Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBMNE:2023:3114 
 
Datum uitspraak:10-01-2023
Datum gepubliceerd:03-04-2025
Instantie:Rechtbank Midden-Nederland
Zaaknummers:UTR 22/1728
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:voorlopige voorziening hangende bezwaar, Wob/Woo
Trefwoorden:landbouw
landbouw, natuur en voedselkwaliteit
meststoffen
 
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 22/1728

uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 januari 2023 in de zaak tussen



[verzoekster] B.V., uit [vestigingsplaats], verzoekster
(gemachtigde: mr. F.R.H. Kuiper),

en



de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, (verweerder)
(gemachtigde: M. Looijs).


Inleiding


Bij besluit van 11 april 2022 (bestreden besluit) heeft verweerder een verzoek om openbaarmaking op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) gedeeltelijk toegewezen. Verweerder heeft daarbij bepaald dat de feitelijke openbaarmaking van de documenten niet eerder plaatsvindt dan twee weken na 11 april 2022 (de uitgestelde openbaarmaking), omdat naar verwachting belanghebbenden bezwaar hebben tegen de openbaarmaking van deze documenten.

Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft de voorzieningenrechter meegedeeld dat het bestreden besluit wordt opgeschort totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan op het verzoek om een voorlopige voorziening.

Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft beperkte kennisname van de persoonsgegevens van de indiener van het Wob-verzoek toegestaan.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 19 december 2022 op zitting behandeld, gezamenlijk met het verzoek geregistreerd onder zaaknummer UTR 22/1842. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van verweerder.







Waar gaat deze zaak over


1. Op 24 augustus 2021 is bij verweerder een Wob-verzoek ingediend. In dat verzoek is verzocht om alle bij de Nederlandse Voedsel- en Waren Autoriteit (NVWA) beschikbare informatie aangaande een controle bij [bedrijf] te [plaats 1] en gemengde materialen die naar de vergister aan het [adres] te [plaats 2] zijn vervoerd zonder VDM’s. Daarbij is aangegeven dat het verzoek in ruime zin moet worden opgevat en omvat bijvoorbeeld tevens controles, contacten met andere instanties etc.

2. Verweerder heeft verzoekster meegedeeld voornemens te zijn om informatie over haar (deels) openbaar te maken. Verzoekster is in de gelegenheid gesteld een zienswijze in te dienen. Zij heeft hiervan gebruik gemaakt.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het Wob-verzoek gedeeltelijk toegewezen, maar de feitelijke openbaarmaking van de informatie uitgesteld. Verweerder heeft een drietal documenten aangetroffen, waaronder documenten met betrekking tot verzoekster. Het gaat daarbij om de volgende documenten:
1. een rapport van bevindingen van 10 januari 2020 met bijlagen,
2. een rapport van bevindingen van 5 maart 2020 met bijlagen en
3. een inspectieverslag van 20 oktober 2020.
Het in document 3 neergelegde inspectieverslag heeft geen betrekking op verzoekster, bevat ook niet haar bedrijfsnaam en valt daarom buiten de omvang van dit geding.

4. Verweerder heeft openbaarmaking van gegevens betreffende de persoonlijke levenssfeer, herleidbaar naar personen, zoals namen en handtekeningen, geweigerd op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob. Verder heeft verweerder informatie die herleidbaar is tot de in de documenten genoemde transportbedrijven niet openbaar gemaakt op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob. De gegevens van deze bedrijven hebben volgens verweerder verder geen betrekking op milieu-informatie. In de bijlage bij het besluit zijn de overwegingen vermeld die een reactie vormen op de ingediende zienswijze. Omdat de informatie opgenomen in documenten 1 en 2 milieu-informatie betreft die betrekking heeft op emissies in het milieu ziet verweerder in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob (thans: artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woo) en artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g van de Wob (thans: artikel 5.1, vijfde lid, van de Woo) geen aanleiding om openbaarmaking op die gronden te weigeren.

5. Verzoekster heeft op zitting duidelijk gemaakt dat zij geen bezwaar heeft tegen openbaarmaking van de documenten behoudens voor zover het de bedrijfsnamen (met adresgegevens) van verzoekster en bepaalde genoemde afnemers en leveranciers van verzoekster betreft. Deze namen (met adresgegevens) moeten worden weggelakt. Ook heeft verzoekster bezwaar tegen het openbaar maken van de in de facturen opgenomen bedragen die als bijlagen bij de rapporten zijn opgenomen.







Beoordeling van de voorzieningenrechter


6. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

7. De eerste vraag die de voorzieningenrechter moet beantwoorden is of er sprake is van een spoedeisend belang. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is er voldoende spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening. Zonder voorlopige voorziening worden documenten openbaar gemaakt, wat onomkeerbaar is. Verzoekster is het niet eens met deze openbaarmaking zoals verweerder die voorstaat.

8. De volgende vraag die voorligt is of het besluit van verweerder rechtmatig is. Als de voorzieningenrechter geen twijfel heeft over de rechtmatigheid van het besluit, zal het algemene belang, namelijk dat verweerder volgens zijn besluit de stukken openbaar kan maken zonder nodeloze vertraging, de doorslag geven. Dit geldt ook wanneer de uitvoering van het besluit, zoals in dit geval, onomkeerbare gevolgen heeft. Als de voorzieningenrechter het besluit tot openbaarmaking van de documenten onrechtmatig vindt of als zij twijfel heeft bij de rechtmatigheid van het besluit terwijl de uitvoering daarvan onomkeerbare gevolgen heeft, kan er aanleiding zijn voor het treffen van een voorlopige voorziening.

9. Bij de beoordeling door de voorzieningenrechter van de vraag of het besluit rechtmatig is en in bezwaar kan worden gehandhaafd, is het volgende van belang. In het bestreden besluit heeft verweerder het verzoek getoetst aan de Wob. Op 1 mei 2022 is evenwel de Wet open overheid (Woo) in werking getreden. Artikel 10.1 van de Woo bepaalt dat de Wob wordt ingetrokken. Er is niet voorzien in overgangsrecht. Dat betekent dat de Woo onmiddellijke werking heeft en dat het verzoek om voorlopige voorziening hangende bezwaar dient te worden getoetst aan de Woo.

10. De Woo gaat ervan uit dat het recht op de openbaarmaking het publieke belang van een goede en democratische besluitvorming dient. Uitgangspunt is dat informatie openbaar wordt gemaakt, tenzij er sprake is van een weigeringsgrond. In artikel 5.1 van de Woo zijn weigeringsgronden opgenomen. Voor de toepassing van dit artikel is relevant de vraag of sprake is van milieu-informatie (die betrekking heeft op emissies). Op emissiegegevens zijn de weigeringsgronden van artikel 5.1 van de Woo niet van toepassing.

11. De voorzieningenrechter zal hieronder de gronden van bezwaar bespreken en daarna ingaan op de omstandigheid dat verzoekster niet alle in documenten neergelegde informatie heeft verkregen om daarop haar zienswijze te geven.





Openbaarmaking van de bedrijfsnamen van verzoekster en andere nader genoemde bedrijven

12. Voor de openbaarmaking van de bedrijfsnaam van verzoekster is relevant de vraag of deze naam is opgenomen in milieu-informatie met betrekking tot emissies. Verweerder heeft in het bestreden besluit uitgelegd dat hiervan sprake is. Ter zitting heeft verzoekster aangevoerd dat haar bedrijfsnaam geen milieu-informatie en emissiegegeven betreft.
12. Wat betreft de bedrijfsnaam van verzoekster kan de voorzieningenrechter ten aanzien van de rapporten van 10 januari 2020 en 5 maart 2020 verzoekster niet volgen in haar standpunt dat het hier niet gaat om milieu-informatie. De rapporten bevatten milieu-informatie met betrekking tot emissies. Dit wordt behoudens voor zover het de bedrijfsnaam betreft ook niet betwist. De rapporten hebben beide betrekking op meststoffen (ongeboren mest gemengd met andere materialen) en de daaraan gekoppelde verplichtingen voor de bedrijven die hiermee werken. Van deze meststoffen is voorzienbaar dat deze in het milieu terecht komen. Verzoekster is een bedrijf die met deze meststoffen werkt en die ter zake van de daaruit voortvloeiende milieuverplichtingen ook wordt genoemd. De naam van verzoekster valt daarom ook onder milieu-informatie met betrekking tot emissie. Het vorenstaande betekent dat de bedrijfsnaam openbaar is en dat de weigeringsgronden niet van toepassing zijn. Dit betekent dat de bezwaargronden die betrekking hebben op privacy, bedrijfsvertrouwelijkheid, concurrentiepositie en strafrechtelijk onderzoek, waarmee verzoekster (kennelijk) wil aantonen dat zij door openbaarmaking onevenredig wordt benadeeld dan wel dat het gaat om vertrouwelijk aan de overheid verstrekte bedrijfsgegevens, niet slagen.

14. Verzoekster kan de openbaarmaking van de bedrijfsnamen van haar afnemer en toeleverancier niet tegenhouden. Deze bedrijven moeten voor hun eigen belangen opkomen. Indien verweerder deze bedrijven niet in de gelegenheid heeft gesteld zich te melden als belanghebbende dan moeten deze bedrijven verweerder daarop aanspreken. Het is niet aan verzoekster om in het kader van deze procedure op te komen voor de belangen van deze bedrijven. Verzoekster heeft verder ook niet gemotiveerd aangegeven waarom zij door openbaarmaking van deze bedrijfsnamen in haar belangen wordt getroffen.

15. Documenten 1 en 2 bevatten naast de rapporten van 10 januari 2020 en 5 maart 2020 ook diverse bijlagen. Dit zijn onder meer facturen, handelsbrieven, e-mailberichten en adviezen. Verweerder heeft ten aanzien van deze bijlagen niet apart beoordeeld of ook ten aanzien van deze informatie sprake is van milieu-informatie (met betrekking tot emissies). In (enkele van) deze bijlagen is de bedrijfsnaam van verzoekster en factuurbedragen genoemd. Om te beoordelen of ook ten aanzien van deze gegevens sprake is van milieu-informatie (met betrekking tot emissies) heeft de voorzieningenrechter nog een standpunt nodig van verweerder. De rechtmatigheid van het besluit kan wat betreft dit onderdeel niet worden vastgesteld voordat verweerder de bijlagen in boven vermelde zin heeft beoordeeld. Omdat een openbaarmaking onomkeerbaar is, heeft verzoekster een zwaarwegend belang bij de beoordeling van haar bedrijfsnaam en adresgegevens en factuurbedragen die in de bijlagen bij de rapporten zijn opgenomen alvorens tot openbaarmaking van deze gegevens wordt overgegaan. Dit belang weegt zwaarder dan het algemeen belang van openbaarmaking. Daarbij merkt de voorzieningenrechter op dat de openbaarmaking van de bijlagen behoudens de bedrijfsnaam met adresgegevens en de factuurbedragen niet langer hoeft te worden opgeschort. Het moge duidelijk zijn dat het hier gaat om de facturen die aan verzoekster zijn gericht of van haar afkomstig zijn. Hieronder worden deze bedragen aangeduid als relevante factuurbedragen.

16. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe voor zover het betreft de openbaarmaking van de bedrijfsnaam met adresgegevens en de relevante factuurbedragen opgenomen in de bijlagen bij de rapporten. Deze mogen niet openbaar gemaakt worden tot zes weken nadat het besluit op bezwaar aan verzoekster bekend is gemaakt. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorzieningen voor het overige af.


Niet verstrekken van alle informatie die in de documenten 1 en 2 zijn neergelegd

17. De voorzieningenrechter heeft ter zitting nog aan de orde gesteld dat niet alle in de documenten neergelegde informatie aan verzoekster is verstrekt om daarover een zienswijze uit te brengen, terwijl in een deel van deze voor verzoekster ontbrekende informatie wel haar bedrijfsnaam wordt genoemd. Deze omstandigheid kan in dit geval zonder gevolg blijven. De bedrijfsnaam is namelijk opgenomen in milieu-informatie die betrekking heeft op emissies. Op die informatie zijn de weigeringsgronden niet van toepassing. Een nadere reactie op de ontbrekende gegevens, zal daarom niet leiden tot een andere beoordeling dan die nu door verweerder in het bestreden besluit is uitgevoerd. Het kan verzoekster voorts uit het wel verstrekte deel van de documenten duidelijk zijn met wat voor een reden zij als belanghebbende is aangemerkt bij de openbaarmaking van de documenten.
Omdat er een voorziening wordt getroffen ten aanzien van de bedrijfsnaam en adresgegevens van verzoekster opgenomen in de bijlagen bij de rapporten, zal verzoekster in bezwaar nog de kans krijgen hierop een reactie te geven. Verzoekster is gelet op het vorenstaande niet in haar belangen geschaad.


Eindconclusie

18. De voorzieningenrechter ziet aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening. Deze houdt in dat bij de openbaarmaking van de bijlagen bij de documenten
1. en 2 de bedrijfsnaam van verzoekster met adresgegevens en de relevante factuurbedragen moet worden weggelakt tot zes weken nadat het besluit op bezwaar is bekend gemaakt.

19. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek gedeeltelijk toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

20. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.674,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 837,- en wegingsfactor 1).




Beslissing

De voorzieningenrechter:



wijst het verzoek om voorlopige voorziening gedeeltelijk toe;


treft een voorlopige voorziening dat de openbaarmaking van de bedrijfsnaam van verzoekster met de adresgegevens en de relevante factuurbedragen in de bijlagen bij de rapporten van 10 januari 2020 en 5 maart 2020 zoals opgenomen in documenten 1 en 2 wordt geschorst tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op het bezwaar van verzoekster;


wijst het verzoek om voorlopige voorziening voor het overige af;


bepaalt dat verweerder aan verzoekster het betaalde griffierecht van € 365,- vergoedt


veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van


€ 1.674,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.M. van Luijk-Salomons, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2023.












griffier


voorzieningenrechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.



Artikel 6, vijfde lid, van de Wob


Staatsblad 2021, 499, gewijzigd bij de Wijzigingswet Woo (Staatsblad 2021, 500)


Dit staat in artikel 5.1, zevende lid, van de Woo en kan worden opgemaakt uit artikel 5.1, vijfde lid, van de Woo. Voor het buiten toepassing blijven van de weigeringsgrond ‘de onevenredige benadeling’ is voldoende dat sprake is van milieu-informatie. In dat geval hoeft dus geen sprake te zijn van emissiegegevens.
Link naar deze uitspraak