Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Peter Houtsma)
ECLI:NL:RBDHA:2021:12614 
 
Datum uitspraak:15-06-2021
Datum gepubliceerd:02-12-2021
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:20/3591
Rechtsgebied:Socialezekerheidsrecht
Indicatie:WIA, schending hoorplicht.
Trefwoorden:tuinbouw
uitkering
 
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 20/3591

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juni 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder
(gemachtigde: B. de Wolff).
Als derde-partij neemt aan het geding deel: International Lashing Service B.V., te Rotterdam.




Procesverloop

In het besluit van 13 januari 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder per 5 maart 2020 aan eiser een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) toegekend.

In het besluit van 1 mei 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft door middel van Skype plaatsgevonden op 7 mei 2021. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Derde-partij heeft zich voor de zitting afgemeld.




Overwegingen

1. De rechtbank overweegt allereerst dat zij, omdat eiser geen toestemming heeft gegeven om stukken die medische gegevens bevatten ter kennisname aan de derde-partij te sturen, de motivering van haar oordeel voor zover nodig zal beperken om te voorkomen dat deze gegevens alsnog openbaar worden.

2. Eiser is in 2018 na een auto-ongeluk uitgevallen voor zijn werk als havenmedewerker/sjorder voor 32 uur per week. In verband hiermee is aan eiser een uitkering op grond van de Ziektewet toegekend. Na afloop van de maximale duur van deze uitkering is aan eiser in het primaire besluit een WIA-uitkering (loongerelateerde WGA-uitkering) toegekend gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 35-80% (40,59 %). Het daartegen gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat het arbeidsongeschiktheidspercentage juist is vastgesteld. Dit standpunt is gebaseerd op de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) en de arbeidsdeskundige b&b.

4. Eiser kan zich niet met het bestreden besluit verenigen en voert aan dat zijn inkomen zo erg gedaald is dat hij zijn vaste lasten niet meer kan betalen. Eiser stelt dat zijn klachten zowel mentaal als fysiek zijn, dat hij hiervoor nog onder behandeling is en dat hij daarom niet in staat is om te werken. Ter zitting voert eiser aan dat hij in ieder geval (nog) niet fulltime kan werken. Verder vindt eiser het onbegrijpelijk dat verweerder niet alleen oordeelt over zijn uitkering maar ook over zijn bezwaar. Het bestreden besluit valt hem zwaar en hij wil graag dat er eerlijk wordt gekeken naar zijn beroep. Hij is door verweerder in bezwaar niet uitgenodigd.

5. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.


5.1.
Met betrekking tot eisers stelling dat hij onbegrijpelijk vindt dat verweerder (ook) over zijn bezwaar heeft beslist, overweegt de rechtbank dat dit zo is bepaald in de Algemene wet bestuursrecht (Awb, artikel 7:1 en verder). Verweerder heeft dat daarom terecht gedaan. Op de beslissing van verweerder gaat de rechtbank hieronder in.



5.2.
De rechtbank stelt daarbij voorop dat verweerder zijn besluiten omtrent de mate van arbeidsongeschiktheid van een betrokkene mag baseren op rapporten van verzekeringsartsen, indien deze rapporten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, geen tegenstrijdigheden bevatten en voldoende duidelijk zijn. Dit betekent niet dat deze rapporten en het daarop gebaseerde besluit in beroep niet kunnen worden aangevochten. Het is echter aan de betrokkene om aan te voeren en zo nodig aannemelijk te maken dat de rapporten niet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, tegenstrijdigheden bevatten, niet voldoende duidelijk zijn, dan wel dat de in de rapporten gegeven beoordeling onjuist is.



5.3.
De primaire verzekeringsarts heeft op 3 december 2019 een lichamelijk en psychisch onderzoek bij eiser verricht. Ook heeft de primaire verzekeringsarts dossieronderzoek verricht en de door eiser ingebrachte informatie van de huisarts en zijn behandelaren bestudeerd. Haar bevindingen staan vermeld in het rapport van 9 december 2019. De primaire verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat er sprake is van verminderde functionele mogelijkheden als gevolg van ziekte of gebrek. Er is volgens de verzekeringsarts geen reden om aan te nemen dat eiser geen duurzaam benutbare mogelijkheden heeft. De verzekeringsarts heeft de beperkingen van eiser vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).



5.4.
De verzekeringsarts b&b heeft op 20 maart 2020 een rapport uitgebracht. De verzekeringsarts b&b heeft blijkens dat rapport dossieronderzoek verricht. De geplande hoorzitting op 18 maart 2020 heeft door Covid-19 geen doorgang gevonden. De verzekeringsarts b&b heeft in zijn rapport vermeld dat er geen aanleiding is om geen duurzaam benutbare mogelijkheden aan te nemen, aangezien er geen sprake is van een aandoening die eiser ADL-afhankelijk maakt, eiser niet is opgenomen in een zorginstelling en ook niet blijkt van een disfunctioneren op persoonlijk en sociaal vlak. De
verzekeringsarts b&b heeft verder geconcludeerd dat er geen aanleiding is om meer beperkingen aan te nemen dan de beperkingen die al door de primaire verzekeringsarts in de FML zijn opgenomen, omdat daarmee voldoende rekening wordt gehouden met eisers klachten. Er is volgens de verzekeringsarts b&b geen indicatie voor een medische urenbeperking, omdat in geval van eiser niet aan de daarvoor gehanteerde criteria is voldaan: er is geen sprake van een ziekte die een urenbeperking op energetische of preventieve gronden nodig maakt, noch van een intensieve behandeling op grond waarvan eiser duidelijk verminderd inzetbaar is. De verzekeringsarts benadrukt nog dat er alleen rekening kan worden gehouden met de beperkingen zoals die kunnen worden geobjectiveerd. Dat betekent niet dat eiser niet serieus wordt genomen. Maar bij het vaststellen van de belastbaarheid is van belang of de ernst van de gepresenteerde klachten en beperkingen medisch voldoende is geobjectiveerd.



5.5.
De rechtbank heeft geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig of onvolledig is geweest. Eiser is in de primaire fase door de verzekeringsarts gezien en de rapporten van beide verzekeringsartsen geven er blijk van dat alle klachten van eiser, zowel mentaal als fysiek, betrokken zijn in het eindoordeel. Er zijn geen klachten over het hoofd gezien. Ook zijn de door eiser aangeleverde medische stukken van zijn behandelaars bij de oordeelsvorming betrokken.



5.6.
De rechtbank ziet in wat eiser aanvoert ook geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van het medisch oordeel van de verzekeringsartsen. In de rapportages is deugdelijk en inzichtelijk gemotiveerd dat er geen reden is voor het aannemen van volledige arbeidsongeschiktheid. Voor zover eiser stelt dat hij niet fulltime kan werken, wijst de rechtbank erop dat de verzekeringsarts b&b in zijn rapport uitgebreid heeft gemotiveerd waarom een urenbeperking niet aan de orde is. Wat eiser in beroep heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding om daarover anders te oordelen. Dat eiser nog onder behandeling is, betekent niet dat hij geen functionele mogelijkheden heeft of dat hij op de datum in geding (5 maart 2020) meer beperkt was dan door de artsen is aangenomen. De rechtbank merkt daarbij op dat niet ter discussie staat dat eiser klachten heeft. Aan hoe eiser zelf zijn klachten ervaart, komt in de systematiek van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling echter geen doorslaggevende waarde toe. Zoals door de verzekeringsarts b&b is opgemerkt, gaat het gaat bij die beoordeling om het kunnen vaststellen van medisch objectiveerbare beperkingen. Dat eiser het niet eens is met de aangenomen beperkingen kan op zichzelf niet leiden tot het oordeel dat de medische beoordeling onjuist is. Eiser heeft geen medische gegevens aangedragen op grond waarvan de medische beoordeling en de daarbij aangenomen beperkingen door de verzekeringsartsen voor onjuist moet worden gehouden. De rechtbank onderschrijft dan ook de medische grondslag van het bestreden besluit.



5.7.
De arbeidsdeskundige heeft op basis van de voor eiser in de FML neergelegde beperkingen, vastgesteld dat eiser zijn werk in de haven niet meer kan doen, maar dat eiser wel geschikt is voor de functies textielproductenmaker (exclusief vervaardigen textiel) (sbc-code 111160), productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) (sbc-code 111180) en medewerker tuinbouw (planten, bloemen en vruchten) (sbc-code 111010) geduid. Dit is door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep bevestigd.



5.8.
Uitgaande van de juistheid van de FML ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de geschiktheid van eiser voor deze geduide functies. Eiser heeft daartegen de ook geen afzonderlijke gronden aangevoerd. Verweerder heeft eisers mate van arbeidsongeschiktheid daarom terecht aan de hand van deze functies berekend. In wat eiser heeft aangevoerd ligt geen grond voor het oordeel dat de uitkomst daarvan onjuist is.



5.9.
Er is geen reden om aan te nemen dat verweerder de hoogte van de uitkering niet goed heeft berekend. Voor zover eiser aanvoert dat zijn inkomen gedaald is, is dit geen omstandigheid waar verweerder - of de rechtbank - in het kader van de beoordeling van (besluiten over) eisers arbeidsongeschiktheid rekening mee kan houden. Deze stelling van eiser kan daarom niet leiden tot een hogere uitkering.



5.10.
Over eisers stelling dat hij niet is gehoord in bezwaar, overweegt de rechtbank het volgende. Op grond van artikel 7:2, eerste lid, van de Awb stelt het bestuursorgaan, voordat het op het bezwaar beslist, de belanghebbende in de gelegenheid te worden gehoord. Van het horen kan ingevolge artikel 7:3 van de Awb worden afgezien indien het bezwaar kennelijk niet ontvankelijk is, het bezwaar kennelijk ongegrond is, de belanghebbenden hebben verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord, of aan het bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad.



5.11.
Vast staat dat er geen hoorzitting meer is geweest na het afzeggen van de hoorzitting van 18 maart 2020 in verband met Covid-19. Zoals verweerder ter zitting heeft toegelicht, heeft de verzekeringsarts b&b naar het dossier gekeken en vond hij dat hij op basis daarvan voldoende informatie had om tot een beoordeling te komen. Blijkens het rapport van de verzekeringsarts b&b heeft een juridisch medewerker dit ook met eiser besproken. Verweerder heeft echter geen telefoonnotitie van dit gesprek overlegd. Nergens uit de gedingstukken blijkt dat eiser heeft afgezien van zijn recht om gehoord te worden. Het bestreden besluit is daarom tot stand gekomen in strijd met het bepaalde in artikel 7:2 van de Awb. Immers, niet is gebleken dat eiser expliciet heeft afgezien van zijn recht te worden gehoord op een hoorzitting.



5.12.
Op grond van artikel 6:22 van de Awb kan in beroep aan schending van de hoorplicht voorbij worden gegaan indien blijkt dat de betrokkene niet is benadeeld door de schending van dit vormvoorschrift. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval geen sprake van benadeling, omdat eiser in zijn beroepschrift en tijdens de skype-zitting naar voren heeft kunnen brengen wat hij naar voren had willen brengen tijdens een hoorzitting in bezwaar. De rechtbank gaat daarom aan de schending van de hoorplicht voorbij.



5.13.
Het vorenstaande betekent dat eisers gronden niet leiden tot een ander besluit.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten. In het schenden van de hoorplicht (zie 5.11.) ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 48,- aan hem vergoedt.




Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 48,- aan eiser moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.T. Aalbers, rechter, in aanwezigheid van mr. E.A.C. van Poelgeest, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2021.













griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Link naar deze uitspraak