|
|
|
| ECLI:NL:CRVB:2025:1895 | | | | | Datum uitspraak | : | 16-12-2025 | | Datum gepubliceerd | : | 07-01-2026 | | Instantie | : | Centrale Raad van Beroep | | Zaaknummers | : | 21/1479 PW | | Rechtsgebied | : | Socialezekerheidsrecht | | Indicatie | : | Intrekking, terugvordering, invordering en verrekening van AIO. Schending inlichtingenverplichting. Vermogen in buitenland. Herhaling beroepsgronden. Bijkomende beschikking. Procesbelang. Beslagvrije voet. Gewenningsregeling. Zelf voorzien. Ter zitting heeft de Svb erkend dat het verrekeningsbesluit onjuist is gemotiveerd, maar dit gebrek wordt gepasseerd omdat niet in geschil is dat de Svb het aflossingsbedrag op de juiste wijze heeft vastgesteld. Wel heeft de Svb een te hoog bedrag ingehouden van het ouderdomspensioen van appellante. De Svb hanteert een gewenningsregeling en die was op appellante van toepassing, maar in de besluitvorming is daarmee ten onrechte geen rekening gehouden. In de situatie van appellante heeft de Svb in de periode van augustus 2022 tot februari 2023 ten onrechte de volledige aflossingscapaciteit in plaats van 50% van appellante gebruikt ter verrekening van de vordering. In zoverre kan appellanten belang bij herstel van het onjuiste verrekeningsbesluit niet worden ontzegd. Dat wordt niet anders door de omstandigheid dat appellante vanaf augustus 2023 feitelijk minder heeft betaald dan de Svb op basis van de gewenningsregeling mocht verrekenen. | | Trefwoorden | : | aow | | | erfenis | | | erfgenamen | | | landbouw | | | landbouwgrond | | | levensonderhoud | | | perceel | | | taxatie | | | uitkering | | | | Uitspraak | 21/1479 PW, 21/1480 PW, 23/503 PW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 18 maart 2021, 19/5959 en 20/1070 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
de erven van [appellant] (appellant), in leven laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats] , en [appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 16 december 2025
SAMENVATTING
In deze zaak gaat het om de intrekking, terugvordering en invordering van de bijstand die appellanten van de Svb hebben ontvangen in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO) omdat zij in strijd met de op hen rustende inlichtingenverplichting geen melding hebben gemaakt van hun vermogen in Turkije. Ook gaat het in deze zaak om de verrekening van de terugvordering met het ouderdomspensioen van appellante. De Raad laat de intrekking van de AIO in stand, oordeelt dat de terugvordering moet worden gematigd tot de materieel ten onrechte verleende bijstand, verklaart het hoger beroep, voor zover dat ziet op de invordering, niet-ontvankelijk en vernietigt het besluit over de verrekening en bepaalt dat de Svb de gewenningsregeling toepast.
PROCESVERLOOP
Namens appellanten heeft mr. M. Akça-Altun, advocaat, hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Op 4 augustus 2022 heeft de Svb een nader besluit genomen (verrekeningsbesluit).
Voorafgaand aan het onderzoek ter zitting heeft de Raad kennisgenomen van het overlijden van appellant.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 februari 2023. Namens appellanten is mr. Akça-Altun verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.A. Buskens, mr. P.C. van der Voorn en R.W. Nicolaas.
De Raad heeft partijen op 7 juni 2023 schriftelijk meegedeeld, kort weergegeven, dat het onderzoek is heropend in afwachting van uitspraken in andere zaken, waarin het ook gaat om terug- en invordering en waarin ongeveer dezelfde vragen spelen als in de zaken van appellanten.
Nadat deze uitspraken waren gedaan heeft de Raad op 23 augustus 2024 vragen gesteld aan de Svb. De Svb heeft deze vragen met een brief van 1 oktober 2024 beantwoord. Appellanten hebben hierop gereageerd en daarnaast verzocht om uitstel voor het geven van een nadere reactie totdat de Raad in een aantal andere zaken van de Svb uitspraak heeft gedaan. Nadat deze uitspraak was gedaan hebben appellanten op 10 april 2025 een nadere reactie gegeven.
De Raad heeft partijen op 13 augustus 2025 nadere vragen gesteld. Partijen hebben deze vragen beantwoord, de Svb op 5 september 2025 en appellanten op 8 september 2025.
De Raad heeft partijen met een brief van 26 september 2025 laten weten dat de Raad een nader onderzoek ter zitting niet nodig vindt en hen daarbij gewezen op hun recht om nogmaals ter zitting te worden gehoord. Partijen hebben ingestemd met een afdoening zonder nadere zitting. Daarom heeft de Raad met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft. Daarna heeft de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb gesloten.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellanten ontvingen sinds 1 juli 2008 AIO van de Svb op grond van de Participatiewet (PW).
1.2.
In het kader van een controle hebben twee medewerkers van de Svb op 25 juli 2016 een huisbezoek afgelegd aan het woonadres van appellanten. Tijdens het huisbezoek hebben de medewerkers op een formulier ‘Verblijf en vermogen buiten Nederland’ de door appellanten gegeven antwoorden op enkele vragen ingevuld. Appellanten hebben het formulier vervolgens ondertekend. Op het formulier staat vermeld: “[Appellant] zijn vader is overleden. Er is een erfenis, een stuk grond welke nog verdeeld moet worden tussen [appellant] en zijn vier broers en zussen. De waarde ervan is niet bekend.”
1.3.
Vervolgens heeft appellant op verzoek van de Svb een vragenlijst van de Svb ingevuld. Daarop heeft hij vermeld dat zijn vader op [datum] 1972 is overleden en dat hij niets heeft geërfd. Daarna hebben appellanten enkele gegevens overgelegd, waaronder stukken van het kadaster in Turkije. Uit die stukken blijkt dat appellant voor een vijfde deel eigenaar is van zes stukken (landbouw)grond in Turkije (onroerende zaken). Verder hebben appellanten een taxatierapport van een Turkse makelaar overgelegd. Deze makelaar heeft de totale waarde van het aandeel van appellant in de onroerende zaken op 4 september 2018 getaxeerd op (omgerekend) € 4.000,-.
1.4.
Het Bureau Attaché voor Sociale Zaken van de Nederlandse Ambassade te Ankara (Bureau Attaché) heeft op verzoek van de Svb een taxatie van de onroerende zaken laten uitvoeren. Een plaatselijke taxateur heeft deze taxatie uitgevoerd en daarvan op 14 december 2018 een taxatierapport opgesteld. In dit taxatierapport is de waarde van het aandeel van appellant in de onroerende zaken getaxeerd op (omgerekend) € 35.667,-.
Besluiten van de Svb
1.5.
De Svb heeft met een besluit van 12 april 2019 de AIO van appellanten ingetrokken met ingang van 1 juli 2008. Met een ander besluit van 12 april 2019 heeft de Svb de gemaakte kosten van AIO over de periode van 1 juli 2008 tot en met 31 december 2018 van appellanten teruggevorderd tot een bedrag van € 45.728,46. Appellanten hebben tegen deze besluiten bezwaar gemaakt. Tijdens de bezwaarprocedure hebben zij een nieuw taxatierapport overgelegd van de Turkse makelaar die ook al eerder een taxatierapport had opgesteld. Deze makelaar heeft in dat nieuwe taxatierapport van 23 september 2019 de totale waarde van het aandeel van appellant in de onroerende zaken in 2008 getaxeerd op (omgerekend) € 3.350,-.
1.6.
De Svb heeft de besluiten van 12 april 2019 na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 1 november 2019 (bestreden besluit 1). Aan bestreden besluit 1 heeft de Svb het volgende ten grondslag gelegd. Appellanten hebben in strijd met de op hen rustende inlichtingenverplichting geen melding gemaakt van hun vermogen in Turkije. Voor de waardebepaling van het aandeel van appellant in de percelen in Turkije moet worden uitgegaan van het taxatierapport van 14 december 2018. Er kan niet worden aangesloten bij de waarde die blijkt uit de door appellanten overgelegde taxatierapporten. Deze taxatierapporten zijn namelijk niet opgesteld door een beëdigd taxateur. Omdat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat hun vermogen op 1 juli 2008 onder de voor hen geldende vermogensgrens lag, kan niet worden vastgesteld of appellanten recht hadden op AIO.
1.7.
De Svb heeft met een besluit van 6 november 2019 aan appellanten meegedeeld dat zij binnen één jaar het vermogen in Turkije moeten vrijmaken voor het terugbetalen van de schuld aan de Svb. Tegen dit besluit hebben appellanten bezwaar gemaakt.
1.8.
De Svb heeft met een besluit van 10 januari 2020 (bestreden besluit 2) het bezwaar tegen het besluit van 6 november 2019 gegrond verklaard en bepaald dat appellanten vóór 10 januari 2021 een bedrag van € 35.667,- moeten terugbetalen aan de Svb. De betaling van het restant van de vordering (€ 10.061,46) wordt opgeschort.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft de beroepen van appellanten ongegrond verklaard en de bestreden besluiten in stand gelaten op grond van onder meer de volgende overwegingen. Uit de onderzoeksgegevens van de attaché blijkt dat appellant voor een vijfde deel eigenaar is van zes percelen landbouwgrond, zoals ook wordt bevestigd door stukken van het kadaster die appellanten zelf hebben overgelegd. Het feit dat de eigendom van een onroerende zaak is geregistreerd op naam van een uitkeringsgerechtigde rechtvaardigt de vooronderstelling dat deze onroerende zaak een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij beschikt, dan wel redelijkerwijs kan beschikken. Dat appellant gevoelsmatig (nog) geen eigenaar is van de betrokken percelen in Turkije, omdat deze nog niet zijn verdeeld onder de erfgenamen, doet hier niet aan af. De term 'beschikken' moet zo worden uitgelegd dat deze ziet op de mogelijkheid om de bezitting feitelijk aan te wenden om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is. Appellanten zijn hier niet in geslaagd. Hun stelling dat sprake is van een wettelijke beperking om hun aandelen in de betrokken percelen te verkopen aan andere personen dan de overige aandeelhouders, en dat het moeilijk is om hen te traceren en vervolgens met hen een akkoord te bereiken over de verdeling van de erfenis, slaagt niet. Het is door de wettelijke beperkingen wellicht moeilijker om de aandelen in de percelen te verkopen, maar niet aannemelijk is gemaakt dat dit onmogelijk is. Appellanten kunnen de aandelen in ieder geval verkopen aan de overige aandeelhouders, maar dit hebben zij blijkens de dossierstukken en het verhandelde ter zitting nog niet geprobeerd. Uit stukken die appellanten bij brief van 26 september 2019 hebben overgelegd blijkt bovendien dat andere erfgenamen wél reeds aandelen hebben verkocht of samengevoegd. Niet aannemelijk is verder dat appellanten geen contact kunnen leggen met de andere aandeelhouders, nu hun gemachtigde ter zitting heeft verklaard dat de gebouwen op een van de percelen worden beheerd door een neef (zoon van een broer) van appellant, en zelfs de zoon van appellanten op dit perceel woont.
Verrekeningsbesluit
3. De Svb heeft met het verrekeningsbesluit vastgesteld dat appellante € 179,27 per maand moet aflossen op de terugvordering. De Svb heeft hierbij vermeld dat dit 5% is van het totale inkomen van appellante, inclusief vakantiegeld, dat dit is wat appellante wettelijk minimaal moet aflossen en dat het bedrag van € 179,27 vanaf augustus 2022 iedere maand op haar pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW-pensioen) zal worden ingehouden. De berekening van de aflossingscapaciteit heeft plaatsgevonden op basis van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet die per 1 januari 2021 in werking is getreden.
3.1.
Tijdens de zitting van de Raad op 7 februari 2023 heeft de Svb toegezegd om als een tijdelijke tegemoetkoming in verband met de te verwachten lange duur van de procedure in hoger beroep een maandelijks aflossingsbedrag van 50% van het bedrag van € 179,27 te hanteren tot de Raad uitspraak heeft gedaan. In zoverre voert de Svb het invorderingsbesluit tijdelijk niet ten volle uit. In verband met deze toezegging heeft de Svb vanaf februari 2023 € 89,50 ingehouden op het AOW-pensioen van appellante.
Het standpunt van appellanten
4. Appellanten zijn het met de uitspraak van de rechtbank en met het verrekeningsbesluit niet eens. Wat zij daartegen hebben aangevoerd wordt hierna besproken.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt of de rechtbank het besluit over de intrekking, terugvordering en invordering van de AIO terecht in stand heeft gelaten. Verder beoordeelt de Raad het verrekeningsbesluit. Dit is namelijk een bijkomende beschikking als bedoeld in artikel 4:125, eerste lid, van de Awb. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt, voor zover de rechtbank de terugvordering in stand heeft gelaten. Ook slaagt het beroep tegen het verrekeningsbesluit. Het hoger beroep, voor zover dat ziet op het invorderingsbesluit, wordt niet-ontvankelijk verklaard. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep en het beroep tegen het verrekeningsbesluit belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Intrekking
5.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat appellant in de gehele periode in geding mede-eigenaar was van de onroerende zaken. Appellanten hebben dit niet (tijdig) gemeld aan de Svb, zodat zij de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden.
5.2.
Appellanten voeren, net als in beroep, aan dat zij niet over het aandeel van appellant in de onroerende zaken konden beschikken. Door wettelijke beperkingen kan het aandeel van appellant alleen worden verkocht aan de mede-eigenaars van de percelen. Het is moeilijk om met hen contact te krijgen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
5.2.1.
Wat appellanten aanvoeren is een herhaling van wat zij in beroep hebben aangevoerd. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak uitgelegd waarom dat niet leidt tot vernietiging van het bestreden besluit. Appellanten hebben in hoger beroep geen reden gegeven waarom die uitleg volgens hen onjuist of onvolledig is. De Raad is het eens met het oordeel van de rechtbank en met de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd en neemt deze overwegingen over.
5.3.
Na een schending van de inlichtingenverplichting is de bijstandverlenende instantie verplicht om het recht op bijstand met de dan bekend zijnde en bekend geworden feiten en omstandigheden vast te stellen en op basis daarvan een besluit tot herziening of intrekking van bijstand te nemen. Als de waarde van het in een onroerende zaak gebonden vermogen in de te beoordelen periode niet precies kan worden vastgesteld, maar het wel mogelijk is een schatting van die waarde te maken, moet de bijstandverlenende instantie dat ook doen. Bij onroerende zaken kan de waarde in een periode in het verleden ook schattenderwijs worden vastgesteld als op een later moment een betrouwbare waardebepaling heeft plaatsgevonden. Dit heeft de Raad in eerdere uitspraken overwogen.
5.4.
Appellanten hebben aangevoerd dat de Svb voor de waarde van de onroerende zaken ten onrechte is uitgegaan van de in het taxatierapport van 14 december 2018 getaxeerde waarde van € 35.667,-. Deze waarde wordt betwist. Bovendien is bij die taxatie ten onrechte de waarde van vijf gebouwen meegerekend die staan op de (landbouw)gronden waarvan appellant mede-eigenaar was. Deze gebouwen staan in het kadaster namelijk niet op naam van appellanten geregistreerd. Deze beroepsgrond slaagt niet. De waarde van het aandeel van appellant in de onroerende zaken op 14 december 2018 kan worden vastgesteld op € 35.667,-. Hierbij is het volgende van betekenis.
5.4.1.
De Svb heeft voor het vaststellen van de waarde van het aandeel van appellant in de onroerende zaken mogen uitgaan van de getaxeerde waarde daarvan in het taxatierapport van 14 december 2018. De rechtbank heeft terecht overwogen dat dit rapport deugdelijk is onderbouwd met uitgebreide omschrijvingen van de percelen en de situatie ter plaatse. Daarmee is inzichtelijk gemaakt op grond van welke waarde bepalende factoren tot de waardevaststelling is gekomen.
5.4.2.
Voor zover appellanten menen dat de Svb voor de waarde van de onroerende zaken had moeten uitgaan van de in 1.3 en 1.5 genoemde taxatierapporten van de Turkse makelaar, volgt de Raad hen daarin niet. De taxatierapporten van deze makelaar geven geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van het taxatierapport van 14 december 2018. Deze rapporten zijn namelijk zeer summier onderbouwd en geven geen inzicht in de waarde bepalende factoren waarmee de Turkse makelaar rekening heeft gehouden.
5.4.3.
Anders dan appellanten betogen, mocht ook de waarde van vijf gebouwen bij de taxatie worden betrokken. Deze gebouwen bevinden zich namelijk op stukken grond waarvan appellant in de hier te beoordelen periode, die loopt van 1 juli 2008 tot en met 12 april 2019, mede-eigenaar was. Daarom moet het ervoor worden gehouden dat appellant ook mede-eigenaar is van deze gebouwen. Met de enkele stelling dat de gebouwen in het kadaster niet op zijn naam staan geregistreerd, hebben appellanten niet aannemelijk gemaakt dat dit anders is.
5.5.
Er zijn geen aanwijzingen voorhanden dat de waarde van het aandeel in de onroerende zaken in de periode vóór 14 december 2008 en daarna lager ligt dan € 35.667,-. Gelet hierop ziet de Raad aanleiding om de waarde van het aandeel van appellant in de gehele periode in geding te schatten op € 35.667,-. Daarbij komt de onzekerheid over het waardeverloop voor rekening van appellanten.
5.6.
Het vermogen van appellanten is bij aanvang van de AIO vastgesteld op nihil. De voor appellanten geldende vermogensgrens was toen € 10.650,-. Deze grens werd in de gehele periode in geding overschreden, uitgaande van de geschatte waarde van het aandeel in de onroerende zaken op 1 juli 2008 van € 35.667,-. Anders dan de Svb heeft gesteld in bestreden besluit 1, was het recht op AIO dus wel vast te stellen, ook al was de precieze omvang van het vermogen van appellanten onduidelijk. Het recht was namelijk vast te stellen op nihil, wegens overschrijding van de toepasselijke vermogensgrens. Bestreden besluit 1 is daarom niet gebaseerd op een deugdelijke motivering.
5.7.
De rechtbank heeft wat in 5.6 is overwogen niet onderkend. De Raad ziet echter geen aanleiding om de aangevallen uitspraak om die reden te vernietigen. De rechtbank had bestreden besluit 1 namelijk met toepassing van artikel 6:22 van de Awb in stand kunnen laten, omdat appellanten door het gebrek in bestreden besluit 1 niet zijn benadeeld. Ook op grond van de juiste motivering, zoals die in 5.5 en 5.6 is weergegeven, was de Svb op grond van artikel 54, derde lid, eerste volzin, van de PW verplicht de bijstand van appellanten in te trekken.
Terugvordering
5.8.
De intrekking van de AIO vanaf 1 juli 2008 brengt mee dat appellanten in de periode van 1 juli 2008 tot en met 31 december 2018 ten onrechte AIO hebben ontvangen. De Svb was verplicht om de kosten van de AIO over die periode van appellanten terug te vorderen. Dat volgt uit artikel 58, eerste lid, van de PW.
5.9.
Naar aanleiding van de in voetnoot 3 genoemde uitspraken van 13 december 2022, stelt de Svb zich op het nadere standpunt dat de terugvordering moet worden beperkt tot de materieel ten onrechte verleende bijstand. Gelet op 5.6 was de vermogensoverschrijding in de periode van 1 juli 2008 tot en met 31 december 2018 € 25.017,-. Dat is het bedrag dat appellanten materieel te veel aan AIO hebben ontvangen. Daarom moet de terugvordering worden beperkt tot € 25.017,-.
Invordering
5.10.
Zoals met appellanten ter zitting is besproken, is bestreden besluit 2 vervangen door het verrekeningsbesluit. Dit betekent dat appellanten geen belang meer hebben bij een beoordeling van dat besluit. Daarom zal het hoger beroep, voor zover dat ziet op bestreden besluit 2, niet-ontvankelijk worden verklaard.
Verrekeningsbesluit
5.11.
De Svb is bevoegd om de terugvordering te verrekenen met het AOW‑pensioen van appellante. Dit volgt uit artikel 60a, derde en vijfde lid, van de PW. De Svb moet hierbij rekening houden met de voor betrokkene geldende beslagvrije voet.
5.12.
Bij de invordering en de vaststelling van de hoogte van de aflossingscapaciteit gaat de Svb uit van de Regeling tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en terugvordering onverschuldigde betalingen (Regeling). Bij de uitvoering van de PW in verband met de AIO hanteert de Svb de Regeling als beleidsregels.
5.12.1.
Overeenkomstig de artikelen 3, tweede lid, en 4, tweede lid, van de Regeling worden periodieke betalingen of verrekeningen door de Svb zodanig vastgesteld dat gebruik wordt gemaakt van de volledige aflossingscapaciteit van de schuldenaar.
5.12.2.
Op grond van artikel 4, zesde lid, in samenhang met artikel 3, zevende lid, van de Regeling kan de Svb van artikel 3 en 4 van de Regeling afwijken als toepassing van die artikelen tot een kennelijk onredelijk resultaat leidt. Uit de toelichting bij de Regeling blijkt dat gedacht kan worden aan een situatie waarin tijdelijk prioriteit wordt gegeven aan betalingsregelingen met derden om een dreigende afsluiting van energielevering of ontruiming van de woning te voorkomen. Dit is ook neergelegd in beleidsregel SB1251 van de Svb, waarin onder meer staat:
“Op grond van artikel 3, zevende lid van de regeling kan de SVB een afwijkende betalingsregeling treffen indien toepassing van dit artikel leidt tot een kennelijk onredelijk resultaat. De SVB maakt van deze bevoegdheid gebruik als een invordering van de SVB een bestaande betalingsregeling zou doorkruisen. Dit geldt alleen voor een betalingsachterstand van: energie- en waterrekeningen; huur of hypotheek; zorgpremie.”
5.13.
Zoals de Raad eerder heeft geoordeeld, kunnen de artikelen 3 en 4, tweede lid, van de Regeling aan besluiten tot vaststelling van de aflossingscapaciteit van AOW-gerechtigden ten grondslag worden gelegd.
5.14.
Appellanten hebben aangevoerd dat de Svb in het verrekeningsbesluit niet duidelijk heeft gemaakt hoe de beslagvrije voet en het te verrekenen bedrag zijn vastgesteld. Deze beroepsgrond slaagt.
5.14.1.
Ter zitting heeft de Svb erkend dat het verrekeningsbesluit onjuist is gemotiveerd. Anders dan in het verrekeningsbesluit staat, is het bedrag van € 179,27 niet 5% van het totale inkomen van appellante, maar het deel van het inkomen van appellante, inclusief vakantiegeld, boven de beslagvrije voet van 95% van het normbedrag van artikel 21 van de PW.
5.14.2.
De Raad ziet echter geen aanleiding om het verrekeningsbesluit om die reden te vernietigen. Niet in geschil is namelijk dat de Svb het aflossingsbedrag op de juiste wijze heeft vastgesteld. Appellanten zijn door het motiveringsgebrek in het verrekeningsbesluit dus niet benadeeld. Daarom zal dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb worden gepasseerd.
5.15.
Appellanten hebben verder aangevoerd dat de Svb een te hoog bedrag heeft ingehouden van het ouderdomspensioen van appellante. Appellanten wijzen hierbij op de in de brief van de Svb van 7 mei 2021 opgenomen betalingsregeling, waarin staat dat de Svb vanaf mei 2021 € 25,- per maand zal verrekenen met de uitkering van appellante en € 25,- met de uitkering van appellant. Met het verrekeningsbesluit heeft de Svb zonder aanleiding het bedrag van de verrekening verhoogd naar € 179,27. Deze wijziging is in strijd met de zorgvuldigheid, het motiveringsbeginsel en de rechtszekerheid. Verder wijzen appellanten op de leeftijd van appellante en stellen zij dat de verhoging naar € 179,27 leidt tot een kennelijk onredelijk resultaat als bedoeld in artikel 3, zevende lid, van de Regeling, omdat appellante van haar inkomen de vaste lasten moet betalen en de kosten van levensonderhoud toenemen. Deze beroepsgronden slagen gedeeltelijk. Hierbij is het volgende van belang.
5.15.1.
Het enkele feit dat de Svb de in de brief van 7 mei 2021 opgenomen betalingsregeling heeft gewijzigd betekent niet dat het verrekeningsbesluit in strijd is met de zorgvuldigheid, het motiveringsbeginsel en de rechtszekerheid. De Svb beoordeelt elk jaar opnieuw de financiële situatie van appellante en in het verrekeningsbesluit heeft de Svb vermeld dat bij de verrekening de nieuwe regels over de beslagvrije voet zijn gehanteerd. Verder blijkt uit de brief van de Svb van 7 mei 2021 niet tot wanneer de betalingsregeling geldt. Uit die brief kan niet worden afgeleid dat de te verrekenen bedragen niet zouden (kunnen) wijzigen. Ook anderszins zijn er geen toezeggingen gedaan dat de te verrekenen bedragen nooit zouden wijzigen. In zoverre slaagt deze beroepsgrond niet.
5.15.2.
De beroepsgrond dat de maandelijkse verrekening van € 179,27 leidt tot een kennelijk onredelijk resultaat slaagt ook niet. Met de niet gespecificeerde verwijzingen naar de vaste lasten van appellante en de toenemende kosten van levensonderhoud hebben appellanten niet aannemelijk gemaakt dat de volledige aflossingscapaciteit leidt tot een kennelijk onredelijk resultaat. Feiten en omstandigheden zoals genoemd in de toelichting bij de Regeling of in beleidsregel SB1251, of andere feiten op grond waarvan een kennelijk onredelijk resultaat zou moeten worden aangenomen, hebben appellanten niet gesteld.
5.15.3.
De beroepsgrond dat de Svb een te hoog bedrag heeft ingehouden van het ouderdomspensioen van appellante slaagt wel om een andere reden. Hierbij is het volgende van belang.
5.15.4.
De Svb hanteert een gewenningsregeling voor gevallen waarin de per 1 januari 2021 geldende wettelijke aflossingscapaciteit als gevolg van de nieuwe vereenvoudigde beslagvrije voet meer dan € 50,- per maand is gestegen, anders dan door een wijziging van het inkomen of leefsituatie. In die gevallen past de Svb een vóór 2020 verleend uitstel van betaling zodanig aan ten gunste van de schuldenaar, dat de verrekening gedurende de eerste 24 maanden op een lager bedrag wordt vastgesteld dan de wettelijke aflossingscapaciteit. Het eerste jaar wordt de verrekening vastgesteld op 50% van de volledige wettelijke aflossingscapaciteit, het tweede jaar op 75% van de volledige wettelijke aflossingscapaciteit en het laatste jaar op de volledige wettelijke aflossingscapaciteit.
5.15.5.
Op vragen van de Raad heeft de Svb geantwoord dat de gewenningsregeling op appellante van toepassing was en dat in het besluit van 4 augustus 2022 ten onrechte geen rekening is gehouden met de gewenningsregeling. Indien de Svb de regeling had toegepast, zou de Svb over de periode van augustus 2022 tot en met juli 2023 50% van de aflossingscapaciteit van appellante hebben verrekend met de vordering. Over de periode van augustus 2023 tot en met juli 2024 zou 75% zijn verrekend en vanaf augustus 2024 zou de volledige aflossingscapaciteit zijn benut.
5.15.6.
Anders dan de Svb heeft gesteld, betekent de op de zitting gemaakte afspraak en de wijze waarop de Svb deze afspraak is nagekomen niet dat er geen consequenties verbonden moeten worden aan het niet (juist) toepassen van de gewenningsregeling. In de situatie van appellante heeft de Svb immers van augustus 2022 tot februari 2023 ten onrechte de volledige aflossingscapaciteit in plaats van 50% van appellante gebruikt ter verrekening van de vordering. In zoverre kan appellanten belang bij herstel van het onjuiste verrekeningsbesluit niet worden ontzegd. Dat wordt niet anders door de omstandigheid dat appellante vanaf augustus 2023 feitelijk minder heeft betaald dan de Svb op basis van de gewenningsregeling mocht verrekenen. Dit aspect zou wellicht een rol kunnen spelen bij het (in redelijkheid) bepalen van de hoogte van de schadevergoeding wegens te veel invorderen. Nu in dit geding niet verzocht is om schadevergoeding behoeft dit geen verdere bespreking.
Conclusie en gevolgen
5.16.
Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, voor zover daarbij het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond is verklaard. Het beroep tegen bestreden besluit 1 zal gegrond worden verklaard en dit besluit zal worden vernietigd, voor zover het de hoogte van de terugvordering betreft. Gelet op 5.9 zal de Raad zelf in de zaak voorzien door het besluit van 12 april 2019 over de terugvordering te herroepen voor zover het de hoogte van de terugvordering betreft en het bedrag van de terugvordering vaststellen op € 25.017,-. Nu appellanten geen belang meer hebben bij een beoordeling van bestreden besluit 2, zal de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren voor zover het ziet op dat besluit. De aangevallen uitspraak wordt voor het overige bevestigd met verbetering van gronden. Dit betekent dat de intrekking wordt gehandhaafd, dat de terugvordering wordt verlaagd en dat bestreden besluit 2 niet wordt beoordeeld.
5.17.
Het beroep tegen het verrekeningsbesluit zal gegrond worden verklaard en dat besluit zal worden vernietigd. De Raad ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat de Svb vanaf augustus 2022 bij de verrekening van de terugvordering de gewenningsregeling toepast zoals weergegeven in 5.15.5. Die toepassing zal betekenen dat vanaf augustus 2022 in sommige maanden feitelijk meer is verrekend dan in overeenstemming is met dit besluit en in sommige maanden feitelijk minder is verrekend dan in overeenstemming is met dit besluit. De vraag of en, zo ja, welke gevolgen hieraan moeten worden verbonden staat – zie onder 5.15.6 – hier niet ter beoordeling.
6. Omdat het hoger beroep slaagt en het beroep tegen het verrekeningsbesluit gegrond wordt verklaard, krijgen appellanten een vergoeding voor hun kosten van verleende rechtsbijstand. Deze kosten worden begroot op € 1.294,- in bezwaar (1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor de hoorzitting, € 647,- per punt), € 1.814,- in beroep (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, € 907,- per punt), € 1.814,- in hoger beroep (1 punt voor het hoger beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, € 907,- per punt) en € 907,- in beroep tegen het verrekeningsbesluit (1 punt voor het beroepschrift). Het verschijnen ter zitting voor het beroep tegen het verrekeningsbesluit levert geen extra punt op, omdat voor het verschijnen ter zitting in hoger beroep al een punt is toegekend. In totaal bedragen de kosten € 5.829,-. Appellanten krijgen ook het door hen in beroep tegen bestreden besluit 1 en hoger beroep betaalde griffierecht terug tot een bedrag van in totaal € 181,-.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
In de zaken 21/1479 PW:
vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 1 november 2019 ongegrond is verklaard;
verklaart het beroep tegen het besluit van 1 november 2019 gegrond en vernietigt dit besluit voor zover het de hoogte van de terugvordering betreft;
herroept het besluit van 12 april 2019 in zoverre, stelt het bedrag van de terugvordering vast op € 25.017,- en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 1 november 2019;
bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
In de zaak 21/1480 PW:
- verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk, voor zover dat betrekking heeft op het besluit van 10 januari 2020;
In de zaak 23/503 PW:
verklaart het beroep tegen het besluit van 4 augustus 2022 gegrond en vernietigt dat besluit;
bepaalt dat de Svb vanaf augustus 2022 de gewenningsregeling toepast en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 4 augustus 2022.
In alle zaken:
veroordeelt de Svb in de kosten van appellanten tot een bedrag van € 5.829,-;
bepaalt dat de Svb aan appellanten het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 181,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en W.F. Claessens en J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 december 2025.
(getekend) O.L.H.W.I. Korte
(getekend) A.H. Hagendoorn-Huls
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 4:93, eerste lid
1. Verrekening van een geldschuld met een bestaande vordering geschiedt slechts voor zover in de bevoegdheid daartoe bij wettelijk voorschrift is voorzien.
[...]
4. De schuldenaar is niet bevoegd tot verrekening voor zover beslag op de vordering van de schuldeiser nietig zou zijn.
[...]
Artikel 4:125, eerste lid
1. Het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de beschikking waarbij de verplichting tot betaling van een geldsom is vastgesteld, heeft mede betrekking op een bijkomende beschikking van hetzelfde bestuursorgaan omtrent verrekening, uitstel van betaling, verlening van een voorschot, vaststelling van de rente of gehele of gedeeltelijke kwijtschelding, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.
Participatiewet
Artikel 17, eerste lid
De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.
Artikel 21 (per 1 juli 2022)
Voor belanghebbenden van 21 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd is de norm per kalendermaand, indien het betreft:
a. een alleenstaande of een alleenstaande ouder zonder kostendelende medebewoners: € 1.101,82;
[...]
Artikel 22 (per 1 juli 2022)
Voor belanghebbenden die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt is de norm per kalendermaand, indien het betreft:
a. een alleenstaande of een alleenstaande ouder zonder kostendelende medebewoners: € 1.225,67;
[...]
Artikel 47a
1. De Sociale verzekeringsbank heeft tot taak het verlenen van algemene bijstand in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening ouderen aan:
[...]
b. gehuwden, van wie beide echtgenoten de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt dan wel van wie één echtgenoot de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt;
hier te lande die in zodanige omstandigheden verkeren of dreigen te geraken dat zij niet over de middelen beschikken om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.
2. De artikelen 1 tot en met 6, hoofdstuk 2, met uitzondering van artikel 18, hoofdstuk 3, de paragrafen 5.1 en 5.2, hoofdstuk 6 en de artikelen 79, 80 en 81 zijn van toepassing op de uitvoering van de taak, bedoeld in het eerste lid, door de Sociale verzekeringsbank, tenzij in deze paragraaf anders is bepaald.
Artikel 54, derde lid, eerste volzin
Het college herziet een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, [...] heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.
Artikel 58, eerste lid
1. Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend vordert de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, [...].
Artikel 60a
[...]
3. Indien degene van wie de kosten van bijstand worden teruggevorderd dan wel die verplicht is tot betaling van een bestuurlijke boete een uitkering ontvangt op grond van de Algemene Ouderdomswet of de Algemene nabestaandenwet betaalt de Sociale verzekeringsbank, zonder dat daarvoor een machtiging nodig is van belanghebbende, het bedrag van de terugvordering of de bestuurlijke boete uit de uitkering op verzoek aan het college dat de kosten van bijstand terugvordert of de bestuurlijke boete heeft opgelegd.
[...]
5. Indien de kosten van bijstand worden teruggevorderd door de Sociale verzekeringsbank is het eerste tot en met het vierde lid van overeenkomstige toepassing.
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
Artikel 475 (vóór 1 januari 2021)
1. De beslagvrije voet bedraagt voor schuldenaren die kunnen worden aangemerkt als:
[...]
c. een alleenstaande en een alleenstaande ouder vanaf het moment dat zij de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, hebben bereikt: negentig procent van de norm genoemd in artikel 22, onderdeel a, van de Participatiewet.
Artikel 475da (per 1 januari 2021)
1. De beslagvrije voet bedraagt ten hoogste:
a. voor een alleenstaande: € 1.872,81;
[...]
2. Met inachtneming van het eerste lid bedraagt de beslagvrije voet:
a. voor een alleenstaande: (95% x A) + (((C – D) / 12) x E) + ((F x C2 + G x C) – J);
[...]
Hierbij staat:
• A voor de norm, genoemd in artikel 21, onderdeel a, van de Participatiewet;
[...]
Regeling tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en terugvordering onverschuldigde betalingen (versie vanaf 1 januari 2017 tot 1 januari 2025)
Artikel 3 Standaard regeling voor uitstel van betaling
1. Het UWV en de SVB stellen de termijn waarvoor uitstel van betaling wordt verleend, alsmede de daaraan verbonden periodieke betalingen of verrekeningen, vast na overleg met de schuldenaar en met inachtneming van dit artikel, tenzij:
a. de vordering een bestuurlijke boete betreft;
b. de onverschuldigde betaling het gevolg is van een gedraging waarvoor aan de schuldenaar een bestuurlijke boete is opgelegd;
c. de onverschuldigde betaling het gevolg is van een gedraging waarvan het UWV of de SVB aangifte heeft gedaan of waarvan proces-verbaal is opgemaakt en ingezonden; of
d. de vordering het gevolg is van het niet nakomen van de inlichtingenverplichting. (…)
2. Het UWV en de SVB verlenen uitstel van betaling voor ten hoogste 36 maanden. De geldschuld wordt gedurende die periode in termijnen ter hoogte van de volledige aflossingscapaciteit betaald of verrekend.
(…)
7. Indien toepassing van dit artikel tot een kennelijk onredelijk resultaat leidt kan het UWV of de SVB van het eerste tot en met zesde lid afwijken.
Artikel 4 Regeling voor uitstel van betaling bij schending inlichtingenplicht
1. Het UWV en de SVB stellen in de uitzonderingsgevallen genoemd in artikel 3, eerste lid, onderdelen a tot en met d, de termijn waarvoor uitstel van betaling wordt verleend, alsmede de daaraan verbonden periodieke betalingen of verrekeningen, vast na overleg met de schuldenaar en met inachtneming van dit artikel.
2. De periodieke betalingen of verrekeningen worden door het UWV en de SVB zodanig vastgesteld dat gebruik wordt gemaakt van de volledige aflossingscapaciteit van de schuldenaar.
(…)
6. Artikel 3, zevende lid, is van overeenkomstige toepassing op dit artikel.
Uitspraken van 26 januari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1, van 8 februari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2 en van 30 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:3.
Uitspraak van 16 januari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:216.
Zie de uitspraken van 13 december 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2745 en ECLI:NL:CRVB:2022:2794.
Vergelijk de uitspraak van 10 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:706 onder 4.7.
Zie de uitspraak van 30 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:3.
Zie de uitspraak van 16 januari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:216.
Vergelijk de uitspraak van 27 februari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:391. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|