|
|
ECLI:NL:CBB:2025:210 | | | Datum uitspraak | : | 01-04-2025 | Datum gepubliceerd | : | 01-04-2025 | Instantie | : | College van Beroep voor het bedrijfsleven | Zaaknummers | : | 23/1981 | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | Indicatie | : | GLB. Betalingsrechten. De door de landbouwer overgelegde stukken zijn bij de besluitvorming betrokken. | Trefwoorden | : | gecombineerde opgave | | | glb | | | landbouw | | | landbouwer | | | landbouwgrond | | | perceel | Wetreferenties | : | Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB
| | Uitspraak | uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/1981
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 april 2025 in de zaak tussen
[naam] , te [woonplaats] (de landbouwer)
(gemachtigde: R. Scholten)
en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (de minister)
(gemachtigden: mr. M. van den Brink en mr. J. van Horssen)
Procesverloop
Met het besluit van 16 september 2022 heeft de minister de basis- en vergroeningsbetaling voor het jaar 2020 op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling) vastgesteld op een bedrag van € 17.115,80.
Met het besluit van 26 oktober 2022 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de landbouwer ongegrond verklaard.
De landbouwer heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Op verzoek van het College heeft de landbouwer gereageerd op het verweerschrift.
De zitting was op 14 februari 2025. Aan de zitting hebben de gemachtigden van de minister deelgenomen.
Overwegingen
Inleiding
1.1
De landbouwer heeft met zijn op 15 mei 2020 ingediende Gecombineerde Opgave 2020 (GO 2020) verzocht om uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling en hiervoor 61 percelen met een totale oppervlakte van 60,61 ha opgegeven. Met een brief van 2 juli 2021 heeft de minister aanvullende informatie bij de landbouwer opgevraagd. Reden hiervoor was dat voor een aantal van de in de GO 2020 voor uitbetaling opgegeven percelen, een andere kadastrale eigenaar stond geregistreerd. Om te controleren of de landbouwer op 15 mei 2020 een geldige gebruikstitel had voor deze percelen, heeft de minister de landbouwer verzocht overeenkomsten of verklaringen van de eigenaren over te leggen waaruit blijkt dat hij deze percelen in gebruik had. Naar aanleiding van dit verzoek heeft de landbouwer verschillende bewijsstukken overgelegd.
1.2
Met het besluit van 16 september 2022 heeft de minister de basis- en vergroeningsbetaling vastgesteld op een bedrag van € 17.115,80. Daarbij is de minister uitgegaan van een geconstateerde oppervlakte van 53,03 ha. Volgens de minister heeft de landbouwer van een aantal opgegeven (delen van) percelen niet aangetoond dat hij deze op 15 mei 2020 in gebruik had en voldoen niet alle percelen aan de voorwaarden van subsidiabele landbouwgrond.
2 Met het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van de landbouwer ongegrond verklaard. De landbouwer heeft volgens de minister niet aannemelijk gemaakt dat de percelen 2, 30, 34, 61, 67, 73, 78, 80, 103, 150, 152 en 160 op 15 mei 2020 tot zijn beschikking stonden.
Standpunten van partijen
3.1
De landbouwer stelt dat hij op 6 oktober 2023 nog een groot aantal stukken heeft overgelegd, maar dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat deze zijn betrokken in de besluitvorming. Het bestreden besluit is in zoverre niet zorgvuldig tot stand gekomen. Zo is in het bestreden besluit overwogen dat de landbouwer geen nadere stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij een geldige gebruikstitel heeft voor perceel 61, terwijl zich tussen de gedingstukken een uitleg met als titel 'kavel 61' en een pachtcontract bevinden.
3.2
De minister stelt zich op het standpunt dat de landbouwer pas op 23 november 2023, dus nadat het bestreden besluit al was genomen, stukken heeft overgelegd. Deze stukken zijn bovendien gelijk aan de stukken die de landbouwer al in de primaire fase heeft overgelegd. Deze stukken zijn zowel bij het besluit van 16 september 2022 betrokken als bij het bestreden besluit.
Beoordeling van het beroep
4.1
De stelling van de landbouwer dat de door hem overgelegde stukken niet zijn betrokken bij de besluitvorming volgt het College niet. De minister heeft in zijn verweerschrift toegelicht dat er op 6 oktober 2023 contact is geweest tussen medewerkers van de minister en de landbouwer. Tijdens dat gesprek is afgesproken dat de landbouwer de bewijsstukken omtrent het gebruik van de percelen naar de betreffende medewerkers zou sturen. Toen deze stukken uitbleven, is het bestreden besluit genomen. De genoemde medewerkers hebben verklaard dat de stukken op 23 november 2023 door hen zijn ontvangen. Deze stukken zijn echter gelijk aan de stukken die de landbouwer in de primaire fase heeft overgelegd. Het College ziet geen aanleiding om de minister niet in zijn weergave van deze gang van zaken te volgen. In zijn reactie op het verweerschrift heeft de landbouwer deze weergave ook niet bestreden.
4.2
Dat de minister heeft geoordeeld dat perceel 61 niet tot de beschikking van de landbouwer staat, terwijl er wel een stuk met als titel ‘kavel 61’ en een pachtcontract tussen de gedingstukken zit, leidt niet tot de conclusie dat de door de landbouwer overgelegde stukken niet zijn betrokken in de besluitvorming. Zoals de minister ter zitting heeft toegelicht, zien de betreffende stukken op een overeenkomst met de provincie Limburg, terwijl niet de provincie Limburg maar Staatsbosbeheer de eigenaar is van perceel 61. De minister heeft deze stukken wel betrokken in zijn besluitvorming, maar dit heeft niet tot het door de landbouwer gewenste resultaat geleid.
4.3
In wat de landbouwer aanvoert bestaat dan ook geen grond voor de conclusie dat het bestreden besluit niet zorgvuldig tot stand is gekomen.
Slotsom
5 Het beroep tegen het bestreden besluit is dus ongegrond.
6 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
Het college verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Pavićević in aanwezigheid van mr. A.C. van Helvoort, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 april 2025.
w.g. T. Pavićević w.g. A.C. van Helvoort | Link naar deze uitspraak
|
| |
|
|