Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Peter Houtsma)
ECLI:NL:RBZWB:2020:3668 
 
Datum uitspraak:06-08-2020
Datum gepubliceerd:06-08-2020
Instantie:Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zaaknummers:20/7341
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Buiten behandeling laten aanvraag voor een Nederlands paspoort voor zoon. Verzoek toegewezen.
Trefwoorden:burgerlijk wetboek
 
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/7341 WET VV

uitspraak van 6 augustus 2020 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen


[naam verzoeker], te [woonplaats verzoeker], verzoeker,
gemachtigde: mr. W.J. Eusman,

en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder.




Procesverloop
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 22 juni 2020 (bestreden besluit) van de minister, waarbij zijn aanvraag voor een Nederlands paspoort voor zijn zoon [naam zoon] buiten behandeling is gelaten. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 30 juli 2020. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door I.S. IJserinkhuijsen.



Overwegingen
1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verzoeker is gehuwd met [naam echtgenote]. Beiden hebben de Nederlandse nationaliteit. Op 4 juni 2020 heeft verzoeker bij de Nederlandse Ambassade te Kiev een Nederlands reisdocument aangevraagd voor zijn zoon [naam zoon], geboren te Kiev op 17 december 2019. [naam zoon] is geboren door middel van hoogtechnologisch draagmoederschap uit een Oekraïense draagmoeder. Verzoeker, zijn echtgenote en de draagmoeder hadden daartoe een draagmoederschapsovereenkomst gesloten.

Bij het bestreden besluit heeft de minister verzoeker kenbaar gemaakt dat zijn aanvraag niet in behandeling wordt genomen. De minister heeft daaraan ten grondslag gelegd dat [naam zoon] niet de Nederlandse nationaliteit bezit.

2. Verzoeker heeft in zijn bezwaarschrift toegelicht dat ingevolge het recht van Oekraïne de wensouders als ouders op de geboorteakte van [naam zoon] zijn vermeld, nadat is vastgesteld door de Oekraïense ambtenaar van de burgerlijke stand dat er sprake was van draagmoederschap in de zin van artikel 132, tweede lid, van het Oekraïens Wetboek van Familierecht. Zij hebben ook toegelicht dat [naam zoon] geen Oekraïens paspoort kan krijgen, omdat hij naar Oekraïens recht niet de Oekraïense nationaliteit heeft. Naar Oekraïens recht ontstaat er volgens verzoeker bij hoogtechnologisch draagmoederschap geen familierechtelijke betrekking tussen het kind en de draagmoeder.

Verzoeker heeft aangevoerd dat de minister ten onrechte Boek 1 (artikel 1:198) van het Burgerlijk Wetboek (BW) als vertrekpunt heeft genomen. Het startpunt ligt volgens verzoeker in Boek 10, meer specifiek artikel 10:101, eerste lid, juncto artikel 10:100, eerste lid, onder b en c, tweede en derde lid. Verzoeker stelt dat hij en zijn echtgenote niet alleen de wensouders zijn van [naam zoon], maar ook zijn genetische ouders. Verzoeker stelt vast dat kennelijk niet in geschil is dat sprake is van door een bevoegde instantie overeenkomstig de plaatselijke voorschriften opgemaakte geboorteakte of dat er sprake is van behoorlijk onderzoek of behoorlijke rechtspleging voorafgaand. Verzoeker stelt voorts dat de minister hem ten onrechte ‘strijd met de openbare orde’ heeft tegengeworpen. Verzoeker stelt zich in dat verband op het standpunt dat de openbare-orde-exceptie niet te snel mag worden ingezet om rechtsverhoudingen uit vreemde staten buiten de deur te houden. Er moet echt iets aan de hand zijn met de buitenlandse rechtsverhouding, wil de openbare orde daartegen kunnen worden ingezet, aldus verzoeker. Hij wijst in dat verband ook op de verschuivingen in Nederlandse wetgeving en rechtspraak.

Verzoeker heeft aangevoerd dat hij meent dat de identiteit en nationaliteit van [naam zoon] voldoende vaststaan om hem een Nederlands reisdocument te verstrekken. Hij heeft daarbij aangegeven dat hij, zo spoedig als voor hem mogelijk is, een procedure bij de rechtbank zal starten teneinde zijn juridisch vaderschap te laten vaststellen. Die procedure duurt echter ten minste negen maanden, en zo lang kan [naam zoon] niet in Oekraïne blijven. Hij heeft de voorzieningenrechter daarom verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening een nooddocument voor [naam zoon] te verstrekken, dan wel om de minister te bevelen een nooddocument te verstrekken. Daarbij heeft verzoeker ook nog toegelicht dat hij en zijn echtgenote zich ernstig zorgen maken over de gezondheid van [naam zoon], omdat hij te weinig drinkt en zijn groei daardoor achter blijft. Daarnaast heeft verzoeker gewezen op de complicaties en gevolgen van de maatregelen die in Oekraïne zijn getroffen vanwege COVID-19. Verzoekers hebben in Kiev bij het Medical Genetic Centra Mama Papa DNA-testen laten uitvoeren, waarmee zij de verwantschap tussen hen en [naam zoon] willen onderbouwen. Zij hebben de resultaten van die DNA-testen overgelegd.

3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4. De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit doorgaans een belangrijke rol speelt. Echter, gezien de complexe aard van het inhoudelijke geschil ziet de voorzieningenrechter aanleiding zich te beperken tot een op de zaak toegesneden belangenafweging en aan de hand daarvan te beoordelen of onverwijlde spoed het treffen van een voorlopige voorziening vereist.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.

5. In artikel 3, eerste lid, van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) is bepaald dat bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, de belangen van het kind de eerste overweging vormen.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van het IVRK wordt het kind onmiddellijk na de geboorte ingeschreven en heeft vanaf de geboorte het recht op een naam, het recht een nationaliteit te verwerven en, voor zover mogelijk, het recht zijn of haar ouders te kennen, en door hen te worden verzorgd.

Ingevolge artikel 7, tweede lid, van het IVRK waarborgen de Staten die partij zijn de verwezenlijking van deze rechten in overeenstemming met hun nationale recht en hun verplichtingen krachtens de desbetreffende internationale akten op dit gebied, in het bijzonder wanneer het kind anders staatloos zou zijn.

6. De minister heeft in zijn verweerschrift toegelicht dat de Paspoortwet geen ruimte biedt voor een belangenafweging, waaronder de belangen van het kind, aangezien de Paspoortwet bepaalt dat alleen Nederlanders recht hebben op een nationaal paspoort. De minister heeft daarbij gewezen op de Memorie van Toelichting bij de Paspoortwet (Kamerstukken II, 20 393 (R 1343), nr. 3), en het daarin verwoorde grote belang bij het behoud van het vertrouwen in de Nederlandse reisdocumenten in het internationale verkeer, met name vanwege de onmisbare rol die deze documenten vervullen als een bewijs op het eerste gezicht van identiteit en nationaliteit.

De echtgenote van verzoeker verblijft thans met [naam zoon] in Oekraïne. De voorzieningenrechter stelt vast dat het belang van verzoeker in eerste instantie is gelegen in het samen kunnen (terug)reizen naar Nederland van zijn echtgenote en hun zoon om thuis als gezin te kunnen samenleven en om vanuit die situatie vervolgens de noodzakelijke (civielrechtelijke) procedures te doorlopen. Tussen partijen is niet in geschil dat dat belang voor verzoekers groot en spoedeisend is. Om die reis te kunnen maken hebben zij een (tijdelijk) reisdocument voor [naam zoon] nodig. Een nooddocument als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder f, juncto artikel 15, tweede lid, van de Paspoortwet in de vorm van een ‘laissez-passer’ als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder b, van de Paspoortuitvoeringsregeling Buitenland 2001 zou daarvoor volstaan, zo is ter zitting besproken. De minister heeft in het verweerschrift toegelicht dat een dergelijk document onder voorwaarden ook aan vreemdelingen kan worden verstrekt. De minister heeft daarbij de kanttekening geplaatst dat alleen de rechter kan opdragen aan een vreemdeling zonder rechtmatig verblijf in Nederland een laissez-passer te verstrekken. Ter zitting is gebleken dat daartegen bij de minister geen grote bezwaren bestaan.

De minister heeft in zijn verweerschrift vraagtekens geplaatst bij de juridische status van de DNA-testen die zijn uitgevoerd en de rechtsgeldigheid van de resultaten daarvan, omdat de testen niet zijn uitgevoerd door een geaccrediteerd laboratorium. Ter zitting heeft de minister evenwel toegelicht dat er geen concrete aanwijzingen zijn dat in het kader van deze voorlopige voorzieningenprocedure moet worden getwijfeld aan de genetische verwantschap. Niet in geschil is dat [naam zoon] sinds zijn geboorte met verzoeker en/of zijn echtgenote in Kiev verblijft en door hen wordt verzorgd, maar dat deze situatie niet nog langdurig is vol te houden. In het bezwaarschrift en ter zitting is toegelicht dat [naam zoon] op grond van de Oekraïense wetgeving ook niet de Oekraïense nationaliteit kan krijgen, en dat hij dus op dit moment staatloos is. De voorzieningenrechter acht het niet in het belang van [naam zoon] dat hij als staatloos burger zonder de verzorging door verzoekers in Oekraïne zou moeten achterblijven. Ter zitting is ook gebleken dat partijen het erover eens zijn dat het slechts een kwestie van tijd is dat [naam zoon] officieel het Nederlanderschap verkrijgt. Aan de intentie van verzoeker om zo spoedig als mogelijk een procedure te starten om naar Nederlands recht zijn juridisch vaderschap te laten vaststellen wordt niet getwijfeld. Ook daarvoor is het van belang dat verzoeker en [naam zoon] op Nederlands grondgebied verblijven, zo is ter zitting besproken. De voorzieningenrechter is op basis van het voorgaande van oordeel dat er een aantoonbare humanitaire noodzaak is voor [naam zoon] om te reizen.

7. Gezien het vorenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus toe en zal de minister opdragen om binnen twee weken na verzending van deze uitspraak een laissez-passer (althans een nooddocument als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder f, van de Paspoortwet) af te geven ten behoeve van [naam zoon], geboren te Kiev op 17 december 2019, op grond waarvan hij tijdelijk op Nederlands grondgebied mag verblijven.

8. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, dient de minister aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht te vergoeden.

De voorzieningenrechter veroordeelt de minister in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,= (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525,= en wegingsfactor 1).



Beslissing
De voorzieningenrechter:


wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe in die zin dat de minister wordt opgedragen om [naam zoon], geboren te Kiev op 17 december 2019, binnen twee weken na verzending van deze uitspraak een nooddocument te vertrekken op grond waarvan hij Nederland kan inreizen en tijdelijk op Nederlands grondgebied mag verblijven;


draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 178,= aan verzoeker te vergoeden;


veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.050,=.



Deze uitspraak is gedaan door mr. M.Z.B. Sterk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, op 6 augustus 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is niet in de gelegenheid om deze uitspraak mede te ondertekenen.





voorzieningenrechter


Afschrift verzonden aan partijen op:




Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Link naar deze uitspraak