.263.

35. Eiser heeft geen afzonderlijke beroepsgronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd, zodat het beroep inzake de beschikking belastingrente eveneens gegrond wordt verklaard en de belastingrente zal worden verminderd overeenkomstig de vermindering van de aanslag.


Redelijke termijn

36. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade voor de overschrijding van de redelijke termijn van artikel 6 EVRM.

37. Voor een uitspraak in eerste aanleg heeft te gelden dat deze niet binnen de redelijke termijn van artikel 6 EVRM is gedaan indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. In deze termijn is de duur van de bezwaarfase inbegrepen. In gevallen waarin de bezwaar- en beroepsfase tezamen onredelijk veel tijd in beslag hebben genomen heeft als regel te gelden dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt en de beroepsfase voor zover deze meer dan anderhalf jaar in beslag neemt. Als de redelijke termijn is overschreden, dient als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief te worden gehanteerd van € 500 per halfjaar dat die termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.

38. De redelijke termijn begint met de ontvangst van het bezwaarschrift. Dat was in deze zaak op 17 augustus 2017. Dat betekent dat de redelijke termijn is overschreden met naar boven afgerond een half jaar. De uitspraak op bezwaar is genomen op 13 februari 2018, zodat de overschrijding geheel aan de rechtbank is toe te rekenen. Dit betekent dat de Staat der Nederlanden (ministerie van Justitie en Veiligheid) zal worden veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding van € 500.


Proceskosten

39. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 2.044 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het telefonisch horen met een waarde per punt van € 254, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, en twee keer 0,5 punt voor het schriftelijk beantwoorden van vragen op verzoek van de rechtbank, met een waarde per punt van € 512 en een wegingsfactor 1).




Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het beroep gegrond;
 vernietigt de uitspraak op bezwaar;
 vermindert de aanslag IB/PVV 2012 tot een berekend naar een inkomen uit aanmerkelijk belang van € 1.209.282 en een inkomen uit sparen beleggen van € 191.263;
 vermindert de beschikking belastingrente dienovereenkomstig;
 veroordeelt de Staat (Ministerie van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van immateriële schade van € 500;
 veroordeelt verweerder tot vergoeding van de proceskosten van € 2.044;
 gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 46 vergoedt.










Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.W. van de Sande, voorzitter, mr. B.J. Zippelius en mr. J.J. Westerbaan, rechters, in tegenwoordigheid van mr. T.J.P. Wientjens, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:







griffier







voorzitter















Afschrift verzonden aan partijen op:
















Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.








Earnings before interest and taxes.


Hoge Raad 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083.


Hoge Raad 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184.


Hoge Raad 27 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0401.


Hoge Raad 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184.


Earnings before interest, taxes, deprecation and amortization.


Earnings before taxes.


Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.
Link naar deze uitspraak