Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RVS:2026:364 
 
Datum uitspraak:21-01-2026
Datum gepubliceerd:21-01-2026
Instantie:Raad van State
Zaaknummers:202304611/1/A3
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Bij besluiten van 27 oktober 2021 heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit aan de vissers voor het visseizoen 2021/2022 een vergunning met het zegenrecht, gereduceerd van zeven tot twee zegendagen, verleend. De vissers oefenen op het IJsselmeer beroepsmatig de zegenvisserij op schubvis uit. De zegen is een net waarvan de onderkant is verzwaard en de bovenkant is voorzien van drijvers, met in het midden een verzamelzak. Bij deze vismethode wordt het net uitgevaren, waarna het wordt binnengetrokken en de in het water aanwezige vis wordt ingesloten. Met de zegenbeugel kan de vis uit het net worden verwijderd. Voor de visseizoenen 2021/2022 en 2022/2023 heeft de minister het aantal dagen per zegenrecht teruggebracht van zeven naar twee, omdat het volgens de minister niet goed gaat met het brasembestand op het IJsselmeer. De reductie van het aantal zegendagen is nodig om het brasembestand te beschermen en herstellen met het oog op een duurzame toekomst voor de visserij, aldus de minister. De minister heeft zich voor de reductie gebaseerd op verschillende rapporten van Wageningen Marine Research (hierna: WMR). De vissers zijn het niet eens met de reductie.
Trefwoorden:landbouw
landbouw, natuur en voedselkwaliteit
 
Uitspraak
202304611/1/A3.
Datum uitspraak: 21 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant A], wonend te [woonplaats],
­[appellante B], gevestigd in [plaats],
­[appellante C], gevestigd in [plaats],
­[appellant D], handelend onder de naam [bedrijf], wonend in [woonplaats], (hierna gezamenlijk: de vissers)
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden­Nederland van 1 juni 2023 in zaken nrs. 22/5870, 22/5871, 22/5874, 23/148, 22/2974, 23/859, 23/860, 23/861 in het geding tussen:
de vissers
en
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (nu: minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur).
Procesverloop
Visseizoen 2021/2022
Bij besluiten van 27 oktober 2021 heeft de minister aan de vissers voor het visseizoen 2021/2022 een vergunning met het zegenrecht, gereduceerd van zeven tot twee zegendagen, verleend.
Bij besluiten van 21 april 2022 heeft de minister de door de vissers daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard
Visseizoen 2022/2023
Bij besluiten van 24 juni 2022 heeft de minister aan de vissers een voor het visseizoen 2022/2023 vergunning met het zegenrecht, gereduceerd van zeven tot twee zegendagen, verleend.
Bij besluiten van 11 november 2022 heeft de minister de door de vissers daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Beide visseizoenen
Bij uitspraak van 1 juni 2023 heeft de rechtbank het door de vissers tegen de besluiten van 21 april 2022 en 11 november 2022 en ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben de vissers hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak, samen met zaak 202304593/1/A3, op een zitting behandeld op 1 oktober 2025, waar zijn verschenen: de vissers, vertegenwoordigd door [appellant A], bijgestaan door mr. R. Scholten, rechtsbijstandverlener te Harderwijk, en de minister vertegenwoordigd door mr. M.J.H. van der Burgt, vergezeld door ing. B. Willems, dr. J.J. de Leeuw en J.J.J. Volwater Msc, deskundigen van Wageningen Marine Research.
Overwegingen
Inleiding
1.       De vissers oefenen op het IJsselmeer beroepsmatig de zegenvisserij op schubvis uit. De zegen is een net waarvan de onderkant is verzwaard en de bovenkant is voorzien van drijvers, met in het midden een verzamelzak. Bij deze vismethode wordt het net uitgevaren, waarna het wordt binnengetrokken en de in het water aanwezige vis wordt ingesloten. Met de zegenbeugel kan de vis uit het net worden verwijderd.
2.       Op grond van artikel 29, zesde lid, van de Uitvoeringsregeling visserij kan de minister in de vergunning, bedoeld in artikel 8 van het Reglement voor de binnenvisserij 1985, het aantal dagen waarop het is toegestaan om met de zegen te vissen, bedoeld in het vierde lid, voor dat visseizoen reduceren, voor zover nodig vanuit het oogpunt van visstandbeheer.
3.       Voor de visseizoenen 2021/2022 en 2022/2023 heeft de minister het aantal dagen per zegenrecht teruggebracht van zeven naar twee, omdat het volgens de minister niet goed gaat met het brasembestand op het IJsselmeer. De reductie van het aantal zegendagen is nodig om het brasembestand te beschermen en herstellen met het oog op een duurzame toekomst voor de visserij, aldus de minister. De minister heeft zich voor de reductie gebaseerd op verschillende rapporten van Wageningen Marine Research (hierna: WMR). De vissers zijn het niet eens met de reductie.
Het oordeel van de rechtbank
4.       De rechtbank heeft, voor zover relevant voor dit hoger beroep, geoordeeld dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd hoe hij tot de reductie van het aantal zegendagen van zeven naar twee is gekomen. Daarbij mocht de minister zich baseren op de WMR-rapporten, omdat daarin op inzichtelijke wijze is aangegeven welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies niet onbegrijpelijk zijn. Volgens de rechtbank hebben de vissers geen gelijkwaardig wetenschappelijk onderzoek tegenover de WMR-rapporten gesteld en zijn hun kanttekeningen bij de gehanteerde onderzoeksmethode onvoldoende om de deugdelijkheid van de rapporten in twijfel te trekken. Ook de rapporten en cijfers van latere datum, waarnaar de vissers verwijzen, bieden geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van de rapporten waarop de minister zich heeft gebaseerd. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat niet is gebleken van dermate ernstige gevolgen van de besluiten dat de vissers door de reductiemaatregel onevenredig zwaar worden getroffen in hun belang. De minister hoefde dan ook niet in te stemmen met het alternatieve visplan dat de vissers hebben voorgesteld, aldus de rechtbank.
Hoger beroep
5.       De vissers hebben hun hogerberoepsgronden zeer uitvoerig uiteengezet. Hoewel uit de artikelen 8:69 en 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) niet volgt dat de Afdeling in haar uitspraak op alle aangevoerde argumenten afzonderlijk moet ingaan, heeft zij deze wel allemaal bij haar beoordeling betrokken. Ook als niet alle aangevoerde argumenten afzonderlijk met zoveel woorden in deze uitspraak zijn genoemd.
6.       De vissers betogen allereerst dat de reductiemaatregel in strijd is met het Actieplan toekomstbestendig visserijbeheer IJsselmeergebied van 8 maart 2019 (hierna: Actieplan). De reductiemaatregel die nu is gekozen, gaat veel verder dan de doelen die met het Actieplan worden nagestreefd. Waarom nu toch is gekozen voor een dergelijke vergaande maatregel is onvoldoende onderbouwd, aldus de vissers.
7.       Verder betogen de vissers dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister zich voor de reductiemaatregel heeft mogen baseren op de WMR-rapporten. De vissers voeren daartoe aan dat de genomen reductiemaatregelen zijn genomen op basis van vage normen en niet onderbouwde uitgangspunten. In de rapporten is onvoldoende onderbouwd waarom 2027 is gekozen als richtjaar om de beheersdoelstelling te behalen. Ook is onduidelijk hoe de begrippen ‘veilige biologische grenzen’ en ‘kritische grenswaarden’ worden ingevuld. Verder betwisten de vissers het standpunt van de minister dat het brasembestand hersteld moet worden. Ter onderbouwing wijzen de vissers op hun aanlandingscijfers van de periode 2015 tot en met 2020. Uit deze cijfers volgt dat de gemiddelde vangst per zegendag alleen maar toeneemt. In de WMR-rapporten wordt dan ook te weinig waarde gehecht aan de aanlandingscijfers. Daarnaast zijn de onderzoeksmethoden die in de rapporten zijn gebruikt, volgens de vissers niet geschikt om brasem te vangen. De uitkomst van deze surveys geeft daarom een vertekend beeld van de brasemstand. Tot slot, stellen de vissers zich op het standpunt dat de WMR-rapporten waarop de minister zich baseert, worden tegengesproken door latere WMR-rapporten. De minister heeft dan ook niet zonder nader onderzoek te doen, mogen varen op de eerdere WMR-rapporten, aldus de vissers.
8.       Tot slot betogen de vissers dat de reductiemaatregel disproportioneel is en dat de gevolgen ervan voor hen onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen. Zij voeren daartoe aan dat de maatregel verder gaat dan strikt noodzakelijk. Ook heeft de minister niet goed gemotiveerd waarom hij niet heeft ingestemd met het door de vissers voorgestelde alternatief van een reductie naar vijf dagen in plaats van naar twee dagen. Tot slot voeren de vissers aan dat, nu wordt ingegrepen op het eigendom van de vissers, de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat er een ‘fair balance’ bestaat tussen het belang gediend met de reductiemaatregel en de nadelige gevolgen daarvan.
Beoordeling
Samenvatting van het oordeel van de Afdeling
9.       De Afdeling geeft de vissers geen gelijk. Dit betekent dat de minister het aantal zegendagen heeft mogen reduceren van zeven naar twee. De Afdeling van oordeel dat de reductiemaatregel niet in strijd is met het Actieplan, dat de minister zich heeft mogen baseren op de WMR-rapporten en dat de reductiemaatregel niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). De Afdeling overweegt daartoe als volgt.
A.       Is de reductiemaatregel in strijd met het Actieplan?
10.     De Afdeling is van oordeel dat geen sprake is van strijd met het Actieplan. Het Actieplan is een document met een aanzet tot beleid om tot een toekomstbestendig visserijbeheer van het IJsselmeergebied te komen. In dit document zijn geen concrete maatregelen aangekondigd. Wel is in het Actieplan te lezen dat eerder een lagere reductiedoelstelling is nagestreefd. Dit betekent evenwel niet dat de minister geen aanvullende maatregelen mag nemen. Als de minister daartoe wil overgaan, moet hij deugdelijk motiveren waarom hij dit nodig acht. De vraag of de minister daaraan heeft voldaan, zal de Afdeling hierna beantwoorden.
Het betoog slaagt niet.
B.       Is de reductiemaatregel deugdelijk gemotiveerd?
11.     De Afdeling ziet zich onder meer voor de vraag gesteld of de minister zich heeft mogen baseren op de WMR-rapporten. Omdat in de WMR-rapporten als uitgangspunt is genomen dat de beheersdoelstellingen in 2027 gehaald moeten worden, zal de Afdeling eerst beoordelen of de minister deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij dit jaar als richtjaar heeft gekozen.
-         2027 als richtjaar
12.     In het besluit van 21 april 2022 is te lezen dat de beleidsdoelstelling sinds visseizoen 2017/2018 is zoals geformuleerd in het document ‘Toekomstbeeld visstand IJsselmeer/Markermeer -synthesedocument’, bijlage bij de brief van minister aan het college van Gedeputeerde Staten van Fryslân van 23 januari 2017. De aanleiding voor dit document is dat de minister in 2014 is begonnen met sturen op de visstand en dat destijds is afgesproken dat een toekomstbeeld voor de visstandontwikkeling op het IJsselmeer zou worden opgesteld, waarbij is uitgegaan van een periode van ongeveer 15 jaar. In het document is het toekomstbeeld geschetst op basis van verplichtingen die volgen uit de Visserijwet en de Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (Kaderrichtlijn water; hierna: KRW). Daarbij is gekeken of aansluiting kon worden gezocht bij de planning en de sturingssystematiek, zoals die binnen de KRW wordt gehanteerd. De KRW werkt met planperiodes van steeds 6 jaar, die op dat moment liepen tot 2027. De minister is daarbij uitgegaan van de periode van ongeveer 15 jaar voor een bestendige transitie in de visstandontwikkeling, en van het begin in 2014 omdat hij toen is begonnen met sturen op de visstand. Daarom heeft de minister als uitgangspunt genomen dat in 2027 de belangrijkste beoogde veranderingen in de visstand zichtbaar moeten zijn. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de minister dit mogen doen. In de KRW zijn, met het oog op andere beleidsterreinen, waaronder het visserijbeleid, kwaliteitsdoelstellingen en ambities voor de waterkwaliteit geformuleerd. De waterkwaliteit heeft immers invloed op de visstand. Aansluiten bij planperiodes van de KRW is daarom niet onredelijk. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen.
Het betoog slaagt in zoverre niet.
-         Mocht de minister zich baseren op de WMR-rapporten?
12.1.  De minister mag op het advies van een deskundige, zoals WMR, afgaan, nadat hij is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Awb voor de wettelijke adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs. Als een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag de minister niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt de minister de adviseur een reactie op wat de wederpartij over het advies heeft aangevoerd. De Afdeling beoordeelt voorgaande aan de hand van de argumenten die de vissers hebben aangevoerd.
12.2.  De minister heeft zich hoofdzakelijk gebaseerd op twee rapporten van WMR. Het eerste relevante rapport is het ‘Bestandsoverzicht van snoekbaars, baars, blankvoorn en brasem en de evaluatie van potentiële oogstregels voor snoekbaars en baars in het IJssel-/Markermeer 2020’ van april 2020 (hierna: WMR-rapport C041/20). In dit rapport wordt geconcludeerd dat het brasembestand er slecht aan toe is. Het tweede relevante rapport is ‘De evaluatie van potentiële oogstregels voor brasem en blankvoorn’ van juli 2020 (hierna: WMR-rapport C070/20). In dit rapport wordt geadviseerd over welke maatregelen genomen moeten worden om het brasembestand te laten herstellen.
12.3.  In WMR-rapport C041/20 is beschreven op basis van welke beschikbare gegevens de onderzoekers tot de conclusie zijn gekomen dat het slecht gaat met het brasembestand. Volgens het rapport zijn er twee categorieën gegevens, te weten visserij-onafhankelijke bemonstering (hierna: surveys) en visserij-afhankelijke bemonstering, waaronder de aanlandingsgegevens afkomstig van PO IJsselmeer en de logboeken van de vissers. Er wordt hoofdzakelijk gewerkt met gegevens die verzameld zijn met de surveys. Daarvoor wordt als reden gegeven dat met deze eenduidige bemonsteringsmethodiek goed naar veranderingen in een bestand over de jaren heen gekeken kan worden. Het bestand wordt op verschillende manieren geëvalueerd: veranderingen in bestandsgrootte en veranderingen in de lengte- en leeftijdsopbouw van het bestand worden gevolgd. De gegevens uit de surveys worden vertaald naar de zogenoemde ‘survey-index’. De survey-index heeft betrekking op het vangstsucces in de survey (kilogram per beviste hectare). Deze index wordt gebruikt om een inschatting te maken van de ontwikkelingen in de bestandsgrootte. Verder volgt uit het rapport dat de index voor het deel van het brasembestand dat zich kan voortplanten door de tijdreeks heen sterk en consistent afneemt. Tijdens de zitting van de Afdeling hebben de deskundigen toegelicht dat hoewel de vissers terecht aanvoeren dat de in deze surveys gebruikte methode van bemonstering minder geschikt is om grote brasem te vangen, wel ieder jaar dezelfde methode wordt gebruikt, zodat de beperkingen die de methode meebrengt niets afdoen aan de zichtbare negatieve trends in de index.
In WMR-rapport C070/20 is beschreven hoe de beschikbare gegevens, van WMR-rapport C041/20, in een computermodel gezet worden, een zogenaamd Management Strategy Evaluation model (hierna: MSE-model). Hiermee wordt een inschatting gemaakt van wat de gevolgen van potentiële oogstregels zijn op een geschat brasembestand van het IJsselmeer. Op basis van de monitorings- en vangstgegevens van het IJsselmeer en biologische kennis, wordt daarmee zo nauwkeurig mogelijk het bestand daarvan nagebootst. Hoewel MSE-modellen in de regel sterk leunen op aanlandingsstatistieken, worden deze gegevens in dit geval nauwelijks meegenomen. De onderzoekers hebben daarvoor als reden gegeven dat voor brasem, met name in het eerste deel van de onderzochte periode, weinig betrouwbare aanlandingsgegevens, afkomstig van de visserij, beschikbaar zijn. Ook is vrijwel niets bekend over het aandeel van de vangst dat overboord wordt gegooid. Met dit gebrek aan goede vangstgegevens moet het MSE-model rekening houden, aldus de onderzoekers. Verder is in WRM-rapport C070/20 te lezen dat het visbestand beheerd moet worden volgens het voorzorgsprincipe. Beheer vanuit het voorzorgsprincipe houdt in dat in 95% van de projecties het bestand in de toekomst boven een kritieke grens, ‘Blim’ genaamd, moet blijven. Blim wordt beschouwd als de hoeveelheid paaibiomassa, waar het bestand met grote kans boven moet blijven, om het bestand in stand te kunnen houden, aldus het WRM-rapport. Uit het MSE-model volgt dat de toestand van het gesimuleerde brasembestand zodanig slecht is, dat zelfs zonder enige visserij tussen 2020 en 2027 het bestand in 2027 zich niet binnen veilige biologische grenzen zal bevinden. WMR adviseert daarom dat in het geheel geen visserij toegestaan zou moeten worden tussen 2020 en 2027. Elk ander beheerbesluit leidt tot een te grote kans op een biomassa-omvang die te laag is om te voldoen aan het voorzorgsprincipe, aldus de onderzoekers.
12.4.  De Afdeling is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de WMR-rapporten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. De Afdeling acht daarbij van belang dat in de resultaten uit de surveys een duidelijke negatieve trend voor de hoeveelheid gevangen brasem zichtbaar is. Hiermee kan binnen wetenschappelijk aanvaardbare grenzen een inschatting worden gemaakt van het brasembestand, omdat deze meetmethode al gedurende een lange periode - ten tijde van de WMR-rapporten al meer dan 25 jaar - jaarlijks op dezelfde wijze wordt toegepast. Ook zijn terecht op basis van een modelmatige inschatting van het brasembestand de gevolgen van potentiële oogstregels in kaart gebracht. MSE-modellen zijn daarvoor immers de internationaal erkende standaard, zoals ook de vissers op de zitting hebben erkend. Volgens de onderzoekers is daarbij in dit geval minder waarde gehecht aan de aanlandingscijfers van de vissers, omdat deze voor te korte tijdsperiode beschikbaar zijn. De Afdeling acht deze redenering begrijpelijk. Verder is, anders dan de vissers betogen, van vage normen geen sprake. Tijdens de zitting van de Afdeling hebben de onderzoekers desgevraagd bevestigd dat de betekenis van ‘veilige biologische grenzen’ en ‘kritische grenswaarden’ gelijk is aan ‘Blim’, te weten een biomassa-omvang die nodig is om het bestand in stand te houden. Tot slot zijn de WMR-rapporten ‘Migratiestudie brasem in het IJsselmeergebied in 2020’, C086/20 van oktober 2020, en ‘Hypotheses voor afname van de visstand in het IJsselmeer’, C051/20a van september 2020, waarnaar de vissers verwijzen, niet tegenstrijdig aan de rapporten waarop de minister de reductiemaatregel heeft gebaseerd. Deze rapporten bevestigen weliswaar dat weinig bekend is over de brasemstand, maar gaan wel uit van de eerdere conclusies over de slechte stand van het brasembestand. De Afdeling is dan ook van oordeel dat de vissers er niet in zijn geslaagd om concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren te brengen. De minister heeft zich daarom, zonder nadere motivering, mogen baseren op de rapporten. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen.
Het betoog slaagt niet.
C.       Evenredigheid
13.     Bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel geldt de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak (uitspraak van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285). Uit deze uitspraak volgt dat de bestuursrechter van geval tot geval, in het verlengde van de tegen het besluit aangevoerde beroepsgronden, zal moeten bepalen of en zo ja op welke wijze de geschiktheid, de noodzakelijkheid en de evenwichtigheid van de maatregel (uitdrukkelijk) bij de toetsing moeten worden betrokken. De argumenten van de vissers gaan over de noodzakelijkheid en evenwichtigheid van de reductie. De Afdeling zal zich daarom hiertoe beperken.
-         Noodzakelijkheid
14.     Onder 12.4 is al geconcludeerd dat de minister op basis van de rapporten zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het niet goed gaat met de brasemstand. Vanwege die slechte brasemstand is in WMR-rapport C070/20 geadviseerd om brasem helemaal niet te laten bevissen. De minister heeft het daarom noodzakelijk mogen achten om het aantal zegendagen te reduceren. De minister heeft toegelicht dat hij is afgeweken van het advies van WMR om helemaal geen zegendagen toe te kennen, omdat hij aan de financiële belangen van de vissers tegemoet wilde komen. Het alternatief van de vissers om het aantal zegendagen te reduceren naar vijf dagen in plaats van twee dagen, staat nog verder af van het advies dan wat de minister al ten gunste van de vissers heeft besloten. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de minister alleen al daarom zonder nader onderzoek of nadere motivering het voorstel terzijde mocht schuiven.
Het betoog slaagt in zoverre niet.
-         Evenwichtigheid
15.     De minister heeft een uitdrukkelijke belangenafweging gemaakt. De minister is namelijk met oog op de financiële belangen van de vissers, ten gunste daarvan afgeweken van het advies van WMR om helemaal niet te laten vissen op brasem. De vissers hebben het standpunt dat hun bedrijven failliet zullen gaan als gevolg van de reductie niet onderbouwd. Bovendien is tijdens de zitting van de Afdeling naar voren gekomen dat de minister een saneringsregeling voor de vissers heeft opengesteld, waarvan geen van de vissers gebruik heeft gemaakt. De Afdeling volgt de vissers dan ook niet in hun betoog dat de minister te weinig gewicht heeft toegekend aan hun financiële belangen. De Afdeling ziet ook geen aanknopingspunten om te oordelen dat anderszins sprake is van dermate ernstige gevolgen dat de vissers door de reductiemaatregel onevenredig wordt getroffen in hun belangen.
Het betoog slaagt ook in zoverre niet.
-         Fair balance
16.     Voor zover de vissers betogen dat geen sprake is van een ‘fair balance’ tussen het belang gediend met de reductiemaatregel en de nadelige gevolgen hiervan, overweegt de Afdeling als volgt. De Afdeling begrijpt dit betoog als een beroep op artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM doen.
16.1.  Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 13 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:416), is een reductie van het aantal dagen zegenrecht een inmenging in het door artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM gewaarborgde recht op het ongestoord genot van dat eigendom. Het gaat daarbij echter niet om ontneming van eigendom maar om regulering van eigendom als bedoeld in de derde volzin van die bepaling.
Zoals het EHRM meermalen heeft overwogen, onder meer in de punten 59 en 62 van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) van 7 juli 1989, Tre Traktörer Aktiebolag tegen Zweden, nr. 10873/84 (ECLI:CE:ECHR:1989:0707JUD001087384), dient een inmenging in het eigendomsrecht proportioneel te zijn, dat wil zeggen dat er een ‘fair balance’ dient te bestaan tussen de eisen van het algemene belang en de bescherming van de fundamentele rechten van het individu. De last die op de betrokkene wordt gelegd, dient te worden afgewogen tegen het algemene belang en mag niet onevenredig zwaar zijn.
Zoals hiervoor overwogen, heeft de minister de reductie noodzakelijk voor het visbestand in het IJsselmeer mogen achten en zijn de gevolgen daarvan niet onevenwichtig voor de vissers. De Afdeling is daarom van oordeel dat er een ‘fair balance’ bestaat tussen het belang gediend met de reductiemaatregel en de nadelige gevolgen hiervan voor de vissers. Hierbij betrekt de Afdeling dat een goed visbestand mede in het belang is van de vissers. Artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM is dus niet geschonden.
Het betoog slaagt niet.
Slotsom
17.     Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
18.     De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, voorzitter, en mr. H.G. Sevenster en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.G.L. Soetens, griffier.
w.g. De Moor-van Vugt
voorzitter
w.g. Soetens
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2026
1072
Link naar deze uitspraak