|
|
|
| ECLI:NL:RVS:2026:78 | | | | | Datum uitspraak | : | 07-01-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 07-01-2026 | | Instantie | : | Raad van State | | Zaaknummers | : | 202306825/1/R1 | | Rechtsgebied | : | Omgevingsrecht | | Indicatie | : | Op 20 december 2021 heeft het college aan [appellant] een vergunning bekend gemaakt voor het plaatsen van een tijdelijke woning op de Vennewatersweg naast nr. […] in Egmond-Binnen. De rechtbank Noord-Holland heeft in haar uitspraak van 9 december 2021 in zaak nr. 21/2276 overwogen dat [appellant] op 3 december 2020, bij het college ingekomen op 7 december 2020, een aanvraag om een omgevingsvergunning heeft ingediend voor een tijdelijke seniorenwoning op het perceel. Volgens de rechtbank maakt onder meer de omstandigheid dat [appellant] in zijn aanvraag de mogelijkheid heeft opengelaten voor een tijdelijke vergunning voor vijf in plaats van tien jaar niet dat de brief van 3 december 2020 geen aanvraag is. Verder heeft de rechtbank overwogen dat het college op die aanvraag niet tijdig heeft beslist, zodat de gevraagde vergunning van rechtswege is gegeven. De rechtbank heeft in die uitspraak het college opgedragen de aan [appellant] van rechtswege gegeven vergunning bekend te maken. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte [partij A] en [partij B] als belanghebbenden bij de van rechtswege gegeven vergunning heeft aangemerkt. | | Trefwoorden | : | agrarisch | | | bestemmingsplan | | | buitengebied | | | omgevingsvergunning | | | perceel | | | wabo | | | | Uitspraak | 202306825/1/R1.
Datum uitspraak: 7 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Egmond-Binnen, gemeente Bergen (NH),
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 30 oktober 2023 in zaak nr. 22/4384 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Bergen (NH).
Procesverloop
Op 20 december 2021 heeft het college aan [appellant] een vergunning bekend gemaakt voor het plaatsen van een tijdelijke woning op de Vennewatersweg naast nr. […] in Egmond-Binnen (hierna: het perceel).
Bij besluit van 26 juli 2022 heeft het college de door [appellant] als ook door [partij A] en [partij B] daartegen gemaakte bezwaren (deels) gegrond verklaard, de van rechtswege gegeven vergunning herroepen en de gevraagde vergunning alsnog geweigerd.
Bij uitspraak van 30 oktober 2023 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college en [partij A] en [partij B] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 19 juni 2025, waar [appellant], bijgestaan door [persoon A], en het college, vertegenwoordigd door mr. A. Guarracino, zijn verschenen. Voorts zijn op de zitting [partij A] en [partij B], bijgestaan door mr. Z.P. Kruiver, advocaat in Leiden, als partij gehoord. De Afdeling heeft het onderzoek ter zitting geschorst, omdat [appellant] het lid van de zittingskamer heeft gewraakt. Het verzoek tot wraking is bij uitspraak van de Afdeling van 18 juli 2025 afgewezen.
[appellant] en [partij A] en [partij B] hebben nadere stukken ingediend.
Op 25 november 2025 heeft de Afdeling de mondelinge behandeling van de zitting van 19 juni 2025 voortgezet, waar [appellant], bijgestaan door [persoon B] en [persoon A], en het college, vertegenwoordigd door mr. A. Guarracino, zijn verschenen. Voorts zijn [partij A] en [partij B], bijgestaan door mr. Z.P. Kruiver, advocaat in Leiden, als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Voor de beoordeling van het hoger beroep blijft het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing.
Inleiding
2. De rechtbank Noord-Holland heeft in haar uitspraak van 9 december 2021 in zaak nr. 21/2276 overwogen dat [appellant] op 3 december 2020, bij het college ingekomen op 7 december 2020, een aanvraag om een omgevingsvergunning heeft ingediend voor een tijdelijke seniorenwoning op het perceel. Volgens de rechtbank maakt onder meer de omstandigheid dat [appellant] in zijn aanvraag de mogelijkheid heeft opengelaten voor een tijdelijke vergunning voor vijf in plaats van tien jaar niet dat de brief van 3 december 2020 geen aanvraag is. Verder heeft de rechtbank overwogen dat het college op die aanvraag niet tijdig heeft beslist, zodat de gevraagde vergunning van rechtswege is gegeven. De rechtbank heeft in die uitspraak het college opgedragen de aan [appellant] van rechtswege gegeven vergunning bekend te maken.
Het college heeft vervolgens op 20 december 2021 bekendgemaakt dat op 3 december 2020, ontvangen op 7 december 2020, een aanvraag is ingekomen voor het realiseren van een mobiele seniorenwoning voor de periode van 5 jaar op het perceel en dat de vergunning daarvoor op 1 februari 2021 van rechtswege is gegeven.
Het college heeft deze vergunning naar aanleiding van het bezwaar van [partij A] en [partij B] bij besluit van 26 juli 2022 herroepen en de gevraagde omgevingsvergunning alsnog geweigerd. Het college heeft aan de weigering ten grondslag gelegd dat het bouwplan in strijd is met de voor het perceel geldende bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke en natuurlijke waarden" van het bestemmingsplan "Landelijk gebied 1998". Gronden met deze bestemming zijn bedoeld voor het uitoefenen van een volwaardig agrarisch bedrijf, alsmede voor het behoud, herstel en versterking van de aan de betreffende gronden eigen zijnde landschappelijke, bodemkundige en natuurlijke waarden. Het perceel heeft ook geen bouwvlak. Het college is niet bereid voor het bouwen van een woning, al dan niet tijdelijk, in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen. Het bouwplan is niet gelegen in of aan een kern of een dorpslint en doet volgens het college afbreuk aan de landschappelijke karakteristiek en openheid van het (buiten)gebied.
De gronden van het hoger beroep
3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte [partij A] en [partij B] als belanghebbenden bij de van rechtswege gegeven vergunning heeft aangemerkt. Hij voert aan dat de rechtspraak over belanghebbendheid en aangrenzende percelen ruimte laat voor het oordeel dat hier belanghebbendheid ontbreekt. Hij wijst erop dat het perceel van [partij A] en [partij B] weliswaar grenst aan zijn perceel, maar dat zij vanaf hun woning en perceel nagenoeg geen zicht hebben op de tijdelijke seniorenwoning. Hij wijst er verder op dat het perceel waarop de tijdelijke seniorenwoning staat groot is en dat de tijdelijke woning wordt ontsloten via de andere kant van dat perceel. Ook worden door de tijdelijke seniorenwoning de gebruiksmogelijkheden van het perceel van [partij A] en [partij B] niet beperkt, zo stelt [appellant].
3.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat [partij A] en [partij B] belanghebbenden zijn. Vast staat dat ten tijde van het nemen van het besluit van 26 juli 2022 de percelen van [partij A] en [partij B] grensden aan het perceel van [appellant] waarop de tijdelijke seniorenwoning is voorzien. Belanghebbendheid wordt in beginsel bij besluiten krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) aangenomen bij bewoners en eigenaren, en ook bij anderszins zakelijk of persoonlijke gerechtigden, van een perceel dat grenst aan het perceel waarover het besluit gaat of dat gelijk te stellen is met een aangrenzend perceel. Bij dergelijke percelen wordt ervan uitgegaan dat feitelijke gevolgen, indien die zich voordoen, in beginsel van enige betekenis zijn. De Afdeling verwijst naar haar uitspraken van 15 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1671, onder 3.2, en 24 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1701, onder 7.1. Uit die uitspraken volgt dat van het uitgangspunt dat bewoners en eigenaren, en ook anderszins zakelijk of persoonlijke gerechtigden, van aangrenzende percelen in beginsel belanghebbenden zijn, alleen kan worden afgeweken als uitgesloten is dat betrokkene feitelijke gevolgen ondervindt. Gelet op de korte afstand van het perceel van [partij A] en [partij B] tot de tijdelijke seniorenwoning en het zicht dat [partij A] en [partij B] op deze tijdelijke woning hebben, is niet uitgesloten dat zich feitelijke gevolgen voordoen. Dat [partij A] en [partij B] volgens [appellant] nagenoeg geen zicht hebben op zijn perceel door de aanwezigheid van bomen, maakt niet dat zij in het geheel geen zicht meer hebben op het perceel van [appellant].
Het betoog slaagt niet.
4. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college niet bevoegd was de van rechtswege gegeven omgevingsvergunning in te trekken. [appellant] wijst erop dat het herroepen van de van rechtswege gegeven vergunning naar aanleiding van het bezwaar van [partij A] en [partij B] erop neerkomt dat die vergunning is ingetrokken. Volgens [appellant] kan een vergunning alleen worden ingetrokken als wordt voldaan aan de in artikel 2.33 van de Wabo opgenomen intrekkingsgronden. Daar wordt niet aan voldaan, zodat het college de van rechtswege gegeven vergunning niet mocht intrekken, zo stelt [appellant]. [appellant] betoogt daarnaast dat de rechtbank heeft miskend dat de op 20 december 2021 bekend gemaakte vergunning niet de bekendmaking van de van rechtswege gegeven vergunning betreft. Volgens hem is op 20 december 2021 zonder nadere afweging een reëel besluit genomen dat niet aansluit bij dat wat hij heeft aangevraagd.
4.1. Zoals hiervoor onder 2 is overwogen, stelt het college zich op het standpunt dat het in overeenstemming met de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 9 december 2021 op 20 december 2021 de op 1 februari 2021 van rechtswege gegeven vergunning bekend heeft gemaakt. De Afdeling volgt niet het standpunt van [appellant] dat de bekendmaking niet ziet op de van rechtswege gegeven vergunning. De Afdeling is van oordeel dat de bekendmaking geen twijfel laat over welke aanvraag leidde tot de van rechtswege gegeven omgevingsvergunning. Het gaat om een aanvraag van 3 december 2020, ingekomen bij het college op 7 december 2020, voor de verlening van een vergunning voor een tijdelijke seniorenwoning op het perceel. Dat volgens [appellant] de in de bekendmaking genoemde geldigheidsduur van de vergunning niet overeenkomt met de volgens hem aangevraagde geldigheidsduur van 10 jaar en in de bekendmaking ten onrechte is opgenomen dat het om een mobiele woning gaat, maakt niet dat de van rechtswege gegeven vergunning niet is bekendgemaakt. De in de bekendmaking genoemde geldigheidsduur heeft geen gevolgen voor de inwerkingtreding van de van rechtswege gegeven vergunning, zoals is aangevraagd door [appellant]. Daarbij komt dat [appellant] in de aanvraag om omgevingsvergunning ook vergunning heeft gevraagd voor de duur van 5 jaar. Verder heeft de rechtbank terecht overwogen dat vaststaat dat een demobiele woning is aangevraagd.
Het voorgaande betekent dat de van rechtswege gegeven vergunning bekend is gemaakt en in werking is getreden. Het voorgaande betekent ook dat de brief van 20 december 2021 niet kan worden aangemerkt als het reële besluit. De uitspraak van de Afdeling van 15 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2071, onder 3.2, waarnaar de rechtbank verwijst, ziet op de situatie dat het bestuursorgaan alsnog een reëel besluit op de aanvraag neemt door de vergunning te weigeren en dat besluit niet in rechte is aangevochten. Dit is hier niet het geval.
4.2. Verder overweegt de Afdeling dat vanaf het moment dat de van rechtswege gegeven vergunning bekend is gemaakt, belanghebbenden bezwaar kunnen maken tegen die vergunning. [partij A] en [partij B] hebben van deze gelegenheid tijdig gebruik gemaakt. Omdat bezwaar is gemaakt tegen de van rechtswege gegeven omgevingsvergunning, diende het college ingevolge artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op grondslag daarvan een volledige heroverweging van de bestreden van rechtswege gegeven omgevingsvergunning uit te voeren. Het college heeft gelet daarop het bouwplan terecht alsnog getoetst aan de in de Wabo opgenomen weigeringsgronden en daarbij tevens beoordeeld of het bereid is om omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken van het bestemmingsplan. De Afdeling verwijst ter vergelijking naar haar uitspraak van 8 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3035, onder 3.1.
Onder deze omstandigheden is, anders dan [appellant] stelt, van een intrekking van een vergunning als bedoeld in artikel 2.33 van de Wabo geen sprake. Aan een toets aan de in dat artikel genoemde intrekkingsgronden, wordt daarom niet toegekomen. De Afdeling voegt daaraan toe dat de onderhavige situatie ook niet vergelijkbaar is met een intrekking van een vergunning als bedoeld in artikel 2.33 van de Wabo. De van rechtswege gegeven vergunning was door de bekendmaking ervan op 20 december 2021 en de omstandigheid dat daartegen bezwaar kon worden gemaakt nog niet in rechte onaantastbaar. Verder moet het college na een volledige heroverweging van het primaire besluit, in dit geval de van rechtswege gegeven en bekendgemaakte vergunning, dat primaire besluit ingevolge artikel 7:11, tweede lid, van de Awb uitdrukkelijk herroepen als het college na die heroverweging vindt dat de gevraagde vergunning alsnog moet worden geweigerd.
4.3. Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank in rechtsoverweging 9 van haar uitspraak terecht geoordeeld, zij het op andere gronden, dat het college de van rechtswege gegeven vergunning in heroverweging mocht herroepen en de aanvraag om vergunning alsnog mocht weigeren.
Het betoog slaagt niet.
5. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college omwonenden actief heeft benaderd om bezwaar te maken, slaagt niet. De Afdeling ziet met de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het college het besluit van 26 juli 2022 in strijd met artikel 2:4 van de Awb heeft genomen. Uit de stukken blijkt dat het college [partij A] en [partij B] slechts desgevraagd heeft ingelicht over op welke wijze bezwaar kan worden gemaakt. Niet is gebleken dat het college actief mogelijke belanghebbenden zou hebben benaderd om bezwaar in te dienen of bezwaargronden voor [partij A] en [partij B] zou hebben geformuleerd dan wel het bezwaarschrift voor hen heeft samengesteld. [partij A] en [partij B] hebben bij het maken van bezwaar gebruik gemaakt van een rechtsbijstandverlener. Ook in de wijze waarop het college volgens [appellant] is omgegaan met zijn aanvraag om een tijdelijke seniorenwoning op het perceel, ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het college in strijd met artikel 2:4 van de Awb heeft gehandeld.
6. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college de gevraagde vergunning niet mocht weigeren. Hij wijst erop dat het slechts om een tijdelijke seniorenwoning van beperkte omvang gaat op een perceel in Egmond-Binnen.
Vast staat dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan "Landelijk gebied 1998". De rechtbank heeft de motivering van het college dat het niet bereid is van het bestemmingsplan af te wijken, voldoende geacht. Het college mocht aan het behoud van het open karakter van het buitengebied een zwaarwegend belang toekennen. De Afdeling ziet in wat [appellant] heeft aangevoerd geen aanknopingspunten voor een ander oordeel.
Het betoog slaagt niet.
Slotoverwegingen
7. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet, met verbetering van de gronden, worden bevestigd.
8. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Besselink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, griffier.
w.g. Besselink
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Montagne
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 7 januari 2026
374 | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|