Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RVS:2026:263 
 
Datum uitspraak:16-01-2026
Datum gepubliceerd:21-01-2026
Instantie:Raad van State
Zaaknummers:202506076/2/R4 202506125/2/R4 en 202506
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Bij besluit van 28 november 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Baarle-Nassau aan [partij A] en [partij B] een last onder dwangsom opgelegd om herhaling van verweten overtredingen te voorkomen. Het college heeft aan de lasten onder dwangsom ten grondslag gelegd dat [partij A], [partij C] en [partij D] als plegers of functioneel plegers kunnen worden aangemerkt van verschillende bepalingen in de Omgevingswet, de Wet milieubeheer en het Besluit activiteiten leefomgeving, omdat met drugsafval vervuilde mest op hun akkers in Baarle-Nassau is aangetroffen. Bij de bestreden besluiten heeft het college die lasten herroepen, omdat het college niet aannemelijk acht dat [partij A], [partij C] en [partij D] als overtreders kunnen worden aangemerkt. [verzoeker] is in zijn hoedanigheid als jurist bij de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant betrokken geweest bij de totstandkoming van de in het procesverloop vermelde besluiten. [verzoeker] woont in Amsterdam. Het college, [partij A], [partij D] en [partij C] stellen zich op het standpunt dat [verzoeker] geen belanghebbende is bij de door hem bestreden besluiten, omdat een rechtstreeks belang ontbreekt.
Trefwoorden:varkens
wet milieubeheer
 
Uitspraak
202506076/2/R4, 202506125/2/R4 en 202506132/2/R4.
Datum uitspraak: 16 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) in de gedingen tussen:
[verzoeker], wonend in [woonplaats],
verzoeker,
en
het college van burgemeester en wethouders van Baarle-Nassau,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 28 november 2024 heeft het college aan [partij A] en [partij B] (hierna samen en in enkelvoud: [partij A]) een last onder dwangsom opgelegd om herhaling van verweten overtredingen te voorkomen.
Bij besluit van 28 november 2024 heeft het college aan [partij C] een last onder dwangsom opgelegd om herhaling van verweten overtredingen te voorkomen.
Bij besluiten van 29 november 2024 en 2 december 2024 heeft het college aan [partij D] en anderen (hierna samen en in enkelvoud: [partij D]) lasten onder dwangsom opgelegd om herhaling van verweten overtredingen te voorkomen.
Bij besluit van 26 juni 2025 heeft het college het door [partij A] gemaakte bezwaar tegen het aan haar gerichte besluit van 28 november 2024 gegrond verklaard en dat besluit van 28 november 2024 herroepen.
Bij besluit van 15 juli 2025 heeft het college het door [partij C] en [partij E] (hierna samen en in enkelvoud: [partij C]) gemaakte bezwaar tegen het aan [partij C] gerichte besluit van 28 november 2024 gegrond verklaard en dat besluit van 28 november 2024 herroepen.
Bij besluit van 16 juli 2025 heeft het college het door [partij D] gemaakte bezwaar tegen de aan haar gerichte besluiten van 29 november 2024 en 2 december 2024 gegrond verklaard en die besluiten van 29 november 2024 en 2 december 2024 herroepen.
Tegen elk van de besluiten van 26 juni 2025, 15 juli 2025 en 16 juli 2025 (hierna: de bestreden besluiten) heeft [verzoeker] beroep ingesteld.
[verzoeker] heeft de voorzieningenrechter verzocht voorlopige voorzieningen te treffen.
[partij A], [partij D] en [partij C] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
[verzoeker] heeft nadere stukken ingediend.
De voorzieningenrechter heeft de verzoeken op een zitting behandeld van 12 januari 2026, waar [verzoeker] en het college, vertegenwoordigd door mr. F.S. Helder, advocaat in Nijmegen, L. van Gerwen en J. Goedhart, zijn verschenen. Ook zijn op de zitting [partij A], bijgestaan door mr. J.H.D. Elings, advocaat in Tilburg, en [partij D] en [partij C], vertegenwoordigd door mr. Elings, op de zitting gehoord.
Overwegingen
1.       Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedures.
2.       Het college heeft aan de lasten onder dwangsom ten grondslag gelegd dat [partij A], [partij C] en [partij D] als plegers of functioneel plegers kunnen worden aangemerkt van verschillende bepalingen in de Omgevingswet, de Wet milieubeheer en het Besluit activiteiten leefomgeving, omdat met drugsafval vervuilde mest op hun akkers in Baarle-Nassau is aangetroffen. De lasten houden in dat [partij A], [partij C] en [partij D] een dwangsom verbeuren als zij één van die bepalingen opnieuw overtreden. Bij de bestreden besluiten heeft het college die lasten herroepen, omdat het college niet aannemelijk acht dat [partij A], [partij C] en [partij D] als overtreders kunnen worden aangemerkt. [verzoeker] is in zijn hoedanigheid als jurist bij de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant betrokken geweest bij de totstandkoming van de in het procesverloop vermelde besluiten. [verzoeker] woont in Amsterdam.
3.       Het college, [partij A], [partij D] en [partij C] stellen zich op het standpunt dat [verzoeker] geen belanghebbende is bij de door hem bestreden besluiten, omdat een rechtstreeks belang ontbreekt.
4.       [verzoeker] stelt dat hij belanghebbende is bij de besteden besluiten. [verzoeker] voert aan dat bekend is dat hij als jurist betrokken is geweest bij alle in het procesverkoop vermelde besluiten. Volgens [verzoeker] raken de bestreden besluiten, waarmee hij het oneens is, hem in zijn positie als professional, zijn integriteit en zijn veiligheid. Over zijn veiligheid voert [verzoeker] aan dat hij is bedreigd en geïntimideerd als gevolg van zijn betrokkenheid bij deze handhavingszaken. Verder voert [verzoeker] aan dat hij in bewijsnood verkeert, omdat hij nog niet over alle stukken beschikt die volgens hem tot de procesdossiers behoren. Volgens [verzoeker] kan niet worden uitgesloten dat uit de ontbrekende stukken kan worden afgeleid dat hij als belanghebbende dient te worden aangemerkt. Ten slotte beroept [verzoeker] zich op het algemene belang van de bescherming van het milieu en op een verruimde toegang tot de nationale rechter in milieuaangelegenheden op grond van artikel 9, tweede lid, van het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden. [verzoeker] verwijst hierbij naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 januari 2021, Stichting Varkens in Nood, ECLI:EU:C:2021:7, waarin het Hof uitleg heeft gegeven aan die verdragsbepaling.
5.       Op de laatste werkdag voorafgaande aan de zitting heeft [verzoeker] ruim 1.100 pagina’s aan producties overgelegd. Gelet op de omvang van deze producties en de dag waarop ze zijn overgelegd, zal de voorzieningenrechter deze producties wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing laten. Dat laat onverlet dat [verzoeker] op de zitting de gelegenheid heeft gekregen om zijn belang bij de bestreden besluiten toe te lichten.
6.       In artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. In artikel 8:1 van de Awb is bepaald dat een belanghebbende tegen een besluit beroep kan instellen bij de bestuursrechter. Alleen wie een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit, is belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.
7.       De voorzieningenrechter is van oordeel dat in wat [verzoeker] heeft aangevoerd en op de zitting nader heeft toegelicht geen grond is gelegen voor het oordeel dat hij een rechtstreeks belang heeft bij de bestreden besluiten. Voor zover de procesdossiers onvolledig zijn, valt niet in te zien dat uit ontbrekende stukken een belang van [verzoeker] zou kunnen blijken waarvan hij zelf nog niet op de hoogte is. In zoverre verkeert [verzoeker] niet in bewijsnood. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat [verzoeker] geen belanghebbende is bij de bestreden besluiten als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en derhalve in de bodemzaken geen toegang heeft tot de rechter, gezien artikel 8:1 van de Awb.
Eerder heeft de Afdeling - tegen de achtergrond van voormeld arrest van 14 januari 2021 - overwogen dat degene die bij een besluit geen belanghebbende is, maar wel een zienswijze heeft ingediend tegen het ontwerpbesluit op basis van de in het nationale omgevingsrecht gegeven mogelijkheid daartoe, in beroep tegen dat besluit kan opkomen. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:953, onder 4.3 tot en met 4.8. Deze verruimde toegang tot de rechter is niet van toepassing op besluiten die niet met de openbare uniforme voorbereidingsprocedure zijn voorbereid, maar op bezwaar zijn genomen, zoals de bestreden besluiten.
8.       Gelet op wat hiervoor onder 7 is overwogen, verwacht de voorzieningenrechter dat de door [verzoeker] ingestelde beroepen in de bodemprocedures niet-ontvankelijk zullen worden verklaard. Alleen al daarom wijst de voorzieningenrechter de verzoeken af.
9.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst de verzoeken af.
Aldus vastgesteld door mr. N.H. van den Biggelaar, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. W.J.C. Robben, griffier.
w.g. Van den Biggelaar
voorzieningenrechter
w.g. Robben
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2026
610
Link naar deze uitspraak