Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Peter Houtsma)
ECLI:NL:CRVB:2021:451 
 
Datum uitspraak:24-02-2021
Datum gepubliceerd:05-03-2021
Instantie:Centrale Raad van Beroep
Zaaknummers:18/2852 WIA
Rechtsgebied:Socialezekerheidsrecht
Indicatie:Beëindiging WIA-uitkering. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het bestreden besluit op een juiste medische grondslag berust en dat de medische beperkingen van appellant juist zijn vastgelegd in de FML van 17 januari 2017. Geen benoeming van een onafhankelijk deskundige. Uitgaande van de juistheid van de beperkingen zoals neergelegd in de FML wordt met de rechtbank geoordeeld dat de in de geduide functies voorkomende belasting de belastbaarheid van appellant niet overschrijdt en appellant in staat moet worden geacht deze functies te vervullen.
Trefwoorden:bijstandsuitkering
uitkering
 
Uitspraak
182852 WIA

Datum uitspraak: 24 februari 2021

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer









Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
20 april 2018, 17/5072 (aangevallen uitspraak)





Partijen:


[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)


PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D. Gürses, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 februari 2021. Namens appellant is verschenen mr. Gürses. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.J.M.M. de Poel, die door middel van videobellen heeft deelgenomen aan de zitting.



OVERWEGINGEN


1.1.
Nadat appellant per 1 september 2014 minder dan 35% arbeidsongeschikt is geacht in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), is hij vanaf
3 november 2014 werkzaam geweest als productiemedewerker voor 33,56 uur per week. Appellant is ten gevolge van psychische klachten op 5 maart 2015 uitgevallen voor zijn werk.



1.2.
Appellant heeft op 22 november 2016 een aanvraag op grond van de Wet WIA ingediend. In dit kader heeft appellant op 17 januari 2017 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft vastgesteld dat appellant per 5 maart 2015 is uitgevallen met dezelfde klachten als waarvoor hij eerder beoordeeld werd voor de Wet WIA. Omdat hij is geaccepteerd voor de Ziektewet vanwege toegenomen klachten, moet appellant vanaf die datum als tijdelijk arbeidsongeschikt worden beschouwd. Verder heeft de verzekeringsarts vastgesteld dat appellant met ingang van de datum van het spreekuur van 17 januari 2017 belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die hij heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 17 januari 2017. Een arbeidsdeskundige heeft op basis van deze FML vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor het laatstelijk verrichte werk. Hij heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 19,26% .



1.3.
Bij besluit van 6 februari 2017 heeft het Uwv aan appellant met ingang van
5 maart 2015 tot en met 4 september 2017 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend.



1.4.
Bij besluit van 7 februari 2017 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant na afloop van de loongerelateerde WGA-uitkering met ingang van 5 september 2017 geen recht meer heeft op een WIA-uitkering, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 13 juli 2017 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van 17 mei 2017, 14 juni 2017 en 12 juli 2017 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een rapport van 6 juli 2017 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. De rechtbank heeft zelf in de zaak voorzien door vast te stellen dat de WIA-uitkering wordt beëindigd per
14 september 2017. Hiertoe heeft de rechtbank het volgende overwogen.



2.1.
Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft op voldoende zorgvuldige wijze plaatsgevonden. Hetgeen appellant in beroep heeft aangevoerd, geeft geen reden het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voor onjuist te houden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft rekening gehouden met de verkregen informatie van de huisarts van 10 mei 2017 en van de behandelaars van I-psy van 3 juli 2017. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gemotiveerd toegelicht dat met alle informatie rekening is gehouden en dat er geen redenen zijn om het medisch oordeel te wijzigen. De rechtbank kan het standpunt van appellant, dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn psychische klachten, dan ook niet volgen. Uitgaande van de juistheid van de FML ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de belasting van de voorgehouden functies de mogelijkheden van appellant overschrijdt. De mate van arbeidsongeschiktheid is volgens de rechtbank terecht bepaald op minder dan 35%.



2.2.
Verder heeft de rechtbank vastgesteld dat de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geduide vervangende functies niet binnen dezelfde sbc-codes als de in bezwaar vervallen functies liggen. Gelet op vaste jurisprudentie van de Raad moet bij het duiden van nieuwe functies een zogenoemde aanzegtermijn van twee maanden in acht worden genomen. Omdat het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep met het bestreden besluit op 13 juli 2017 aan appellant is toegezonden, kan de WIA-uitkering van appellant niet voor 14 september 2017 worden beëindigd.



3.1.
Het hoger beroep van appellant ziet op de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij de WIA-uitkering met ingang van 14 september 2017 wordt beëindigd. Appellant heeft in hoger beroep zijn beroepsgrond gehandhaafd dat bij de beoordeling onvoldoende rekening is gehouden met zijn psychische klachten. De door de behandelaars aangegeven beperkingen zijn door het Uwv onvoldoende vertaald naar beperkingen in de FML. Appellant heeft in dit kader verwezen naar de brief van de huisarts van 10 mei 2017, waarin de huisarts heeft vermeld dat appellant bij hem bekend is met een forse depressie en dat appellant zijns inziens niet kan werken. De huisarts gaf al in 2013 aan dat bij appellant sprake is van forse depressieve klachten met woede-uitbarstingen. De vermoeidheid van appellant, die wordt veroorzaakt door zijn slaapstoornis, algehele lichamelijke conditie en depressieve stoornis, is door de verzekeringsartsen onderschat. Appellant is aangewezen op een urenbeperking van minstens vier uur per dag. Gelet op zijn beperkingen kan appellant de geduide functies niet verrichten. De toelichting bij de functies is onvoldoende en niet inzichtelijk. Appellant verzoekt om benoeming van een onafhankelijk deskundige. Volgens appellant is er geen sprake van wapengelijkheid in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Appellant heeft ook geen financiële middelen om een deskundige in te schakelen, aangezien hij slechts een bijstandsuitkering ontvangt. Appellant heeft ter onderbouwing van zijn stellingen nog informatie van een behandelend psycholoog van 1 juli 2019 overgelegd.



3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.



4.1.
Voor de relevante wetgeving wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak.



4.2.
In geschil is de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in de zin van de Wet WIA per 17 januari 2017 terecht heeft vastgesteld op minder dan 35% en de WIA-uitkering van appellant terecht met ingang van 14 september 2017 is beëindigd. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het Uwv voldoende beperkingen heeft aangenomen in verband met de psychische klachten van appellant.



4.3.
In zijn uitspraak van 30 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2226, heeft de Raad, gelet op het arrest Korošec, de uitgangspunten uiteengezet voor de toetsing door de bestuursrechter van de beoordeling door de artsen van het Uwv. Dat leidt in dit geding tot het volgende.



4.4.
Er is geen reden om aan te nemen dat appellant belemmeringen heeft ondervonden bij de onderbouwing van zijn standpunt dat het Uwv zijn beperkingen heeft onderschat.
Appellant heeft voldoende ruimte gehad om daartoe medische stukken in te dienen. Die ruimte heeft hij ook benut in de procedure bij het Uwv, door medische informatie over te leggen van onder meer zijn huisarts van 10 mei 2017 en van zijn behandelend psychologen van 13 oktober 2016 en 3 juli 2017. Ook heeft appellant een medisch rapport van psychiater Kaymaz, werkzaam bij Ergatis, van 2 augustus 2016 ingebracht. Deze stukken bevatten relevante informatie over de psychische klachten van appellant omstreeks de datum in geding en zijn naar hun aard geschikt om twijfel te zaaien over de beoordeling door het Uwv. Het is niet aannemelijk dat medische informatie heeft ontbroken waardoor de rechter geen goed beeld van de beperkingen van appellant heeft kunnen krijgen. Uit de rapporten van de verzekeringsartsen volgt dat alle in het dossier aanwezige medische informatie kenbaar bij de beoordeling is betrokken. Er is daarom geen sprake van schending van het beginsel van equality of arms en geen aanleiding om op die grond een deskundige in te schakelen. Gelet hierop kan het door appellant in dit kader gestelde financiële onvermogen buiten beschouwing worden gelaten, vergelijk de uitspraak van de Raad van 27 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3457.



4.5.
Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het bestreden besluit op een juiste medische grondslag berust en dat de medische beperkingen van appellant juist zijn vastgelegd in de FML van 17 januari 2017. De verzekeringsartsen zijn bij hun beoordeling op grond van de informatie van de behandelend psychologen van Ipsy van 13 oktober 2016 en 3 juli 2017 en de gegevens in het rapport van psychiater Kaymaz van 2 augustus 2016 terecht uitgegaan van een matig ernstige depressie. De psychische klachten van appellant zijn onderkend en bij het vaststellen van de beperkingen in de FML is hiermee rekening gehouden. Er zijn in de FML diverse en ruime beperkingen openomen in rubriek 1 (persoonlijk functioneren) en rubriek 2 (sociaal functioneren). Naast deze beperkingen heeft de verzekeringsarts vanwege de psychische problematiek van appellant ook aanleiding gezien om in de rubriek werktijden een beperking op te nemen voor avond- en nachtdiensten, sterk wisselende diensten en veelvuldig overwerk. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voldoende gemotiveerd dat geen grond bestaat voor het aannemen van aanvullende beperkingen omdat daarvoor medische aanknopingspunten ontbreken. De informatie van de huisarts van 10 mei 2017, die eveneens door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn beoordeling is betrokken, leidt gelet op de informatie van de behandelend psychologen en het rapport van psychiater Kaymaz niet tot een ander oordeel. De brief van de behandelend psycholoog van 1 juli 2019 bevat geen nieuwe medische informatie met betrekking tot de datum in geding.



4.6.
Nu geen twijfel bestaat over de juistheid van de medische beoordeling door het Uwv, wordt evenmin op deze grond aanleiding gezien voor de benoeming van een onafhankelijk deskundige.




4.7.
Uitgaande van de juistheid van de beperkingen zoals neergelegd in de FML van
17 januari 2017 wordt met de rechtbank geoordeeld dat de in de geduide functies voorkomende belasting de belastbaarheid van appellant niet overschrijdt en appellant in staat moet worden geacht deze functies te vervullen. Daartoe wordt gewezen op de toelichting op de signaleringen bij de functies in de rapporten van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 6 juli 2017 en 24 oktober 2017.



4.8.
Uit 4.2 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd voor zover aangevochten.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.





BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.


Deze uitspraak is gedaan door M. Schoneveld, in tegenwoordigheid van A.M.M. Chevalier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2021.



(getekend) M. Schoneveld



(getekend) A.M.M. Chevalier
Link naar deze uitspraak