|
|
|
| ECLI:NL:RVS:2025:6311 | | | | | Datum uitspraak | : | 31-12-2025 | | Datum gepubliceerd | : | 07-01-2026 | | Instantie | : | Raad van State | | Zaaknummers | : | 202504693/1/R2 en 2025046 202504693/1/R2 en 2025046 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Bij besluit van 26 juni 2025 heeft de raad het bestemmingsplan "Uitbreiding Postelhoef Luykgestel 2020" gewijzigd vastgesteld. Het plan is vastgesteld op verzoek van De Postelhoef B.V. en ziet op een groepsaccommodatie aan het Boscheind 73 in Luyksgestel. De gronden in het plangebied hebben onder meer de bestemming "Recreatie-Vakantieverblijf". De wens van De Postelhoef B.V. is om de 40 kamers van de bestaande groepsaccommodatie te vergroten en om 6 nieuwe studio’s te realiseren voor recreatief verblijf. Ook worden de bij de accommodatie behorende voorzieningen, waaronder de horeca, verruimd. De bedoeling van het plan is om de feitelijke situatie juridisch-planologisch te verankeren, waarbij de bestaande bouwvlakken voor de groepsaccommodatie en de paardenhouderij worden vergroot. Ter compensatie voor de uitbreiding wordt een deel van de bestaande recreatieve en agrarische bestemming gesaneerd tot een natuurbestemming. [verzoeker] en anderen zijn woonachtig in de directe omgeving van het plangebied dan wel eigenaren van gronden in de directe omgeving van het plangebied. Zij hebben geen bezwaar tegen de groepsaccommodatie zelf, maar wel tegen de in het plan voorziene uitbreidingen. | | Trefwoorden | : | bestemmingsplan | | | paarden | | | stallen | | | | Uitspraak | 202504693/1/R2 en 202504693/2/R2.
Datum uitspraak: 31 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: Awb) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet op het beroep, in het geding tussen:
[verzoeker], wonend in Luyksgestel, en anderen,
verzoekers,
en
de raad van de gemeente Bergeijk,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 26 juni 2025 heeft de raad het bestemmingsplan "Uitbreiding Postelhoef Luykgestel 2020" gewijzigd vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben [verzoeker] en anderen beroep ingesteld.
[verzoeker] en anderen hebben de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op zitting behandeld op 20 november 2025, waar [verzoeker] en anderen, bijgestaan dan wel vertegenwoordigd door mr. P.J.A. Engelvaart, en de raad, digitaal vertegenwoordigd door mr. M. Heezen en mr. A. Poetai, zijn verschenen. Verder is op de zitting De Postelhoef B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en [gemachtigde B] en digitaal vertegenwoordigd door mr. L.N.C.A. Bukkems en [partij], als partij gehoord.
Overwegingen
Toepassing van artikel 8:86 van de Awb
1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
2. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 21 december 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
3. Het plan is vastgesteld op verzoek van De Postelhoef B.V. en ziet op een groepsaccommodatie aan het Boscheind 73 in Luyksgestel (hierna: het plangebied). De gronden in het plangebied hebben onder meer de bestemming "Recreatie-Vakantieverblijf". De wens van De Postelhoef B.V. is om de 40 kamers van de bestaande groepsaccommodatie te vergroten en om 6 nieuwe studio’s te realiseren voor recreatief verblijf. Ook worden de bij de accommodatie behorende voorzieningen, waaronder de horeca, verruimd. De bedoeling van het plan is om de feitelijke situatie juridisch-planologisch te verankeren, waarbij de bestaande bouwvlakken voor de groepsaccommodatie en de paardenhouderij worden vergroot. Ter compensatie voor de uitbreiding wordt een deel van de bestaande recreatieve en agrarische bestemming gesaneerd tot een natuurbestemming.
4. [verzoeker] en anderen zijn woonachtig in de directe omgeving van het plangebied dan wel eigenaren van gronden in de directe omgeving van het plangebied. Zij hebben geen bezwaar tegen de groepsaccommodatie zelf, maar wel tegen de in het plan voorziene uitbreidingen.
Toetsingskader
5. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De voorzieningenrechter oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De voorzieningenrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
Bijlage
6. De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
De beroepsgronden en de conclusie
7. [verzoeker] en anderen hebben diverse beroepsgronden aangevoerd. Op de zitting zijn in het bijzonder de beroepsgronden besproken die gaan over de verblijfsaccommodatie, de horeca, de paardenhouderij en de quickscan. In deze uitspraak zullen ook alleen deze beroepsgronden worden behandeld. Die leiden tot een gegrond beroep. De voorzieningenrechter zal dit hierna toelichten.
De groepsaccommodatie
8. [verzoeker] en anderen betogen dat artikel 5.1 van de planregels meer mogelijk maakt dan met het plan is beoogd. Volgens [verzoeker] en anderen blijkt dit niet alleen uit de plantoelichting, maar ook uit het bij de plantoelichting behorende "Behoefteonderzoek groepsaccommodatie en arbeidsmigranten
De Postelhoef" van BRO van 5 oktober 2023 (hierna: de laddertoets).
8.1. Op de zitting heeft de raad erkend dat artikel 5.1 van de planregels ruim is opgezet, maar volgens de raad is dit bewust gedaan met het oog op de toekomst. Op dit moment zijn het vooral mindervaliden die in de groepsaccommodatie verblijven, maar dat kan in de toekomst veranderen, aldus de raad. Alsdan kan de groepsaccommodatie ook worden gebruikt voor andere doelgroepen.
8.2. Uit de plantoelichting volgt dat met de groepsaccommodatie wordt beoogd onderdak te bieden aan mensen met een fysieke beperking die gebruik maken van rolstoelen en verrijdbare bedden. In artikel 5.1 van de planregels noch elders in het plan is het gebruik van de groepsaccommodatie echter beperkt tot deze doelgroepen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter maakt artikel 5.1 van de planregels daarmee iets anders mogelijk dan in de plantoelichting staat en dat is in strijd met een goede ruimtelijke ordening. De voorzieningenrechter vindt steun voor dit oordeel in de laddertoets, waaruit volgt dat er ook arbeidsmigranten in de groepsaccommodatie zijn gehuisvest.
Het betoog slaagt.
Horeca
9. [verzoeker] en anderen betogen dat het plan voorziet in een forse toename van het aantal toegestane vierkante meters aan horeca ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan "Luyksgestel en De Zwarte Bergen 2012, herziening 2014", terwijl die toename niet is onderbouwd. Dit is in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro). Bovendien kan door deze toename niet meer worden gesproken van ondergeschikte horeca als bedoeld in artikel 5.1 van de planregels, aldus [verzoeker] en anderen.
9.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de verruiming van het aantal toegestane vierkante meters aan horeca samenhangt met de vergroting van het bouwvlak voor de groepsaccommodatie.
9.2. In artikel 5.1 van de planregels is het aantal toegestane vierkante meters aan horeca gemaximeerd op een oppervlakte van maximaal 30% van de gerealiseerde bedrijfsvloeroppervlakte van de verblijfsrecreatieve functie. Dit is meer dan op grond van het bestemmingsplan "Luyksgestel en
De Zwarte Bergen 2012, herziening 2014" was toegestaan. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de raad niet onderbouwd wat de noodzaak van deze uitbreiding is. Uit de laddertoets volgt deze noodzaak niet. Gelet hierop is het plan vastgesteld in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro.
Het betoog slaagt.
De paardenhouderij
10. [verzoeker] en anderen betogen dat het plan voorziet in een zelfstandige paardenhouderij, wat in strijd is met een goede ruimtelijke onderbouwing. Volgens [verzoeker] en anderen is de definitie van het begrip paardenhouderij in de planregels zo ruim dat van ondergeschiktheid geen sprake is. Verder voeren zij aan dat de vergroting van het bouwvlak voor de paardenhouderij geen redelijke uitbreiding als bedoeld in artikel 3.71 van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant (hierna: IOV) is. [verzoeker] en anderen verwijzen naar de laddertoets, waaruit volgens hen ook blijkt dat sprake is van een zelfstandige paardenhouderij.
10.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan geen zelfstandige paardenhouderij mogelijk maakt. De paardenhouderij mag niet onafhankelijk van de groepsaccommodatie bestaan. De paardenhouderij is bedoeld voor de gasten van de groepsaccommodatie.
10.2. Een deel van de gronden in het plangebied met de bestemming "Recreatie-Vakantieverblijf" heeft de functieaanduiding "paardenhouderij". Op grond van artikel 5.1 van de planregels is op gronden met deze aanduiding een aan de verblijfsrecreatieve functie ondergeschikte paardenhouderij toegestaan. Op grond van artikel 1.45 van de planregels wordt onder paardenhouderij verstaan: het bedrijfsmatig, recreatief gericht houden, laten begrazen en stallen van paarden en pony’s, met mogelijk als ondergeschikte nevenfunctie het fokken, africhten, trainen, verzorgen en berijden van paarden en pony’s.
10.3. Op de zitting heeft [gemachtigde A], eigenaar van De Postelhoef B.V., toegelicht dat de groepsaccommodatie wordt geëxploiteerd door hemzelf en zijn vrouw. De paardenhouderij wordt geëxploiteerd door hun dochter. De paardenhouderij heeft een aparte ingang. Er worden voornamelijk dressuurlessen, trainingen en clinics gegeven. Voor de gasten van de groepsaccommodatie kan een rondleiding in de paardenhouderij worden verzorgd. In de laddertoets staat onder meer: "De paardenhouderij (dressuurstal) heeft een zelfstandige functie, maar is ook ondersteunend aan de groepsaccommodatie. Paarden bieden immers ontspanning, rust en bewustwording. Met name mensen die door ziekte gebonden zijn aan hun bed (een belangrijke doelgroep van De Postelhoef) kunnen veel baat hebben bij de nabijheid van natuur en dieren […]. Juist de samenhang tussen een moderne groepsaccommodatie voor zorgbehoevenden, paardenhouderij en grote tuin, in een landschappelijk fraaie omgeving, maken het geheel innovatief en onderscheidend."
In artikel 5.1 van de planregels staat weliswaar dat ter plaatse uitsluitend een aan de verblijfsrecreatieve functie ondergeschikte paardenhouderij is toegestaan, maar het begrip "ondergeschikt" is in de planregels niet gedefinieerd. Uit de wijze van exploitatie en de beschrijving in de laddertoets volgt naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat de paardenhouderij een zelfstandige functie heeft. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is in de planregels niet voldoende geborgd dat de paardenhouderij enkel als een aan de groepsaccommodatie ondergeschikte functie mag worden gebruikt. Dit leidt ook tot het oordeel dat de raad niet voldoende heeft onderbouwd dat de vergroting van het bouwvlak voor de paardenhouderij een redelijke uitbreiding als bedoeld in artikel 3.71 van de IOV is.
Het betoog slaagt.
Quickscan
11. [verzoeker] en anderen betogen dat de raad de Quickscan Natuurtoets van Groenpartner Avereerst van 30 juni 2023 (hierna: de quickscan) niet aan het vaststellingsbesluit ten grondslag heeft mogen leggen. In de quickscan is volgens [verzoeker] en anderen niet onderzocht op welke wijze de in het plan voorziene uitbreiding van de paardenhouderij invloed heeft op de wezenlijke kenmerken en waarden van het nabijgelegen Natuurnetwerk Brabant.
11.1. Niet in geschil is dat het plangebied op een afstand van ongeveer 28 m tot een bos ligt dat onderdeel is van het Natuurnetwerk Brabant. De raad heeft op de zitting erkend dat de bij de plantoelichting behorende quickscan niet ingaat op de effecten van de uitbreiding van het bouwvlak voor de paardenhouderij op de wezenlijke kenmerken en waarden van het aangrenzende natuurgebied. Dit betekent naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat de onderbouwing van het plan niet deugdelijk is.
Het betoog slaagt.
Conclusie en proceskosten
12. Gelet op wat er in 8.2, 9.2, 10.3 en 11.1 is overwogen, is het beroep gegrond. Het besluit van 26 juni 2025 moet worden vernietigd. Voor het treffen van een voorlopige voorziening bestaat daarom geen aanleiding. Dat verzoek zal worden afgewezen. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om met een tussenuitspraak als bedoeld in artikel 8:51d van de Awb de raad in de gelegenheid te stellen de geconstateerde gebreken in het besluit van 26 juni 2025 te herstellen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn de in deze uitspraak genoemde gebreken geen gebreken die zich lenen voor herstel. Dit betekent dat de raad onder de Omgevingswet desgewenst een nieuw plan voor De Postelhoef B.V. zal moeten vaststellen.
13. De Afdeling ziet aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken op de landelijke voorziening.
14. De raad moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep gegrond;
II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Bergeijk van 26 juni 2025 tot gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan "Uitbreiding Postelhoef Luykgestel 2020";
III. draagt de raad van de gemeente Bergeijk op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel II wordt verwerkt op de landelijke voorziening;
IV. wijst het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af;
V. veroordeelt de raad van de gemeente Bergeijk tot vergoeding van bij [verzoeker] en anderen in verband met de behandeling van hun beroep en verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2721,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen, het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
VI. gelast dat de raad van de gemeente Bergeijk aan [verzoeker] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep en het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 770,00 vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen, het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.
Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, griffier.
w.g. Minderhoud
voorzieningenrechter
w.g. Graaff-Haasnoot
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 31 december 2025
531
Bijlage
Besluit ruimtelijke ordening
Artikel 3.1.6, tweede lid, luidt:
De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant (geldend tot
31 december 2023)
Artikel 3.71 luidt:
Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied bevat regels voor een bestaande niet-agrarische functie die:
a. de bestaande planologische gebruiksactiviteit vastleggen;
[…]
c. kunnen voorzien in een redelijke uitbreiding, als dat past binnen de gewenste ontwikkelingsrichting van het gebied waarbij de volgende aspecten zijn betrokken:
1. een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en functies passen in de omgeving;
2. welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten, waaronder mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders;
3. hoe de uitbreiding bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit, waaronder een bijdrage aan de sloop van overtollig en leegstand vastgoed in het Landelijk gebied.
Bestemmingsplan "Uitbreiding Postelhoef Luykgestel 2020"
Artikel 5.1 luidt:
De voor "Recreatie - Vakantieverblijf" aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. verblijfsrecreatie voor hoofdzakelijk steeds wisselde groepen personen, met dien verstande dat:
1. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - groepsaccommodatie" een groepsaccommodatie met de daarbij behorende voorzieningen, zoals een kantine/cafetaria en een receptiegebouw is toegestaan;
2. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "paardenhouderij" een aan de verblijfsrecreatieve functie ondergeschikte paardenhouderij is toegestaan;
3. Ter plaatse van de aanduiding "horeca" tevens aan de verblijfsrecreatieve functie ondergeschikte horeca is toegestaan tot een oppervlakte van maximaal 30% van de gerealiseerde bedrijfsvloeroppervlakte van de verblijfsrecreatieve functie;
[…] | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|