|
|
|
| ECLI:NL:CRVB:2026:87 | | | | | Datum uitspraak | : | 21-01-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 30-01-2026 | | Instantie | : | Centrale Raad van Beroep | | Zaaknummers | : | 23/2649 WAJONG | | Rechtsgebied | : | Socialezekerheidsrecht | | Indicatie | : | Weigering Wajong-uitkering toe te kennen. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Terecht geoordeeld dat appellante arbeidsvermogen heeft, beschikt over basale werknemersvaardigheden en ten minste vier uur per dag belastbaar is. | | Trefwoorden | : | paarden | | | stallen | | | uitkering | | | | Uitspraak | 23/2649 WAJONG
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 11 augustus 2023, 22/2547 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 21 januari 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellante een uitkering op grond van de Wajong toe te kennen. Volgens appellante beschikte zij duurzaam niet over arbeidsvermogen en had zij om die reden als jonggehandicapte moeten worden aangemerkt. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht heeft geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.W. van de Wege, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 18 september 2024. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van de Wege en haar moeder. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
De Raad heeft het onderzoek heropend.
Het Uwv heeft bij rapport van 21 januari 2025 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep vragen van de Raad beantwoord en de Werkwijzer Vaststellen Begeleidingsnoodzaak (hierna: Werkwijzer) overgelegd. Appellante heeft een indicatiebesluit van 22 juni 2021 op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) en aan dit besluit ten grondslag liggende medische stukken overgelegd.
Partijen hebben over en weer gereageerd op de hiervoor genoemde stukken. Het Uwv heeft een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 21 augustus 2025 overgelegd.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante is geboren op [geboortedatum] 1998. Zij heeft met een door het Uwv op 28 mei 2021 ontvangen formulier een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Daarbij is vermeld dat zij autisme spectrum stoornis (ASS), een verstandelijke beperking en agorafobie heeft. Bij de aanvraag is informatie gevoegd van GZ-psycholoog [X]. Het Uwv heeft een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht en daaruit geconcludeerd dat appellante arbeidsvermogen heeft. Met een besluit van 13 december 2021 heeft het Uwv geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen.
1.2.
Bij besluit van 4 oktober 2022 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
2.1.
De rechtbank heeft overwogen dat de grond van appellante dat zij niet in staat is om vier uur per dag te werken, niet slaagt. Blijkens de rapporten van de verzekeringsartsen heeft appellante op meerdere vlakken beperkingen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft afdoende gemotiveerd dat zij wel in staat is om vier uur per dag te werken, zo lang zij maar niet overvraagd wordt. Uit het dossier is niet gebleken van een stoornis die gelet op de standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid kan leiden tot een stoornis in de energiehuishouding. Appellante heeft zelf geen medische informatie verstrekt waaruit blijkt dat zij te weinig energie heeft om vier uur per dag te werken. Wel is er door de ASS sprake van een groter energieverbruik in moeilijke sociale situaties. Door passende arbeidsomstandigheden kunnen deze evenwel zo veel mogelijk worden voorkomen. Indien er toch lastige situaties zijn, dan geeft vier uur per dag voldoende recuperatietijd.
2.2.
De rechtbank heeft vooropgesteld dat de noodzaak van voortdurend toezicht en intensieve begeleiding, al dan niet in een beschutte werkomgeving, volgens vaste rechtspraak niet in de weg staat aan het aannemen van arbeidsvermogen. Dit geldt ook voor het onderdeel basale werknemersvaardigheden. De grond van appellante dat zij zelfstandig – dus zonder aansturing – (bijvoorbeeld) afspraken met een werkgever moet kunnen nakomen om te kunnen spreken van basale werknemersvaardigheden, slaagt niet.
2.2.1.
De arbeidsdeskundige heeft in het rapport van 10 december 2021 opgemerkt dat appellante met begeleiding in staat wordt geacht om een instructie van een werkgever te kunnen begrijpen, onthouden en uitvoeren. Zij leert het best in de praktijk door zien, doen, nadoen en herhaling. Het aanleren van nieuwe vaardigheden kost haar meer tijd. Met begeleiding is zij ook in staat om afspraken met een werkgever na te komen. Begeleiding moet plaatsvinden om vluchtgedrag te voorkomen, bijvoorbeeld als zij iets te moeilijk vindt of ergens tegenop ziet. Dit moet dan middels gesprekken worden gerelativeerd. Ook dient gewaakt te worden voor overvraging en overschatting en is bevestiging nodig. De begeleidingsnoodzaak kan arbeidskundig beschouwd redelijkerwijs binnen een arbeidsorganisatie worden geboden, immers hieronder valt ook een beschutte arbeidsorganisatie. Daarnaast heeft appellante met het behalen van haar vmbo-b en mbo-3 diploma aangetoond (eventueel ook met begeleiding/aanpassingen) afspraken na te kunnen komen en instructies te begrijpen, onthouden en uitvoeren.
2.2.2.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 28 september 2022 overwogen dat appellante in principe over voldoende werknemersvaardigheden beschikt. Medisch gezien is zij in staat opdrachten te begrijpen en op te volgen en afspraken na te komen. Ze is in staat zelfstandig op afspraken op tijd te komen, mogelijk wel na tijdige aansturing thuis om te vertrekken, zoals zij ook op tijd met de auto aankwam bij de diverse psychologische onderzoeken en op haar werk, voorheen ook op school. Zij is in staat passende opdrachten uit te voeren, zoals ze ook gemotiveerd de opdrachten in testonderzoeken heeft uitgevoerd en in staat is geweest de opdrachten tijdens rijlessen uit te voeren. Opdrachten moeten niet complex zijn.
2.2.3.
De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in het rapport van 3 oktober 2022 in aanvulling op de arbeidsdeskundige overwogen dat appellante in de praktijk (onder andere op de Distelhoeve) heeft laten zien in staat te zijn om afspraken na te komen. Zij gaf tijdens de hoorzitting aan dat zij, als zij een keer door ziekte niet kon werken, zelf een berichtje naar haar bazin stuurde om zich af te melden.
2.2.4.
De rechtbank heeft het standpunt van het Uwv gevolgd dat appellante op de datum in geding beschikte over basale werknemersvaardigheden. Dit blijkt met name uit haar werkzaamheden bij de Distelhoeve. Zij werkte daar tot in het voorjaar van 2021. De Distelhoeve ontving loonkostensubsidie. Op de Distelhoeve worden paarden van particulieren verzorgd. Op de hoorzitting heeft appellante verklaard dat zij zelfstandig naar De Distelhoeve ging en dat zij daar altijd op tijd aanwezig was. Zij had daar vaste taken, namelijk het schoonmaken van stallen. Als zij een keer door ziekte niet kon komen, dan stuurde zij een bericht naar haar bazin. Haar werk werd gecontroleerd en als er iets niet goed gedaan was, werd zij daarop gewezen en deed zij dat alsnog. Uit deze gang van zaken heeft de rechtbank geoordeeld dat appellante instructies van haar werkgever begreep en uitvoerde en dat zij afspraken met haar werkgever kon nakomen.
2.2.5.
Appellante heeft naar voren gebracht dat de Distelhoeve naast de woning van haar ouders is gelegen en dat de eigenaren van de Distelhoeve bevriend zijn met haar ouders. Dit laat naar het oordeel van de rechtbank echter onverlet dat sprake was van een dienstbetrekking tussen appellante en de Distelhoeve en dat appellante voor het verrichten van de werkzaamheden basale werknemersvaardigheden nodig had. Op de zitting van de rechtbank heeft appellante verklaard dat zij last had van de druk die zij tijdens haar werkzaamheden op de Distelhoeve ervoer. De rechtbank neemt dit zonder meer aan, maar dit neemt niet weg dat appellante er wel in slaagde om deze werkzaamheden uit te voeren. Op de zitting van de rechtbank hebben de begeleidster en haar moeder verklaard dat appellante bij ziekte weliswaar zelf een bericht naar haar bazin stuurde, maar dat zij daarbij wel werd begeleid. Ook moest appellante ‘s ochtends uit bed worden gehaald om op tijd op de Distelhoeve te zijn. Ook dit neemt niet weg dat appellante over basale werknemersvaardigheden beschikt, mits zij daarbij maar passende begeleiding ontvangt.
2.2.6.
Verder heeft het Uwv naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden meegewogen dat appellante schooldiploma’s en een rijbewijs heeft gehaald. Dat zij ook hierbij de nodige begeleiding heeft ontvangen, heeft daaraan niet afgedaan.
2.3.
De rechtbank heeft geconcludeerd dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante arbeidsvermogen heeft. Het betoog van appellante dat zij geen benutbare mogelijkheden heeft, slaagt niet.
Het standpunt van appellante
3.1.
Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante is van mening dat zij meer psychisch beperkt is en dat zij niet vier uur per dag belastbaar is. Appellante heeft aangevoerd dat zij zonder ondersteuning en volledige aansturing van haar moeder geen eenvoudige en routinematige taken in een werksituatie kan uitvoeren en dat er een intensieve begeleidingsnoodzaak voor haar is. Appellante wijst erop dat zij in aanmerking komt voor het Wlz-zorgprofiel “Wonen met begeleiding en intensieve verzorging”. Ter ondersteuning van dit standpunt heeft appellante het Wlz-indicatiebesluit van 22 juni 2021 met de onderliggende medische stukken (Wlz-dossier) overgelegd.
3.2.
Appellante is voorts van mening dat zij niet over basale werknemersvaardigheden beschikt. Zij is niet in staat om zelfstandig, zonder aansturing van haar omgeving, afspraken met de werkgever na te komen, instructies goed uit te voeren en op tijd op het werk te komen en zij is ook niet in staat om dit aan te leren. Appellante heeft aangevoerd dat het Uwv de Werkwijzer moet gebruiken bij de beoordeling van de Wajong.
Het standpunt van het Uwv
3.3.
Het Uwv heeft, onder verwijzing naar de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 21 januari 2025 en van 21 augustus 2025, verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de Wajong-uitkering in stand heeft gelaten. Dat doet de Raad aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.1.
Een betrokkene heeft recht op een Wajong-uitkering als hij jonggehandicapte is in de zin van artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong. Daarvan is sprake als een betrokkene geen arbeidsvermogen heeft. Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit) heeft een betrokkene geen arbeidsvermogen als hij (a) geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie, (b) niet over basale werknemersvaardigheden beschikt, (c) niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur, of (d) niet ten minste vier uur per dag belastbaar is. Het Uwv moet dus beoordelen of een betrokkene voldoet aan (ten minste) een van deze vier genoemde voorwaarden. De beoordeling van het arbeidsvermogen is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
4.2.
In geschil is of het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante arbeidsvermogen heeft. Het geschil spitst zich daarbij toe op de vraag of appellante over basale werknemersvaardigheden beschikt en of zij ten minste vier uur per dag belastbaar is.
4.3.
De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. Appellante heeft in hoger beroep geen nieuwe medische informatie overgelegd. De rechtbank heeft de gronden volledig en voldoende gemotiveerd besproken. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die tot dat oordeel hebben geleid. De Raad voegt daar het volgende aan toe.
4.4.1.
Appellante stelt dat zij vanwege een verslechtering van haar medische situatie na haar achttiende verjaardag niet vier uur per dag belastbaar is, en zeker niet vanaf de ziekmelding bij haar werkgever per 20 maart 2021. Deze grond slaagt niet. Appellante werkte tot maart 2021 ongeveer 30 uur per week bij de Distelhoeve. Er is geen informatie van behandelaars of andere medische informatie waaruit een medische verslechtering blijkt.
4.4.2.
De grond van appellante dat zij niet beschikt over basale werknemersvaardigheden omdat zij zonder ondersteuning en volledige aansturing geen eenvoudige en routinematige taken in een werksituatie kan uitvoeren en dat er een intensieve begeleidingsnoodzaak voor appellante is, slaagt niet.
4.4.3.
Het is duidelijk dat appellante veel en langdurig begeleiding nodig heeft en ook het Uwv is daarvan uitgegaan. Over de intensiteit van de begeleiding hebben de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep aangegeven dat appellante begeleiding nodig heeft die is gericht op het ontwikkelen van vaardigheden, het aanleren van taken en het starten van taken. Ook is begeleiding nodig bij verandering van taken en begeleiding bij onverwachte veranderingen. Begeleiding dient eveneens gericht te zijn op bevestiging van wat goed gaat, om in te springen bij communicatie- en andere problemen op de werkplek. Daartoe is aanwezigheid van een leidinggevende in de buurt van de werkplek van appellante noodzakelijk. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft beschreven dat er sprake is van een langdurige begeleidingsnoodzaak. Over de duur van de begeleiding is door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep beschreven dat appellante meer tijd nodig heeft voor het aanleren van nieuwe vaardigheden en taken. Appellante heeft wat betreft begeleiding behoefte aan zien, doen, nadoen en herhaling. De arbeidsdeskundige benoemt dat als appellante zich een eenvoudige, routinematige taak eigen heeft gemaakt, dat zij deze zelf kan blijven herhalen (zonder begeleiding). Er is bij veranderingen en nieuwe situaties sprake van een terugkerende begeleidingsnoodzaak tot op het moment dat de taak bekend is, voldoende herhaald is en appellante zich de taak eigen heeft gemaakt.
4.4.4.
Deze mate van begeleiding maakt echter niet dat geen sprake is van basale werknemersvaardigheden. De noodzaak van voortdurend toezicht en intensieve begeleiding, bijvoorbeeld in beschut werk, staat niet in de weg aan het ontbreken van arbeidsvermogen. Het Uwv heeft daarbij terecht in aanmerking mogen nemen dat appellante, kennelijk met begeleiding, in staat is geweest een vmbo en mbo-3 diploma en haar rijbewijs te halen. De grond dat zij door haar licht verstandelijke beperking, agorafobie en een ASS niet in staat is om zelfstandig of met begeleiding instructies te begrijpen en uit te voeren en geen afspraken kan nakomen, slaagt niet.
4.4.5.
De grond van appellante dat de Werkwijzer van belang is voor de beoordeling van arbeidsvermogen als bedoeld in de Wajong, slaagt niet. Het Uwv heeft gemotiveerd toegelicht dat de Werkwijzer inzichten bevat op hoofdlijnen, die niet zijn toegespitst op een individuele beoordeling. In de Werkwijzer worden verschillende vormen van begeleiding beschreven, zowel qua aard, duur en intensiteit. Begeleiding kan immers een oplossing bieden voor participatieproblemen in de activiteiten door beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek. De Werkwijzer is niet bedoeld om vast te stellen of een betrokkene al dan niet aan de criteria voldoet van artikel la, van het Schattingsbesluit, ofwel de criteria voor de beoordeling van arbeidsvermogen. Het Uwv heeft toegelicht dat die beoordeling plaatsvindt op basis van het Compendium Participatiewet. Indien is vastgesteld dat iemand arbeidsvermogen heeft, kan vervolgens aan de hand van de Werkwijzer worden beoordeeld welke vorm van begeleiding geboden is. Overigens heeft appellante ook niet aannemelijk gemaakt of onderbouwd dat toepassing van de Werkwijzer zou leiden tot de conclusie dat haar begeleidingsbehoefte zo groot is, dat zij niet over arbeidsvermogen beschikt.
4.4.6.
De grond van appellante dat het Wlz-indicatiebesluit en het Wlz-dossier nieuwe medische gegevens bevatten, slaagt niet. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 21 augustus 2025 overwogen dat het Wlz-indicatiebesluit en het Wlz-dossier geen aanleiding geven om tot een andersluidend medisch oordeel over het arbeidsvermogen van appellante te komen. In het Wlz-dossier wordt voor de medische problematiek verwezen naar het psychologisch onderzoek van Amarant uit 2021. Het Uwv had dit rapport al betrokken in de beoordeling van het arbeidsvermogen. Het Wlz-dossier gaat uit van dezelfde diagnoses als waarop het Uwv de beoordeling van het arbeidsvermogen heeft gebaseerd en bevat geen nieuwe medische informatie die bij het Uwv nog niet bekend was, aldus de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De bevindingen uit het Wlz-dossier bevestigen dat appellante intensief toezicht en veel begeleiding nodig heeft. Het Uwv is daar ook van uitgegaan en heeft, zoals hiervoor is overwogen, kunnen aannemen dat dit intensief toezicht en deze mate van begeleiding niet in de weg staan aan arbeidsvermogen.
4.4.7.
Omdat de benodigde twijfel over het medisch oordeel van het Uwv ontbreekt, is er geen aanleiding om een onafhankelijke deskundige in te schakelen.
4.5.
Uit 4.1 tot en met 4.4.7 volgt dat de rechtbank het Uwv terecht heeft gevolgd in zijn standpunt dat appellante beschikte over arbeidsvermogen en om die reden niet als jonggehandicapte is aan te merken.
Verzoek om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn
5. Appellante heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
5.1.
In een procedure als deze mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar duren, de behandeling van het beroep bij de rechtbank ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling bij de Raad ten hoogste twee jaar. Doorgaans zal er geen sprake zijn van een overschrijding van de redelijke termijn, als de fase van bezwaar, beroep en hoger beroep gezamenlijk niet langer dan vier jaar heeft geduurd. Er is geen aanleiding om in dit geval van deze termijn af te wijken. In beginsel, en ook in dit geval, is een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn is overschreden.
5.2.
Het bezwaarschrift tegen het besluit van 13 december 2021 is op 24 januari 2022 door het Uwv ontvangen. De Raad doet uitspraak op 21 januari 2026. Dit betekent dat de behandeling van de zaak in totaal niet langer dan vier jaar heeft geduurd en er geen schending van de redelijke termijn heeft plaatsgevonden. Het verzoek om schadevergoeding wordt dan ook afgewezen.
Conclusie en gevolgen
6. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering van de Wajong-uitkering in stand blijft.
7. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door W.R. van der Velde, in tegenwoordigheid van H.A. Baars als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2026.
(getekend) W.R. van der Velde
De griffier is verhinderd te ondertekenen.
Versie 2.0 d.d. 11 juli 2016.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 29 september 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2085.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 14 juli 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1461. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|