|
|
|
| ECLI:NL:GHARL:2025:8557 | | | | | Datum uitspraak | : | 23-12-2025 | | Datum gepubliceerd | : | 31-12-2025 | | Instantie | : | Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden | | Zaaknummers | : | 200.341.058 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Moment waarop overeenkomst moet worden nagekomen. Schuldeisersverzuim. Bevrijding van verbintenis. | | Trefwoorden | : | paarden | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.341.058
zaaknummer rechtbank Gelderland 10517979
arrest van 23 december 2025
in de zaak van
[appellant] , handelend onder de naam Dierenartspraktijk [appellant]
die kantoor houdt in [vestigingsplaats1]
advocaat: mr. P. Bavelaar
en
[geïntimeerde] B.V.
die is gevestigd in de gemeente [gemeente1] en kantoor houdt in [vestigingsplaats2] , gemeente [gemeente2]
advocaat: mr. M.J. Biesheuvel
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
1.1.
[appellant] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, (hierna: de kantonrechter) op 13 december 2023 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep
de memorie van grieven en akte wijziging van eis
de memorie van antwoord en memorie van grieven in incidenteel hoger beroep en akte wijziging van eis
de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep en akte uitlating eiswijziging
het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 4 november 2025 is gehouden.
2De kern van de zaak
2.1.
[appellant] is dierenarts en heeft paarden van [geïntimeerde] behandeld. Afgesproken was dat [geïntimeerde] hem hiervoor zou betalen door zes alpaca’s aan [appellant] te geven en dat [appellant] de alpaca’s bij [geïntimeerde] zou ophalen. [geïntimeerde] heeft [appellant] meerdere keren verzocht om de alpaca’s op te halen. Omdat hij dit niet deed, heeft [geïntimeerde] de alpaca’s verkocht aan iemand anders. [appellant] heeft vervolgens een factuur aan [geïntimeerde] gestuurd voor de behandelingen van de paarden.
2.2.
[appellant] heeft bij de kantonrechter gevorderd dat [geïntimeerde] de factuur van € 5.436,20 moet betalen. [geïntimeerde] heeft bij de kantonrechter gevorderd dat [appellant] de kosten voor het verzorgen en huisvesten van de alpaca’s gedurende zes maanden moet betalen. De kantonrechter heeft deze vorderingen afgewezen.
2.3.
In hoger beroep hebben [appellant] en [geïntimeerde] hun eis gewijzigd. [appellant] vordert dat [geïntimeerde] primair alsnog (de) zes alpaca’s aan hem moet leveren, subsidiair € 5.500,00 aan hem moet betalen als vergoeding van de waarde van de alpaca’s en meer subsidiair € 5.436,20 aan hem moet betalen omdat ze ongerechtvaardigd is verrijkt. [geïntimeerde] vordert in hoger beroep dat zij wordt bevrijd van haar verbintenis tot het leveren van zes alpaca’s aan [appellant] en dat [appellant] € 15.035,84 aan haar moet betalen voor de verzorging en huisvesting van de alpaca’s gedurende negen maanden.
2.4.
Het hof zal beslissen dat de vorderingen van [appellant] worden afgewezen. Hetzelfde geldt voor de vordering van [geïntimeerde] tot betaling van € 15.035,84. Wel wordt toegewezen de vordering van [geïntimeerde] dat zij wordt bevrijd van haar verbintenis tot het leveren van de alpaca’s aan [appellant] . Zij hoeft dus niet alsnog alpaca’s aan [appellant] te leveren of de waarde van de alpaca’s aan hem te vergoeden. Mogelijk is zij hierdoor verrijkt, maar dit is niet ongerechtvaardigd. [geïntimeerde] hoeft daarom niets aan [appellant] te betalen. Maar andersom hoeft [appellant] ook niets aan [geïntimeerde] te betalen voor de verzorging en huisvesting van de alpaca’s. Het hof zal hieronder uitleggen waarom het tot deze beslissingen komt.
3De toelichting op de beslissing van het hof
Inhoud van de overeenkomst
3.1.
Tussen partijen staat vast dat zij in juni 2016 mondeling een overeenkomst hebben gesloten. De overeenkomst hield in dat [appellant] als dierenarts paarden van [geïntimeerde] zou behandelen en dat [geïntimeerde] hem zou betalen door levering van haar zes alpaca’s. Afspraak was dat [appellant] de alpaca’s bij [geïntimeerde] zou ophalen. Partijen spraken daarbij geen kalenderdatum voor de levering af.
3.2.
Partijen zijn het niet eens over wanneer [geïntimeerde] de alpaca’s moest leveren en [appellant] de alpaca’s dus moest ophalen. Volgens [appellant] is afgesproken dat dit pas zou gebeuren nadat de behandeling van de paarden was afgerond en hij stalruimte op zijn boerderij in [land1] beschikbaar had. [geïntimeerde] stelt dat bij het sluiten van de overeenkomst met [appellant] is besproken dat zij zo snel mogelijk van de alpaca’s af wilde en dat de huur van het weiland waarin de alpaca’s stonden eind 2016 zou aflopen.
3.3.
Partijen zijn het ook niet eens over wat zij na de totstandkoming van de overeenkomst mondeling met elkaar hebben besproken. Wel staat vast dat zij vanaf 20 november 2016 per e-mail hebben gecorrespondeerd over het ophalen van de alpaca’s.
3.4.
[geïntimeerde] vraagt [appellant] in haar e-mail van 20 november 2016 om ‘onze alpaca’s’ voor december 2016 op te halen. Zij schrijft in de e-mail het volgende:
‘(…)Langs deze weg wil ik onze mondelinge afspraak betreffende onze alpaca’s en jou behandelingen aan onze paarden bevestigen. Wat wij ook al meerdere malen zijn overeengekomen is dat jij de alpaca’s zou ophalen voor transport naar [land1] echter is dit nog niet gebeurt.
Op 7 oktober 2016 was jij hier op locatie in [vestigingsplaats2] en hebben wij overleg gehad hoe en wanneer jij deze dieren zou ophalen, helaas ook daarna geen actie.
Daarna heb ikzelf jou nog telefonisch gesproken over dit onderwerp en ook toen beloofde je dat ze deze maand opgehaald zouden worden.
Het is nu 20 november 2016 en de Alpaca’s zijn nog steeds niet opgehaald!
Ik wil je hierbij uitdrukkelijk vragen deze dieren op te halen voor december 2016!
Inmiddels zijn we ruim vijf maanden verder en kom ik in de problemen gezien ik hier het weiland samen met mijn buurman verplicht bent te onderhouden en hij een stuk gaat huren van mij.
Op basis van jou toezeggingen heb ik dus afspraken gemaakt echter kom jij de afspraken niet na en kom ik met mijn buurman in een lastig parket en dat is iets wat ik niet wenst.
Kort samen gevat voor december alle dieren ophalen a.u.b.?
(…)’.
[appellant] reageert niet op deze e-mail, waarna [geïntimeerde] in haar e-mail van 5 december 2016 erop wijst dat [appellant] in gebreke blijft. [appellant] reageert op 6 december 2016 als volgt: ‘ik weet het maar het komt goed. Ik wisst er niet dat hun allemaal appart moeten zijn en nu moet ik nieuwe ruimte kreeren ik probeer hun zo snel mogelijk weg te krijgen’. Op 5 januari 2017 stuurt [geïntimeerde] weer een e-mail aan [appellant] omdat ze in de tussentijd niets heeft vernomen over het ophalen van de alpaca’s. Daarbij merkt ze op dat ze het netjes zou vinden als er nu daadwerkelijk actie ondernomen wordt. [appellant] reageert diezelfde dag als volgt:
‘(…) Ik heb nog steeds problem omdat ik dacht dat hun zamen kunnen zijn.
ik moet 2 paarden verkoopen, dat ik 2 plekjes vrij krijg.
maar ik heb die nog steeds niet betaald, die behandelingen zij ook niet zo veer.
(…)’
3.5.
Het hof oordeelt op grond van deze mailwisseling dat [appellant] de door hem gestelde afspraak over het moment van leveren en ophalen van de alpaca’s (na afronding van de behandeling van de paarden en het vrijkomen van stalruimte) onvoldoende heeft onderbouwd. Niet valt immers in te zien waarom [appellant] , als die afspraak daadwerkelijk zou zijn gemaakt, daar niet op zou hebben gewezen, in reactie op de e-mails van 20 november en 5 december 2016. Dat heeft hij niet gedaan. Verder blijkt uit de e-mail van [appellant] van 6 december 2016 dat hij bij de totstandkoming van de overeenkomst niet wist dat de alpaca’s niet samen in een hok kunnen staan. Alleen al om die reden kan het vrijmaken van stalruimte door [appellant] niet in juni 2016 zijn betrokken bij de afspraken over de levering van de alpaca’s. In de e-mail van 6 december 2016 erkent [appellant] daarnaast dat hij de dieren eigenlijk al had moeten ophalen en zegt hij toe te proberen dit zo snel mogelijk alsnog te doen. Dit valt niet te rijmen met de stelling van [appellant] dat hij pas verplicht was de alpaca’s op te halen nadat de behandeling van de paarden van [geïntimeerde] was afgerond. Tussen partijen staat namelijk vast dat die behandeling op 6 december 2016 nog niet was afgerond. Dat [appellant] in zijn e-mail van 5 januari 2017 wel noemt dat de behandelingen nog niet zijn afgerond is in het licht van het voorgaande onvoldoende om te oordelen dat partijen hebben afgesproken dat de alpaca’s pas opgehaald hoefden te worden nadat de behandelingen waren afgerond. [appellant] wijst er nog op dat [geïntimeerde] in randnummer 2.4 van haar conclusie van antwoord in conventie heeft geschreven dat [appellant] eerst zijn behandelingen zal leveren waarna hij de alpaca’s zal ontvangen als tegenprestatie. Maar dit leidt niet tot een ander oordeel. De eind 2016 gevoerde mailwisseling tussen partijen weegt zwaarder dan een beschrijvende tekst in een jaren later geschreven processtuk. Bovendien heeft [geïntimeerde] in onder meer randnummer 3.1 onder 8 van datzelfde processtuk expliciet de stelling ingenomen dat de alpaca’s zo snel mogelijk opgehaald moesten worden.
3.6.
Ook de door [geïntimeerde] gestelde afspraak over de levering van de alpaca’s (zo snel mogelijk) is onvoldoende onderbouwd. Alhoewel het hof niet uitsluit dat [geïntimeerde] in juni 2016 wel de wens heeft uitgesproken dat de alpaca’s zo snel mogelijk worden opgehaald, blijkt niet dat hierover harde afspraken zijn gemaakt. Dit past ook niet bij het door haar gestelde overleg op 7 oktober 2016 over het ophalen van de alpaca’s en haar verzoek op 20 november 2016 om de dieren voor december 2016 op te halen.
3.7.
Het hof concludeert dat partijen geen concrete afspraken hebben gemaakt over wanneer de alpaca’s door [geïntimeerde] moeten worden geleverd en door [appellant] moeten worden opgehaald (de nakoming van de overeenkomst).
Datum levering / ophalen alpaca’s
3.8.
Artikel 6:38 BW bepaalt dat als geen tijd voor nakoming is bepaald, de verbintenis terstond kan worden nagekomen en dat terstond nakoming kan worden gevorderd.
[geïntimeerde] wilde haar verplichting tot levering van de alpaca’s nakomen en omdat partijen geen concrete afspraak hebben gemaakt over het moment van levering kon zij [appellant] op grond van genoemd wetsartikel op ieder moment vragen om de alpaca’s bij haar op te halen. Dit heeft [geïntimeerde] op 20 november 2016 gedaan. Bij e-mail van die datum heeft zij [appellant] namelijk uitdrukkelijk gevraagd om de alpaca’s voor december 2016 op te halen. Alhoewel uit die e-mail wel kan worden afgeleid dat partijen eerder met elkaar hebben gesproken over het ophalen van de alpaca’s (in ieder geval op 7 oktober 2016), is na betwisting door [appellant] niet komen vast te staan dat [geïntimeerde] vóór 20 november 2016 al expliciet verzocht heeft om na te komen. [appellant] moest dus uiterlijk op 30 november 2016 de alpaca’s bij [geïntimeerde] ophalen.
[appellant] in schuldeisersverzuim
3.9.
Omdat [appellant] de alpaca’s niet uiterlijk op 30 november 2016 heeft opgehaald, stond hij in de weg aan de tijdige levering van de alpaca’s door [geïntimeerde] . Als een schuldeiser de nakoming van de verbintenis door de schuldenaar verhindert, komt hij op grond van artikel 6:58 BW in verzuim. Dit is slechts anders als de oorzaak van de verhindering niet aan de schuldenaar kan worden toegerekend (de tenzij-bepaling van artikel 6:58 BW). [appellant] heeft onvoldoende toegelicht en onderbouwd dat de verhindering hem niet kon worden toegerekend. Hij heeft in dit verband alleen gesteld dat van hem in verband met de gezondheid van de alpaca’s niet kon worden verwacht dat hij de alpaca’s zou vervoeren in een jaargetijde met een groot temperatuurverschil tussen Nederland en [land1] . Omdat [geïntimeerde] dit heeft betwist, had van [appellant] mogen worden verwacht dat hij bijvoorbeeld informatie zou geven over de omstandigheden waaronder alpaca’s vervoerd moeten worden en over de relevante weersomstandigheden in de periode van 20 november 2016 tot 1 december 2016. Dit heeft hij niet gedaan. De conclusie is daarom dat [appellant] op 1 december 2016 in schuldeisersverzuim is gekomen.
Toewijzing vordering [geïntimeerde] tot bevrijding van verbintenis tot levering alpaca’s
3.10.
Het hof zal bepalen dat [geïntimeerde] op 2 maart 2017 van haar verbintenis tot levering van de alpaca’s aan [appellant] is bevrijd (artikel 6:60 BW). Die beslissing is gebaseerd op de volgende redenen.
3.11.
[appellant] was verplicht de alpaca’s uiterlijk op 30 november 2016 op te halen. Dit heeft hij niet gedaan. [geïntimeerde] heeft vervolgens ook in de periode van 1 december 2016 tot en met 3 maart 2017 meerdere keren aan [appellant] aangeboden haar verplichting tot levering van de alpaca’s na te komen. Bij e-mail van 5 december 2016 geeft [geïntimeerde] [appellant] namelijk een termijn tot het einde van het jaar om de alpaca’s op te halen, op 5 januari 2017 vraagt [geïntimeerde] [appellant] om het ophalen van de alpaca’s te plannen en op 15 februari 2017 geeft [geïntimeerde] aan [appellant] een laatste ultimatum tot en met 1 maart 2017. In die laatste e-mail merkt [geïntimeerde] op dat als de alpaca’s op 1 maart 2017 niet zijn opgehaald, de gemaakte afspraak in zijn geheel vervalt en dat de alpaca’s dan naar een andere eigenaar gaan.
3.12.
[appellant] blijft op zijn beurt in zijn reacties op deze e-mails vaag over wanneer hij de alpaca’s zou kunnen ophalen. Op 6 december 2016 schrijft hij dat hij de alpaca’s zo snel mogelijk probeert weg te krijgen, op 5 januari 2017 laat hij weten dat hij eerst twee paarden moet verkopen om plek te maken voor de alpaca’s en op 15 februari 2017 bericht hij ‘Ik ben bezig met de opbauw van de stalletjes (…) ssooorrryy’. Vervolgens meldt hij op 23 februari 2017 dat hij de alpaca’s momenteel nog niet kan overnemen en vraagt hij of de alpaca’s kunnen worden verkocht aan iemand anders, waarop [geïntimeerde] antwoordt dat het [appellant] vrij staat om de alpaca’s op te halen en te verkopen binnen de gegeven laatste termijn (dus tot en met 1 maart 2017). Op 27 februari 2017 bericht [appellant] aan [geïntimeerde] dat hij een chauffeur heeft gebeld en ‘we kijken dat hij binnenkort langs komt volg week’. [geïntimeerde] laat diezelfde dag weten dat het ultimatum nog steeds van kracht is.
3.13.
Ook binnen de door [geïntimeerde] gegeven laatste termijn blijft [appellant] dus onduidelijk over of en zo ja, wanneer hij de alpaca’s zal ophalen. Bovendien heeft [geïntimeerde] [appellant] al bij e-mail van 20 november 2017 laten weten dat zij het weiland waarin de alpaca’s stonden nodig had en zij heeft dit ook daarna nog in e-mails herhaald. Op 2 maart 2017 heeft [geïntimeerde] vervolgens aan [appellant] bericht dat het gestelde ultimatum is verstreken en dat alle gemaakte afspraken zijn komen te vervallen. Onder die omstandigheden acht het hof het niet redelijk dat [geïntimeerde] nog langer gebonden is aan haar verbintenis tot levering van de alpaca’s aan [appellant] . Het hof ziet geen aanleiding om hieraan voorwaarden te verbinden.
Afwijzing vorderingen [appellant] tot nakoming en vergoeding waarde
3.14.
Omdat [geïntimeerde] op 2 maart 2017 van haar verbintenis tot levering van de alpaca’s is bevrijd, slaagt de primaire vordering van [appellant] tot nakoming van die verbintenis niet. [geïntimeerde] zal dus niet worden verplicht om alsnog (deze) zes alpaca’s te leveren aan [appellant] . Ook hoeft [geïntimeerde] de waarde van de alpaca’s niet aan [appellant] te vergoeden, zodat ook de subsidiaire vordering van [appellant] tot betaling van € 5.500 (volgens [appellant] was dat de waarde van de alpaca’s van [geïntimeerde] ) zal worden afgewezen.
Afwijzing vordering [appellant] tot schadevergoeding wegens ongerechtvaardigde verrijking
3.15.
Ook de meer subsidiaire vordering van [appellant] tot betaling van € 5.436,20 wegens ongerechtvaardigde verrijking zal worden afgewezen. [appellant] stelt dat [geïntimeerde] prestaties heeft ontvangen in de vorm van diergeneeskundige behandelingen en dat zij daarnaast de koopsom voor de alpaca’s heeft ontvangen. Op zichzelf is dit juist. Mogelijk is [geïntimeerde] hierdoor verrijkt, hoewel zij ook kosten heeft gemaakt voor verzorging en huisvesting van de alpaca’s. Maar deze eventuele verrijking wordt gerechtvaardigd door de wet. [geïntimeerde] is namelijk, zoals overwogen, bevrijd van haar verbintenis tot levering van de alpaca’s, omdat [appellant] steeds aan nakoming van die verbintenis door [geïntimeerde] in de weg stond. Daarbij past het niet dat [appellant] dan alsnog een schadevergoeding wegens verrijking van [geïntimeerde] zou ontvangen.
Afwijzing vordering [geïntimeerde] tot betaling kosten verzorging en huisvesting alpaca’s
3.16.
De vordering van [geïntimeerde] om [appellant] te veroordelen tot betaling aan haar van € 15.035,84 voor de kosten van verzorging en huisvesting van de alpaca’s gedurende negen maanden zal worden afgewezen. [geïntimeerde] heeft niet gesteld wat de grondslag van die vordering is. Het hof gaat ervan uit dat zij bedoeld heeft schadevergoeding te vorderen omdat [appellant] is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verbintenis om de alpaca’s vóór 1 december 2016 op te halen. Maar [geïntimeerde] heeft de schade na betwisting door [appellant] onvoldoende onderbouwd. Zij heeft alleen een door haar opgestelde opsomming van kosten overgelegd, welke naar eigen zeggen is gebaseerd op onderzoek op internet. Zij heeft geen enkel betaalbewijs overgelegd. Van haar had mogen worden verwacht dat zij bijvoorbeeld bankafschriften zou overleggen, waaruit mogelijk een deel van de door haar opgevoerde kosten zouden blijken.
3.17.
Daarnaast vordert [geïntimeerde] een schadevergoeding over een periode van negen maanden, terwijl uit hetgeen hiervoor is overwogen blijkt dat [appellant] pas op 1 december 2016 in verzuim is gekomen van zijn verbintenis om de alpaca’s op te halen. Dat betekent dat hij pas vanaf die datum tot het moment dat [geïntimeerde] is bevrijd van haar verbintenis tot levering van de alpaca’s verplicht kan zijn om een schadevergoeding te betalen. Dit is een termijn van afgerond drie maanden. Daarbij komt dat [geïntimeerde] voor het verzorgen van de alpaca’s door haar directeur-bestuurder [naam1] een uurloon van € 50,- in rekening brengt, terwijl die directeur-bestuurder in genoemde periode naar eigen zeggen nog studeerde. Daarvan uitgaande heeft [geïntimeerde] het gevorderde uurloon onvoldoende toegelicht. Het hof neemt ook in aanmerking dat [geïntimeerde] de alpaca’s heeft verkocht, terwijl zij geen duidelijkheid heeft verschaft over de ontvangen koopsom. Al met al heeft [geïntimeerde] onvoldoende onderbouwd dat zij schade heeft geleden. Bovendien merkt het hof nog op dat het ook nog maar de vraag is of de eventuele schade is geleden door [geïntimeerde] of door haar directeur-bestuurder [naam1] in privé dan wel de moeder van [naam1] .
De conclusie
3.18.
Het principaal hoger beroep van [appellant] slaagt niet. Omdat [appellant] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof hem tot betaling van de proceskosten in het principaal hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.
3.19.
Het incidentele beroep van [geïntimeerde] slaagt deels. Het hof zal bepalen dat
iedere partij zijn eigen kosten van het incidentele beroep moet dragen (compensatie van proceskosten), omdat partijen ieder deels ongelijk hebben gekregen.
3.20.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).
4De beslissing
Het hof:
4.1.
bekrachtigt het vonnis in conventie van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland van 13 december 2023;
4.2.
vernietigt het vonnis in reconventie van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland van 13 december 2023, behalve de beslissing onder 6.4 die hierbij wordt bekrachtigd;
4.3.
bepaalt dat [geïntimeerde] is bevrijd van haar verbintenis tot het leveren van zes alpaca’s aan [appellant] ;
4.4.
veroordeelt [appellant] tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerde] in het principale hoger beroep:
€ 349,00 aan griffierecht
€ 1.716,00 aan salaris van de advocaat van [appellant] (2 procespunten x appeltarief I van € 858,00);
4.5.
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
4.6.
bepaalt in het incidentele hoger beroep dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.7.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
4.8.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.I. Geerling, A.E.F. Hillen en L.J. de Kerpel-van de Poel, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 23 december 2025.
HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|