|
|
ECLI:NL:RBZWB:2025:1739 | | | Datum uitspraak | : | 24-03-2025 | Datum gepubliceerd | : | 03-04-2025 | Instantie | : | Rechtbank Zeeland-West-Brabant | Zaaknummers | : | BRE 22/5751 WIA | Rechtsgebied | : | Socialezekerheidsrecht | Indicatie | : | Beroep tegen vaststelling mate van arbeidsongeschiktheid per einde wachttijd. De rechtbank heeft aanleiding gezien om een onafhankelijke deskundige te benoemen, namelijk [verzekeringsarts 2]. In zijn rapport van 24 september 2024 concludeert [verzekeringsarts 1] dat hij met bijna alle door de verzekeringsarts b&b aangegeven beperkingen voor de datum in geding kan instemmen. Dat geldt alleen niet voor het ontbreken van een beperking voor het draaien van nachtdiensten en verder heeft verzekeringsarts [verzekeringsarts 1] in de door hem opgestelde FML de beperking voor maximaal vier uur per dag samengeteld lopen en staan anders in de FML weergegeven. De zwaarte van deze beperking is niet aangepast. Een urenbeperking wordt afgewezen. Naar aanleiding van het deskundigenrapport van verzekeringsarts [verzekeringsarts 1] heeft de verzekeringsarts b&b op 26 november 2024 een nieuwe FML opgesteld. Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt als de motivering van deze deskundige haar overtuigend voorkomt. Naar het oordeel van de rechtbank doet deze situatie zich hier voor. Het deskundigenrapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent gemotiveerd. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten voor een andere conclusie over de medische belastbaarheid van eiser dan vermeld in de FML van 26 november 2024. De geduide functies blijven in stand. Beroep ongegrond. | Trefwoorden | : | omzetbelasting | | | tarieven | | | tuinbouw | | | uitkering | | Uitspraak | RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats: Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 22/5751 WIA
uitspraak van 24 maart 2025 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , te [plaats] , eiser,
gemachtigde: mr. S.J.W.C. Lipman,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,
UWV (kantoor Eindhoven).
gemachtigde: mr. A.P.J. Mijs
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de door het UWV vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).
1.1.
Het UWV heeft met het besluit van 9 februari 2022 (primaire besluit) aan eiser met ingang van 12 november 2021 een WIA-uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 73,49%. Met het bestreden besluit van 2 november 2022 is het bezwaar van eiser gegrond verklaard. Het UWV heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser vanaf 12 november 2021 75,23% arbeidsongeschikt is. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 19 juni 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, vergezeld door tolk [naam] en zijn gemachtigde deelgenomen. Het UWV is vertegenwoordigd door mr. A.P.J. Mijs.
1.3.
Bij beslissing van 20 juni 2024 heeft de rechtbank het onderzoek heropend om een deskundige nader onderzoek te laten verrichten.
1.4.
Op 24 september 2024 heeft de deskundige, [verzekeringsarts 1] , een rapport uitgebracht. Eiser heeft bij brief van 27 november 2024 op dit rapport gereageerd. Van de zijde van het UWV is op 10 december 2024 gereageerd. Door eiser is vervolgens op 7 januari 2025 een reactie ingezonden.
1.5.
Partijen hebben aangegeven geen nadere zitting te wensen. De rechtbank heeft vervolgens op 12 februari 2025 het onderzoek gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. Eiser is - voorafgaand aan zijn uitval op 15 november 2019 door lichamelijke klachten – werkzaam geweest als supervisor. Na afloop van de wachttijd heeft het UWV eiser in het primaire besluit vanaf 12 november 2021 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 73,49%. In het bestreden besluit heeft het UWV de bezwaren van eiser tegen het primaire besluit gegrond verklaard. Het UWV heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser vanaf 12 november 2021 75,23% arbeidsongeschikt is.
Zijn de beperkingen juist vastgesteld?
3. Over eiser is achtereenvolgens gerapporteerd door een verzekeringsarts en een verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b) van het UWV.
4. [verzekeringsarts 2] heeft het dossier, inclusief de ontvangen medische informatie, bestudeerd en heeft op 27 december 2021 telefonisch gesproken met eiser. De verzekeringsarts constateert bij het psychisch onderzoek geen bijzonderheden en een lichamelijk onderzoek vindt niet plaats. Eiser is vanwege zijn medicatie aangewezen op werk zonder verhoogd persoonlijk risico en beperkt voor beroepsmatig chauffeuren en leidinggevende taken. Vanwege pijnklachten is eiser beperkt voor duwen/trekken, tillen, dragen, (trap)lopen en staan.
De beperkingen en de belastbaarheid van eiser zijn neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 27 december 2021.
In bezwaar heeft verzekeringsarts b&b [verzekeringsarts 3] het dossier, inclusief de in bezwaar
ontvangen medische stukken, bestudeerd. Verder heeft de verzekeringsarts b&b de hoorzitting bijgewoond en eiser na afloop van de hoorzitting verzekeringsgeneeskundig onderzocht. Bij het psychisch onderzoek constateert de verzekeringsarts b&b geen bijzonderheden. Het lichamelijk onderzoek aan de schouders en armen verloopt moeizaam door actief spierverzet. Behalve dat passieve bewegingen boven 45 graden beperkt worden door spierverzet constateert de verzekeringsarts b&b bij de armen en schouders geen bijzonderheden. Bij het onderzoek aan de handen geeft eiser aan nauwelijks knijpkracht in beide handen te hebben en wordt een verminderde sensibiliteit in de handen en onderarmen aangegeven. Bij het onderzoek van de benen wordt een vermindering van de sensibiliteit van beide grote tenen aangegeven. Volgens de verzekeringsarts b&b zijn de pijnklachten door de dunne vezelneuropathie te verklaren, maar de door eiser aangegeven ernst van de pijnklachten niet. De verzekeringsarts b&b neemt de door verzekeringsarts aangenomen beperkingen voor wat betreft tillen, dragen, (trap)lopen en staan over en neemt door de klachten aan de handen en armen aanvullende beperkingen aan voor het zetten van schroefbewegingen met kracht en het frequent reiken tijdens het werk. Door de pijngevoeligheid bij grote temperatuurswisselingen mag eiser niet blootgesteld worden aan temperatuurschommelingen van meer dan tien graden. De verzekeringsarts b&b neemt geen urenbeperking aan, omdat niet wordt voldaan aan de in de Standaard ‘Duurbelasting in Arbeid’ (standaard) omschreven gevallen. De verzekeringsarts b&b heeft de FML op
26 oktober 2022 aangepast.
4.1.
Eiser heeft in beroep aangevoerd dat zijn beperkingen zijn onderschat. Onder verwijzing naar de door hem ingeschakelde verzekeringsarts Greveling-Focken is betoogd dat er aanvullende beperkingen aangenomen dienen te worden voor de beoordelingspunten 1.8.3, 1.8.4, 2.8.1. Verder geldt een aanvullende beperking voor lopen (tijdens het werk) en staan tijdens het werk van maximaal twee uur als gevolg van het verminderde gevoel aan de voetzolen van eiser. Eiser is verder door het dove gevoel aan de vingertoppen niet geschikt voor ‘priegelwerk’. Bovendien dient een urenbeperking van maximaal 6 uur per dag en 30 uur per week aangehouden te worden en kan eiser niet ’s nachts werken
4.2.
De rechtbank heeft aanleiding gezien om een onafhankelijke deskundige te benoemen, namelijk [verzekeringsarts 1] . In zijn rapport van 24 september 2024 concludeert verzekeringsarts [verzekeringsarts 1] dat hij met bijna alle door de verzekeringsarts b&b aangegeven beperkingen voor de datum in geding kan instemmen. Dat geldt alleen niet voor het ontbreken van een beperking voor het draaien van nachtdiensten en verder heeft verzekeringsarts [verzekeringsarts 1] in de door hem opgestelde FML de beperking voor maximaal vier uur per dag samengeteld lopen en staan anders in de FML weergegeven. De zwaarte van deze beperking is niet aangepast. Een urenbeperking wordt afgewezen. Naar aanleiding van het deskundigenrapport van verzekeringsarts [verzekeringsarts 1] heeft de verzekeringsarts b&b op 26 november 2024 een nieuwe FML opgesteld.
4.3.
Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt als de motivering van deze deskundige haar overtuigend voorkomt. Naar het oordeel van de rechtbank doet deze situatie zich hier voor. Het deskundigenrapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent gemotiveerd. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten voor een andere conclusie over de medische belastbaarheid van eiser dan vermeld in de FML van 26 november 2024.
Zijn de aan de schatting ten grondslag gelegde functies geschikt?
5. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit is de rechtbank van oordeel dat eiser met inachtneming van de FML van 26 november 2024 in staat moet worden geacht de geduide functies van textielproductenmaker (excl. vervaardigen textiel, Sbc-code 111160), huishoudelijk medewerker gebouwen (Sbc-code 111334) en medewerker tuinbouw (planten, bloemen en vruchten, Sbc-code 111010) te vervullen. De rechtbank verwijst naar de rapportages van de arbeidsdeskundige b&b van
1 november 2022 en van 9 december 2024. Daarin is inzichtelijk gemotiveerd dat, uitgaande van de vastgestelde beperkingen, eiser de werkzaamheden kan verrichten die verbonden zijn aan deze functies. De hiervoor genoemde functies mochten worden gebruikt voor de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid.
Is de mate van arbeidsongeschiktheid juist vastgesteld?
6. Op basis van de inkomsten die eiser met de geduide functies kan verdienen, heeft het UWV een berekening gemaakt die leidt tot een mate van arbeidsongeschiktheid van 75,23%. Omdat eiser tegen deze berekening geen gronden naar voren heeft gebracht, gaat de rechtbank uit van deze mate van arbeidsongeschiktheid. Dit betekent dat het UWV terecht de mate van arbeidsongeschiktheid per 12 november 2021 heeft vastgesteld op 75,23%.
7. Het bestreden besluit is, gelet op de aanpassing van de FML door de verzekeringsarts b&b, pas in beroep voorzien van een toereikende medische onderbouwing. Deze schending van artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zal met toepassing van artikel 6:22 van de Awb worden gepasseerd, omdat aannemelijk is dat eiser hierdoor niet is benadeeld.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. De toepassing van artikel 6:22 van de Awb geeft aanleiding om het UWV te veroordelen in de proceskosten van eiser. Deze kosten worden begroot op € 2.267,50 (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor de schriftelijke zienswijze na verslag deskundigenonderzoek, met een waarde per punt van € 907 en wegingsfactor 1) aan kosten van verleende rechtsbijstand in beroep. Verder wordt het UWV veroordeeld tot vergoeding van de kosten met betrekking tot het medisch advies van 20 februari 2023 van de door eiser ingeschakelde verzekeringsarts Greveling-Focken. Uitgaande van 7,25 uur tegen het uurtarief van € 142,75 exclusief omzetbelasting bedragen de te vergoeden kosten € 1.034,94. Op grond van artikel 15 van het Besluit tarieven in strafzaken wordt dit bedrag verhoogd met de omzetbelasting van 21% die daarover is verschuldigd zodat de vergoeding in totaal € 1.252,28 inclusief omzetbelasting bedraagt. Eiser heeft verder verzocht om de kosten van de voor de zitting ingeschakelde tolk te vergoeden. De rechtbank ziet aanleiding het UWV te veroordelen tot een bedrag van € 51, uitgaande van één uur aan werkzaamheden. Het totale bedrag aan voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten bedraagt dan € 3.570,78. Daarnaast moet het UWV het door eiser betaalde griffierecht vergoeden. Er is geen grond voor toekenning van schadevergoeding.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 50,00 aan eiser moet vergoeden;
veroordeelt het UWV tot betaling van € 3.570,78 aan proceskosten aan eiser;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.E. Loontjens, griffier, op 24 maart 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage wettelijk kader
In artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA is bepaald dat volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.
Volgens artikel 5 van de Wet WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Dit betekent dat pas recht op uitkering bestaat bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 35% of meer.
Specifieke voorwaarden voor het persoonlijk functioneren in arbeid: eiser is beperkt ten aanzien van veelvuldige storingen en onderbrekingen.
Specifieke voorwaarden voor het persoonlijk functioneren in arbeid: eiser is beperkt ten aanzien van veelvuldige deadlines en productiepieken.
Beperking voor conflicthantering.
Beoordelingspunt 4.16.1 van de FML.
Beoordelingspunt 4.17.1 van de FML.
Beoordelingspunt 5.4.1 van de FML.
Beoordelingspunten 6.2.2 en 6.2.3 van de FML.
Beoordelingspunt 6.1 van de FML. | Link naar deze uitspraak
|
| |
|
|