Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Peter Houtsma)
ECLI:NL:RBNNE:2021:5105 
 
Datum uitspraak:28-10-2021
Datum gepubliceerd:02-12-2021
Instantie:Rechtbank Noord-Nederland
Zaaknummers:9278077 AR VERZ 21-53
Rechtsgebied:Arbeidsrecht
Indicatie:Verzoek werkgever tot ontbinding arbeidsovereenkomst gegrond op artikel 7:669 lid 3 sub e en g en i BW afgewezen. Geen sprake van verwijtbaar handelen. Geen duurzaam verstoorde arbeidsverhouding. Geen i-grond. Werknemer is ziek. Verwijten komen grotendeels niet vast te staan. Werkgever is zeer voortvarend te werk gegaan. Gesprekken zijn gevoerd met interim leidinggevende die inmiddels is vertrokken. Kantonrechter ziet niet in dat er geen enkel zicht is op verbetering van de onderlinge relatie.
Trefwoorden:arbeidsovereenkomst
burgerlijk wetboek
vaststellingsovereenkomst
 
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling Privaatrecht

Locatie Groningen

zaak-/rolnummer: 9278077 \ AR VERZ 21-53



Beschikking van de kantonrechter d.d. 28 oktober 2021



inzake


de stichting

STICHTING VOORTGEZET ONDERWIJS EEMSDELTA,
gevestigd te Delfzijl,
verzoekster,
gemachtigde: mr. A.H.M. Agbakuru-van Bavel,


tegen




[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,
verweerster.
gemachtigde: mr. G.G.A.J.M. van Poppel en mr. N.I. van Schaik.

Partijen zullen hierna De Stichting en [gedaagde] worden genoemd.



Het procesverloop


De Stichting heeft bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 14 juni 2021, verzocht de tussen haar en [gedaagde] bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden, primair op grond van verwijtbaar handelen of nalaten, subsidiair op grond van een verstoorde arbeidsverhouding en meer subsidiair op grond van een combinatie van omstandigheden.

Het verweerschrift van [gedaagde] is ter griffie binnengekomen op 10 september 2021.

De mondelinge behandeling heeft, nadat een eerdere geplande behandeling op verzoek van [gedaagde] is aangehouden, plaatsgevonden op 23 september 2021. Namens De Stichting zijn [naam A] (voorzitter van het College van Bestuur), [naam B] (interim-directeur van het Theda Mansholt Collega) en [naam C] (voormalig interim leidinggevende van het Theda Mansholt Collega) samen met mr. Agbakuru-van Bavel ter zitting verschenen. [gedaagde] is samen met mr. Van Schaik en mr. Van Poppel ter zitting verschenen. Van het behandelde ter zitting zijn aantekeningen gemaakt. Beide gemachtigden hebben het standpunt van hun cliënte toegelicht aan de hand van pleitnotities. Nadat partijen er niet in waren geslaagd een schikking te bereiken is de behandeling gesloten en is de procedure tot en met 30 september 2021 aangehouden zodat [gedaagde] een brief van het UWV in het geding kon brengen en partijen eventueel in gesprek konden gaan om tot een regeling te komen. [gedaagde] heeft de betreffende brief van het UWV op 27 september 2021 in het geding gebracht. Nadat De Stichting kenbaar heeft gemaakt dat er naar aanleiding van de hiervoor genoemde brief geen mogelijkheid is om alsnog een regeling te treffen, is beschikking bepaald op heden.




1Feiten


1.1.

[gedaagde] , geboren op [geboortedatum] 1957, is sinds [datum] 2009 in dienst bij De Stichting, laatstelijk in de functie van Technisch Onderwijsassistent biologie (hierna: TOa), tegen een brutosalaris van € 1.840,00 per maand voor 0,600ft per week, exclusief 8% vakantiebijslag en eindejaarsuitkering. [gedaagde] volgt sinds 2017 een parttime studie om biologiedocent te worden en zij moet de studiepunten voor het vierde en tevens laatste jaar nog behalen.



1.2.
De Stichting houdt vier middelbare scholen in stand in de regio Eemsdelta. Het gaat om de Rutger Koplandschool, het Theda Mansholt College, het Rudolph Pabus Cleberinga Lyceum en de George Martens School. De scholen zijn gevestigd in de regio Delfzijl, Appingedam, en Siddeburen. [gedaagde] is sinds 2009 werkzaam op het Theda Mansholt College (hierna: TMC).



1.3.

[naam A] is de voorzitter van het het College van Bestuur van De Stichting. De individuele, hiervoor genoemde scholen worden aangestuurd door twee directeuren. Iedere directeur heeft twee scholen onder zich. De teamleiders vallen als direct leidinggevende direct onder de directeur.



1.4.
In december 2019 is een collega van [gedaagde] , de heer [naam D] , plotseling overleden. In het voorjaar van 2020 is een collega van [gedaagde] , de heer [gedaagde] , aan de gevolgen van het Corona-virus overleden.



1.5.

[naam B] is sinds 1 juni 2020 tot 1 augustus 2021 aangesteld als interim- directeur van het TMC. [naam C] is sinds 1 juni 2020 tot 1 augustus 2021 aangesteld als tijdelijk direct leidinggevende. [naam C] is de leidinggevende van [gedaagde] .



1.6.

[gedaagde] is vanaf augustus 2020 op haar eigen verzoek gedetacheerd bij twee andere scholen als docent biologie.



1.7.
Op 20 augustus 2020 heeft TMC aan [gedaagde] een e-mail gestuurd waarin onder meer staat dat het lokaal a104 zal worden gebruikt als vergaderruimte. In deze ruimte heeft [gedaagde] haar practica-werkzaamheden uitgevoerd. Het lokaal grenst direct aan de werkruimte van [gedaagde] waar haar belangrijke en persoonlijke spullen staan.



1.8.
Op 21 augustus 2020 heeft [gedaagde] gereageerd op de e-mail en zij geeft in haar reactie onder meer aan dat zij enkel wilde worden gedetacheerd als zij onder dezelfde omstandigheden kon terugkeren. Ook geeft zij aan dat er geen overleg is gevoerd en uit zij haar gevoelens en geeft zij aan er doodziek van te zijn, boos, vol emotie zit en zich een deurmat te voelen.



1.9.
Tussen [naam C] en [gedaagde] heeft er op 3 september 2020 een kennismakingsgesprek plaatsgevonden. Afgesproken is dat [naam C] en [gedaagde] tijdens de detachering elke twee weken telefonisch contact zouden hebben. Tevens heeft [naam C] verzocht om teruggave van de sleutels van lokaal a104.


1.10.
Op 17 september 2020 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen [gedaagde] (hierna ook: [gedaagde] ) enerzijds en [naam C] (hierna ook: [naam C] ), [naam B] (hierna ook: [naam B] ) en mevrouw [naam E] (werkzaam op de p&o afdeling) anderzijds. In het gesprekverslag staat onder meer het volgende:

"(…) [naam C] noemt de drie onderwerpen die zij wil bespreken in dit gesprek namelijk:

 Stand van zaken detachering naar Dollard College Woldendorp en Ubbo Emmius
 Sleutel van lokaal/biologie kasten
 Het gesprek van 3 september 2020 (…)


[naam B] heeft gevraagd waar [gedaagde] bang voor is, en dat hij zich zorgen maakt want veiligheid is belangrijk op de werkvloer. [naam B] herkent een patroon vanuit eerdere gesprekken, waarin [gedaagde] praat over onveiligheid maar daar niet op in wil gaan. [naam B] vraagt wat we kunnen doen om ervoor te zorgen dat het vertrouwen weer terugkomt en geeft aan dat we bereid zijn om hulp te bieden op dat punt. [gedaagde] geeft aan dat zij eerst in gesprek wil met een extern persoon (vertrouwenspersoon of bedrijfsmaatschappelijk werker) voordat zij er verder op in gaat. (…)



Afspraken





[gedaagde] zoekt uit wat het perspectief is na de herfstvakantie bij de scholen waar ze nu gedetacheerd is.




Voordat de werkzaamheden weer worden hervat op TMC vindt er een startgesprek plaats met de vaksectie om de werkzaamheden af te stemmen en te zorgen voor een werkbare situatie.





[naam B] , [naam C] en [gedaagde] gaan naar het biologie lokaal om te kijken welke kasten en materialen er nodig zijn voor de vaksectie. (…)"






1.11.
Op 19 oktober 2020 heeft [gedaagde] TMC geïnformeerd over het einde van haar detachering bij één van de twee scholen en dat zij half november 2020 weer uren kan werken op het TMC. [gedaagde] schrijft verder het volgende in haar e-mail:

"(…) Ik vraag me sinds de herfstvakantie af waarom ik de risico's van het corona zo opzoek, want ik ben niet meer de jongste. Collega [naam F] , ben ik nog lang niet uit het oog verloren, en zijn vrouw niet en de moeder van een andere collega van EDC niet.



Ik kom deze week misschien even langs. (…)"




1.12.

[naam C] heeft op 29 oktober 2020 gereageerd op de e-mail van [gedaagde] . Zij schrijft onder meer het volgende:

" (…) Omdat je vanaf 16 november hier weer inzetbaar bent zal ik een datum en tijd proberen te zoeken om het gesprek met de vaksectie te plannen om afspraken te maken voor een goede samenwerking en een concrete invulling van de taken.


Ik laat je nog even weten wanneer precies maar ik heb als optie 10 november om 14.30 uur. Het zou fijn zijn als je deze tijd en datum ook even als optie wilt noteren.



Je hoort nog even van mij over de exacte datum en tijd oke?(…) ".




1.13.
Op 10 november 2020 heeft [naam C] een e-mail aan [gedaagde] verstuurd. In de e-mail staat onder meer het volgende:

"Beste [gedaagde] , tot nu toe helaas geen reactie op mijn mail van je mogen ontvangen. Vandaar dat we nu een volgende afspraak hebben gepland namelijk donderdag aanstaande, 12 november, om 10.05, op de kamer van [Naam G] .


Deze afspraak is dan om de terugkeer van jou op TMC te bespreken en afspraken te maken met de vaksectie. [naam H] , [naam I] en [naam E] zullen tevens aanwezig zijn op deze afspraak.


Ik verwacht jou hierbij ook aanwezig op TMC. (…)"




1.14.

[naam C] heeft [gedaagde] op 12 november 2020 wederom een e-mail gestuurd. In de e-mail staat onder meer het volgende:

"(…) Wij zaten vanmorgen om 10.05, volgens afspraak, op jou te wachten maar je was er niet. Ik krijg helaas geen contact met jou en daarom stuur ik je nogmaals een mail in de hoop dat je hier nu wel op wilt reageren. Ook telefonisch kan ik jou niet bereiken omdat ik geen telefoonnummer van je heb en in het systeem van de school staat ook geen telefoonnummer.


Op mijn vorige twee mails met vragen en voorstelen voor data en tijd heb je helaas ook niet gereageerd. Volgens afspraak keer jij as maandag 17 november terug op het TMC voor 0,32 fte. De afspraak was dat we eerst in gesprek zouden gaan over jouw werkzaamheden als TOA binnen de vaksectie science, voordat de werkzaamheden hervat kunnen worden. (…)


Graag wil ik dat we ons aan bovenstaande afspraak houden en nodig je bij deze weer uit om as maandag, 17 november om 09.00 uur op de afspraak aanwezig te zijn. (…)




1.15.

[naam C] heeft haar e-mail gecorrigeerd en aangegeven dat [gedaagde] op maandag 16 november 2020 om 09.00 uur op het TMC wordt verwacht.



1.16.

[gedaagde] heeft zich op 16 november 2020 ziek gemeld en is niet op de geplande afspraak verschenen. In de e-mail betreffende e-mail heeft [gedaagde] onder meer het volgende geschreven:

"(…) Ik ben ziek


Ik ben gisteren niet lekker geworden en heb medicatie genomen waardoor ik in diepe slaap ben gevallen.


heb veel pijn en ga weer liggen.



niet corona gerelateerd overigens. (…)"




1.17.

[naam C] heeft op diezelfde dag een e-mail aan [gedaagde] gestuurd. In de e-mail staat onder meer het volgende:

"(…) Wat vervelend dat je nu ziek bent. Wij zaten om 09.00 uur volgens afspraak op je te wachten. Kun je aangeven wat je denkt dat de duur van jouw ziekte is?


Ik neem aan dat je je tijdig hebt ziekgemeld volgens bekende procedure bij de roostermaker??



Bij herstel willen we graag op woensdag 18 november om 12.30 uur tot 13.00 uur met jou in gesprek om de afspraken te maken voor jou w terugkeer op TMC.


Wanneer je nog niet hersteld bent verwacht ik tijdig een telefoontje van jou om een volgende afspraak te maken. (…)"




1.18.
Op 20 november 2020 heeft [naam C] een brief aan [gedaagde] verstuurd. In de brief met onderwerp ´afspraak en oproep bedrijfsarts' staat onder meer het volgende:

"(…) Op maandag 16 november om 09.12 uur heb jij een mail gestuurd waarin jij aangeeft dat je niet naar het gesprek kunt komen i.v.m. ziekte. Daarop heb ik een reactie gestuurd met uitnodiging voor een nieuwe afspraak op 18 november 12.30 uur en de vraag of jij telefonisch contact op wil nemen wanneer jij herstel bent voor deze afspraak. Tot op heden heb ik nog niets van je gehoord en ben je ook niet verschenen op de afspraak.



Naar aanleiding van de ziekmelding ontvang je op korte termijn een oproep voor het telefonische spreekuur van de bedrijfsarts. Deze afspraak staat a.s. maandag 23 november 2020 om 11.00 uur ingepland. Je dient hiervoor telefonisch bereikbaar te zijn. De Arbo dienst stuurt je via de mail en via de post een uitnodiging, met het verzoek voor deze afspraak een telefoonnummer door te geven waarop je bereikbaar bent op bovengenoemd tijdstip. Wanneer jij niet bereikbaar bent en geen gehoor geeft aan deze afspraak, dan wordt vanaf dat moment jouw loon opgeschort. (…)"




1.19.

[gedaagde] is op 23 november 2020 op het spreekuur van de bedrijfsarts verschenen. De bedrijfsarts heeft een verslag opgesteld. In het verslag staat onder meer het volgende:

"(…) Heden sprak is werknemer tijdens mijn telefonisch spreekuur.


Momenteel is sprake van een verminderde belastbaarheid op basis van beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren. Deze beperkingen zijn deels werk-gerelateerd.


Deze week zal een adequate behandeling worden opgestart.


Gezien de beperkingen bestaan momenteel geen mogelijkheden voor re-integratie. Aangezien er werk-gerelateerde problematiek speelt adviseer ik volgende week een gesprek tussen werknemer en leidinggevende, werknemer kan zich hierbij laten ondersteunen door een vertrouwenspersoon.



Prognose:


De kans op een volledige hervatting van de werkzaamheden is in principe goed, de termijn waarop is nog onduidelijk.



Mijn advies is om over 2 weken een herbeoordeling te laten plaatsvinden door een verzuimcoach (…)"




1.20.

[naam C] heeft [gedaagde] bij e-mail van 26 november 2020 uitgenodigd voor een gesprek op 1 december 2020. Ook geeft [naam C] aan dat het mogelijk is dat [gedaagde] een vertrouwenspersoon naar dat gesprek meeneemt.



1.21.
Op 30 november 2020 heeft [gedaagde] een e-mail aan [naam E] gestuurd. Nadat [naam E] heeft aangegeven dat [gedaagde] [naam C] hierover een e-mail moet sturen, heeft [gedaagde] de volgende e-mail naar [naam C] gestuurd.

"(…) Ik had [naam E] een mail gestuurd dat ik niet in staat ben om aan de geplande afspraken te voldoen.


Heb eerst overleg met mijn behandelaar voordat ik een gesprek aanga. De bedrijfsarts steunt mij hierin. Laat ik contact met jou zoeken, wanneer dit wel weer ingepland kan worden (…)"




1.22.

[naam B] heeft [gedaagde] op 1 december 2020 een brief gestuurd. In de brief staat onder meer het volgende:

"(…) Op maandag 30 november heb jij via e-mail gereageerd dat jij niet in staat bent om aan de geplande afspraken te voldoen. De bedrijfsarts geeft in zijn terugkoppeling aan dat jij hier wel toe in staat bent, dus wij verwachten dat jij geen gehoor geeft aan de uitnodiging voor een gesprek.



Hierbij wil ik je uitnodigen voor een gesprek op donderdag 3 december 2020 om 14.00 uur op het Theda Mansholt Collega. (…)



Wanneer jij niet komt op deze afspraak, zullen wij dat zien als weigering om mee te werken aan re-integratie dus zullen wij per 3 december 2020 het loon gaan stopzetten. (…)"




1.23.
Op 3 december 2020 heeft er tussen [gedaagde] , [naam C] , [naam B] en [naam E] een gesprek plaatsgevonden. In het gespreksverslag staat onder meer het volgende:

"(…) [naam B] geeft aan dat het doel van het gesprek is om de re-integratie van [gedaagde] te bespreken. De vraag is hoe [gedaagde] kan werken aan haar re-integratie en hoe de school daarin kan bijdragen. In het verslag van de bedrijfsarts staat dat er werk-gerelateerde problemen zijn, dus daar moet het gesprek over gevoerd worden. (…)



[naam B] heeft aan [gedaagde] gevraagd wat voor werk-gerelateerde problematiek er op dit moment is. [gedaagde] heeft aangegeven dat zij daar op dat moment niet inhoudelijk op in kon gaan. Vanuit haar eerder verwoorde gevoel van onveiligheid en vertrouwen. Ze heef actie ondernemen en is met iemand in het gesprek gegaan hierover.



Afspraken





[gedaagde] laat uiterlijk volgende week weten of de detachering verlengd wordt na de kerstvakantie





[gedaagde] laat uiterlijk maandag 7 december weten aan [naam C] wanneer het gesprek kan plaatsvinden waarbij zijn een vertrouwenspersoon meeneemt. Dit gesprek dient op korte termijn plaatsvinden. (…)"






1.24.

[gedaagde] heeft op 7 december 2020 een e-mail aan [naam C] gestuurd. In de e-mail staat onder meer het volgende:

"(…) Zoals afgesproken tijdens ons overleg van donderdagmiddag 3 december zou ik je doorgeven, wanneer een vervolgafspraak ingepland kan worden met een vertrouwenspersoon voor mij aan tafel.



Ik heb contact gehad met deze persoon en er wordt aangegeven dat dat voor de kerstvakantie geen ruimte/mogelijkheid voor is of sprake van kan zijn.


Dit kan niet eerder dan in januari samen met jullie opgepakt worden.


Ondertussen blijf ik online mijn contactgesprekken voortzetten en werken aan mijn re-integratie.



Ik stel voor dat ik in de eerste week van januari hierover bij jou op terugkom of indien er toch eerder duidelijkheid over is, dit ook bij jou aangeef. (…)"




1.25.

[naam C] heeft, met [naam B] in de cc, op 8 december 2020 gereageerd. In de e-mail staat onder meer het volgende:

"(…) Wat spijtig dat het niet meer lukt om voor de kerstvakantie bij elkaar te komen met jouw vertrouwenspersoon om tot afspraken van re-integratie te komen.


Ik vraag je om nu wel een afspraak te plannen voor in de eerst week van januari 2021.


We hebben in ons afgelopen gesprek van 3 december 2020 afgesproken dat jij met een datum zou komen waarop het vervolggesprek zou plaatvinden in het bijzijn van jouw vertrouwenspersoon.


Wij stellen vast dat je niet aan die afspraak hebt voldaan.


Wij zijn van mening dat er uiterlijk in week 1 2021 een vervolgegesprek moet plaatsvinden.


Jouw vertrouwenspersoon kan deze week aangeven wanneer zij kan in week 1 van 2021.


We verwachten uiterlijk maandag 14 december voor 17.00 uur een afspraak en tijdstip voor het vervolggesprek.


Wanneer jouw vertrouwenspersoon niet kan binnen de gestelde tijd, zullen wij een mediator of de bedrijfsmaatschappelijk werker vragen om jou bij te staan tijdens het vervolggesprek.


Graag verneem ik voor as maandag uiterlijk 17.00 uur wanneer het vervolggesprek ingepland kan worden in week 1 2021.


Dit bericht wordt tevens per brief verstuurd. (…)"




1.26.

[gedaagde] heeft op 8 december 2020 een e-mail aan [naam B] gestuurd met als onderwerp 'veilig zijn'. In de e-mail staat onder meer het volgende:

"(…) Ik heb nu 3 mails in concepten waarbij de emotie hoog oploopt over de mail.



Ik geef hierbij aan dat ik me niet in de inhoud kan vinden.


sterker nog het maakt me kapot, verdrietig,…depressief


Ik dacht dat ik gisteren met mijn mail goed gedaan had.


het verslag van [naam E] durfde ik niet te lezen


Maar ik sta nu niet meer in voor mezelf nadat ik deze mail van [naam C] gelezen heb.



Had net mijn sessie met extern persoon over re-integratie beëindigd voor vandaag en we hadden een principe afspraak gemaakt over hoe en wanneer met TMC.


Maar dit is een doodsteek in deze zware tijd.



Maar nu dit? Je weet niet half welke druppel dit is.



Jullie deden voor dat het mooi was dat ik nog wel in Woldendorp voor de klas sta maar met deze mail breekt alles. Hoe kun je van mij verwachten dat ik weer vrolijk voor de klas sta en dit dan los kan laten. Jullie vonden het jammer dat ik het niet kon loslaten. Nee ik ben niet van steen. Wat denken jullie nou wel.



Er is voor mij geen uitweg straks meer... (…)"




1.27.

[naam B] heeft op 9 december 2020 gereageerd op de e-mail van [gedaagde] . In de e-mail staat onder meer het volgende:

"(…) Uit onderstaande mail haal ik dat de emotie hoog oploopt n.a.v. wat we van je vragen; een datum op korte termijn voor gesprek tussen jou, een vertrouwenspersoon en ons. Dit met als onderwerp jouw re-integratie en de stappen die jij en wij samen kunnen maken met de re-integratie goed te laten verlopen.



Ik heb begrepen dat je in gesprek bent met de bedrijfsmaatschappelijk werker van TIJT. Goed om te horen.



Graag horen wij, conform onze afspraken en de mail van [naam C] , wanneer het gesprek kan plaatsvinden. Ik zie de mail met datum en tijdsvoorstel graag tegemoet. (…)"




1.28.

[gedaagde] heeft op 11 december 2020 een voorstel gestuurd met twee datums, waaronder voor 14 januari 2021. In de e-mail staat verder onder meer:

"(…) Je hebt zelf gezegd in het gesprek van 3 december dat het niet maanden moest duren voor dit gesprek kan plaatsvinden, dat doet het ook niet naar mijn idee. Maar dat een kerstvakantie daartussen zit, dat kan in mijn optiek niet meegeteld worden in de tijdsomvang. Dus spreken we nu ook niet over maanden. Aan de gestelde termijnen van [naam C] kan ik dus niet voldoen, omdat ik tijd nodig ben en ik afhankelijk ben van andere agenda's en afspraken. (…) Indien dit opnieuw tot een sanctie leidt, zoals genoemd in de mail van dan word ik hier graag maandag voor 12.00 uur schriftelijk van op de hoogte gebracht.



Graag ontvang van jou bericht over de gekozen datum en tijd voor het gesprek en of ik hiermee aan de eisen van [naam C] en jou voldoe. Ik zoek nog steeds naar een commitment en niet het conflict.



Ik weet niet wat ik nog meer moet aangeven. Ik ben vijf uur verder nadat ik aan deze mail begon en twijfel of dit juist is wat nu verzonden gaat worden. ANGST om wat de gevolgen nu weer kunnen zijn.


Dag en nacht beheerst TMC mijn gezondheid, mijn functioneren en mijn leven, maar dat is geen reden om dwangmatig nu versneld gesprekken op te leggen. Je zou het alleen maar verergeren. (…)"




1.29.

[naam B] heeft op de e-mail van [gedaagde] gereageerd en schrijft onder meer het volgende:

"(…) Graag willen we donderdag 14 januari om 14.00 uur afspreken op het Theda Mansholt Collega.



Uiterlijk vrijdag as. sturen wij via de mail een gespreksagenda zodat jij je samen met de vertrouwenspersoon kan voorbereiden op het gesprek.



Tot donderdag 14 januari as. (…)"




1.30.

[gedaagde] heeft vanwege de lock-down van de scholen voorgesteld om de afspraak te verzetten naar 21 januari 2021, maar hier is [naam B] niet akkoord meegegaan.



1.31.
Op 14 januari 2021 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen [gedaagde] en [naam J] (vertrouwenspersoon) enerzijds en [naam C] , [naam B] en [naam E] anderzijds. In het gespreksverslag staat onder meer het volgende:

"(…) [naam J] vraagt aan [gedaagde] wat zij nodig heeft om werkzaam te blijven op school. [gedaagde] noemt dat het haar dwars zit wat een andere docent voor opmerking heeft gemaakt naar een collega docent die er niet meer is. [gedaagde] geeft aan dat het voor haar lastig is om met deze betreffende docent te werken. Daarnaast is er een situatie geweest waarbij cijfers werden aangepast door collega's uit de vaksectie. Dit is ook terecht gekomen bij de bestuurder. Daarnaast geeft [gedaagde] aan dat er 2 collega's zijn uit de vaksectie die over haar hebben geklaagd bij de vorige directeur. Er zijn destijds afspraken gemaakt die volgens haar niet zijn nagekomen. (…)




[naam C] vraagt aan [gedaagde] of het vertrouwen nog te herstellen en terug te winnen is? [gedaagde] geeft aan dat dit een lastige keuze is. (…)


Daarnaast vraagt [gedaagde] of er iets is waarom zij geen uren als docent mag maken op school? [naam B] reageert dat op het moment er problemen zijn met de samenwerking in de sectie, de uren als docent niet naar [gedaagde] kunnen gaan. Op dit moment zijn er dus geen mogelijkheden.




[naam J] geeft aan dat zij nu 5 gesprekken heeft gevoerd met [gedaagde] . De wens is om dit traject te verlengen en zij vraagt of dit akkoord is. [naam B] geeft aan dat dit akkoord is, maar dat er wel een tijdpad afgesproken moet worden. Daarnaast moet er worden afgesproken wat de output wordt wat kan leiden naar concreet stappen.



Het gesprek wordt afgesloten met de afspraak dat er volgende week donderdag 21 januari om 13.00 uur een vervolggesprek plaatsvindt. (…)"




1.32.
Op 21 januari 2021 heeft er een vervolggesprek plaatsgevonden tussen [gedaagde] en [naam J] (vertrouwenspersoon) enerzijds en [naam C] , [naam B] en [naam E] anderzijds. In het gespreksverslag staat onder meer het volgende:

"(…) [naam C] vraagt wederom of het mogelijks is voor [gedaagde] om het vertrouwen terug te winnen? [gedaagde] geeft aan dat ze daar geen antwoord op heeft. [naam B] geeft hierop aan dat de grens is beritk en dat er steeds hetzelfde cirkeltje gelopen wordt. [gedaagde] heeft de afgelopen week samen met [naam J] de tijd gehad om uit te zoeken of zijn de stap kan en wil maken. [naam B] en [naam C] proberen al een aantal maanden het gesprek hierover met [gedaagde] te voeren en wachten al die tijd op een antwoord of [gedaagde] de stappen kan maken tot re-integratie. (…)




[gedaagde] geeft daarop aan wat zij nodig heeft om hiermee te starten. [gedaagde] vertelt veiligheid nodig te hebben, door middel van haar eigen werkplek in gebouw A te behouden. In het vorige gesprek is ook al aangegeven dat dit geen werkplek meer is die ten dienste staat van het leerplein science en dat er verwacht wordt dat de TOA's werkzaam zijn in de nabije ruimte van het scienceplein. (…)




[naam B] geeft aan dat hij er niet van overtuigd is, als hij [gedaagde] zo beluistert, dat herstel van vertrouwen haalbaar is. (…)




[naam C] vraag wederom aan [gedaagde] of het mogelijk is dat het vertrouwen hersteld kan worden? [naam J] vraag of het mogelijk is om hier volgende week op terug te komen. Daarnaast vraagt [naam J] of het mogelijk is om een spreekuur aan te vragen met de bedrijfsarts. [naam B] geeft aan dat de bedrijfsarts al een duidelijke uitspraak gedaan heeft, maar dat [gedaagde] altijd vrij stat om vanuit haarzelf een afspraak met de bedrijfsarts te maken.




[naam B] geeft aan dat er nu wel een keuze gemaakt moet worden, er moet duidelijkheid komen in de voortgang en er zullen stappen moeten worden gezet. Afgesproken is dat [gedaagde] a.s. maandag 25 januari 2021 via de mail laat weten wat haar keuze is. Werken aan samenwerken of overleg over een gezamenlijke uitkomst op vertrek. (…)




1.33.

[gedaagde] heeft op 25 januari 2021 aan De Stichting laten weten dat zij het voornemen heeft om zich op en te stellen voor de samenwerking en het vertrouwen in haar collega's.



1.34.
Op 28 januari 2021 heeft [gedaagde] een gesprek met [naam C] , [naam B] en [naam E] . De vertrouwenspersoon van [gedaagde] is niet aanwezig bij dit gesprek. In het gespreksverslag staat onder meer het volgende:

"(…) [naam C] geeft aan dat er niet wordt verwacht dat [gedaagde] direct 3 dagen weer aan het werk gaat. In stappen wordt er gewerkt naar volledige re-integratie. [naam B] vraag [gedaagde] of zij ideeën heeft over de fasering? [gedaagde] geeft aan dat dit afhangt van het gesprek met de bedrijfsarts op maandag 1 februari. [naam B] geeft aan dat de bedrijfsarts een advies geeft en dat daarna wordt gekeken wat de beste fasering is. [naam C] stelt voor dat [gedaagde] dinsdagmiddag 2 februari al begint met het verplaatsen van het materiaal, deze stap wordt voorgesteld aan de bedrijfsarts.




[gedaagde] vraagt wie er deelnemen aan het traject met de mediator. [naam B] reageert door aan te geven dat de docenten Biologie deelnemen, naast [naam C] en [gedaagde] zelf. (…)"




[naam B] geeft aan dat dit de stappen zijn die worden verwacht van [gedaagde] . [gedaagde] geeft aan dat zij dit begrijpt maar wacht op het oordeel van de bedrijfsarts. [naam C] vraagt wanneer [gedaagde] volgende week kan starten met wekelijks overleg. [gedaagde] geeft aan dat zij [naam C] hier maandag of dinsdag een mail over stuurt."




1.35.
Op 1 februari 2021 is [gedaagde] op het spreekuur van de bedrijfsarts verschenen. In het verslag van dat gesprek staat onder meer het volgende:

"(…) Ik sprak Wn vandaag telefonisch ivm corona. Er is geen sprake van ziekte. Er vind ook geen berichte behandeling plaats. Er hebben gesprekken met de bedrijfs maatschappelijk werk plaatsgevonden ten aanzien van de werk situatie. Er is sprake van een conflict op het werk, warvoor recent meerdere gesprekken met Wg zijn geweest. Bij het meest recente gesprek zijn afspraken gemaakt ten aanzien van een voorzichtige start van de Rei. Gezien de nog aanwezige beperkingen op persoonlijk en sociaal functioneren is dit een route die daar goed rekening mee houdt wat mij betreft. Wn geeft aan niet op de hoogte te zijn van deze routen. Mijn advies aan Wg is daarom om met werknemer deze route schrifteiljk te delen en dan op korte termijn een start te maken met de REI volgens deze route. Voor Wn heeft werkplek verandering een negatieve impact op haar belastbaarheid, wellicht dat daar rekening mee gehouden kan worden in de route naar werkhervatting. Het moet mogelijk zijn te starten met 3 maal 2 uur/ week (ma, di, vrij) gezien haar op de andere dagen bij een andere Wg.


Over 6-8 weken wil ik graag de belastbaarheid opnieuw beoordelen. (…)"




1.36.
Conform het advies van de bedrijfsarts heeft [gedaagde] 3 dagen per week 2 uur per week werkzaamheden uitgevoerd.



1.37.

[naam C] heeft [gedaagde] op 4 februari 2021 gemaild en aangegeven dat zij direct moet starten met re-integratie en de bedrijfsarts heeft gerapporteerd dat [gedaagde] per 1 februari 2021 beter is. [gedaagde] is uitgenodigd voor een gesprek op de volgende dag. [gedaagde] heeft niet gereageerd en is niet op de afspraak verschenen.



1.38.

[naam C] heeft [gedaagde] op 8 februari 2021 per e-mail uitgenodigd voor een gesprek op 11 februari 2021.



1.39.

[naam B] heeft [gedaagde] op 9 februari 2021 een brief gestuurd. In de brief staat onder meer het volgende:

"(…) Op 4 februari 2021 heb jij via de mail een uitnodiging gehad voor een gesprek met [naam C] op vrijdag 5 februari 2021. Er is geconstateerd dat jij niet bent komen opdragen bij dit gesprek en tot op heden heeft [naam C] nog geen reactie van je gehad.



Ik maak mij daar ernstig zorgen over, we moeten er samen voor zorgen dat wij constructief verder kunnen en daarvoor dien je wel te verschijnen op de afspraak.



Op 8 februari 2021 heb jij wederom via de mail een uitnodiging gehad voor een gesprek op 11 februari 2011. Wanneer jij niet verschijnt op deze afspraak, zullen wij dat zien als weigering om mee te werken aan re-integratie dus zullen wij per 11 februari 2021 het loon gaan stopzetten. Ik ga er vanuit dat je het niet zo ver laat komen. (…)"




1.40.

[gedaagde] heeft bij brief van 10 februari 2021 gereageerd op de brief. In de brief schrijft zij onder meer het volgende:

"(…) Naar aanleiding van wat er mij geschreven is in de mail van [naam C] en van jou heb ik grote fysieke en psychische problemen. Ik ben ziek.



In verslagen spreken over afspraken, waarvan ik duidelijk aangegeven had van tevoren ik ga nergens mee akkoord, staat ook gedeeltelijk benoemd in het verslag, pas een reactie nadat ik mijn gesprek en verslag van de bedrijfsarts had ontvangen.


Dat verslag daar heb ik vrijdag zelf achteraan moeten bellen naar Medprevent. Men heeft ervoor gezorgd dat ik dit zaterdag mocht ontvangen.


Daarbij de druk van de uitnodigingen en fouten in verslagen doet mij heel spanning brengen. Ik ben er doorziek van. Was ik al, maar het gevoel van onveiligheid en ontslag, dus toch, krijg ik niet los. (…)"




1.41.

[naam C] heeft [gedaagde] bij e-mail van 12 februari 2021 om 12:53 uur aangegeven dat de bedrijfsarts dezelfde middag om 15.00 uur contact met haar op zal nemen. De bedrijfsarts heeft [gedaagde] niet kunnen bereiken.



1.42.

[naam C] heeft op 13 februari 2021 [gedaagde] een brief gestuurd waarin [gedaagde] wordt opgeroepen voor het spreekuur met de bedrijfsarts op 15 februari 2021. Verder staat in de brief dat als [gedaagde] niet bereikbaar is voor de afspraak, De Stichting dit zal zien als weigering om mee te werken aan re-integratie en er een loonsanctie zal worden toegepast.



1.43.

[gedaagde] is op 15 februari 2021 op het spreekuur van de bedrijfsarts verschenen. In het verslag van de bedrijfsarts staat onder meer het volgende:

"(…) Ik sprak wn vandaag telefonisch. Er is geen sprake van ziekte. Er is wel een beperkte belastbaarheid op grond van beperkingen in het persoonlijk functioneren. Daarnaast is er sprake van een arbeids conflict, waarvoor een gesprek met een mediator gepland staat. Het is, ondanks de lichte beperkingen, verantwoord voor wn om op korte termijn (< 2 weken) deel te nemen aan dit gesprek/ deze gesprekken. Deze gesprekken zijn erg belangrijk, zowel wat betreft oplossing van het conflict in de arbeids relatie, als wel wat betreft het herstel van de beperkingen die wn nu heeft.


Graag spreek ik wn opnieuw als de gesprekken hebben plaatsgevonden, om dan in de belastbaarheid en de beperkingen opnieuw te beoordelen. (…)"




1.44.

[naam B] heeft [gedaagde] 15 februari 2021 een brief gestuurd waarin hij aangeeft dat de bedrijfsarts heeft geadviseerd om het gesprek met de mediator op korte termijn te laten plaatsvinden. [naam B] geeft aan dat Mevrouw Bakker, onafhankelijk mediator, op 16 februari 2021 telefonisch contact met [gedaagde] zal opnemen voor het maken van een afspraak.



1.45.
Op 16 februari 2021 heeft de mediator contact opgenomen met [gedaagde] .



1.46.
Op 17 februari 2021 heeft [naam B] [gedaagde] een brief gestuurd. In de brief staat onder meer het volgende:

"(…) Wij hebben begrepen van de mediator dat jij haar hebt laten weten dat het gesprek nog niet kan worden ingepland aangezien jij er eerst over na moet denken of het gesprek wel wil aangaan. Vervolgens heb jij toegezegd bij de mediator dat jij op 1 maart 2021 hier een keuze over wil maken en dat jij dit telefonisch gaat doorgeven aan de mediator.



Dat vinden wij niet acceptabel gezien wat we eerder met elkaar hebben afgesproken. Het is ook in strijd met het advies van de bedrijfsarts. Wij gaan de mediator vragen om deze week wederom contact met jou op te nemen om alsnog dit gesprek binnen twee weken na 15 februari 2021 te voeren. Als jij daar niet aan meewerkt en het gesprek met de mediator niet aan gaat, zullen wij overgaan tot het stopzetten van loon. (…)"




1.47.
Het intakegesprek met de mediator, de heer [mediator] , heeft plaatsgevonden op 23 februari 2021.



1.48.
Op 16 en 26 maart 2021 hebben er een mediationgesprekken plaatsgevonden tussen [gedaagde] en [naam C] .



1.49.
Op 30 maart 2021 heeft de mediator laten weten dat [gedaagde] en [naam C] er samen niet uit zijn gekomen en de mediation is beëindigd.



1.50.
Op 6 april 2021 heeft de bedrijfsarts een verslag opgesteld van het bezoek van [gedaagde] aan de bedrijfsarts. In het verslag staat onder meer het volgende:

"(…) Ik sprak betrokkene vandaag telefonisch. De mediation gesprekken zijn afgelopen. Wn doet ivm geheimhoudingsplicht geen uitspraak aan mij over de resultaten van de mediation. Er is geen sprake van ziekte en er vind ook geen behandeling plaats. Werknemer heeft wel nog steeds flinke spanningsklachten gerelateerd aan bovenstaande, maar zij is nu niet arbeidsongeschikt vanwege ziekte of gebrek conform de STECR richtlijn. (…)"




1.51.
Op 20 april 2021 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen [gedaagde] , [naam C] , [naam B] en [naam E] . TMC heeft [gedaagde] onder meer een vaststellingsovereenkomst aangeboden.



1.52.

[gedaagde] heeft op 30 april 2021 een brief aan TMC gestuurd waarin zij aangeeft dat zij nog niet voldoende juridisch advies heeft kunnen krijgen om een juiste besluitvorming te kunnen nemen rondom de aangeboden overeenkomst.



1.53.

[gedaagde] heeft op 20 mei 2021 aangegeven niet akkoord te kunnen gaan met de aangeboden vaststellingsovereenkomst.



1.54.

[gedaagde] heeft op 11 juni 2021 het spreekuur van de bedrijfsarts bezocht. In het verslag staat onder meer het volgende:

"(…) Ik sprak betrokkene vandaag telefonisch. De mediation gesprekken zijn afgelopen. Wn doet ivm geheimhoudingsplicht geen uitspraak aan mij over de resultaten van de mediation. Naar zeggen van Wn loopt er nu een ontslag procedure. Er is geen sprake van ziekte en er vind ook geen behandeling plaats. Wn acht zichzelf ook arbeids geschikt. Werknemer heeft wel nog steeds flinke spanningsklachten gerelateerd aan bovenstaande, maar zij is nu niet arbeidsongeschikt vanwege ziekte of gebrek conform de STECR richtlijn. (…)"




1.55.
TMC heeft 16 juni 2021 het verzoekschrift ingediend waarin verzocht wordt om ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen TMC en [gedaagde] .



1.56.
Op 18 juni 2021 heeft [gedaagde] een gesprek gevoerd met de heer [naam A] , bestuurder van De Stichting. In het verslag is onder andere opgenomen dat [gedaagde] heeft gevraagd of zij terug kan keren naar werk, heeft zij het gevoel van onveiligheid benadrukt en heeft gevraagd of mediation op een ander gebied mogelijk is. [naam A] heeft onder meer aangegeven dan De Stichting veel stappen heeft ondernomen om [gedaagde] terug te laten keren naar werk, de juiste stappen zijn gezet en dat [gedaagde] een vaststellingsovereenkomst is voorgelegd en het verzoek tot otnbinding van de arbeidsovereenkomst bij de rechtbank is ingediend. Volgens [naam A] zal dit niet worden teruggedraaid en is het uitgangspunt afscheid van elkaar nemen.



1.57.

[gedaagde] heeft zich op 2 juli 2020 ziekgemeld.



1.58.
Op 5 juli 2021 heeft [gedaagde] een second opnieuw bij de bedrijfsarts aangevraagd.



1.59.
Op 9 juli 2021 heeft [gedaagde] een deskundigenoordeel bij het UWV aangevraagd ten aanzien van de vraag of De Stichting voldoende heeft gedaan ten aanzien van haar re-integratieverplichtingen.



1.60.
De bedrijfsarts heeft een rapportage opgesteld van het bezoek van [gedaagde] aan het verzoekschrift op 26 augustus 2021. In de rapportage staat onder meer het volgende:

"(…)
Huidige situatie:


Sinds april heeft mevr. [gedaagde] geen werkzaamheden meer verricht bij haar werkgever. (…)



Beperkingen


Op basis van ziekte bestaan beperkingen in het persoonlijke en sociale functioneren van mevrouw [gedaagde] . Er bestaan beperkingen in energie, het omgaan met emoties van anderen en het omgaan met conflicten. Tevens bestaan er beperkingen in dynamische handelingen, waaronder beperkingen in lopen.



Prognose


De prognose ten aanzien van haar beperkingen zijn vooralsnog gunstig op een termijn van 2-3 maanden. Om hier een beter beeld van te krijgen zal ik informatie op vragen bij de hoofdbehandelaar. (…)"




1.61.
Op 13 september 2021 heeft het UWV een e-mail aan [gedaagde] gestuurd. In de e-mail staat onder meer het volgende:

"(…) Ik heb zojuist telefonisch gesproken over de aanvraag voor deskundigenoordelen. We hebben afgesproken 2 deskundigenoordelen in behandeling te nemen:


- Een deskundigenoordeel over de vraag of u op 11 juni 2021 arbeids(on)geschikt was. Hiervoor hebben wij een spreekuur gereserveerd bij de verzekeringsarts op 4 oktober 2021.


- Een deskundigenoordeel over de vraag of uw werkgever voldoende heeft gedaan aan uw re-integratie. Hiervoor stuurt u mij nog de benodigde informatie over uw re-integratie. (…)"






2Het verzoek, het verweer en het (voorwaardelijk) tegenverzoek


verzoek De Stichting



2.1.
De Stichting heeft - voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad - verzocht om:
I. de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden, primair op grond verwijtbaar handelen zoals bedoeld in 7:669 lid 3 aanhef en onder e van het Burgerlijk Wetboek (BW), subsidiair op grond van een verstoorde arbeidsverhouding zoals bedoel in artikel 7:669 lid 3 aanhef en onder g BW en meer subsidiair vanwege een combinatie van omstandigheden zoals bedoelde in artikel 7:669 lid 3 aanhef en onder i BW;
II. het einde van de arbeidsovereenkomst te bepalen op het tijdstip waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, waarbij de duur van de periode aanvangt op de datum van ontvangst van het verzoek om ontbinding en eindigt op de datum van dagtekening van de ontbindingsbeslissing in mindering wordt gebracht, met dien verstande dat een termijn van minstens een maand resteert;
III. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van de procedure.



2.2.
De Stichting heeft - verkort weergegeven - aan haar verzoek (primair) ten grondslag gelegd dat [gedaagde] verwijtbaar jegens De Stichting heeft gehandeld doordat [gedaagde] zich het gehele jaar niet pro-actief heeft opgesteld jegens De Stichting, in het bijzonder jegens [naam C] en [naam B] . [gedaagde] weigerde volgens De Stichting veelvuldig om het gesprek aan te gaan en in een perdioe van vier maanden heeft De Stichting viermaal moeten waarschuwen voor een loonstop en pas na deze waarschuwingen kwam [gedaagde] volgens De Stichting in beweging. [gedaagde] is volgens De Stichting de gemaakte afspraken niet nagekomen of heeft ze geprobeerd uit te stellen. De gesprekken die zijn gevoerd, zijn uitermate stroef verlopen, aldus De Stichting.
Subsidiair heeft De Stichting gesteld dat sprake is van een duurzaam verstoorde arbeidsrelatie waardoor van De Stichting niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst voort te zetten. Volgens De Stichting heeft de werkwijze en houding van [gedaagde] het afgelopen jaar ervoor gezorgd dat De Stichting geen vertrouwen meer heeft in [gedaagde] en dat mediation niet tot een oplossing heeft geleid.
Meer subsidiair heeft De Stichting gesteld dat de arbeidsovereenkomst moet worden ontbonden wegens een combinatie van omstandigheden zoals bij de primaire en subsidiaire grond is beschreven.
Volgens De Stichting ligt herplaatsing niet in de rede vanwege de aard van de gronden voor de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Voor een werknemer die zich zo opstelt als [gedaagde] , afspraken niet nakomt en alleen in beweging komt als er wordt gedreigd met een loonstop, is volgens De Stichting geen plaats binnen haar organisatie. Ook is er geen geschikte andere functie voor [gedaagde] beschikbaar en is de vacature voor biologiedocent niet geschikt omdat [gedaagde] niet beschikt over de juiste papieren en boendienst is er nog steeds een samenwerkings-en vertrouwensproblemen met de sectie en is de verhouding nog niet hersteld omdat de mediation tussen [gedaagde] en [naam C] is mislukt.



2.3.

[gedaagde] heeft verweer gevoerd en heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van De Stichting in haar verzoeken dan wel tot afwijzing daarvan. Hiertoe heeft [gedaagde] - samengevat weergegeven - aangevoerd dat er sprake is van een opzegverbod wegens ziekte en dat de arbeidsovereenkomst enkel daarom al niet kan worden ontbonden. [gedaagde] heeft verder aangevoerd dat zij niet verwijtbaar heeft gehandeld en er evenmin sprake is van een duurzaam verstoorde arbeidsverhouding.



2.4.
Op de standpunten van partijen wordt bij de beoordeling voor zover van belang nader ingegaan.


(voorwaardelijk) tegenverzoek




2.5.

[gedaagde] heeft een tegenverzoek ingediend, inhoudende - zo begrijpt de kantonrechter - dat als de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, zij aanspraak maakt op een transitievergoeding en billijke vergoeding. Volgens [gedaagde] heeft De Stichting ernstig verwijtbaar jegens haar gehandeld en heeft zij daarom niet alleen recht op een transitievergoeding, maar ook op een billijke vergoeding. De door De Stichting gestelde verstoorde arbeidsverhouding is ontstaan wegens het laakbaar gedrag van De Stichting. [gedaagde] heeft het handelen van De Stichting als onnodig kwetsend ervaren en haar schreeuw om hulp is nooit gehonoreerd en er is ook niet naar haar geluisterd. [gedaagde] heeft aangevoerd dat zij al lange tijd voor De Stichting werkt en waarschijnlijk tot haar pensioengerechtigde leeftijd daar was blijven werken.
Tevens maakt [gedaagde] aanspraak op een cumulatievergoeding indien wordt ontbonden op de i-grond.

[gedaagde] heeft ten slotte verzocht om een vergoeding voor alle gemaakte advocaatkosten omdat zij zich heeft moeten verweren tegen het omvangrijke verzoekschrift met ongegronde verwijten van De Stichting jegens [gedaagde] .





3Beoordeling


3.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden.


1. Opzegverbod wegens ziekte?




3.2.
Om te beginnen overweegt de kantonrechter dat de vraag of er sprake is van een opzegverbod wegens ziekte en de arbeidsovereenkomst daarom gelet op artikel 7:671b lid 2 BW niet kan worden ontbonden, partijen verdeeld houdt. Volgens [gedaagde] kan het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst hoe dan ook niet worden toegewezen vanwege het opzegverbod tijdens ziekte. De Stichting heeft dit weersproken en aangevoerd dat [gedaagde] ten tijde van het indienen van het verzoekschrift om de arbeidsovereenkomst te ontbinden niet ziek was en zij verwijst hierbij naar een rapportage van de bedrijfsarts. Het antwoord op de hiervoor genoemde vraag hoeft naar het oordeel van de kantonrechter niet te worden beantwoord omdat die vraag alleen van belang is als er gronden aanwezig zijn om de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Zoals hierna zal worden overwogen, zal het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst worden afgewezen bij gebrek aan gronden en doet de vraag of er sprake is van een opzegverbod wegens ziekte niet ter zake.


2. Grond voor ontbinding?




3.3.
De kantonrechter stelt ten aanzien van de verzochte ontbinding voorop dat uit artikel 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. In artikel 7:669 lid 3 BW is nader omschreven wat onder een redelijke grond moet worden verstaan. Bij regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 april 2015 (Stcrt. 2015/12685) zijn daarvoor nadere regels gesteld (Ontslagregeling).


a. Verwijtbaar handelen? (e-grond)




3.4.
Primair heeft De Stichting haar verzoek gegrond op de stelling dat [gedaagde] verwijtbaar heeft gehandeld jegens De Stichting en dat de arbeidsovereenkomst daarom op grond van artikel 7:669 lid 3, onderdeel e BW moet worden ontbonden. Bij een verzoek om ontbinding op de e-grond moet de werkgever aannemelijk maken dat sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer en dat dit zodanig ernstig is dat van hem in redelijkheid niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.



3.5.
De kantonrechter begrijpt dat het verwijt van De Stichting erin is gelegen dat [gedaagde] zich het gehele schooljaar niet pro-actief en meewerkend heeft opgesteld richting De Stichting en zij veelvuldig weigerde om het gesprek aan te gaan en dat de gesprekken die er zijn geweest, uitermate stroef zijn verlopen. De Stichting stelt dat zij in een periode van vier maanden [gedaagde] viermaal heeft moeten waarschuwen voor een loonstop. Volgens De Stichting kwam [gedaagde] pas na deze dreiging in actie, maar kwam [gedaagde] gemaakte afspraken niet na of probeerde de geplande afspraken uit te stellen. [gedaagde] heeft de verwijten uitvoerig gemotiveerd weersproken.



3.6.
De kantonrechter heeft bij de beoordeling acht geslagen op het volgende.



3.7.
Anders dan De Stichting heeft gesteld volgt uit de feiten naar het oordeel van de kantonrechter niet dat [gedaagde] veelvuldig heeft geweigerd om het gesprek met De Stichting aan te gaan. Op 29 oktober 2020 heeft [naam C] [gedaagde] een uitnodiging gestuurd voor een voorlopige afspraak op 10 november 2020 om met [gedaagde] in gesprek te gaan over haar gedeeltelijke werkhervatting na de afloop van haar detachering. In de e-mail staat ook dat [naam C] van zich zal laten horen over de exacte datum en tijd. Dit heeft [naam C] niet gedaan, maar zij stuurt [gedaagde] vervolgens wel een e-mail op 10 november 2020 dat [gedaagde] niet op de (vermeende) afspraak is verschenen en niet op de e-mail van [naam C] heeft gereageerd. Dat hoefde [gedaagde] naar het oordeel van de kantonrechter ook niet omdat [naam C] heeft aangegeven dat zij nog van zich zou laten horen.
Vervolgens heeft [naam C] [gedaagde] voor 12 november 2020 uitgenodigd, heeft [gedaagde] hier niet op gereageerd en is niet op de afspraak verschenen. De kantonrechter constateert dat [gedaagde] niet op de afspraak van 12 november 2020 is verschenen zonder zich af te melden, maar dit maakt nog niet dat hieruit kan worden geconcludeerd dat [gedaagde] heeft geweigerd om in gesprek te gaan. [naam C] heeft [gedaagde] vervolgens uitgenodigd voor een gesprek op 16 november 2020. [gedaagde] heeft zich op die dag echter ziekgemeld en is dus niet op de afspraak verschenen. [naam C] heeft [gedaagde] vervolgens uitgenodigd voor een gesprek op 18 november 2020 en aangegeven dat [gedaagde] zich moet afmelden voor het gesprek indien zij nog steeds ziek is. Dit heeft [gedaagde] niet gedaan en vervolgens heeft De Stichting haar doen oproepen voor het spreekuur van de bedrijfsarts van 23 november 2020 en ook direct gedreigd met een loonsanctie indien zij niet bereikbaar was voor de bedrijfsarts. De bedrijfsarts heeft vervolgens gerapporteerd dat er op dat moment geen mogelijkheden zijn voor re-integratie vanwege beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren die deels werk-gerelateerd zijn. Tegen deze achtergrond is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagde] niet kan worden verweten dat zij na haar ziekmelding zichzelf niet heeft afgemeld voor een door De Stichting na haar ziekmelding gemaakte afspraak.



3.8.
Ook de gebeurtenissen van nadien kunnen niet de conclusie dragen dat [gedaagde] heeft geweigerd om met De Stichting in gesprek te gaan. [gedaagde] heeft weliswaar in reactie op de uitnodiging van De Stichting om op 1 december 2020 in gesprek te gaan aangegeven niet in staat te zijn het gesprek aan te gaan terwijl de bedrijfsarts heeft aangegeven dat zij wel in staat is om een gesprek te voeren, maar zij is vervolgens wel op de nieuw geplande afspraak op 3 december 2020 verschenen, ten overstaan van maar liefst drie personen namens De Stichting. Niet kan worden geoordeeld dat [gedaagde] hiermee heeft geweigerd om in gesprek te gaan met De Stichting. Immers, [gedaagde] is na de dringende brief van De Stichting van 1 december 2020 waarin wordt gedreigd met een loonsanctie, wel in gesprek gegaan. De kantonrechter constateert dat [gedaagde] het op 14 januari 2021 geplande gesprek heeft proberen uit te stellen, maar ook dat zij heeft hiervoor een reden gegeven, namelijk de op last van de overheid opgelegde (tijdelijke) sluiting van de scholen vanwege het corona-virus. [gedaagde] is vervolgens samen met haar vertrouwenspersoon op het gesprek van 14 januari 2021 verschenen. Van een weigering om het gesprek aan te gaan is naar het oordeel van de kantonrechter ook hier geen sprake.



3.9.
De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] niet is verschenen op de door De Stichting geplande afspraak van 5 februari 2021. De kantonrechter constateert daarentegen ook dat De Stichting een zeer korte termijn heeft gehanteerd nu de afspraak pas die dag daarvoor, op 4 februari 2021, is gepland. De Stichting heeft vervolgens bij brief van 9 februari 2021 een nieuwe afspraak gepland voor 11 februari 2021 en daarbij wederom gedreigd met een loonsanctie. [gedaagde] heeft zich na die brief van De Stichting ziekgemeld. Dat [naam C] vervolgens op 12 februari 2021 om 12.53 uur mailt dat de bedrijfsarts haar twee uur later zal bellen en dat zij bereikbaar moet zijn en dit vervolgens niet is, kan [gedaagde] naar het oordeel van de kantonrechter gelet op de zeer korte reactie termijn niet worden verweten en niet worden aangemerkt als een weigering om met de bedrijfsarts in gesprek te gaan. Vervolgens is [gedaagde] opgeroepen voor het spreekuur van de bedrijfsarts van 15 februari 2021 en heeft De Stichting wederom gedreigd met een loonsanctie. [gedaagde] is op die afspraak verschenen.



3.10.

[gedaagde] heeft op 16 februari 2021 aan de mediator laten weten dat zij nog niet weet of zij het gesprek kan aangaan en hierover na wil denken. De kantonrechter is van oordeel dat De Stichting er terecht op heeft gewezen dat de bedrijfsarts heeft gerapporteerd dat [gedaagde] wel in staat is om een mediation-gesprek te voeren. [gedaagde] heeft vervolgens een intakegesprek met de mediator gevoerd en daarna hebben [naam C] en [gedaagde] samen met de mediator op 16 en 26 maart 2021 een gesprek gevoerd. De kantonrechter ziet evenwel in dat [gedaagde] in eerste instantie nog wilde nadenken of zij een mediation-gesprek wilde voeren, maar dat zij hiertoe wel is overgegaan nadat De Stichting haar - onder dreiging met een loonsanctie - erop heeft gewezen dat de bedrijfsarts heeft gerapporteerd dat zij in staat was om het gesprek te voeren. Ook heeft [gedaagde] op 23 februari 2021 een intakegesprek gevoerd met de mediator terwijl het op dat moment voorjaarsvakantie was en zij niet had hoeven te werken. Van een (blijvende) weigering om in gesprek te gaan is dan ook geen sprake.



3.11.
Vervolgens heeft de mediator op 30 maart 2021 kenbaar gemaakt dat de mediation tussen [gedaagde] en [naam C] is beëindigd en dat het gestelde doel in mediation niet is bereikt. [gedaagde] heeft op 6 april 2021 het spreekuur van de bedrijfsarts bezocht en op 20 april 2021 heeft [gedaagde] nog een gesprek gevoerd met [naam C] , [naam B] en [naam E] waarin [gedaagde] onder meer een vaststellingsovereenkomst is aangeboden ter beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Nadat [gedaagde] na enige bedenktijd heeft aangegeven niet met het voorstel akkoord te kunnen gaan, is [gedaagde] op 11 juni 2021 wederom op het spreekuur van de bedrijfsarts verschenen. Vervolgens heeft De Stichting een verzoekschrift strekkende tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ingediend. Ook hieruit vloeit niet voort dat [gedaagde] geweigerd heeft om in gesprek te gaan met De Stichting.



3.12.
Naar het oordeel van de kantonrechter is onvoldoende gebleken dat [gedaagde] gemaakte afspraken niet is nagekomen. Uit het feitencomplex volgt dat [gedaagde] de in het gespreksverslag van 17 september 2020 en 3 december 2020 genoemde afspraken (grotendeels) is nagekomen. Dat [gedaagde] niet op 7 december 2020 heeft aangegeven op welke datum het gesprek van 3 december 2020 kan worden vervolg, kan haar niet zo ernstig worden verweten omdat [gedaagde] in de e-mail van 7 december 2020 aangeeft dat zij afhankelijk is van de agenda van haar vertrouwenspersoon en zij niet voor de kerstvakantie ingepland kan worden en dat zij hier in januari op terugkomt of zoveel eerder als er alsnog duidelijkheid komt. Hiermee is De Stichting niet akkoord gegaan en vervolgens is [gedaagde] alsnog met twee concrete datumvoorstellen gekomen. Dat [gedaagde] hiermee dusdanig verwijtbaar heeft gehandeld dat dit tot einde van de arbeidsovereenkomst moet leiden, kan de kantonrechter niet volgen.



3.13.
De Stichting maakt [gedaagde] ook het verwijt dat zij pas in actie is gekomen nadat De Stichting heeft gedreigd met een loonsanctie. De kantonrechter stelt voorop dat als dit al zo mag zijn, dit niet maakt dat [gedaagde] hierdoor verwijtbaar heeft gehandeld waardoor van De Stichting niet kan worden gevergd om de arbeidsovereenkomst voort te zetten. De kantonrechter constateert dat [gedaagde] weliswaar elke keer in actie is gekomen na het dreigen om het loon stop te zetten, maar ook - zoals uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt - dat De Stichting zeer snel is overgegaan met het dreigen met een loonsanctie en (zeer) korte termijnen heeft gehanteerd waarbinnen [gedaagde] moest reageren of op een afspraak moest verschijnen. Ook stelt de kantonrechter vast dat De Stichting [gedaagde] een uitnodiging voor een nieuwe afspraak heeft gestuurd na haar ziekmelding op 16 december 2020, terwijl zij nog geen bezoek aan de bedrijfsarts heeft gebracht.



3.14.
De Stichting maakt [gedaagde] ook het verwijt dat zij zich niet pro-actief en meewerkend heeft opgesteld, maar ook dit volgt niet voldoende uit de feiten. Daaruit volgt wel dat het [gedaagde] veel moeite kost om het gesprek aan te gaan over haar gevoelens van onveiligheid en vertrouwen, maar zij gaat hiertoe uiteindelijk wel over. Ook is zij zelf met het initiatief gekomen om het gesprek samen met een vertrouwenspersoon te voeren en heeft zij zelf een vertrouwenspersoon gevonden. Dat [gedaagde] niet heeft meegewerkt, ziet de kantonrechter dan ook niet in.



3.15.
Kortom, gelet op het feitenrelaas valt niet in te zien dat [gedaagde] veelvuldig heeft geweigerd om het gesprek met De Stichting aan te gaan. Uit de feiten volgt naar het oordeel van de kantonrechter dat [gedaagde] weliswaar een enkele keer met opgave van reden heeft geprobeerd om een afspraak te verzetten, maar de kantonrechter ziet niet in dat dit als het weigeren van het aangaan van een gesprek moet worden aangemerkt. Dat [gedaagde] op 7 december 2020 niet direct een datum voor gesprek heeft gegeven, levert evenmin een zodanig verwijt op dat dit ontbinding van de arbeidsovereenkomst kan rechtvaardigen. Bovendien heeft te gelden dat het gegeven dat [gedaagde] na een dreiging met het stopzetten van het loon in actie is gekomen niet maakt dat zij verwijtbaar jegens De Stichting heeft gehandeld. Dat de gesprekken volgens De Stichting stroef zijn verlopen, mag dan zo zijn, maar maakt ook niet dat [gedaagde] een dusdanig verwijt kan worden gemaakt dat dit ontbinding van de arbeidsovereenkomst tot gevolg zou moeten hebben. De gedragingen van [gedaagde] waar zij hier en daar wellicht een steek heeft laten vallen, zijn onvoldoende om van verwijtbaar handelen te kunnen spreken, daarbij in aanmerking nemend dat vanuit De Stichting grote druk op [gedaagde] is uitgeoefend (in gesprekken 3 personen namens De Stichting, planning afspraken op (zeer) korte termijn en onterecht direct na de ziekmelding dreigen met loonsancties) Ook de gedragingen van [gedaagde] in onderlinge samenhang bekeken, ziet de kantonrechter dat niet in.



3.16.
De conclusie van het bovenstaande is dat de arbeidsovereenkomst op grond van de primaire grondslag verwijtbaar handelen niet zal worden ontbonden.


b. Verstoorde arbeidsverhouding (g-grond)




3.17.
Subsidiair stelt De Stichting dat de redelijke grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst gelegen is in een verstoorde arbeidsverhouding, zodanig dat van haar in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Dit is de zogenoemde g-grond (artikel 7:669 lid 3, onderdeel g BW). De Stichting stelt dat de werkwijze en houding van [gedaagde] het afgelopen jaar ervoor gezorgd hebben dat De Stichting geen vertrouwen meer in haar heeft en dat er sprake is van een duurzaam verstoorde arbeidsrelatie.
De kantonrechter stelt voorop dat voor een ontbinding op deze grond nodig is dat de arbeidsrelatie ernstig en duurzaam is verstoord en dat herstel van die relatie niet meer mogelijk is. Als volgt wordt overwogen.



3.18.
Om te beginnen wordt in aanmerking genomen dat [gedaagde] (ter zitting) herhaaldelijk heeft aangegeven graag terug te willen keren naar de werkvloer. Van een erkenning van het aanwezig zijn van een ernstig en duurzaam verstoorde verhouding is dan ook geen sprake. Ook wordt in aanmerking genomen dat de 64-jarige [gedaagde] al sinds 2009 bij De Stichting in dienst is als Technisch Onderwijsassistent Biologie en dat er van de periode van vóór de zomer van 2020 geen negatief dossier aanwezig is. Hoewel De Stichting ter zitting een aantal incidenten - die [gedaagde] heeft betwist - heeft aangehaald van vóór de zomer van 2020 stelt de kantonrechter vast dat dat niet is vastgelegd en dat De Stichting deze stelling ook anderszins niet met stukken heeft onderbouwd.



3.19.
Verder heeft te gelden - zo begrijpt de kantonrechter - dat De Stichting met de werkwijze en houding van [gedaagde] doelt op dezelfde gedragingen zoals deze ook ten grondslag zijn gelegd aan het verwijtbaar handelen. Zoals hiervoor is overwogen komt naar het oordeel van de kantonrechter niet vast te staan dat [gedaagde] veelvuldig heeft geweigerd om in gesprek te gaan en/of afspraken niet is nagekomen. De kantonrechter constateert dat met de twee mediation gesprekken die zijn gevoerd niet het gestelde doel is bereikt, maar ook dat die gesprekken hebben plaatsgevonden met de inmiddels vertrokken direct leidinggevende [naam C] . Ook de heer [naam B] zal naar verwachting eind dit jaar vertrekken als interim directeur van het TMC. [gedaagde] heeft juist met deze twee personen de meeste gesprekken gevoerd en met deze twee personen zijn de verhoudingen (mogelijk) verhard. Ter zitting heeft De Stichting nadrukkelijk aangegeven dat de verstoorde verhouding is gelegen in de relatie tussen [gedaagde] en De Stichting. De kantonrechter begrijpt hieruit dat het dus gaat om een duurzaam verstoorde relatie met het management van De Stichting en niet zozeer met de collega's op de werkvloer. De kantonrechter ziet door het vertrek van de twee personen met wie [gedaagde] het afgelopen jaar de gesprekken heeft gevoerd - mede gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden - niet in dat er geen enkel zicht is op verbetering van de onderlinge relatie. Dat De Stichting de nieuwe leidinggevenden niet wil belasten met dit dossier, rechtvaardigt geen andere conclusie.



3.20.
Voor zover De Stichting wel heeft bedoeld dat ook met de collega's een duurzaam verstoorde arbeidsverhouding bestaat, heeft De Stichting deze stelling niet met (stukken) onderbouwd. Uit de overgelegde gespreksverslagen en zoals ter zitting is gebleken, hebben er in het verleden twee collega's geklaagd over [gedaagde] , maar [gedaagde] heeft aangegeven dat hierover is gesproken en er afspraken zijn gemaakt. Ook heeft [gedaagde] aangegeven dat zij het moeilijk vindt om met een bepaalde collega te werken. Dat [gedaagde] moeite heeft om met deze collega samen te werken, maakt echter niet (en dat standpunt is ook niet door De Stichting ingenomen), dat er daarom sprake is van een duurzaam verstoorde arbeidsverhouding die ontbinding van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigt.



3.21.
De conclusie van het bovenstaande is dat naar het oordeel van de kantonrechter de door De Stichting gestelde feiten en omstandigheden onvoldoende grond vormen om aan te nemen dat sprake is van een zodanig verstoorde arbeidsverhouding dat niet van haar kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Voor zover de ontbinding van de arbeidsovereenkomst is gegrond op artikel 7:669 lid 3 onder g BW, kan deze niet worden toegewezen.


c. Combinatie van omstandigheden (i-grond)




3.22.
Ten slotte heeft De Stichting haar verzoek gegrond op artikel 7:669 lid 3 sub i BW. De kantonrechter stelt voorop dat met deze zogenoemde "cumulatiegrond" wordt beoogd het ontslagstelsel te verruimen, zonder te breken met het huidige stelsel van gesloten ontslaggronden (Kamerstukken I, 2018-2019, 35 074, nr. 9, p. 59). De cumulatiegrond is voor die gevallen bedoeld waarin voortzetting van het dienstverband in redelijkheid niet meer van de werkgever gevergd kan worden, waarbij de werkgever dat niet kan baseren op omstandigheden uit één enkele ontslaggrond, maar dit wel kan motiveren en onderbouwen met omstandigheden uit meerdere ontslaggronden samen (Kamerstukken I, 2018-2019, 35 074, F, pag. 26). Daarbij kan het bijvoorbeeld gaan om verwijtbaar handelen van de werknemer gecombineerd met onvoldoende functioneren en/of een verstoorde arbeidsverhouding (Kamerstukken I, 2018-2019, 35 074, nr. 3, pag. 52).



3.23.
De kantonrechter is van oordeel dat De Stichting onvoldoende heeft onderbouwd dat de i-grond in dit geval een grondslag kan bieden voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst. In haar verzoekschrift heeft De Stichting deze ontbindingsgrond weliswaar genoemd, maar zij is in haar pleitaantekeningen hier ook niet verder op ingegaan. Bovendien is de kantonrechter van oordeel dat gelet op het voorgaande niet kan worden geoordeeld dat de omstandigheden in deze zaak tot het oordeel moeten leiden dat van de werkgever in redelijkheid voortzetting van het dienstverband niet kan worden gevergd. Ook als de hiervoor genoemde omstandigheden voor de twee gronden bij elkaar op worden geteld, komt de kantonrechter niet tot die conclusie. Naar het oordeel van de kantonrechter kan [gedaagde] geen verwijt worden gemaakt en is er geen sprake van een duurzaam verstoorde arbeidsverhouding. De kantonrechter is gelet hierop van oordeel dat ook het verzoek om de arbeidsovereenkomst te ontbinden op de i-grond niet toewijsbaar is.


3. Conclusie




3.24.
De conclusie van het bovenstaande is dat het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst zal worden afgewezen.



3.25.
De Stichting zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. [gedaagde] heeft verzocht om betaling van de daadwerkelijk door haar gemaakte (advocaat)kosten. In een gerechtelijke procedure wordt in beginsel geen volledige vergoeding van gemaakte advocaatkosten toegekend. Het wettelijke stelsel biedt geen ruimte om de gemaakte kosten één op één door de in het ongelijk gestelde partij te laten vergoeden. Slechts in bijzondere omstandigheden kan daarvan worden afgeweken, bijvoorbeeld in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Door [gedaagde] is niet gesteld en het is de kantonrechter ook niet gebleken dat zich in dit geval bijzondere omstandigheden voordoen. Het enkele feit dat De Stichting een (omvangrijk) verzoekschrift heeft ingediend waartegen [gedaagde] zich heeft moeten verweren, maakt niet dat er sprake is van bijzondere omstandigheden zoals hiervoor bedoeld. Het staat De Stichting vrij om een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst in te dienen omdat zij meent dat er sprake is van verwijtbaar handelen of van een verstoorde arbeidsverhouding. De proceskosten zullen worden toegewezen op basis van de geldende liquidatietarieven.





4Beslissing
De kantonrechter:


4.1.
wijst het verzoek af;



4.2.
veroordeelt De Stichting in de proceskosten, welke aan de zijde van [gedaagde] tot aan deze uitspraak worden begroot op € 747,00 aan salaris van de gemachtigde;



4.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gegeven door mr. M. Griffioen, kantonrechter en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.
c 412
Link naar deze uitspraak