|
|
ECLI:NL:CBB:2025:238 | | | Datum uitspraak | : | 01-04-2025 | Datum gepubliceerd | : | 03-04-2025 | Instantie | : | College van Beroep voor het bedrijfsleven | Zaaknummers | : | 25/186 en 25/187 | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | Indicatie | : | Besmetverklaring salmonella pluimvee. Geen uitzonderlijke omstandigheden die nopen tot het doen van een verificatietest. Verzoeken om voorlopige voorzieningen afgewezen. | Trefwoorden | : | eieren | | | landbouw | | | pluimvee | | | stallen | Wetreferenties | : | Wet dieren
| | Uitspraak | uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummers: 25/186 en 25/187
uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 april 2025 op de verzoeken om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[naam 1] , te [woonplaats 1] , verzoekster I [naam 2] , te [woonplaats 2] , verzoekster II(gemachtigde: mr. Tj.P. Grünbauer)
en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, (gemachtigde: mr. E.M. Scheffer).
Procesverloop
Met het besluit van 17 februari 2025 heeft de minister aan verzoekster II een aantal maatregelen opgelegd, nadat een op 10 februari genomen monster bij pluimveestal 4 positief is getest op de aanwezigheid van salmonella.
Met het besluit van 26 februari 2025 is pluimveestal 4 van verzoekster II besmet verklaard met zoönitische salmonella typhimurium.
Met het besluit van 17 februari 2025 heeft de minister aan verzoekster I een maatregel opgelegd waarbij, voor zover thans relevant, eieren afkomstig uit pluimveestal 4 van verzoekster II en geproduceerd tussen 3 en 17 februari, worden geblokkeerd.
Met het besluit van 26 februari 2025 heeft de minister aan verzoekster I medegedeeld dat de betreffende eieren worden overgenomen en gekanaliseerd afgezet, dan wel vernietigd.
Verzoeksters hebben tegen deze vier besluiten (bestreden besluiten) bezwaar gemaakt. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De zitting was op 19 maart 2025. Aan de zitting hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen. Voor verzoeksters hebben daarnaast [naam 3] en [naam 4] , [naam 5] , [naam 6] , [naam 7] en [naam 8] deelgenomen. Voor de minister heeft daarnaast [naam 9] deelgenomen.
Overwegingen
1 Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, als tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover in deze uitspraak een oordeel wordt gegeven over de rechtmatigheid van de bestreden besluiten, is sprake van een voorlopig oordeel dat het College niet bindt in een eventuele bodemprocedure.
Inleiding
2.1
Verzoekster II heeft een pluimveevermeerderingsbedrijf. Op 10 februari 2025 heeft er in het kader van een monitoring programma voor salmonella een officiële controle bij verzoekster II plaatsgevonden. Daarbij is een monstername in alle vier de pluimveestallen gedaan. De monstername is gedaan door het bedrijf [naam 10] . Op 14 februari 2025 heeft de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) een positieve salmonella uitslag ontvangen van het monstermateriaal van stal 4. De minister heeft daarop met het besluit van 17 februari 2025 aan verzoekster II maatregelen opgelegd: het is verzoekster II verboden om pluimvee, eieren en pluimveemest van of naar stal 4 te vervoeren zonder voorafgaande schriftelijke toestemming en eieren die in de periode tussen 3 en 17 februari 2025 zijn geproduceerd in pluimveestal 4 zijn geblokkeerd. Vervolgens heeft de minister met het besluit van 26 februari 2025 pluimveestal 4 besmet verklaard met salmonella typhimurium. De eerder opgelegde maatregelen blijven van kracht. De besmetstatus zal worden opgeheven nadat het pluimvee uit deze stal is afgevoerd onder toezicht van de minister.
2.2
Verzoekster I neemt eieren af van verzoekster II. Met het besluit van 17 februari 2025 heeft de minister aan verzoekster 1 de maatregel opgelegd om eieren afkomstig uit pluimveestal 4 van verzoekster II, geproduceerd in de periode tussen 3 en 17 februari 2025, te blokkeren. Met het besluit van 26 februari 2025 is aan verzoekster I medegedeeld dat de betreffende eieren door de minister worden overgenomen en gekanaliseerd afgezet, dan wel vernietigd.
2.3
Verzoeksters beogen te bereiken dat de minister, gelet op de uitzonderlijke omstandigheden van dit geval, wordt opgedragen een verificatietest te laten uitvoeren. Bij een negatieve uitslag hebben verzoeksters de voorzieningenrechter verzocht de bestreden besluiten te schorsen.
Spoedeisend belang
3 De voorzieningenrechter ziet net als partijen spoedeisend belang bij de verzoeken. De besmetstatus kan pas worden opgeheven nadat al het pluimvee is afgevoerd. Daarnaast moeten de eieren gekanaliseerd worden afgezet dan wel worden vernietigd. Gelet op de gevolgen die dit meebrengt voor verzoeksters, hebben zij een spoedeisend belang.
Standpunt verzoeksters
4 Verzoeksters voeren aan dat in dit geval sprake is van uitzonderlijke omstandigheden in de zin van punt 2.2.2.2, onder c, van de bijlage bij Verordening 200/2010 die nopen tot het doen van een verificatietest. Zij wijzen daartoe op onregelmatigheden rondom het nemen van het monster op 10 februari 2025. Ook wijzen verzoeksters op de onberispelijke voorgeschiedenis van verzoekster II, de vaccinatiegeschiedenis van het pluimvee en de vele negatieve uitslagen van testen die zijn gedaan na 10 februari 2025. Tot slot betogen zij dat door de lange kweektijd van het monster en het verplaatsen van het monster naar een tweede laboratorium het monster besmet kan zijn geraakt. Gezien deze omstandigheden is volgens verzoeksters in dit geval sprake van een uitzonderlijk geval zoals ook beschreven in het arrest van het Hof van Justitie van 19 oktober 2023, ECLI:EU:C:2023:799.
Standpunt minister
5 De minister stelt voorop dat het in het geval van een officiële controle niet mogelijk is om een verificatietest te doen, omdat Verordening 200/2010 daarvoor geen ruimte biedt. De minister stelt daarnaast dat geen sprake is van uitzonderlijke omstandigheden. De minister wijst erop dat de monstername door een gekwalificeerde medewerker van [naam 10] volgens het protocol is verricht, zodat niet kan worden gezegd dat zich gebeurtenissen of incidenten hebben voorgedaan waardoor de bemonstering niet correct is uitgevoerd. Ook de onberispelijke voorgeschiedenis van verzoekster II en de gedane vaccinaties maken niet dat sprake is van een uitzonderlijk geval. Volgens de minister kunnen negatieve testen na de positieve test niet worden meegenomen.
Voorlopig oordeel
6.1
De voorzieningenrechter is vooralsnog van oordeel dat de bestreden besluiten in bezwaar stand zullen houden en licht dit als volgt toe.
6.2
Het Hof van Justitie heeft in zijn arrest van 19 oktober 2023 (ECLI:EU:C:2023:799) voor recht verklaard:
“Punt 2.2.2.2, onder c), van de bijlage bij verordening (EU) nr. 200/2010 van de Commissie van 10 maart 2010 ter uitvoering van verordening (EG) nr. 2160/2003 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft een doelstelling van de Unie voor het verminderen van de prevalentie van serotypen salmonella bij volwassen vermeerderingskoppels van Gallus gallus, zoals gewijzigd bij verordening (EU) 2019/268 van de Commissie van 15 februari 2019,
moet aldus worden uitgelegd dat
de situatie van een bedrijf dat vermeerderingskoppels van Gallus gallus exploiteert, waarbij in het kader van een routinebemonstering tests zijn uitgevoerd waarvan de resultaten duiden op de aanwezigheid van salmonella, kan worden geacht onder het begrip „uitzonderingsgevallen waarin de bevoegde autoriteit reden heeft om te twijfelen aan de juistheid van het resultaat” in de zin van die bepaling te vallen wanneer de bevoegde autoriteit vaststelt dat zich gebeurtenissen of incidenten hebben voorgedaan waardoor de bemonstering en de analyse van de monsters niet correct zijn uitgevoerd, of – gelet op de onberispelijke algemene toestand van het bedrijf en rekening houdend met de epidemiologische kenmerken van salmonella – meent dat er een aanzienlijk risico bestaat dat zich dergelijke gebeurtenissen of incidenten hebben voorgedaan.
Het feit dat later op initiatief van de betrokken exploitant verkregen monsters meerdere negatieve resultaten hebben opgeleverd voor het aangetroffen salmonellatype, welke resultaten aan de bevoegde autoriteit zijn meegedeeld nadat zij al een besluit had genomen, alsmede dat slechts bepaalde stallen positief zijn getest en slechts een van de twee per stal genomen monsters positief was, vormen geen relevante omstandigheden om een dergelijke situatie onder dat begrip te kunnen laten vallen. De vaccinatiestatus van het koppel en de voorgeschiedenis van het bedrijf op het gebied van de prevalentie van het aangetroffen type salmonella vormen – wanneer zij onberispelijk zijn – omstandigheden waarmee in dit verband rekening moet worden gehouden, maar zijn op zich niet voldoende om te stellen dat de betrokken situatie onder voornoemd begrip valt.”
6.3
Het College heeft op 25 maart 2025, ECLI:NL:CBB:2025:185, einduitspraak gedaan in de zaak waarin de prejudiciële vragen zijn gesteld. Het College heeft in deze uitspraak benadrukt dat het Hof het begrip ‘uitzonderingsgeval’ restrictief uitlegt. Het College oordeelt dat een uitzonderingsgeval in de zin van punt 2.2.2.2, onder c, van de bijlage bij Verordening 200/2010 zich alleen kan voordoen wanneer de minister vaststelt dat zich gebeurtenissen of incidenten hebben voorgedaan waardoor de bemonstering en analyse van de monsters niet correct zijn uitgevoerd of meent dat een aanzienlijk risico bestaat dat zich dergelijke gebeurtenissen of incidenten hebben voorgedaan. Daarbij overweegt het College dat een onberispelijke voorgeschiedenis en de vaccinatiestatus van de kippen op zichzelf onvoldoende zijn om een uitzonderingsgeval aan te nemen en dat later verkregen negatieve testen niet relevant zijn.
6.4.1
Verzoeksters hebben aangevoerd dat zich onregelmatigheden hebben voorgedaan bij de bemonstering op 10 februari 2025. Dit in combinatie ook met de lange kweekduur van het monster en de verplaatsing van het monster naar een tweede laboratorium, moeten volgens verzoeksters worden gezien als gebeurtenissen of incidenten waardoor de bemonstering en analyse niet correct zijn uitgevoerd.
6.4.2
De heer [naam 3] heeft een gedetailleerde, notarieel bekrachtigde, verklaring afgelegd rondom de gang van zaken van de monstername op 10 februari 2025. In deze verklaring heeft hij beschreven dat de monsternemer de grote zak met monstermateriaal op de grond in de vuile ruimte heeft gezet, vervolgens over de afscheiding met de schone ruimte heeft getild en op de tafel bij stal 4 heeft neergezet. Op die tafel heeft de monsternemer de zak opengemaakt en alle materialen voor de monsternames eruit gehaald. Tijdens het klaarmaken van de materialen, hebben deze (weliswaar nog in de verpakking) ook op de plek gelegen waar de zak had gestaan. Het monstermateriaal voor stal 4 heeft een tijd op dezelfde plek gelegen als waar de zak heeft gestaan. Vervolgens heeft de monsternemer deze materialen van de tafel gepakt en de monstername in stal 4 gedaan. Volgens verzoeksters kan hier kruisbesmetting zijn ontstaan omdat de monstermaterialen voor stal 4 op dezelfde plek hebben gelegen als waar de grote zak, die op de grond in de vuile ruimte heeft gestaan, stond.
6.4.3
De minister stelt daar de verklaring van de medewerker van [naam 10] tegenover dat hij volgens het protocol heeft gewerkt. De minister acht medewerkers van [naam 10] buitengewoon gekwalificeerd om monsternames te doen, nu dit een professionele partij is.
6.4.4
Ter zitting zijn de verklaringen en het protocol gedetailleerd besproken. Vastgesteld is dat in het protocol niets staat over waar de grote zak met materialen moet worden neergezet op het moment dat de monsternemer in de hygiënedouche staat. De minister heeft ter zitting toegelicht dat alles om kruisbesmetting te voorkomen gedetailleerd wordt beschreven in het protocol. Het in het protocol niet beschrijven van de locatie van de betreffende zak betekent volgens de minister dat dit geen kans op kruisbesmetting kan geven. De minister heeft voorts toegelicht dat alle monstermaterialen dubbel zijn verpakt, de binnenkant van de materialen steriel is en de monsternemer telkens nieuwe handschoenen aandoet. De monsternamematerialen in het potje kunnen daardoor volgens de minister niet in aanraking zijn gekomen met de buitenkant van de betreffende zak noch met materiaal op de tafel. De minister heeft tot slot toegelicht dat de kweekduur van het monster en het door een tweede laboratorium bepalen van het type salmonella tot de standaard werkwijze van [naam 10] behoort.
6.4.5
Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter, gelet op de inhoud van de stukken en al hetgeen op de zitting is verhandeld en in het licht van het arrest van het Hof van Justitie en de uitspraak van het College van 25 maart 2025, is in dit geval geen sprake van uitzonderlijke omstandigheden. Al hetgeen door verzoeksters is aangedragen is onvoldoende om te kunnen aannemen dat zich gebeurtenissen of incidenten hebben voorgedaan waardoor de bemonstering en analyse van de monsters niet correct zijn uitgevoerd of dat een aanzienlijk risico bestaat dat zich dergelijke gebeurtenissen of incidenten hebben voorgedaan. De voorzieningenrechter stelt daarbij voorop dat de monstername is gedaan volgens het protocol door een gekwalificeerde medewerker van [naam 10] . De voorzieningenrechter betrekt voorts dat het van essentieel belang is dat onmiddellijk wordt gehandeld als een bemonstering een positief resultaat tot gevolg heeft. Het belang van de volksgezondheid, niet alleen wat betreft de handel in mogelijk besmette producten, maar ook wat betreft de mogelijke verspreiding van salmonella, dient daarbij zwaarder te wegen dan het ruimen van mogelijk gezonde dieren en het vernietigen van eieren.
6.5
Gezien het arrest van het Hof van Justitie en de uitspraak van het College van 25 maart 2025 zijn de onberispelijke voorgeschiedenis, de vaccinatiestatus van de kippen en de na 10 februari 2025 door verzoeksters verkregen negatieve testuitslagen eveneens geen uitzonderlijke omstandigheden die nopen tot het verrichten van een verificatieonderzoek.
6.6
De voorzieningenrechter komt gezien het voorgaande tot de voorlopige conclusie dat in dit geval geen sprake is van een uitzonderlijk geval in de zin van in de zin van punt 2.2.2.2, onder c, van de bijlage bij Verordening 200/2010.
7 Nu naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter in dit geval geen sprake is van uitzonderlijke omstandigheden, wordt niet toegekomen aan het primaire standpunt van de minister dat het gezien de betreffende bepalingen in Verordening 200/2010 na een officiële controle in geen enkel geval mogelijk is om een verificatietest te doen. Deze spoedprocedure leent zich ook niet voor het beantwoorden van deze principiële rechtsvraag.
Conclusie
8 Op grond van het voorgaande oordeelt de voorzieningenrechter dat de bestreden besluiten naar verwachting in bezwaar stand zullen houden. Er is dan ook geen reden om de minister opdracht te geven een verificatietest te laten uitvoeren. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken af. De minister hoeft geen proceskosten te betalen.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Smorenburg, in aanwezigheid van mr. A. Verhoeven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 april 2025.
w.g. M.M. Smorenburg de griffier is verhinderd de uitspraak mede te ondertekenen
Afschrift verzonden aan partijen op:
Verordening (EU) nr. 200/2010 van de Commissie van 10 maart 2010 ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 2160/2003 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft een doelstelling van de Unie voor het verminderen van de prevalentie van serotypen Salmonella bij volwassen vermeerderingskoppels van Gallus gallus. | Link naar deze uitspraak
|
| |
|
|