|
|
|
| ECLI:NL:RBGEL:2025:11296 | | | | | Datum uitspraak | : | 15-12-2025 | | Datum gepubliceerd | : | 07-01-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Gelderland | | Zaaknummers | : | C/05/454020 / HA RK 25-91 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Verzoek tot gelasten voorlopig deskundigenbericht (ex art. 202 Rv). Het verzoek is onvoldoende concreet en ter zake dienend en verzoeker heeft bij zijn verzoek onvoldoende rechtens te respecteren belang. Het verzoek wordt afgewezen. Verzoeker wordt in de proceskosten veroordeeld. De beschikking wordt ambtshalve uitvoerbaar bij voorraad verklaard. | | Trefwoorden | : | gezondheids- en welzijnswet voor dieren | | | koeien | | | landbouw | | | landbouw, natuur en voedselkwaliteit | | | vee | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | RECHTBANK Gelderland
Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer / rekestnummer: C/05/454020 / HA RK 25-91
Beschikking van 15 december 2025
in de zaak van
[verzoeker]
,
procederend voor zichzelf en in hoedanigheid van vennoot van
de Maatschap [naam 1] ,
wonende te [plaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
advocaat: mr. P.J.G. Goumans te Nijmegen,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[verweerder]
,
gevestigd te [plaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder] ,
advocaten: mr. N.E. Koelemaij en mr. P. van Mombergen te Assen.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van 24 juni 2025, met 4 bijlagen;
- de oproepbrieven van 23 juli 2025;
- het verweerschrift van 28 augustus 2025, met 14 producties;
- de mondelinge behandeling van 22 september 2025, waar zijn verschenen:
- [verzoeker] , bijgestaan door mr. Goumans;
- namens [verweerder] de heer [naam 2] , jurist, bijgestaan door mr. Koelemaij en mr. Van Mombergen.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.
2De feiten
2.1.
Op 7 april 2003 heeft [verzoeker] de rechtbank Zwolle verzocht een voorlopig deskundigenbericht te bevelen, met benoeming van dr. [verweerder] (hierna: [verweerder] ) - destijds verbonden aan [verweerder] - als deskundige. Het verzoek richtte zich tegen diverse belanghebbenden, waaronder de Staat, die tegen het verzoek verweer hebben gevoerd.
2.2.
In de daarop door de rechtbank Zwolle op 21 mei 2003 gegeven beschikking - in de gepubliceerde versie waarvan [verzoeker] als [verzoeker] is aangeduid en een derde als [X] is aangeduid - is onder meer het volgende vermeld:
1. De feiten
Tussen partijen staat als gesteld en erkend dan wel niet (voldoende) betwist het volgende vast:
- In maart 2001 is in Kootwijkerbroek het Mond- en Klauwzeervirus (hierna MKZ) vastgesteld bij een kalf op het bedrijf van de heer [X].
- De vaststelling van MKZ dient te geschieden door de Rijksdienst voor de keuring van vee en vlees (hierna
RVV) in samenwerking met ID Lelystad, dat de door de RVV afgenomen en opgestuurde (bloed)monsters test.
- Bij het bedrijf van [X] zijn van vier kalveren bloedmonsters genomen, onder andere van het kalf met
levensnummer 2979 3247 1. Bij ID Lelystad / CIDC zijn op dit levensnummer de volgende (bloed)monsters getest.
1) het serummonster met RAA-code 0005462;
2) het heparinemonster met RAA code 005462;
3) het serummonster met RAA-code 0005451;
4) het heparinemonster met RAA-code 0005451;
5) het monster van blaarwandmateriaal uit de kalverkop met RAA code 0005451.
- De hiervoor met 2 en 5 aangeduide monsters zijn positief bevonden. Op basis daarvan is vastgesteld dat op
het bedrijf van [X] MKZ heerste.
- Rondom het bedrijf van [X] is een beschermingsgebied ingesteld van 2 km. De evenhoevige dieren in dit
beschermingsgebied zijn geruimd.
- [ verzoeker] heeft een veeteeltbedrijf dat zich bevindt in het beschermingsgebied. Ook zijn evenhoevige
dieren zijn geruimd.
- [ verzoeker] heeft bezwaar gemaakt tegen het ruimingsbesluit. Dat bezwaar is ongegrond verklaard.
[verzoeker] heeft tegen de beslissing op bezwaar geen beroep ingesteld bij het College van beroep voor het
bedrijfsleven.
(…)
6.6
De slotsom is dat een onderzoek naar (alleen) het DNA profiel van de bloedmonsters en de verwantschap
tussen het DNA profiel en koe, waarvan [verzoeker] heeft gesteld dat het de moederkoe is, ter zake dienend is. Het verzoek is dan ook toewijsbaar.’.
2.3.
In de loop van 2003 heeft een aantal derden - evenals [verzoeker] veehouders uit Kootwijkerbroek - tegen de ongegrondverklaring van hun bezwaren tegen het ruimingsbesluit wél beroep ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: CBb).
2.4.
In zijn - ingevolge de hiervoor onder 2.2. genoemde beschikking - uitgebrachte rapport van 28 augustus 2003 heeft [verweerder] als deskundige onder meer het volgende vermeld:
‘(…) In de beslissing van de Rechtbank wordt gesproken over DNA-bepalingen.
Aanvullend op dit DNA, is eveneens informatie verzameld met betrekking tot eiwitvariatie in het heparine c.q. serummateriaal.
Dit betreft een viertal eiwitten, nl. albumine, transferrine, post-transferrine en het GC-eiwit. Deze eiwitten werden in de periode 1970-1990 gebruikt voor de ‘klassieke’ verwantschapsanalyse die vóór de overgang naar DNA-technieken in gebruik was.
(…)
2. DNA code van het heparinemonster RAA-code 0005462, genomen op 20 maart 2001 van het dier met levensnummer 297932471.
Van dit monster zijn de volgende gegevens verworven:
I. Eiwitten.
De resultaten zijn in vet weergegeven.
(…)
II. DNA afkomstig van algemeen erfelijke kenmerken met veel natuurlijke variatie.
De analyse van dit monster heeft geen resultaat opgeleverd.
III. DNA van kleurfactoren die onderscheid maken tussen zwart- en roodbonte runderen.
De analyse van dit monster heeft geen resultaat opgeleverd (…)
Opmerking:
Dit monster werd in het verleden gefiltreerd. Dit betekent, dat al het eventueel aanwezige celmateriaal door deze filtratie uit het monster verwijderd werd. Vanwege deze filtratie alsmede de kleine hoeveelheid beschikbaar materiaal is het niet mogelijk gebleken, DNA te isoleren uit dit monster.
(…)
5. DNA code van de kop met RAA-code 0005451, genomen op 22 maart 2001 van het dier met levensnummer 297932471.
Van dit monster zijn de volgende gegevens verworven:
I. Eiwitten.
In verband met de aard van het monster konden geen serumeiwitten worden geanalyseerd.
II. DNA afkomstig van algemeen erfelijke kenmerken met veel natuurlijke variatie.
De resultaten zijn in vet weergegeven.
(…)
III. DNA van kleurfactoren die onderscheid maken tussen zwart- en roodbonte runderen.
Dit monster is afkomstig van een roodbont rund.
(…)
6. Zijn de vijf hiervoor onderzochte DNA-profielen identiek in die zin dat zij alle van hetzelfde dier afkomstig zijn?
Deze vraag splitst zich uit in meerdere delen, nl:
Analyse van DNA (erfelijke merkers)
De vier monsters, waarvan een DNA-profiel vastgesteld kon worden, zijn identiek aan elkaar. Dit betekent, dat deze vier monsters van hetzelfde dier afkomstig zijn. De zekerheid van deze uitspraak is groot. Hoewel het statistisch niet mogelijk is om bij dergelijke uitspraken 100% zekerheid te garanderen, mag bij deze uitspraak uitgegaan worden van een zekerheid die aan 100% grenst.
Analyse van DNA (kleurfactor)
(…)
Analyse van eiwitten
De vier monsters, waarvan de eiwitten geanalyseerd konden worden, zijn identiek aan elkaar. Dit betekent, dat deze vier monsters van hetzelfde dier afkomstig zijn. De zekerheid van deze uitspraak is groot. Hoewel het statistisch niet mogelijk is om bij dergelijke uitspraken 100% zekerheid te garanderen, mag bij deze uitspraak uitgegaan worden van een zekerheid die aan 100% grenst.
De combinatie van eiwitten en DNA (erfelijke merkers en kleurfactor) ondersteunen de uitspraak, dat alle monsters van één en hetzelfde rund afkomstig zijn.
(…)
8a. Is het alleen door een vergelijking van DNA-codes van (bloedmonsters) van twee koeien (dus zonder nadere informatie) mogelijk om vast te stellen of er verwantschap bestaat tussen beide koeien? Is het, alleen op basis van de DNA-code van beide (bloed)monsters, ook mogelijk om vast te stellen of de ene koe de moeder van de andere koe is? Zo nee, welke aanvullende informatie is noodzakelijk?
Controle van verwantschappen is mogelijk op basis van alleen DNA-profielen. Door de grote variatie in de DNA-profielen is het met zeer grote betrouwbaarheid mogelijk om vast te stellen of twee dieren als moeder en nakomeling aan elkaar verwant zijn.
(…)
8c. Is op grond van een vergelijking van de DNA-codes van de bij vraag 1 tot en met 5 genoemde (bloed)monsters met de DNA-code van het bij vraag 8a genoemde bloedmonster met zekerheid, of met hoge mate van waarschijnlijkheid, en zo ja welke mate, vast te stellen dat het bij vraag 8a genoemde bloedmonster afkomstig is van de moederkoe van het dier waarvan de bij vraag 1 tot en met 5 genoemde (bloed)monsters afkomstig zijn?
Alle gegevens die weergegeven zijn bij 8b zijn in overeenstemming met een verwantschap tussen het kalf met levensnummer 297932471 en de potentiële moederkoe met levensnummer 159625736. Met een zekerheid van 99,6 % is vastgesteld, dat het dier met levensnummer 159625736 de moeder is van het kalf met levensnummer 297932471.
(…)
Vraag 8c. is bevestigend beantwoord.
(…)
Vraag 6. is bevestigend beantwoord. (…)’.
2.5.
In het kader van (een of meer) lopende beroepsprocedures tegen de MKZ-ruimingsbesluiten heeft de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland aan [naam 4] (hierna: [naam 4] ), werkzaam voor het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI), opdracht gegeven om - onder andere - te beoordelen wat de relevantie is van de resultaten van de eiwitmethode voor de eindconclusie van [verweerder] dat met een zekerheid van 99,6% verwantschap bestond tussen het hiervoor genoemde kalf en de hiervoor genoemde moederkoe, en om de eindconclusie van [verweerder] voor zover die is gebaseerd op de DNA-bepalingen te beoordelen. Op 13 juni 2017 heeft [naam 4] het document ‘Schriftelijke reactie op verwantschapsonderzoek aan koeien’ opgesteld. Daarin is onder meer het volgende vermeld:
‘2 Verkregen informatie
Bij de opdracht (…) is de volgende relevante informatie aangeleverd:
“In het kader van de MKZ-procedure bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) is aan de orde gekomen in hoeverre de monsters waarin het MKZ-virus is aangetroffen gelinkt kunnen worden aan het geruimde bedrijf. Al in 2003 heeft het Van Haeringenlaboratorium onderzoek gedaan naar de verwantschap tussen het kalf waarin MKZ is aangetroffen en de moederkoe van dit bedrijf. Daartoe heeft het vijf monsters, in twee waarvan het MKZ-virus is aangetroffen (monsters 0005462-2 (heparine) en 0005451-16 (kop)), onderzocht op verwantschap met de moederkoe. De wederpartij betwist bepaalde onderdelen van dit rapport en heeft daartoe twee getuigen opgeroepen. Het betreft de heren (…) en (…). Zij zullen verklaren dat op basis van de eiwitmethode die is toegepast op het monster 0005462-2 geen verwantschap tussen het kalf (waarin MKZ is aangetroffen, zowel in dit monster als in de kop) en de moederkoe kan worden aangetoond.”
3 Vraagstelling
De vraagstelling (…) is:
(…)
Vraag 2) Wat is de relevantie van de resultaten van de eiwitmethode voor de eindconclusie van [verweerder] dat met een zekerheid van 99,6% verwantschap bestaat tussen het kalf en de moederkoe?
Vraag 3) Hoe beoordeelt u de eindconclusie van [verweerder] voor zover die is gebaseerd op de DNA-bepalingen?
4 Beantwoording van de vragen
(…)
Vraag 2
De rapportage betreft analyse van een vijftal monsters van een dier met levensnummer [297932471], genomen (…) in de periode van 20 maart 2001 tot 22 maart 2001 en een bloedmonster van een potentiele moederkoe met levensnummer [159625736]. Op deze zes monsters zijn een drietal analysetechnieken toegepast:
• eiwitanalyse (klassieke verwantschapsanalyse obv albumine, transferrine, post-transferrine en GC-eiwit)
• DNA afkomstig van erfelijke kenmerken (ONA-profielen voor verwantschapsanalyse o.b.v, 11 STR-markers)
• DNA-onderzoek naar kleurfactoren (zwart- of roodbont)
Van de onderzochte monsters hebben het monster van de potentiele moederkoe [159625736] en monsternummer 0005451-1 van dier [297932471] voor alle analyses resultaten gegeven.
In totaal zijn voor het dier [297932471] drie volledige DNA-profielen voor de verwantschapsanalyses verkregen, is één partieel DNA-profiel verkregen en van één monster is geen DNA-profiel verkregen.
De eiwitmethode voor verwantschapsanalyse betreft een oudere methode die eind jaren 90 vervangen is door DNA-methoden. DNA-methoden hebben voor onderzoek naar verwantschap een veel grotere bewijskracht dan de eiwitmethode. Voor het bepalen van een verwantschap tussen individuele dieren is de DNA-methode dan ook leidend en de eiwitmethode kan gezien worden als een (kleine) aanvulling. Het levert bij gelijke conclusie (wel of geen verwantschap) dan hooguit een extra “plusje” op, maar draagt niet substantieel bij aan de bewijswaarde van het DNA-verwantschapsonderzoek. De tussenconclusie van de rapportage bij vraag 6 op pagina 9 onder het kopje “Analyse van eiwitten” onderschrijf ik derhalve niet.
Vraag 3
De eindconclusie van het rapport, zoals verwoord onder vraag 8c op pagina 13, is beoordeeld op basis van de DNA-bepalingen. Dit betreft dus alleen de analyse op basis van de genoemde DNA-markers (…) voor de monsters waarvoor een volledig DNA-profiel is verkregen, en laat dus de eiwitbepaling en de bepaling van de kleurfactor buiten beschouwing.
De conclusie geeft aan wat de kans is dat er verwantschap bestaat tussen de koe met levensnummer [159625736] en het kalf [297932471]. Hierbij wordt het percentage van 99,6% gerapporteerd.
Een uitspraak over mogelijke verwantschap is doorgaans opgebouwd uit de op voorhand gemaakte inschatting van de kans dat de potentiele koe daadwerkelijk de moeder is van het betreffende kalf (a priori) en de diagnostische waarde van de uitgevoerde DNA-bepaling. (…) Wanneer geen informatie beschikbaar is over een a priori kans, moet hierover een aanname gedaan worden.
Vervolgens wordt de diagnostische waarde van de uitgevoerde DNA test gebruikt om de eindconclusie te bepalen. De diagnostische waarde geeft de bewijskracht van de DNA-bepaling aan. Deze bewijskracht wordt bepaald door het onderscheidende vermogen van de test.
In dit geval wordt de bewijskracht bepaald door de frequentie van de gebruikte kenmerken (de genoemde cijfers in de tabellen) van de onderzochte markers (…) in de relevante populatie (bv Nederlandse koelen) in samenhang met correctiefactoren voor eventuele inteelt.
Combinatie van deze beide factoren (a priori kans en bewijskracht) geeft dan vervolgens de “posterior” uitspraak over de kans dat de twee onderzochte dieren inderdaad verwant zijn (hier 99,6%).
In de beoordeelde rapportage is geen informatie gegeven over de a priori aanname.
Ook is niet gerapporteerd wat de diagnostische waarde van de DNA-analyses is in de relevante populatie en eventueel gebruikte correctiefactoren. Om de waarde van de gerapporteerde zekerheid van 99,6% te toetsen zijn derhalve een aantal aannames gedaan.
Voor het toetsen van de diagnostische waarde in deze rapportage is gebruik gemaakt van de kenmerk-frequenties in de grootste Nederlandse populatie koeien zoals gerapporteerd in de wetenschappelijke publicatie van (…). Vervolgens is de verwachte zekerheid voor de verwantschap tussen de twee dieren berekend bij een aantal verschillende aannames voor de a priori kansen en de inteeltfactor. Uit deze berekeningen blijkt dat onder alle verschillende aannames kansen volgen in dezelfde ordegrootte als
gerapporteerd in de oorspronkelijke rapportage.
Derhalve onderschrijf ik de eindconclusie van [verweerder] , voor zover die is gebaseerd op de volledige DNA-profielen, dat de kans op verwantschap tussen de levensnummer [159625736) en het kalf [297932471) in de ordegrootte van 99,6% is.’.
2.6.
In een uitspraak van het CBb van 7 januari 2020 in een procedure tussen een aantal derden als appellanten en de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) als verweerder staat onder meer het volgende:
‘Samenvatting
(…) Inhoudelijk vindt het College de beroepen van appellanten niet gegrond. Het college geeft hier - vereenvoudigd en op hoofdlijnen - een samenvatting van de uitspraak.
Na de verschillende uitspraken die het College in het verleden reeds heeft gedaan, is de kernvraag in deze uitspraak of verweerder, bij het opnieuw nemen van een beslissing op de bezwaarschriften van appellanten tegen de primaire besluiten [van de Directeur RVV tot het nemen van maatregelen in verband met de verdenking van besmetting met MKZ, Rb] in het licht van de gegevens uit de onderzoeksdossiers van het laboratorium en de reacties van appellanten daarop, op goede gronden heeft geconcludeerd dat de betwiste vaststelling van het laboratorium juist was. (…)
In de uitspraak van 17 mei 2005 (…) heeft het College (…) onder meer het volgende overwogen:
"Op grond van de gegevens die uit de stukken en het verhandelde ter zitting naar voren zijn gekomen, acht het College voldoende aannemelijk dat zowel voormeld heparinemonster als de ingezonden kalverkop afkomstig zijn van één en hetzelfde kalf met levensnummer 2979 3247 1, en dat dit kalf op 20 en 22 maart 2001 op het bedrijf van [naam 6] was gestald.
Het college baseert dit oordeel op de resultaten van het door de rechtbank Zwolle bevolen en door het [verweerder] Laboratorium (…) uitgevoerde DNA-onderzoek van vijf, op 20 en 22 maart 2001 bij het kalf met levensnummer 2979 3247 1 afgenomen monsters.
In de naar aanleiding van dit onderzoek opgestelde "Rapportage (…) van 28 augustus 2003 is geconcludeerd (-) dat met zeer grote mate van zekerheid kan worden gesteld dat de onderzochte monsters afkomstig zijn van één en hetzelfde kalf met levensnummer 2979 3247 1, (-) dat in de onderzochte monsters geen vermenging is aangetoond, en (-) dat met een zekerheid van 99,6% vast staat dat het rund met levensnummer 1596.2573.6, dat door de initiator van het onderzoek onbetwist als moeder van het kalf met levensnummer 2919 3247 1 is aangewezen, de moeder is van laatstgenoemd kalf”.
(…)
4.1.4
Het College heeft in de nieuw beschikbaar gekomen informatie geen aanleiding gevonden daarover
anders te oordelen dan het voorheen heeft gedaan. Dat volgens het rapport van het NFI van 13 juni 2017 de resultaten voor zover die berusten op de toepassing van de zogenoemde eiwitmethode niet zelfstandig de conclusie van het [verweerder] met betrekking tot de gestelde verwantschap kunnen dragen, maakt dat niet anders. Op basis van vier van de vijf monsters is die verwantschap aangetoond op grond van DNA. Dat één monster ten gevolge van filtratie (…) geen DNA bevatte en voor wat dat monster betreft verwantschap op grond van de eiwitmethode is aangenomen, maakt niet dat dat monster hier voor het aannemen van verwantschap zonder betekenis zou zijn. In het handgeschreven- en het officiële monsterbegeleidingsformulier, ondertekend door de betrokken dierenarts van de RVV (…), wordt vermeld dat de genomen monsters afkomstig zijn van het bedrijf van [naam 6]. Het College ziet, mede in samenhang gelezen met de door (…) bij de rechtbank Zwolle op 27 februari 2002 onder ede afgelegde verklaring en bij gebrek aan duidelijke, in een andere richting wijzende, gegevens, geen aanleiding om aan te nemen dat het monster dat uiteindelijk geen DNA bevatte, hier niet onder de desbetreffende vijf monsters zou moeten worden begrepen. Het College twijfelt daarom niet eraan dat ook het monster dat geen DNA bevatte dezelfde herkomst heeft als de andere monsters. In dit verband is tevens van belang dat uit het rapport van het [verweerder] blijkt dat in monster 01.35 (afkomstig van hetzelfde kalf) voldoende DNA-materiaal aanwezig was om vast te kunnen stellen dat dat monster afkomstig was van het bedrijf van [naam 6].’.
2.7.
Bij brief van 12 januari 2021 heeft [verzoeker] aan [verweerder] onder meer het volgende bericht:
‘(…) onduidelijkheid bleef bestaan omdat er geen 5 DNA uitslagen van de vijf aanwezige monsters werden geproduceerd. Er moest volgens u op een vijfde monster een eerdere eiwitmethode worden toegepast omdat DNA niet lukte.
Door voor de 4 monsters het DNA te bepalen en daarmee de verwantschap duidelijk aan te tonen was het voor deze 4 wel een duidelijke uitslag. Wat betreft het vijfde monster was dit moeilijker omdat pas achteraf bleek dat hier het DNA uitgefilterd was. (…) Uw 3e concept rapportage geeft hier een uitslag van die toen met de oudere eiwitmethode is uitgevoerd en door ons geaccepteerd moest worden omdat wij niet beter wisten. Tot onze verrassing bleek dat 5e monster ook verwantschap aan te tonen met de moederkoe volgens uw eigen opgestelde rapportage.
(…)
Op 4 juli 2017 werd er een comparitie gehouden (…) bij het College van Beroep. Bij de voorbereiding hiervan werd er door het Ministerie een Second Opinion ingebracht waarin het Nederlands Forensisch Instituut het door u uitgevoerde onderzoek van 2003 nader had bekeken en de conclusie uit uw rapportage onderuit haalde. (…) Deze vergaande constatering is een feit waar enorme consequenties aan verbonden zijn.
Zoals u bekend is er vanaf 2001 reuring over de MKZ uitslag van Kootwijkerbroek. Met de gerechtelijke opdracht tot het al dan niet aantonen van verwantschap in de vijf monsters had er in 2003 volkomen en voor eens en altijd duidelijkheid kunnen komen over de verwantschap met de moederkoe. Willens en wetens heeft u misbruik gemaakt door in de derde (laatste) rapportage op te schrijven dat de eiwit methode van het vijfde monster voldoende aantoonde dat er verwantschap was tussen het monster en de moederkoe.
lk ben van mening dat deze ernstige gebeurtenis niet zonder gevolgen kan blijven voor u. Wij verzoeken u dan ook om met ons in gesprek te gaan over de mogelijkheden om dit op een correcte manier op te lossen.
Immers lijkt het erop dat als u de juiste conclusie in 2003 op papier had gezet wij geen 16 jaar hoefden te procederen om er dan achter te komen dat de rapportages van u niet kloppen.
(…) Mocht u veronderstellen dat u geen enkele blaam treft dan horen wij dat ook graag. Wel reken ik er dan op dat u duidelijk onderbouwd waar dit op gestoeld is. (…)’.
2.8.
In een uitspraak van 18 januari 2022 van het CBb in een procedure tussen een derde als appellant en de Minister van LNV als verweerder staat onder meer het volgende:
‘Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden, bijgestaan door [verzoeker] (…)
6.7
De beroepsgrond van appellant waarin hij betwist dat het heparinemonster afkomstig is van een kalf op het bedrijf van [naam 2] slaagt evenmin. Zoals blijkt uit de uitspraak van 7 januari 2020 (…). In die uitspraak heeft het College (…) erop gewezen dat hij in zijn uitspraak van 17 mei 2005 (…) voldoende aannemelijk heeft geacht dat het heparinemonster van het kalf met levensnummer 2979 3247 1 afkomstig is en dat dit kalf op het bedrijf van [naam 2] was gestald, en vervolgens geen aanleiding gezien daarover anders te oordelen dan in die eerdere uitspraak is gedaan. Daarbij is het College (…) ingegaan op de eiwitmethode en het NFI-rapport. Het College heeft in dat verband uitdrukkelijk overwogen dat de omstandigheid dat één monster ten gevolge van filtratie geen DNA bevatte en voor wat dat monster betreft verwantschap op grond van de eiwitmethode is aangenomen, niet maakt dat dit monster voor het aannemen van verwantschap zonder betekenis zou zijn. Het College heeft in dat verband meerdere redenen genoemd waarom het monster dat (uiteindelijk) geen DNA bevatte, niet zou moeten worden begrepen onder de vijf monsters die van genoemd kalf afkomstig zijn. Hieraan gaat appellant met hetgeen hij ter onderbouwing van deze beroepsgrond heeft aangevoerd voorbij. Voorts is nog van belang dat het College in genoemde uitspraak van 17 mei 2005 reeds heeft geconstateerd dat verweerder het bedrijf van [naam 2] niet besmet heeft verklaard naar aanleiding van klinische verschijnselen van MKZ. Er is geen reden om nu niet van de juistheid van die constatering uit te gaan. Gelet op al het vorenstaande vindt het College ook nu geen aanleiding voor een ander oordeel met betrekking tot de verwantschap tussen het heparinemonster en het kalf van [naam 2]’.
Met deze uitspraak is aan de in 2003 gestarte bestuursrechtelijke procedures een einde gekomen. Onder meer heeft het CBb het beroep gegrond verklaard, het bestreden ruimingsbesluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven.
2.9.
Bij brief van 7 april 2022 heeft [verzoeker] aan [verweerder] onder meer het volgende bericht:
‘En wij dachten dat het laboratorium ook betrouwbaar was, ik was de opdrachtgever en u had direct met mij moeten communiceren toen bleek dat het DNA uitgefilterd was. Niet een oplossing zoeken op papier die later niet te onderbouwen was. Dan had de Rechtbank daar over kunnen oordelen.
(…)
lk ben van mening dat deze ernstige gebeurtenis niet zonder gevolgen kan blijven voor u. Wij stellen u bij deze dan ook volledig aansprakelijk voor de schade van dit gebeuren.’.
3Het verzoek en het verweer
3.1.
Het verzoek strekt ertoe dat de rechtbank op de voet van artikel 202 Rv een voorlopig deskundigenonderzoek beveelt.
3.2.
[verzoeker] heeft aan zijn verzoek, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Medio maart 2001 is in Nederland mond- en klauwzeer (MKZ) uitgebroken. In het kader van de bestrijding van de besmetting zijn door het Ministerie van LNV ingrijpende maatregelen getroffen. Met toepassing van de Gezondheids- en Welzijnswet voor dieren werden met betrekking tot runderen die verdacht werden van besmetting door de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees (RVV) een aantal maatregelen opgelegd, waaronder vaccinatie en vervolgens doding. Vanwege de verdenking van besmetting is ook het rundveebedrijf van [verzoeker] geruimd. Het bedrijf van [verzoeker] was echter vrij van MKZ-besmetting, zodat zijn runderen ten onrechte zijn geruimd. De RVV baseerde de getroffen maatregelen op verdenking van besmetting van het bedrijf van [verzoeker] op de relatie (nabije ligging) met een ander bedrijf en de uitslagen van genomen monsters. De vaststelling van de MKZ-besmetting is volgens [verzoeker] het gevolg van onjuiste interpretatie van de door de RVV genomen monsters. [verzoeker] heeft zich tot de rechtbank Zwolle gewend met het verzoek om met betrekking tot deze kwestie een voorlopig deskundigenbericht te gelasten.
In het naar aanleiding daarvan, in opdracht van de rechtbank Zwolle uitgevoerde verwantschapsonderzoek heeft [verweerder] - bij gebreke van een DNA-profiel voor één van de monsters - verwantschap aangenomen op basis van de eiwitmethode. Op basis van die methode kan echter geen verwantschap worden aangetoond. In haar deskundigenrapport heeft [verweerder] dus onjuiste conclusies getrokken.
Het deskundigenrapport heeft ertoe geleid dat het CBb het beroep van [verzoeker] tegen de ruimingsbesluitvorming van de RVV ongegrond heeft verklaard. In die procedure heeft het NFI volgens [verzoeker] geconcludeerd dat de DNA-methode leidend is voor het bepalen van verwantschap en dat de eiwitmethode niet substantieel bijdraagt aan de bewijswaarde van verwantschapsonderzoek en hooguit kan worden gezien als een kleine aanvulling. De conclusie van het NFI is een duidelijke aanwijzing voor de fout van [verweerder] . Met die aanwijzing raakte [verzoeker] pas in 2017 bekend. [verweerder] heeft niet gehandeld zoals van een redelijk handelend deskundige mag worden verwacht. Er is sprake van een beroepsfout, die kwalificeert als een onrechtmatige daad van [verweerder] jegens [verzoeker] . Door de beroepsfout heeft [verzoeker] schade geleden en lijdt hij schade.
[verzoeker] wenst zekerheid en bewijs te verkrijgen over de vraag of [verweerder] bij de opstelling van het rapport tot de door haar getrokken conclusies kon komen. Hiervoor is de inschakeling van een of meer deskundigen noodzakelijk. Het deskundigenonderzoek dient ertoe dat [verzoeker] in staat wordt gesteld te beoordelen of het raadzaam is een procedure tegen [verweerder] te starten. Op basis van nieuwe informatie kan [verzoeker] bovendien mogelijk om herziening van het besluit vragen, als ten onrechte MKZ is vastgesteld.
[verzoeker] heeft verzocht onder meer de volgende onderzoeksvragen aan de deskundige te stellen:
Kon [verweerder] de vraag van de rechtbank of de vijf onderzochte DNA-profielen identiek zijn in die zin beantwoorden dat zij alle van hetzelfde dier afkomstig zijn met: “de combinatie van eiwitten en DNA (erfelijke merkers en kleurfactor) ondersteunen de uitspraak dat alle monsters van één en hetzelfde rund afkomstig zijn”?
Kon [verweerder] met toepassing van de eiwitmethode de conclusie trekken dat met een zekerheid van 99,6% het dier met levensnummer 159625736 de moeder is van het kalf met levensnummer 297932471?
Heeft [verweerder] de vragen van de rechtbank Zwolle beantwoord zoals van een redelijk handelend deskundige mocht worden verwacht?
[verzoeker] heeft een viertal deskundigen voorgedragen en heeft verzocht om, op grond van de redelijkheid en billijkheid, hem en [verweerder] ieder de helft van het voorschot op de kosten van de deskundige te laten voldoen.
3.3.
Volgens [verweerder] is het verzoek niet toewijsbaar. Zij heeft daartoe, samengevat, het volgende aangevoerd. Er is sprake van meerdere gewichtige redenen die zich verzetten tegen de bewijsverrichting. De ruiming (in 2001) is naar de omstandigheden en toepasselijke regels van destijds en op goede gronden door de overheid uitgevoerd. De ruiming is niet aan [verweerder] toe te rekenen. [verweerder] heeft (in 2003) gedaan wat van een behoorlijk handelend deskundige mocht worden verwacht, door destijds acceptabele analysemethoden toe te passen. Ten aanzien van het ene monster heeft [verweerder] niet volstaan met eiwitonderzoek, maar hij heeft ook uit een blaar in de kop van het betreffende kalf afkomstig DNA-materiaal onderzocht. Op basis daarvan is verwantschap vastgesteld. [verweerder] heeft geen beroepsfout gemaakt, en als dat wel zo zou zijn dan staat het causaal verband tussen de vermeende fout en de uitkomst van de beroepsprocedures niet vast. Bovendien was [verzoeker] in de beroepsprocedures niet eens partij.
Ook als ervan zou worden uitgegaan dat [verzoeker] (mede) appellant was in de beroepszaken bij het CBb die leidden tot de uitspraken van 22 januari 2009 en 18 januari 2022, kan hij als gevolg van de gestelde beroepsfout slechts schade hebben geleden indien de voor de appelanten nadelige uitkomst van die procedures is te wijten aan het rapport van [verweerder] . Dat is echter niet het geval. Anders dan [verzoeker] stelt, is de negatieve uitkomst van de beroepsprocedures niet het gevolg van het rapport van [verweerder] . Vaststaat dat sprake was van een MKZ-besmetting, wat aanleiding was voor de ruimingen. De uitkomst van de beroepsprocedures was onvermijdelijk. Het NFI-rapport, waarop Van den Brinkzijn stelling baseert dat het onderzoek door [verweerder] ondeugdelijk was, heeft in de beroepsprocedures bij het CBb ten volle meegespeeld en mede op basis van die informatie heeft het CBb in het nadeel van [verzoeker] beslist. Het is dan ook niet aannemelijk dat, als [verweerder] gerapporteerd had overeenkomstig het latere standpunt van het NFI, de uitkomst van de beroepsprocedures wel gunstig(er) voor [verzoeker] zou zijn. Weliswaar volgde het NFI [verweerder] niet in haar tussenconclusie, maar wél in haar eindconclusie, en daarop was de uitkomst van de beroepsprocedures gebaseerd. Als [verzoeker] meent dat ten onrechte MKZ is vastgesteld, dan moet hij zijn pijlen op de Staat richten in plaats van op [verweerder] .
In de gegeven omstandigheden is zodanig evident dat het uiteindelijk door [verzoeker] nagestreefde doel - het verkrijgen van schadevergoeding van [verweerder] - geheel buiten bereik ligt, dat er redelijkerwijs geen belang kan bestaan bij het gevraagde deskundigenbericht. Het is evident dat het perspectief op toewijzing van de door [verzoeker] beoogde schadevergoeding volstrekt illusoir is.
[verweerder] heeft in 2003 ervoor gekozen om het monster waarin geen DNA meer aanwezig was toch van enige waarde in het onderzoek te laten zijn, door de op dat moment nog relevante eiwitmethode te gebruiken. Dat is juist prijzenswaardig. Die methode laat zien dat de eiwitpatronen van alle monsters van het kalf identiek zijn en dat de eiwitpatronen van kalf en koe wijzen op een moeder-dochterrelatie. Dat de eiwitmethode volgens [naam 4] van het NFI verouderd was doet er niet aan af dat [verweerder] zijn conclusie met betrekking tot de zekerheid van 99,6% over de verwantschap van koe en kalf mede heeft gebaseerd op de monsters met DNA en dat [naam 4] alleen al op basis van de monsters met DNA die conclusie deelde. De DNA-analyses laten zien dat de geteste monsters van hetzelfde dier afkomstig zijn en dat kalf en koe op het bedrijf een moeder-dochterrelatie hebben. Zowel klinisch als diagnostisch is bewezen dat het onderzochte kalf besmet was en ook is bewezen dat het kalf geboren is uit de moederkoe van [verzoeker] . Deze conclusies zijn onderschreven door het NFI. De bloedeiwitanalyses onderschrijven deze conclusies, maar zijn voor de conclusie niet noodzakelijk. Het verder ter discussie stellen c.q. verder door een deskundige laten beoordelen van de waarde van de eiwitanalyses heeft geen enkele toegevoegde waarde in de waarheidsvinding ten aanzien van de MKZ-crisis.
In ieders belang moet een dergelijke kostbare en tijdrovende exercitie (‘onmogelijke missie’) voorkomen worden.
In het algemeen geldt dat een mogelijke vordering op een gerechtelijk deskundige een behoorlijke substantie zal moeten hebben, wil het gerechtvaardigd zijn om hem/haar te belasten met een gerechtelijk onderzoek naar die vordering. Het onderhavige verzoek heeft een dergelijke substantie niet. Toewijzing van een verzoek als het onderhavige kan een afschrikwekkende werking hebben voor toekomstige deskundigen, wat een probleem voor een goede rechtsbedeling kan worden; het is onwenselijk dat gerechtelijk deskundigen te lichtvaardig belast kunnen worden met tegen hen gerichte maatregelen door personen voor wie hun bevindingen onwelgevallig zijn. [verzoeker] heeft bij zijn verzoek geen belang, althans weegt zijn belang niet op tegen de bij afwijzing van het verzoek gestelde belangen.
[verzoeker] maakt misbruik van bevoegdheid, omdat de kans dat een voorlopig deskundigenbericht in relevante mate zal bijdragen aan enige door [verzoeker] tegen [verweerder] op te tuigen rechtszaak zodanig gering is ten opzichte van de last die dit vormt voor [verweerder] , dat [verzoeker] in redelijkheid niet tot een zodanige bevoegdheidsuitoefening kan komen. Hierbij komt dat [verweerder] zich, gelet op het feiten- en tijdsverloop tussen het rapport uit 2003 en de aansprakelijkstelling in 2021, in een eventuele bodemprocedure met succes op verjaring zal kunnen beroepen.
Naast het voorgaande is ook het niet verschaffen van voldoende duidelijkheid (ex artikel 21 Rv) door [verzoeker] over al dan niet (mede) door hem gevoerde beroepsprocedures, relevant in het kader van de wettelijke afwijzingsgronden, waaronder strijd met de goede procesorde.
Als wel een deskundige wordt benoemd, dan moeten de door [verzoeker] voorgestelde (onjuiste, niet relevante dan wel juridische) onderzoeksvragen worden aangepast en moet niet een van de door [verzoeker] voorgestelde (niet-onafhankelijke) deskundigen worden benoemd. Voor het geval een deskundige wordt benoemd, heeft [verweerder] een aantal deskundigen voorgedragen. Niet valt in te zien waarom [verweerder] , in afwijking van het (wettelijk) uitgangspunt, de helft van het voorschot op de deskundigenkosten zou moeten voldoen. [verweerder] verzoekt [verzoeker] in de proceskosten te veroordelen.
3.4.
Op de stellingen van [verzoeker] en [verweerder] wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.
4De beoordeling
De ontvankelijkheid [verzoeker] en van de maatschap
4.1.
[verzoeker] doet het verzoek uit eigen hoofde en in hoedanigheid van maat in de maatschap [naam 1] . Hij heeft daarbij niet duidelijk gemaakt of de schade die volgens hem is geleden, is geleden door hem persoonlijk of door de maatschap (in het maatschapsvermogen). Aangezien het verzoek tot het bevelen van een voorlopig deskundigenbericht (op andere gronden) zal worden afgewezen, zoals hierna zal worden overwogen, kan dit in het midden blijven.
Het toetsingskader
4.2.
Een voorlopig deskundigenbericht als bedoeld in artikel 196 e.v. Rv dient tot het vergaren en veiligstellen van bewijs ten behoeve van een partij die een procedure overweegt of al is begonnen. Een voorlopig deskundigenonderzoek kan een partij meer zekerheid verschaffen omtrent de voor de beslissing van het geschil relevante feiten en omstandigheden, zodat deze beter kan beoordelen of het raadzaam is de procedure te beginnen of voort te zetten. Aan de rechter die heeft te oordelen over het verzoek een dergelijk onderzoek te gelasten, komt geen discretionaire bevoegdheid toe. Hij dient het onderzoek in beginsel te gelasten, mits het daartoe strekkende verzoek ter zake dienend en voldoende concreet is en feiten betreft die met het deskundigenonderzoek bewezen kunnen worden. Het verzoek kan worden afgewezen als de rechter feiten en omstandigheden aanwezig oordeelt op grond waarvan moet worden aangenomen dat toewijzing van het verzoek strijdig is met een goede procesorde, wanneer misbruik wordt gemaakt van de bevoegdheid om een voorlopig deskundigenbericht te verlangen, bijvoorbeeld omdat de verzoeker wegens de onevenredigheid van de over en weer betrokken belangen in redelijkheid niet tot de uitoefening van de bevoegdheid kan worden toegelaten, of als het verzoek afstuit op een ander, door de rechter zwaarwichtig geoordeeld bezwaar.
In de procedure tot het gelasten van een voorlopig deskundigenbericht ligt de toewijsbaarheid van de in te stellen vordering niet ter toetsing voor en ook de waardering van het deskundigenbericht is aan het oordeel van de rechter in de eventuele bodemprocedure overgelaten. Het verzoek wordt afgewezen indien de verzoeker daarbij geen belang heeft (artikel 3:303 BW).
4.3.
Een verzoek is niet ter zake dienend wanneer vaststaat dat de uitkomst van het gevraagde onderzoek niet van belang is voor de beslissing van het (mogelijke) geschil tussen partijen. Dat zal enerzijds het geval zijn wanneer op voorhand vaststaat dat een in te stellen vordering ook zonder deskundigenonderzoek zal worden toe- of afgewezen en anderzijds wanneer een deskundigenonderzoek weliswaar aangewezen lijkt, maar op voorhand vaststaat dat het onderwerp van het verzochte deskundigenonderzoek geen betrekking heeft op feiten die van belang zijn voor de beslechting van het geschil.
De inhoudelijke beoordeling
4.4.
De rechtbank stelt voorop dat het verzoek blijkens het verzoekschrift uitsluitend wordt gedaan met het oog op een eventuele door [verzoeker] tegen [verweerder] aan te spannen civiele bodemprocedure, en niet op een eventuele civielrechtelijke, bestuursrechtelijke of andersoortige procedure tegen een of meer derden, zoals de Staat. Ook is van belang dat de inzet van deze verzoekschriftprocedure onder meer niet is de beantwoording van de vragen:
- of in 2001 daadwerkelijk sprake was van MKZ-besmetting in Kootwijkerbroek, en/of
- er bij het in 2001 door/namens de Staat nemen en beoordelen van de monsters een of meer fouten zijn gemaakt, en/of
- de ruimingsbesluiten rechtmatig zijn.
Voor zover er (bij [verzoeker] of anderen) al belang bestaat bij het beantwoorden van een of meer van deze vragen, moet dat bij de beoordeling van dit verzoek buiten beschouwing blijven, omdat uitsluitend [verzoeker] verzoeker is en het verzoek ook uitsluitend betrekking heeft op zijn relatie tot [verweerder] , en niet op de eventuele aansprakelijkheid van derden, zoals de Staat.
4.5.
De strekking van het verzoek is dat een onafhankelijke deskundige een oordeel geeft over het deskundigenrapport van [verweerder] uit 2003. Het belang van [verzoeker] bij het verzoek is erin gelegen dat hij - als blijkt dat [verweerder] niet heeft gehandeld zoals van een redelijk handelend deskundige mocht worden verwacht en zij daarmee jegens [verzoeker] onrechtmatig heeft gehandeld - mogelijk de door het onrechtmatig handelen veroorzaakte schade op [verweerder] kan verhalen. De vermeende schade omvat kennelijk een volgens [verzoeker] in de beroepsprocedure tegen het ruimingsbesluit met betrekking tot zijn bedrijf niet toegekende schadevergoeding ter zake van onrechtmatige ruimingsbesluiten, althans een schadevergoeding voor het daarover zeer lang en achteraf bezien onnodig hebben moeten procederen. Het standpunt van [verzoeker] komt er immers op neer dat [verweerder] een fout heeft gemaakt, die de oorzaak ervan is dat [verzoeker] uiteindelijk door het CBb in het ongelijk is gesteld.
4.6.
[verweerder] heeft aangevoerd dat [verzoeker] - hoewel hij in zijn verzoek duidelijk anders doet vermoeden - geen partij in de beroepsprocedures bij het CBb is geweest. Ter zitting heeft [verzoeker] bevestigd dat hij niet in beroep is gegaan tegen het ruimingsbesluit met betrekking tot zijn bedrijf en in de door hem genoemde beroepsprocedures bij het CBb (dus) zelf geen partij was (hoewel hij er wel als gemachtigde van anderen bij was betrokken). Dit betekent dat [verzoeker] bij het CBb geen beroepsprocedure heeft gevoerd waarin hij in het ongelijk is gesteld, en dat zijn in het verzoekschrift aan het verzoek ten grondslag gelegde stelling dat dat wél zo was dus onjuist was. Dat betekent dat de (gestelde) grondslag aan het verzoek is komen te ontvallen; [verzoeker] baseert zijn stelling dat hij, in geval van een beroepsfout door [verweerder] bij de interpretatie van de monsters in het kader van het deskundigenbericht in 2003, schade heeft geleden waarvoor [verweerder] aansprakelijk kan worden gehouden immers op het uitgangspunt dat de uitkomsten van dat onderzoek door [verweerder] hebben geleid tot ongegrondverklaring van zijn beroep tegen “de ruimingsbesluitvorming van het RVV door het College van Beroep voor het bedrijfsleven” en noemt daarbij enkel uitspraken waarbij hij geen partij blijkt te zijn geweest. Voor zover hij daarmee (mede) heeft bedoeld dat ook het in beroep in stand laten van ruimingsbesluiten met betrekking tot andere bedrijven dan het zijne bij hem tot schade heeft geleid, heeft [verzoeker] dit onvoldoende toegelicht, zeker nu dit allerminst voor de hand ligt.
4.7.
Bij de beoordeling van het verzoek is verder van belang dat het rapport van [verweerder] - en meer in het bijzonder het handelen van [verweerder] - reeds door een onafhankelijke deskundige is beoordeeld, namelijk in 2017 door [naam 4] van het NFI. [verweerder] heeft aangevoerd dat het NFI-rapport in de beroepsprocedures (van andere veehouders) bij het CBb ten volle heeft meegespeeld. [verzoeker] heeft dit niet of onvoldoende weersproken en hij heeft evenmin de juistheid van het NFI-rapport betwist; in tegendeel: hij beroept zich juist op de inhoud van dat rapport ter onderbouwing van zijn verzoek.
4.8.
Zoals hiervoor bij het toetsingskader is overwogen, mag in de regel niet worden vooruitgelopen op (de waardering van) de uitkomst van de verzochte voorlopige bewijsverrichting. [verzoeker] heeft echter nagelaten om te onderbouwen dat en waarom een (nieuw) deskundigenrapport waarin zou worden geoordeeld dat [verweerder] als deskundige een beroepsfout heeft gemaakt ertoe leidt dat hij kan aantonen dat hij - ondanks dat hij geen beroepsprocedure heeft gevoerd tegen het ruimingsbesluit met betrekking tot zijn bedrijf - door het CBb wel in het gelijk zou zijn gesteld, althans geen zeer langdurige beroepsprocedure had hoeven te voeren (hetgeen hij ook niet gedaan heeft).
4.9.
Het verwijt dat [verzoeker] [verweerder] maakt, spitst zich bovendien toe op haar tussenconclusie, waaraan de eiwitmethode ten grondslag ligt. Anders dan [verzoeker] stelt, is de enkele omstandigheid dat twee deskundigen een verschillende werkwijze hanteren en/of tot een andere tussenconclusie komen, op zichzelf nog geen aanwijzing dat één van hen niet heeft gehandeld zoals van hem of haar mocht worden verwacht. [verzoeker] heeft nagelaten om te onderbouwen waarom een andere (volgens hem wel rechtmatige) werkwijze en tussenconclusie van [verweerder] tot gevolg zou hebben gehad dat [verzoeker] niet de door hem veronderstelde schade zou hebben geleden. In dit verband heeft [verweerder] aangevoerd dat het NFI wel de eindconclusie van [verweerder] heeft onderschreven, hetgeen door [verzoeker] niet is weersproken. Anders dan [verzoeker] lijkt te veronderstellen deed de eiwitmethode, die door [verweerder] bij gebreke van DNA ‘ondersteunend’ werd ingezet en waarover in het NFI-rapport van [naam 4] is vermeld dat het een verouderde methode betrof, geen afbreuk aan de overige, niet op die methode gebaseerde eindconclusies ten aanzien van de verwantschap, die door het NFI werden gedeeld. Met andere woorden: in de gegeven omstandigheden mag redelijkerwijs worden aangenomen dat er ook zonder de eiwitmethode geen andere eindconclusie en geen andere uitkomst van de beroepsprocedure was, temeer omdat uit de hiervoor geciteerde uitspraak van het CBb van 7 januari 2020 blijkt dat de kritiek van [naam 4] op de aan de tussenconclusie ten grondslag gelegde eiwitmethode door het CBb ten volle in de beoordeling van het beroep in die zaak is meegenomen en niet van doorslaggevend belang is geacht. Ook voor zover [verzoeker] - met zijn niet nader toegelichte opmerking tijdens de mondelinge behandeling, dat hij (als hij van de gestelde onjuistheid in het rapport van [verweerder] had geweten) “waarschijnlijk had doorgeprocedeerd of om herziening van het besluit had verzocht” - heeft bedoeld dat hij dan nog een kans had gehad op compensatie voor de ruiming van zijn rundveebedrijf, is van een reëel belang bij het gevraagde deskundigenbericht dus geen sprake.
4.10.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het verzoek van [verzoeker] onvoldoende concreet en ter zake dienend is en dat [verzoeker] bij het verzoek onvoldoende rechtens te respecteren belang heeft. Zijn verzoek wordt afgewezen. Hetgeen [verzoeker] en [verweerder] overigens hebben aangevoerd biedt, op zichzelf en in onderlinge samenhang bezien, onvoldoende grond om anders te oordelen.
Proceskosten
4.11.
[verzoeker] is in het ongelijk gesteld en wordt daarom in de proceskosten veroordeeld. De proceskosten aan de zijde van [verweerder] worden begroot op:
- griffierecht
€
714,00
- salaris advocaat
€
1.228,00
(2 punten × € 614,00)
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.120,00.
4.12.
De rechtbank zal de door [verweerder] verzochte toewijzing van wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals vermeld in de beslissing.
4.13.
Hoewel [verweerder] daarom niet heeft verzocht, ziet de rechtbank in het voorgaande voldoende aanleiding om deze beschikking ambtshalve uitvoerbaar bij voorraad te verklaren (artikel 288 Rv). De rechtbank acht het, in de hiervoor gegeven omstandigheden, redelijk dat een eventueel door [verzoeker] tegen deze beschikking in te stellen hoger beroep, zijn verplichting om de proceskosten (plus wettelijke rente) aan [verweerder] te betalen niet schorst.
5De beslissing
De rechtbank
5.1.
wijst het verzoek af,
5.2.
veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van € 2.120,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [verzoeker] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [verzoeker] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten, te rekenen vanaf de vijftiende dag na dagtekening van deze beschikking,
5.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. E. Boerwinkel en in het openbaar uitgesproken op
15 december 2025.
1542
ECLI:NL:CBB:2020:1.
ECLI:NL:CBB:2022:10.
[verzoeker] verwijst in dit verband naar de volgende uitspraken: ECLI:NL:CBB:2009:BH2722 en ECLI:NL:CBB:2022:10.
Randnr. 10 van het verzoekschrift. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|