Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBNHO:2025:15771 
 
Datum uitspraak:10-12-2025
Datum gepubliceerd:03-02-2026
Instantie:Rechtbank Noord-Holland
Zaaknummers:C/15/364678 HA ZA 25-262
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Partijen hebben een geschil over de ligging van de erfgrens tussen beide percelen. De vraag die partijen verdeeld houdt is of gedaagden door verjaring de eigendom van een strook grond heeft verkregen. Het beroep van gedaagden op verjaring faalt. De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van inbezitneming door (de rechtsvoorganger van) gedaagden.
Trefwoorden:burgerlijk wetboek
paarden
perceel
wettelijke rente
 
Uitspraak
RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht

Zittingsplaats Alkmaar

Zaaknummer: C/15/364678 / HA ZA 25-262


Vonnis van 10 december 2025


in de zaak van


GTP VASTGOEDONTWIKKELING B.V.,
te Zuidschermer,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: GTP,
advocaat: mrs. F.M. Wagener en M. Hosepyan,

tegen




1 [gedaagde sub 1] ,
te [woonplaats] ,2. [gedaagde sub 2],
te [woonplaats] ,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
advocaat: mr. E.J. Woud.


De zaak in het kort

Partijen hebben een geschil over de ligging van de erfgrens tussen beide percelen. De vraag die partijen verdeeld houdt is of [gedaagden] door verjaring de eigendom van een strook grond heeft verkregen. Het beroep van [gedaagden] op verjaring faalt. De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van inbezitneming door (de rechtsvoorganger van) [gedaagden]




1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 15 april 2025 met producties 1 tot en met 16,
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie van 11 juni 2025 met producties 1 tot en met 15,
- de conclusie van antwoord in reconventie van 23 juli 2025 met productie 17,
- het tussenvonnis van 30 juli 2025,
- de nagezonden productie 16 van [gedaagden] ,- de op 6 oktober 2025 gehouden mondelinge behandeling. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht,
- het proces-verbaal van descente van 6 oktober 2025.



1.2.
Na afloop van de mondelinge behandeling hebben partijen verzocht om een aanhouding van de beslissing, omdat zij wilden proberen deze zaak alsnog via minnelijke schikking op te lossen. Dat is kennelijk niet gelukt, want [gedaagden] heeft op 29 oktober 2025 om vonnis gevraagd. De datum van het vonnis is vervolgens bepaald op vandaag.





2Feiten


2.1.
GTP is sinds 7 augustus 2017 eigenaar van het perceel, kadastraal bekend als gemeente Niedorp [kadastraalnummer 4] . Het perceel is gesplitst in zes percelen. Vijf van de zes percelen zijn inmiddels verkocht en geleverd aan derden. Het perceel [kadastraalnummer 3] is nog in eigendom van GTP (hierna: het perceel van GTP). De rechtsvoorgangers van GTP zijn:


vanaf 1 augustus 1972: Beheersmaatschappij [de B.V.] (bestuurder: de heer [bestuurder] ) / vanaf 5 januari 1993 genaamd: Icorde B.V.,


vanaf 6 september 2001: de heer [naam 1] .





2.2.

[gedaagden] is sinds 1 juni 2023 eigenaar van het naastgelegen perceel, kadastraal bekend als gemeente Niedorp, [kadastraalnummer 1] (hierna: het perceel van [gedaagden] ). De rechtsvoorgangers van [gedaagden] zijn:


vanaf 11 december 1974: Beheersmaatschappij [de B.V.] ,


vanaf 27 april 1977: de heer [bestuurder] (in privé),


vanaf 2 augustus 2017: de heer [naam 2] en mevrouw [naam 3] .





2.3.
De ligging van de percelen blijkt uit de volgende kadastrale tekening:









2.4.
De eerste kadastrale meting heeft in augustus 1978 plaatsgevonden.



2.5.
Vervolgens heeft de rechtsvoorganger van GTP in 1994 het kadaster de opdracht gegeven om een grensreconstructie uit te voeren. Uit de bevindingen van de landmeter volgt dat zich op het perceel van GTP (in 1994 kadastraal bekend als gemeente Niedorp, [kadastraalnummer 2] ) vóór de kadastrale erfgrens een hekwerk bevond. Het gedeelte tussen het hekwerk en de kadastrale erfgrens wordt hierna aangeduid als de strook grond:


Afbeelding verwijderd in verband met pseudonimisering



























2.6.
Het hekwerk is in het verleden geplaatst als omheining om te voorkomen dat de paarden in de bosschage zouden komen en naar het perceel van (de rechtsvoorgangers van) [gedaagden] zouden kunnen komen.



2.7.
Tijdens de aankoop van haar perceel werd GTP door de verkoper medegedeeld dat het aanwezige hekwerk niet de erfgrens is. Ook [gedaagden] werd door de verkoper van zijn perceel erop gewezen dat het hekwerk afwijkt van de kadastrale grens en dat het hekwerk zich op het perceel van GTP bevindt.



2.8.
In de leveringsakte van [gedaagden] staat onder het kopje “NADERE BEPALING”, voor zover hier van belang, het volgende vermeld: “(…) Koper is bekend dat de huidige terreinafscheiding afwijkt van de kadastrale eigendomsgrens. Het hekwerk naast de schuur loopt schuin naar de weg af en staat op grond van de buren.”.



2.9.
Op 8 februari 2024 heeft GTP aan het kadaster opdracht gegeven om een grensreconstructie uit te voeren. Onderstaand het relaas van bevindingen:


Afbeelding verwijderd in verband met pseudonimisering




2.10.
Op of omstreeks 13 maart 2024 heeft GTP het hekwerk verwijderd.



2.11.
Bij brief van 15 maart 2024 heeft [gedaagden] aan GTP medegedeeld dat laatstgenoemde een inbreuk maakt op het eigendomsrecht van [gedaagden] door het hekwerk te verwijderen. In de brief heeft [gedaagden] GTP in gebreke en aansprakelijk gesteld voor de als gevolg van de verwijdering van het hekwerk ontstane schade. Ook heeft [gedaagden] GTP gesommeerd om tot herplaatsing van het hekwerk over te gaan.



2.12.
Vervolgens heeft er op 27 maart 2024 een bespreking tussen partijen met hun advocaten plaatsgevonden. Nadien heeft er nog diverse correspondentie tussen partijen plaatsgevonden maar zijn zij niet tot een vergelijk gekomen.



2.13.

[gedaagden] heeft vervolgens zelf een nieuw hekwerk op dezelfde plek als het oude hekwerk teruggeplaatst.





3Het geschil


in conventie



3.1.
GTP vordert – samengevat – dat de rechtbank voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht verklaart dat de kadastrale grens tussen de percelen van partijen, kadastraal bekend als gemeente Niedorp, [kadastraalnummer 3] en kadastraal bekend als gemeente Niedorp, [kadastraalnummer 1] , tevens de juridische erfgrens is tussen de hiervoor genoemde percelen, zoals dit tijdens de meest recente grensreconstructie in 2024 door het Kadaster is vastgesteld en zoals aangeduid in het relaas van bevindingen, overgelegd als productie 6;
II. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt het door hen recentelijk in 2024 geplaatste hekwerk te verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van een dwangsom;
III. [gedaagden] hoofdelijk gebiedt het perceel van GTP niet zonder diens toestemming te betreden, op straffe van een dwangsom;
IV. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 925,- ter zake van buitengerechtelijk kosten;
V. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt in de kosten van deze procedure, waaronder begrepen de nakosten vermeerderd met de wettelijke rente.



3.2.
GTP legt aan haar vordering het volgende ten grondslag. GTP is eigenaar van de strook grond. GTP heeft op haar perceel een hek. Ook [gedaagden] wist dat GTP eigenaar van de strook grond is, gezien de in de akte van levering van 1 juni 2023 opgenomen bepaling over de plaats van het hek. [gedaagden] heeft zonder recht of titel en zonder instemming van GTP in 2024 een hekwerk geplaatst op het perceel van GTP. Volgens GTP maakt [gedaagden] inbreuk op het eigendomsrecht van GTP.


in reconventie




3.3.

[gedaagden] vordert - samengevat – dat de rechtbank voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht verklaart dat de eigendom van het aan de woning [adres] te [woonplaats] grenzende perceel, kadastraal bekend gemeente Niedorp [kadastraalnummer 1] ingevolge verjaring mede omvat (of rechtens geacht wordt te omvatten) de strook grond en dat deze strook grond geen deel meer uitmaakt van het perceel, kadastraal bekend gemeente Niedorp [kadastraalnummer 3] ;
II. GTP veroordeelt te gehengen en te gedogen dat [gedaagden] ter uitvoering van de voor het aanbrengen van een nieuw hekwerk rond de onder I. bedoelde strook het aan GTP toebehorende perceel [kadastraalnummer 3] betreedt of laat betreden door personen, die hiermee in opdracht van [gedaagden] zijn belast en zich nadat het hekwerk is aangebracht verder te onthouden van het zonder toestemming van [gedaagden] betreden of op welke wijze dan ook in gebruik nemen van de desbetreffende strook, op straffe van een dwangsom;
III. GTP veroordeelt tot betaling van de som van € 3.124,- vermeerderd met de wettelijke rente;
IV. GTP veroordeelt in de proceskosten vermeerderd met de wettelijke rente.



3.4.

[gedaagden] legt aan zijn vordering het volgende ten grondslag. Primair beroept [gedaagden] zich op bevrijdende verjaring. Volgens [gedaagden] vormde het hekwerk al vanaf 1977 – in ieder geval vanaf 1994 meer dan dertig jaar – een voor iedereen zichtbare erfafscheiding. Er is sprake van ondubbelzinnig bezit door rechtsvoorganger [bestuurder] . Hij heeft zich als eigenaar gedragen. In het hekwerk waren geen openingen en het hekwerk was aan de bovenzijde voorzien van prikkeldraad. Icorde B.V. of [naam 1] (de rechtsvoorgangers van GTP) hebben in die periode geen feitelijke macht over de strook grond uitgeoefend. Daarnaast beroept [gedaagden] zich op verkrijgende verjaring. Niet is gebleken van een op rechtsgevolg gerichte actie door Icorde B.V. of [naam 1] om het meer dan tien jaar aaneengesloten bezit door [bestuurder] te doen eindigen. Dus is de voor verkrijgende verjaring benodigde termijn reeds in 2004 is voltooid.



3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.





4De beoordeling


in conventie en in reconventie



4.1.
De vorderingen in conventie en in reconventie lenen zich voor gezamenlijke behandeling.


Verjaring strook grond



4.2.
De strook grond behoort volgens de kadastrale gegevens tot het perceel van GTP. De vraag die partijen verdeeld houdt is of (de rechtsvoorgangers van) [gedaagden] door bevrijdende verjaring de eigendom van de strook grond heeft verkregen. [gedaagden] voert aan dat de strook grond in 1977 dan wel in 1994 door hem althans zijn rechtsvoorgangers van zijn perceel in bezit is genomen. GTP betwist dit.
De rechtbank zal het beroep op verjaring eerst bespreken, omdat [gedaagden] dit als verweer heeft gevoerd en in reconventie aan zijn vorderingen ten grondslag heeft gelegd. Zoals hierna zal blijken, faalt dit beroep op verjaring.


Juridisch kader



4.3.
Onder het burgerlijk recht van vóór 1992 verkregen bezitters te goeder trouw die zich op een wettige titel konden beroepen de eigendom van registergoederen na een onafgebroken verjaringstermijn van twintig jaar. Voor bezitters te goeder trouw zonder wettige titel gold een dertigjarige termijn. Verjaring van bezit te kwader trouw was onder het oude recht niet mogelijk.
Bij de inwerkingtreding van het huidige Burgerlijk Wetboek (BW) op 1 januari 1992 is de werking van de artikelen 3:99 lid 1 BW en 3:105 BW met één jaar uitgesteld, indien de verjaringstermijn vóór 1 januari 1992 was aangevangen. Voor zover een verjaringstermijn doorloopt na 1 januari 1993, is op grond van de artikelen 73 en 93 van de Overgangswet het huidige recht van toepassing, zowel wat betreft de duur en de aanvang van de termijn als de rechtsgevolgen verbonden aan de voltooiing daarvan.



4.4.
Voor verkrijging van eigendom door verjaring moet zowel onder het oude als het huidige recht sprake zijn van bezit door (de rechtsvoorgangers van) [gedaagden] van de strook grond. Bij de vraag of een goed in bezit is genomen, moeten de volgende regels in gedachten worden gehouden:


met de term bezit wordt bedoeld “het houden van een goed voor zichzelf”;


of iemand een goed voor zichzelf houdt, wordt naar verkeersopvattingen en op grond van uiterlijke feiten beoordeeld;


bezit wordt onder meer verkregen door inbezitneming. Men neemt een goed in bezit door zich daarover de feitelijke macht te verschaffen;


maar, wanneer een goed in het bezit van een ander is, zijn enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen voor inbezitneming onvoldoende;


volgens vaste rechtspraak op dit punt moet door de machtsuitoefening het bezit van de oorspronkelijke rechthebbende te niet zijn gegaan;


de machtsuitoefening door de bezitter moet bovendien ondubbelzinnig en voor een ieder kenbaar zijn: anderen, waaronder de oorspronkelijke rechthebbende, moeten daaruit begrijpen dat hij pretendeert bezitter te zijn.





4.5.
Vast moet dus komen te staan dat [gedaagden] en/of zijn rechtsvoorganger(s) bezitter van de strook grond zijn geworden. Daarbij geldt dat het aan [gedaagden] , als de partij die zich op de rechtsgevolgen van de door hem gestelde inbezitneming beroept, is om feiten te stellen waaruit kan volgen dat sprake is van inbezitneming en deze feiten te bewijzen.



4.6.

[gedaagden] voert ter onderbouwing van zijn stelling dat hij (dan wel zijn rechtsvoorgangers) de strook grond in bezit heeft genomen, samengevat, het volgende aan:


het hekwerk bestond uit betonnen palen met aan de bovenzijde een ijzeren kern voorzien van prikkeldraad en het hekwerk had geen openingen;


over de strook grond heeft [bestuurder] gedurende zijn bewoning twee hekken gezet ter beveiliging tegen inbraak;





4.7.
De rechtbank is van oordeel dat uit wat [gedaagden] heeft aangevoerd niet blijkt dat hij of zijn rechtsvoorgangers de strook grond in bezit hebben genomen.
Aangenomen kan worden dat het oorspronkelijke hekwerk begin jaren 1990 door de rechtsvoorganger van GTP op haar eigen perceel is geplaatst als omheining. Er liepen paarden op het perceel en door plaatsing van het hekwerk werd voorkomen dat zij naar de bosschage konden lopen en door de bosschage naar het perceel van (de rechtsvoorgangers van) [gedaagden] zouden gaan. Het plaatsen van dat hek kan niet worden beschouwd als een handeling van de toenmalige eigenaar van dat perceel (destijds ofwel genaamd Beheersmaatschappij [de B.V.] ofwel Icorde B.V.), waarmee zij haar bezit van de strook grond heeft willen prijsgeven. Dat de betreffende strook door het plaatsen van het hek niet/moeilijk bereikbaar werd – mede door het plaatsen van een hek parallel aan de openbare weg – maakt dat niet anders. Dat de toenmalige eigenaar van het perceel van [gedaagden] (de heer [bestuurder] ) die strook in bezit heeft genomen, blijkt evenmin.
De omstandigheid dat de rechtsvoorganger van [gedaagden] (de heer [bestuurder] ) twee hekken op/over de strook grond heeft geplaatst ter beveiliging tegen inbraak, is ook geen bezitshandeling, omdat hieruit naar verkeersopvatting geen wilsuiting van [bestuurder] om als rechthebbende op te treden kan worden afgeleid. Enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen zijn immers voor inbezitneming onvoldoende.



4.8.
Dat de rechtsvoorgangers van [gedaagden] , [naam 2] en [naam 3] , de strook grond vanaf 2 augustus 2017 in bezit hebben genomen, blijkt nergens uit en ligt niet voor de hand. [naam 2] en [naam 3] hebben immers in de akte van levering van het perceel aan [gedaagden] uitdrukkelijk laten opnemen (zie hiervoor onder 2.8) dat “de huidige terreinafscheiding afwijkt van de kadastrale eigendomsgrens. Het hekwerk naast de schuur loopt schuin naar de weg af en staat op grond van de buren.”


Conclusie



4.9.
Gelet op het voorgaande behoeven de overige stellingen in dit verband geen bespreking. De door GTP gevorderde verklaring voor recht is toewijsbaar. [gedaagden] heeft het huidige hek dus onrechtmatig op het perceel van GTP geplaatst en moet dit verwijderen. [gedaagden] mag het perceel van GTP ook niet betreden zonder toestemming van GTP. De vordering in reconventie van [gedaagden] zal worden afgewezen.


Dwangsom



4.10.
GTP heeft bij de veroordeling tot verwijdering van het hekwerk en de veroordeling tot het gebieden van [gedaagden] om zonder toestemming het perceel van GTP te betreden dwangsommen gevorderd. Hiertegen heeft [gedaagden] geen verweer gevoerd. De rechtbank zal de dwangsommen matigen tot € 250,- per overtreding met een maximum van € 25.000,-.


Buitengerechtelijke kosten



4.11.
GTP vordert een bedrag voor buitengerechtelijke kosten. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is en wordt daarom getoetst aan de eisen zoals deze zijn geformuleerd in het rapport BGK-integraal. De rechtbank stelt vast dat GTP voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke werkzaamheden – anders dan ter voorbereiding van deze procedure – zijn verricht. Het rapport BGK-integraal adviseert om de omvang van de vergoeding bij zaken van onbepaalde waarde op € 925,- te stellen. Dit bedrag is door GTP gevorderd en wordt toegewezen.


Proceskosten



4.12.

[gedaagden] zal zowel in conventie als in reconventie als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten (inclusief nakosten) worden veroordeeld. De proceskosten van GTP worden in conventie begroot op:









- kosten van de dagvaarding





119,40







- griffierecht





2.995,00







- salaris advocaat





1.563,00


(3 punten × € 521,00)




- nakosten





178,00


(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)




Totaal





4.855,40











4.13.
De proceskosten van GTP worden in reconventie wegens de samenhang met de zaak in conventie begroot op € 781,50 (3 punten x 0,5 x € 521,00).



4.14.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.





5De beslissing

De rechtbank


in conventie



5.1.
verklaart voor recht dat de kadastrale grens tussen de percelen van partijen, kadastraal bekend als gemeente Niedorp, [kadastraalnummer 1] en kadastraal bekend als gemeente Niedorp, [kadastraalnummer 1] , tevens de juridische erfgrens is tussen de hiervoor genoemde percelen, zoals dit tijdens de meest recente grensreconstructie in 2024 door het kadaster is vastgesteld en zoals aangeduid in het relaas van bevindingen, overgelegd als productie 6 bij dagvaarding,



5.2.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om binnen twee weken na betekening van dit vonnis, het door hem recentelijk, in 2024, geplaatste hekwerk (waarvan foto’s als productie 14 bij dagvaarding zijn overgelegd) te verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van een dwangsom van € 250,- voor iedere dag dat [gedaagden] zich niet aan deze veroordeling houdt, met een maximum van € 25.000,-,



5.3.
gebiedt [gedaagden] hoofdelijk het perceel van GTP, kadastraal bekend als gemeente Niedorp, [kadastraalnummer 3] , niet zonder de toestemming van GTP te betreden, op straffe van een dwangsom van € 250,- voor iedere overtreding van [gedaagden] , met een maximum van € 25.000,-,



5.4.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van een bedrag van € 925,- ter zake van buitengerechtelijke kosten,



5.5.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 4.855,40, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,


in reconventie




5.6.
wijst de vorderingen van [gedaagden] af,



5.7.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 959,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,


in conventie en in reconventie




5.8.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,



5.9.
verklaart dit vonnis voor de onderdelen 5.2, 5.3, 5.4, 5.5, 5.7 en 5.8 uitvoerbaar bij voorraad,



5.10.
wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit vonnis is gewezen door mr. J.H. Gisolf en in het openbaar uitgesproken op 10 december 2025.



artikel 2000 lid 1 oud BW


artikel 2000 lid 2 oud BW
Link naar deze uitspraak