Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Peter Houtsma)
ECLI:NL:RBZWB:2020:3669 
 
Datum uitspraak:06-08-2020
Datum gepubliceerd:06-08-2020
Instantie:Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zaaknummers:20/7379
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Buiten behandeling laten aanvraag voor een Nederlands paspoort voor zoon. Verzoek toegewezen.
Trefwoorden:burgerlijk wetboek
 
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/7379 WET VV

uitspraak van 6 augustus 2020 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen


[naam verzoeker 1] en [naam verzoeker 2], te [woonplaats verzoekers], verzoekers,
gemachtigde: mr. M.M. Schoots,

en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder.




Procesverloop
Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen het besluit van 23 juni 2020 (bestreden besluit) van de minister, waarbij hun aanvraag voor een Nederlands paspoort voor hun zoon [naam zoon] buiten behandeling is gelaten. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 30 juli 2020. Verzoekers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door I.S. IJserinkhuijsen.



Overwegingen
1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verzoekers zijn met elkaar gehuwd en hebben beiden de Nederlandse nationaliteit. Op 22 juni 2020 hebben verzoekers bij de Nederlandse Ambassade te Tbilisi (Georgië) een Nederlands reisdocument aangevraagd voor hun zoon [naam zoon], geboren te Tbilisi op 27 mei 2020. [naam zoon] is geboren door middel van hoogtechnologisch draagmoederschap uit een Georgische draagmoeder. Verzoekers en de draagmoeder hadden daartoe een draagmoederschapsovereenkomst gesloten.

Bij het bestreden besluit heeft de minister verzoekers kenbaar gemaakt dat hun aanvraag niet in behandeling wordt genomen. De minister heeft daaraan ten grondslag gelegd dat de identiteit en de Nederlandse nationaliteit van [naam zoon] niet kan worden vastgesteld.

2. Verzoekers hebben aangevoerd dat de minister hun aanvraag in strijd met het recht en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur buiten behandeling heeft gelaten. Verzoekers hebben verwezen naar internationale wetgeving en jurisprudentie en een aangekondigde wijziging van de Nederlandse wetgeving voor draagmoederschap. Verzoekers betwisten voorts dat [naam zoon] niet over de Nederlandse nationaliteit beschikt. Verzoekers hebben toegelicht dat [naam verzoeker 2] zijn zoon na de geboorte heeft erkend in Georgië op 19 juni 2020 en stellen dat hij sindsdien als juridisch vader van [naam zoon] kan worden aangemerkt op grond van artikel 1:199 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dat betekent volgens hen dat [naam zoon] op grond van artikel 4, lid 4, van de Rijkswet op het Nederlanderschap over de Nederlandse nationaliteit beschikt. Verzoekers geven aan dat, zodra [naam zoon] met hen in Nederland is, de vader de rechtbank zal vragen om de geboortegegevens van [naam zoon] (correct) vast te stellen en dat hij zo nodig [naam zoon] opnieuw zal erkennen. Verder hebben verzoekers een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel.
Verzoekers hebben een rapport van verwantschapsonderzoek van Verilabs van 3 juli 2020 overgelegd, waarin is geconcludeerd dat het praktisch bewezen is dat verzoekers de biologische ouders zijn van [naam zoon].

Verzoekers hebben aangevoerd dat zij een spoedeisend belang hebben bij hun verzoek om een voorlopige voorziening. Tussen hen en [naam zoon] is sprake van ‘family-life’. Het gezin verblijft thans in een vreemd land, zonder sociaal netwerk en hulp van vrienden of familie. Verzoekers vinden dat [naam zoon] het recht heeft om verzorgd te worden door zijn beide ouders in Nederland. Ook dient [naam zoon] zo spoedig mogelijk in Nederland onderzocht en behandeld te worden voor schisis. Zij hebben de voorzieningenrechter daarom verzocht om de minister op te dragen binnen 48 uur na verzending van de uitspraak een paspoort, althans noodpaspoort, althans laissez-passer te verstrekken ten behoeve van hun zoon [naam zoon], geboren te Tbilisi op 27 mei 2020.

3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4. De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit doorgaans een belangrijke rol speelt. Echter, gezien de complexe aard van het inhoudelijk geschil ziet de voorzieningenrechter aanleiding zich te beperken tot een op de zaak toegesneden belangenafweging en aan de hand daarvan te beoordelen of onverwijlde spoed het treffen van een voorlopige voorziening vereist.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.

5. In artikel 3, eerste lid, van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) is bepaald dat bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, de belangen van het kind de eerste overweging vormen.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van het IVRK wordt het kind onmiddellijk na de geboorte ingeschreven en heeft vanaf de geboorte het recht op een naam, het recht een nationaliteit te verwerven en, voor zover mogelijk, het recht zijn of haar ouders te kennen, en door hen te worden verzorgd.

Ingevolge artikel 7, tweede lid, van het IVRK waarborgen de Staten die partij zijn de verwezenlijking van deze rechten in overeenstemming met hun nationale recht en hun verplichtingen krachtens de desbetreffende internationale akten op dit gebied, in het bijzonder wanneer het kind anders staatloos zou zijn.

6. De minister heeft in zijn verweerschrift toegelicht dat de Paspoortwet geen ruimte biedt voor een belangenafweging, waaronder de belangen van het kind, aangezien de Paspoortwet bepaalt dat alleen Nederlanders recht hebben op een nationaal paspoort. De minister heeft daarbij gewezen op de Memorie van Toelichting bij de Paspoortwet (Kamerstukken II, 20 393 (R 1343), nr. 3), en het daarin verwoorde grote belang bij het behoud van het vertrouwen in de Nederlandse reisdocumenten in het internationale verkeer, met name vanwege de onmisbare rol die deze documenten vervullen als een bewijs op het eerste gezicht van identiteit en nationaliteit.

Verzoekers verblijven thans met hun zoon in Georgië. De voorzieningenrechter stelt vast dat het belang van verzoekers in eerste instantie is gelegen in het samen kunnen (terug)reizen naar Nederland om daar thuis als gezin te kunnen samenleven en om vanuit die situatie vervolgens de noodzakelijke (civielrechtelijke) procedures te doorlopen. Tussen partijen is niet in geschil dat dat belang voor verzoekers groot en spoedeisend is. Om die reis te kunnen maken hebben zij een (tijdelijk) reisdocument voor [naam zoon] nodig. Een nooddocument als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder f, juncto artikel 15, tweede lid, van de Paspoortwet in de vorm van een ‘laissez-passer’ als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder b, van de Paspoortuitvoeringsregeling Buitenland 2001 zou daarvoor volstaan, zo is ter zitting besproken. De minister heeft in het verweerschrift ook toegelicht dat een dergelijk document onder voorwaarden ook aan vreemdelingen kan worden verstrekt. De minister heeft daarbij de kanttekening geplaatst dat alleen de rechter kan opdragen aan een vreemdeling zonder rechtmatig verblijf in Nederland een laissez-passer te verstrekken. Ter zitting is gebleken dat daartegen bij de minister geen grote bezwaren bestaan.

Aan de verwantschap tussen verzoekers en hun zoon wordt door de minister niet getwijfeld nu die verwantschap is onderbouwd met een door Verilabs uitgevoerd verwantschapsonderzoek. Niet in geschil is dat [naam zoon] sinds zijn geboorte met verzoekers in Tbilisi verblijft en door hen wordt verzorgd, maar dat deze situatie niet nog langdurig is vol te houden. Ter zitting is toegelicht dat [naam zoon] op grond van de Georgische wetgeving ook niet de Georgische nationaliteit kan krijgen, en dat hij dus op dit moment staatloos is. Het is niet in het belang van [naam zoon] dat hij als staatloos burger zonder de verzorging door verzoekers in Georgië zou moeten achterblijven. De voorzieningenrechter betrekt bij haar belangenafweging ook dat [naam verzoeker 2] zijn zoon in Georgië heeft erkend op 19 juni 2020. Ter zitting is ook gebleken dat partijen het erover eens zijn dat het slechts een kwestie van tijd is dat [naam zoon] officieel het Nederlanderschap verkrijgt. Civielrechtelijke procedures zijn door verzoekers al in gang gezet, maar ook daarvoor is het van belang dat verzoekers en [naam zoon] op Nederlands grondgebied verblijven. Daarbij komt het belang van verzoekers om spoedig in Nederland het medisch traject op te kunnen starten ter behandeling van de schisis van [naam zoon]. De voorzieningenrechter is op basis van het voorgaande van oordeel dat er een aantoonbare humanitaire noodzaak is voor [naam zoon] om te reizen.

7. Gezien het vorenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus toe en zal de minister opdragen om binnen twee weken na verzending van deze uitspraak een laissez-passer (althans een nooddocument als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder f, van de Paspoortwet) af te geven ten behoeve van [naam zoon], geboren te Tbilisi op 27 mei 2020, op grond waarvan hij tijdelijk op Nederlands grondgebied mag verblijven.

8. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, dient de minister aan verzoekers het door hen betaalde griffierecht te vergoeden.

De voorzieningenrechter veroordeelt de minister in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,= (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525,= en wegingsfactor 1).



Beslissing
De voorzieningenrechter:


wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe in die zin dat de minister wordt opgedragen om [naam zoon], geboren te Tbilisi op 27 mei 2020, binnen twee weken na verzending van deze uitspraak een nooddocument te verstrekken op grond waarvan hij Nederland kan inreizen en tijdelijk op Nederlands grondgebied mag verblijven;


draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 178,= aan verzoekers te vergoeden;


veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van € 1.050,=.



Deze uitspraak is gedaan door mr. M.Z.B. Sterk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, op 6 augustus 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is niet in de gelegenheid om deze uitspraak mede te ondertekenen.





voorzieningenrechter


Afschrift verzonden aan partijen op:




Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Link naar deze uitspraak