|
|
|
| ECLI:NL:RBDHA:2025:26984 | | | | | Datum uitspraak | : | 18-12-2025 | | Datum gepubliceerd | : | 30-01-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Den Haag | | Zaaknummers | : | 24/9240 en 24/9243 | | Rechtsgebied | : | Omgevingsrecht | | Indicatie | : | Deze uitspraak gaat over de verlening van een omgevingsvergunning voor de aanleg van een wandelpad en een kavelpad. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning op juiste gronden heeft verleend. | | Trefwoorden | : | agrarisch | | | bestemmingsplan | | | hoogheemraadschap | | | koeien | | | omgevingsvergunning | | | perceel | | | stikstofdepositie | | | wabo | | | | Uitspraak | RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/9240 en 24/9243
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 december 2025 in de zaak tussen
[eiser], uit [plaats 2], eiser 1
(gemachtigde: mr. E. van Brandwijk)
[eisers], uit [plaats 2], eisers 2
(tezamen: eisers)
en
het college van burgemeester en wethouders van Krimpenerwaard
(gemachtigde: mr. J. van Vulpen).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel: het college van gedeputeerde staten van
Zuid-Holland (vergunninghouder)
(gemachtigde: [naam 1]).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de verlening van een omgevingsvergunning voor – voor zover hier van belang – de aanleg van een wandelpad en een kavelpad. Eisers zijn het niet eens met het bestreden besluit. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verlening van de omgevingsvergunning.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning op juiste gronden heeft verleend. Dat betekent dat de beroepen ongegrond zijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het besluit dat is bekendgemaakt op 16 oktober 2024 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor de aanleg van een kavelpad en een wandelpad op de locatie [plaats 1] B 2572, [plaats 2] B 3577, B 4370, B 4368 en B 4367. Het kavelpad en het wandelpad zijn voorzien achter (de tuinen bij) de woningen van eisers.
2.1.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het college heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 3 november 2025 op zitting behandeld. Ter zitting zijn verschenen: eiser 1, bijgestaan door zijn gemachtigde, eisers 2, de gemachtigde van het college samen met [naam 2] en namens de vergunninghouder [naam 3], bijgestaan door de gemachtigde.
Beoordeling door de rechtbank
Overgangsrecht Omgevingswet
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
De aanvraag voor een omgevingsvergunning is ingediend op 27 september 2023, zodat in dit geval de Wabo van toepassing blijft.
Achtergrond en totstandkoming van het bestreden besluit
4. Eisers wonen in [plaats 2]. Achter hun woningen bevindt zich een van oudsher agrarisch gebied. Vergunninghouder, de gemeente Krimpenerwaard en het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard hebben eind 2014 de ‘Gebiedsovereenkomst Krimpenerwaard’ gesloten. Hierin en in de hierop gebaseerde uitvoeringsovereenkomst zijn onder meer afspraken vastgelegd over de aanleg en het beheer van het Natuurnetwerk Nederland in dit gebied. Met het bestemmingsplan “[bestemmingsplan]”, dat is vastgesteld op 4 juli 2021, heeft het gebied de enkelbestemming “Natuur” gekregen. Met de omliggende agrariërs zijn destijds afspraken gemaakt over het toekomstige landgebruik, omdat zij hun achterliggende agrarische percelen voortaan nog slechts via natuurpercelen zullen kunnen bereiken.
4.1.
Op 27 september 2023 is een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend voor het realiseren van een wandelpad en een kavelpad in het gebied. Het wandelpad is een graspad, terwijl het kavelpad uit betonnen platen bestaat. Deze aanvraag betreft – voor zover hier van belang – de activiteiten ‘het uitvoeren van werkzaamheden in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan is bepaald’ en ‘handelen in strijd met het bestemmingsplan’.
4.2.
Het college heeft de aangevraagde omgevingsvergunning met het bestreden besluit verleend en dat besluit op 16 oktober 2024 bekendgemaakt. Volgens het college levert het realiseren en gebruiken van het wandelpad geen strijd op met het bestemmingsplan. Voor het aanleggen van dit wandelpad is wel een toestemming vereist voor het uitvoeren van werkzaamheden, omdat dit in het bestemmingsplan is voorgeschreven. Die toestemming is volgens het college ook benodigd voor het aanleggen van het kavelpad. Voor het kavelpad moet bovendien worden afgeweken van het bestemmingsplan, omdat het agrarisch (mede)gebruik van dit pad in strijd is met de bestemming “Natuur”.
Toetsingskader
5. Op grond van artikel 2.1, eerste lid van de Wabo, voor zover hier van belang, is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
a. (…),
b. het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in
gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan
of voorbereidingsbesluit is bepaald,
c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet.
5.1.
Op grond van artikel 2.11, eerste lid, van de Wabo wordt de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b, waaromtrent regels zijn gesteld in het bestemmingsplan, geweigerd indien het werk of de werkzaamheid daarmee in strijd is of in strijd is met de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening.
5.2.
Op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo kan een omgevingsvergunning waarmee wordt afgeweken van het bestemmingsplan slechts worden verleend indien het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
1. met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking,
2. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of
3. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.
5.3.
Op grond van het bestemmingsplan rust op de betrokken gronden – voor zover hier van belang – de enkelbestemming “Natuur”, de dubbelbestemming “Waarde-Archeologie 7” en de gebiedsaanduiding “milieuzone – stiltegebied”.
5.4.
Op grond van artikel 6.1, aanhef en onder e en f, van het bestemmingsplan zijn de voor “Natuur” aangewezen gronden behalve voor de in het artikel nader omschreven natuurwaarden mede bestemd voor extensief recreatief medegebruik en voor bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals wandel- en fietspaden.
5.5.
Op grond van artikel 6.6.1, aanhef en onder f, van het bestemmingsplan is het verboden om op de voor “Natuur” aangewezen gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning wegen, wandel- en fietspaden of andere oppervlakteverhardingen groter dan 10 m2 aan te leggen.
5.6.
Op grond van artikel 6.6.3 kan een vergunning als bedoeld in artikel 6.6.1 slechts worden verleend indien door de uitvoering van het werk of de werkzaamheid dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de in artikel 6.1 genoemde landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden, tenzij hieraan door het stellen van voorwaarden voldoende tegemoet kan worden gekomen.
Het wandelpad
6. Eisers voeren aan dat het gebruik van het wandelpad zal zorgen voor een aantasting van hun privacy en veiligheid. Zij wijzen erop dat dit pad op relatief beperkte afstand van hun percelen loopt en zij vrezen een afname van de rust achter hun woningen. Dit zal negatieve gevolgen hebben voor hun woon- en leefklimaat. Ook maakt de aanwezigheid van het wandelpad hun woningen kwetsbaarder voor inbraken, aldus eisers. Eisers voeren verder aan dat nut en noodzaak van het wandelpad ontbreken. Zij achten het wandelpad in strijd met een goede ruimtelijke ordening.
7. Het college stelt zich op het standpunt dat de omgevingsvergunning voor het wandelpad niet kon worden geweigerd, omdat voldaan wordt aan de eisen die het bestemmingsplan aan vergunningverlening stelt.
7.1.
De rechtbank is met het college van oordeel dat voor de realisatie en het gebruik van het wandelpad geen afwijking van het bestemmingsplan is vereist. Uit artikel 6.1, aanhef en onder e en f, van het bestemmingsplan volgt dat extensief recreatief medegebruik van de betrokken gronden is toegestaan en dat hier onder meer wandelpaden aanwezig mogen zijn. Het college heeft mogen aannemen dat het voorziene gebruik van het wandelpad onder extensief recreatief medegebruik valt en dus op grond van het bestemmingsplan is toegestaan.
Dat betekent dat voor het wandelpad uitsluitend een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werkzaamheden is vereist, zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo. Deze omgevingsvergunning moet worden verleend als wordt voldaan aan de hiertoe in het bestemmingsplan opgenomen regels. Als aan die regels wordt voldaan, is er geen ruimte voor een nadere belangenafweging. Die regels staan in dit geval in artikel 6.6.3 van het bestemmingsplan en houden – kort gezegd – in, dat het wandelpad geen afbreuk mag doen aan de landschappelijke, cultuurhistorische en natuurlijke waarden van het gebied. Wat eisers met betrekking tot het wandelpad hebben aangevoerd, geeft geen grond voor het oordeel dat hieraan niet wordt voldaan. Dat betekent dat het college de omgevingsvergunning voor het wandelpad niet mocht weigeren. Wat eisers naar voren hebben gebracht over nut en noodzaak van het wandelpad en over de gevreesde aantasting van hun woon- en leefklimaat, is door het college terecht niet in zijn beoordeling betrokken, nu artikel 6.6.3 van het bestemmingsplan hier geen ruimte voor biedt.
Het betoog van eisers slaagt niet.
Het kavelpad
8. Eisers 2 hebben geen gronden aangevoerd die betrekking hebben op de aanleg van het kavelpad. Eiser 1 heeft dat wel gedaan. Hij acht de aanleg van het kavelpad in strijd met een goede ruimtelijke ordening. De rechtbank zal hierna ingaan op hetgeen eiser 1 ter zake heeft aangevoerd.
9. Niet in geschil is dat de realisatie en het gebruik van het kavelpad in strijd zijn met het bestemmingsplan. Het college heeft daarom op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo toestemming verleend om ten behoeve van het kavelpad af te wijken van het bestemmingsplan. De effecten van het kavelpad zijn onderzocht en beschreven in een ruimtelijke onderbouwing, die deel uitmaakt van het bestreden besluit.
10. De rechtbank overweegt dat het college bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toekomt en de betrokken belangen moet afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of de verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
11. Eiser 1 heeft aangevoerd dat de aanleg en het gebruik van het kavelpad onaanvaardbare gevolgen zullen hebben voor de natuur, en dat het project daarom niet uitvoerbaar is. Volgens eiser 1 gaat door de aanleg en het gebruik van het kavelpad een deel van het gebied dat is bestemd als natuur- en stiltegebied verloren. Bovendien zijn de gevolgen van het kavelpad voor beschermde soorten volgens eiser 1 onvoldoende in kaart gebracht en zijn de stikstofeffecten van de aanleg van het pad niet op de juiste wijze onderzocht.
12. Het college heeft toegelicht dat sprake is van een voormalig agrarisch gebied en dat pas recentelijk een natuurbestemming aan de betrokken gronden is toegekend. Volgens het college is op dit moment nog geen sprake van natuur die zodanig beschermingswaardig is dat de omgevingsvergunning niet verleend kon worden. Het college heeft verder in het bestreden besluit toegelicht dat een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) zal worden aangevraagd voor het overtreden van verbodsbepalingen uit die wet voor beschermde soorten en dat de omgevingsvergunning pas gebruikt mag worden nadat deze ontheffing is verleend. In het verweerschrift heeft het college toegelicht dat de ontheffing inmiddels is verkregen.
12.1.
In wat eiser 1 heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de omgevingsvergunning voor het kavelpad niet verleend had mogen worden omdat op voorhand vaststond dat het natuurbelang aan de uitvoerbaarheid van het project in de weg stond. Het college heeft in dit verband – onder verwijzing naar de ruimtelijke onderbouwing bij het bestreden besluit – van belang mogen achten dat het kavelpad binnen de gronden met een natuurbestemming een relatief beperkt oppervlak heeft en dat de gronden tot voor kort een agrarische bestemming hadden, waardoor in het gebied nog geen sprake is van natuur die zodanig beschermingswaardig is dat de omgevingsvergunning daarom geweigerd had moeten worden. Verder staat vast dat het college ten behoeve van de werkzaamheden een ontheffing van de verbodsbepalingen uit de Wnb ten aanzien van beschermde soorten heeft verkregen en dat die ontheffing inmiddels onherroepelijk is. Daarnaast is in de ruimtelijke onderbouwing uiteengezet dat gewerkt zal worden onder ecologische begeleiding en conform een ecologisch werkprotocol.
De beroepsgronden van eiser 1 die betrekking hebben op de stikstofdepositie als gevolg van de realisatie van het kavelpad, stuiten af op het relativiteitsvereiste uit artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit vereiste houdt in dat de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. Eiser 1 beroept zich in dit geval op de bepalingen uit de Wnb met betrekking tot gebiedsbescherming. Die bepalingen strekken tot bescherming van de natuurwaarden in Natura 2000-gebieden, niet tot bescherming van het belang van eiser 1 bij behoud van een goed woon- en leefklimaat. Een natuurlijk persoon kan zich slechts op deze bepalingen uit de Wnb beroepen als – kort gezegd – sprake is van een voldoende verwevenheid van zijn belang bij het behoud van een goede kwaliteit van zijn woon- en leefomgeving met de belangen die de Wnb beoogt te beschermen. Nu niet in geschil is dat het meest nabije Natura 2000-gebied “[gebied]” op meerdere kilometers afstand ligt van de woning van eiser 1, doet die situatie zich hier niet voor.
Gelet op het voorgaande heeft het college zich op het standpunt mogen stellen dat het natuurbelang niet aan de realisatie van het kavelpad in de weg staat.
13. Eiser 1 voert verder aan dat het gebruik van het kavelpad zal leiden tot een onaanvaardbare aantasting van zijn woon- en leefklimaat door een toename van verkeer, geluid en trilling.
13.1.
Dit betoog slaagt niet. Niet in geschil is dat naar verwachting twee keer per dag, gedurende 120 dagen per jaar, met een quad gebruik gemaakt zal worden van het kavelpad om de koeien te begeleiden van en naar de achtergelegen agrarische percelen. Daarnaast zal sprake zijn van gebruik voor agrarisch onderhoud en het uitrollen van mestslangen. In de ruimtelijke onderbouwing bij het bestreden besluit is toegelicht dat geen sprake is van een verkeerstoename, omdat ook in de huidige situatie sprake is van geluid door landbouwvoertuigen. De rechtbank ziet geen aanleiding om het standpunt van verweerder dat het hier gaat om gebiedseigen geluid, onjuist te achten. Gelet ook op de aanzienlijke afstand tussen het kavelpad en het perceel van eiser 1, heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het gebruik van het kavelpad niet zal leiden tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat van eiser 1.
14. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de aanleg en het gebruik van het kavelpad geen strijd met een goede ruimtelijke ordening opleveren.
Alternatieven
15. De rechtbank volgt eisers niet in hun betoog dat de omgevingsvergunning voor het kavel- en wandelpad geweigerd had moeten worden omdat nut en noodzaak hiervan niet zijn aangetoond en er voor dit project ook alternatieven beschikbaar waren. Het college is gehouden te beslissen op de aanvraag om een omgevingsvergunning zoals die is ingediend, inclusief de locatie waarop een project is voorzien. Dat betekent onder meer dat, als een project op zichzelf aanvaardbaar is, het bestaan van alternatieven alleen dan tot weigering van de omgevingsvergunning kan leiden, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden behaald met aanmerkelijk minder bezwaren. Niet gebleken is dat daarvan in dit geval sprake is. Eisers hebben weliswaar meerdere suggesties gedaan met betrekking tot de locatie van het kavel- en wandelpad, maar het college heeft voldoende inzichtelijk gemaakt dat het kavelpad noodzakelijk is voor het natuurontwikkelingsproject waarvan het deel uitmaakt en dat verplaatsing van het kavel- en wandelpad naar het noorden zou leiden tot meer ecologische verstoring.
Participatie
16. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat het college het bestreden besluit op de juiste wijze met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb heeft voorbereid. Eisers hebben daarmee de wettelijk voorgeschreven mogelijkheden tot inspraak gehad. De rechtbank begrijpt uit het betoog van eisers dat zij graag eerder en intensiever betrokken hadden willen worden in de besluitvorming. Dit is echter geen vereiste op grond van afdeling 3.4 van de Awb. Dat eisers door het college onjuist of onvolledig over het project zijn geïnformeerd, is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk geworden.
Conclusie en gevolgen
17. De rechtbank zal de beroepen ongegrond verklaren. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen en dat het bestreden besluit in stand blijft.
18. Voor een vergoeding van de proceskosten bestaat geen aanleiding. Eisers krijgen ook het betaalde griffierecht niet terug.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, rechter, in aanwezigheid van mr. I. Ince, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 18 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo.
Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:340. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|