|
|
|
| ECLI:NL:RVS:2026:200 | | | | | Datum uitspraak | : | 14-01-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 14-01-2026 | | Instantie | : | Raad van State | | Zaaknummers | : | 202305656/1/R2 | | Rechtsgebied | : | Omgevingsrecht | | Indicatie | : | Bij besluit van 15 juni 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Deurne aan [vergunninghoudster] een omgevingsvergunning verleend voor het opstarten van agrarisch technische nevenactiviteiten en voor de realisatie van een installatie voor het fokken, mesten of houden van 60 vleesrunderen op 60 dierplaatsen aan de [locatie 1] in Liessel. [vergunninghoudster] heeft een gemengd bedrijf met varkens en runderen op de [locatie 2] te Liessel. [vergunninghoudster] wil overstappen naar een bedrijf met alleen rundvee. Daarbij wil [vergunninghoudster] machines en materialen opslaan ten behoeve van loonwerk en grondverzet. [vergunninghoudster] heeft onder meer voor het opstarten van agrarisch technische nevenactiviteiten op de [locatie 1] een omgevingsvergunning aangevraagd. Op de [locatie 1] geldt het bestemmingsplan "Derde herziening bestemmingsplan Buitengebied". Het perceel heeft de bestemming "Agrarisch" met de functieaanduidingen "intensieve veehouderij" en "specifieke vorm van agrarisch - overige veehouderij". | | Trefwoorden | : | agrarisch | | | bestemmingsplan | | | buitengebied | | | gewassen | | | glastuinbouwbedrijf | | | intensieve veehouderij | | | omgevingsvergunning | | | perceel | | | pluimvee | | | pluimveehouderij | | | rundvee | | | varkens | | | varkenshouderij | | | veehouderij | | | wabo | | | | Uitspraak | 202305656/1/R2.
Datum uitspraak: 14 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in Liessel, gemeente Deurne,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 20 juli 2023 in zaak nr. 22/153 in het geding tussen:
[appellante]
en
het college van burgemeester en wethouders van Deurne.
Procesverloop
Bij besluit van 15 juni 2021 heeft het college aan [vergunninghoudster] een omgevingsvergunning verleend voor het opstarten van agrarisch technische nevenactiviteiten en voor de realisatie van een installatie voor het fokken, mesten of houden van 60 vleesrunderen op 60 dierplaatsen aan de [locatie 1] in Liessel.
Bij besluit van 7 december 2021 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 20 juli 2023 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellante] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op zitting behandeld op 24 november 2025, waar [appellante], bijgestaan door mr. S. Haak, advocaat in Utrecht, en het college, vertegenwoordigd door L.M.C. Ulen en mr. A.A.J. van Dalsen, zijn verschenen. Verder is op zitting [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door R. Scholten, rechtsbijstandsverlener in Apeldoorn, als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 25 maart 2020. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Wettelijk kader
2. De relevante planregels zijn opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Inleiding
3. [vergunninghoudster] heeft een gemengd bedrijf met varkens en runderen op de [locatie 2] te Liessel. [vergunninghoudster] wil overstappen naar een bedrijf met alleen rundvee. Daarbij wil [vergunninghoudster] machines en materialen opslaan ten behoeve van loonwerk en grondverzet. [vergunninghoudster] heeft onder meer voor het opstarten van agrarisch technische nevenactiviteiten op de [locatie 1] een omgevingsvergunning aangevraagd. Op de [locatie 1] geldt het bestemmingsplan "Derde herziening bestemmingsplan Buitengebied". Het perceel heeft de bestemming "Agrarisch" met de functieaanduidingen "intensieve veehouderij" en "specifieke vorm van agrarisch - overige veehouderij".
Bij besluit van 15 juni 2021 heeft het college in afwijking van het ter plaatse geldende bestemmingsplan de omgevingsvergunning voor de agrarisch technische nevenactiviteiten aan [vergunninghoudster] verleend. Het college heeft daarbij toepassing gegeven aan artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo in samenhang met artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1˚, van de Wabo en artikel 3.6.3 van de planregels.
[appellante] woont op de [locatie 3]. Zij heeft beroep ingesteld bij de rechtbank tegen de verleende omgevingsvergunning. Volgens [appellante] is niet voldaan aan de voorwaarden in artikel 3.6.3 van de planregels om agrarisch technische nevenactiviteiten toe te staan.
Aangevallen uitspraak
4. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college de omgevingsvergunning heeft mogen verlenen. De rechtbank heeft daarover onder meer overwogen dat vaststaat dat de inrichting aan de [locatie 1] in Liessel een agrarisch bedrijf is en dat de nevenactiviteiten ten behoeve van de opslag van machines en materialen is aangevraagd. Volgens de rechtbank is voldaan aan de in artikel 3.6.3 van de planregels opgenomen voorwaarden voor de binnenplanse afwijking. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht in de weg staat aan vernietiging van de omgevingsvergunning wegens strijd met de Wet natuurbescherming (hierna: de Wnb).
Hoger beroep
Agrarisch bedrijf
5. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de inrichting aan de [locatie 1] in Liessel een agrarisch bedrijf is zoals bedoeld in artikel 1.11, onder c, van de planregels. Dit heeft zij betoogd in het hoger beroepschrift. Het aanvullend stuk van 11 november 2025 betreft in de kern een adstructie van dit onderwerp, zoals ter zitting ook is besproken.
Zij voert aan dat de vergunning is aangevraagd voor de [locatie 1], terwijl dit adres volgens de kadastrale gegevens wordt gebruikt ten behoeve van wonen en geen bedrijf is. De vergunning is niet aangevraagd voor [locatie 4], het perceel waar de drie schuren staan. Daarnaast staat op de [locatie 1] geen bedrijf ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. De uitvoering van een enkele agrarische activiteit op de [locatie 4] maakt volgens [appellante] niet dat sprake is van een agrarisch bedrijf, waardoor er geen agrarisch technische nevenactiviteiten op de [locatie 1] kunnen worden toegestaan op grond van artikel 3.6.3 van de planregels.
5.1. Wat [appellante] in hoger beroep en in het nadere stuk heeft aangevoerd komt inhoudelijk overeen met wat zij in beroep hierover heeft aangevoerd. De rechtbank is onder overweging 4.2 en 4.3 gemotiveerd op deze grond van [appellante] ingegaan. De Afdeling is het eens met dit oordeel en ziet geen aanleiding voor een ander oordeel. Zij voegt daaraan toe dat uit de verbeelding blijkt dat [locatie 1] en [locatie 4] ruimtelijk als één agrarisch perceel gezien moet worden en dat de planregels geen inschrijving in het handelsregister van de Kamer van Koophandel vereisen om te kunnen spreken van een agrarisch bedrijf, zoals bedoeld in artikel 1.11 van de planregels.
Het betoog slaagt niet.
Voorwaarden binnenplanse afwijkingsmogelijkheid
6. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat aan de voorwaarden van de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid van artikel 3.6.3 van de planregels is voldaan. Daarover voert zij aan dat met de verleende vergunning voor agrarisch technische nevenactiviteiten er ofwel sprake zal zijn van statische opslag, ofwel dat er werkzaamheden met de machines en materialen zullen plaatsvinden op het perceel. In het eerste geval zullen er enkel machines en materialen in een reeds bestaande loods worden opgeslagen, maar volgens [appellante] is dat op grond van artikel 3.6.3, aanhef en onder d, van de planregels niet toegestaan. In het andere geval is niet enkel sprake van een gebruikswijziging in een bestaand gebouw, maar vinden er werkzaamheden op het perceel plaats, waardoor er voldaan moet worden aan de landschappelijke kwaliteitseisen in de zin van artikel 3.6.3, aanhef en onder j, van de planregels. Daarnaast zullen de werkzaamheden volgens [appellante] voor overlast zorgen, waardoor de belangen van omwonenden onevenredig worden aangetast in de zin van artikel 3.6.3, aanhef en onder n, van de planregels.
6.1. De Afdeling overweegt dat de agrarisch technische nevenactiviteiten zijn aangevraagd voor loonwerk en grondverzet ten behoeve van de agrarische sector. Hierbij is geen sprake van statische opslag als bedoeld in artikel 1.99 en artikel 3.6.3, aanhef en onder d, van de planregels. De machines en materialen worden niet enkel in een loods opgeslagen, maar worden ingezet voor loonwerk en grondverzet bij derden.
Voor zover [appellante] op de zitting heeft aangevoerd dat de verleende omgevingsvergunning niet toestaat dat er agrarische voertuigen over het perceel naar de openbare weg rijden, overweegt de Afdeling dat deze verplaatsing van agrarische voertuigen inherent is aan de verleende omgevingsvergunning voor de uitoefening van agrarisch technische nevenactiviteiten.
Over de vrees van [appellante] dat er op het perceel ook overlastgevende werkzaamheden verricht zullen worden, overweegt de Afdeling dat de omgevingsvergunning niet gaat over een toestemming voor het verrichten van werkzaamheden op het perceel. Indien er desondanks werkzaamheden worden verricht, is het aan het bestuursorgaan om daartegen handhavend op te treden. Het college heeft zich dan ook op het standpunt mogen stellen dat de nevenactiviteiten op het perceel niet leiden tot onevenredige aantasting van de belangen van omwonenden of omliggende agrarische bedrijven. Het oordeel van de rechtbank hierover is juist.
Tot slot heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat geen landschappelijke inpassing als bedoeld in artikel 3.6.3, aanhef en onder j, van de planregels nodig is. De vergunde activiteit ziet enkel op een gebruikswijziging van een bestaand gebouw, dat reeds landschappelijk is ingepast.
Het betoog slaagt niet.
Natuurtoets
7. [appellante] betoogt dat met de toename van het aantal dieren op de [locatie 1] ook een natuurtoestemming nodig is. Intern salderen met de inrichting op de [locatie 2] is volgens [appellante] niet mogelijk, omdat het niet dezelfde inrichting betreft.
7.1. De rechtbank heeft onder 7.1 geoordeeld dat het relativiteitsvereiste in artikel 8:69a van de Awb aan de vernietiging van de omgevingsvergunning in de weg staat. De woning van [appellante] staat op meer dan 3 km afstand van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Deurnsche Peel & Mariapeel’, waardoor de normen van de Wnb kennelijk niet strekken tot de bescherming van de belangen van [appellante]. [appellante] heeft geen redenen aangevoerd waarom de beoordeling van deze grond in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling is het eens met het oordeel van de rechtbank en ziet geen aanleiding daar anders over te oordelen.
De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
9. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Scheele, griffier.
w.g. Van Ravels
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Scheele
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026
723-1186
Bijlage
Bestemmingsplan ‘Derde herziening bestemmingsplan Buitengebied’
Artikel 1 Begrippen
Artikel 11 agrarisch bedrijf
een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of door middel van het houden van dieren, waarbij onderscheid wordt gemaakt in:
a. een (vollegronds)teeltbedrijf;
b. een glastuinbouwbedrijf;
c. een veehouderij;
d. een overig agrarisch bedrijf.
(…)
c veehouderij
een agrarisch bedrijf gericht op het fokken, mesten en houden van runderen, varkens, schapen, geiten, pluimvee, tamme konijnen en pelsdieren. Hierbij worden de volgende typen onderscheiden:
c1 intensieve veehouderij (iv)
een veehouderij met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in gebouwen plaatsvindt, zoals rundveemesterij, varkenshouderij, vleeskalverhouderij, pluimveehouderij, geitenhouderij, schapenhouderij of pelsdierhouderij, alsmede naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijfsvormen.
(…)
Artikel 99 statische opslag
opslag van goederen die geen regelmatige verplaatsing behoeven, en die tevens niet ter plaatse worden bewerkt, verwerkt , gerepareerd of verhandeld.
Artikel 3 Agrarisch
3.1 Bestemmingsomschrijving
De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. de uitoefening van het agrarisch bedrijf, met dien verstande dat:
(…)
3. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij' een intensieve veehouderij, niet zijnde een geiten- en/of schapenhouderij, een pelsdierhouderij of een overige veehouderij, is toegestaan;
4. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - overige veehouderij' een veehouderij, niet zijnde een intensieve veehouderij, een geiten- en/of schapenhouderij of een pelsdierhouderij, is toegestaan;
(…)
3.5.1 Strijdig gebruik
Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en/of opstallen voor:
a. het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte gebruik;
b. het bedrijfsmatig vervaardigen, opslaan, verwerken of herstellen van goederen en het opslaan en be- of verwerken van producten, tenzij dit plaatsvindt ten behoeve van de agrarische productie binnen het bedrijf dan wel grotendeels (voor minimaal 80%) uitsluitend betrekking heeft op agrarische producten van het eigen bedrijf;
(…)
3.6.3 Buitengebied gebonden activiteiten en niet agrarische activiteiten
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in 3.1 en/of 3.5.1 voor nevenactiviteiten binnen het agrarisch bouwvlak, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:
Gebruik:
a. de volgende nevenactiviteiten zijn toegestaan:
1. agrarisch technische nevenactiviteiten;
2. agrarisch verwante nevenactiviteiten;
3. recreatieve nevenactiviteiten;
4. zorgverlenende nevenactiviteiten;
(…)
d. statische opslag is niet toegestaan;
(…)
Omgevingskwaliteit:
i. de cultuurhistorische waarden mogen niet onevenredig worden aangetast;
j. er dient te worden voldaan aan de volgende landschappelijke kwaliteitseisen:
1. Landschappelijke inpassing:
• Met het initiatief dient een gedegen landschappelijke inpassing plaats te vinden middels erfbeplanting (met voor het landschap kenmerkende soorten);
• de kwaliteitswinst blijkt uit een door de gemeente goedgekeurd erfbeplantingsplan;
• hierbij wordt getoetst aan de gemeentelijke investeringsregeling ruimtelijke kwaliteit zoals weergegeven in bijlage 4 'Beleidskader kwaliteitsverbetering landschap', inclusief later vastgestelde aanvullingen dan wel het kader dat volgend op voornoemd kader wordt vastgesteld, waarbij voornoemd kader is komen te vervallen.
k. de afwijking mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de waarden als omschreven in 3.1;
(…)
Belangenafgweging:
n. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|