Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RVS:2026:562 
 
Datum uitspraak:02-02-2026
Datum gepubliceerd:04-02-2026
Instantie:Raad van State
Zaaknummers:202307301/1/V3
Rechtsgebied:Vreemdelingenrecht
Indicatie:Bij besluit van 14 juni 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Trefwoorden:koeien
 
Uitspraak
202307301/1/V3.
Datum uitspraak: 2 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 31 oktober 2023 in zaak nr. NL23.19629 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 14 juni 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 31 oktober 2023 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. G.J. van der Graaf, advocaat in Arnhem, hoger beroep ingesteld.
Bij besluit van 30 april 2025 heeft de minister de aanvraag van appellant opnieuw afgewezen.
Appellant heeft hiertegen bij de rechtbank beroep ingesteld. Dit beroep is door de griffier van de rechtbank ter behandeling aan de Afdeling doorgezonden.
Overwegingen
Hoger beroep tegen de uitspraak van 31 oktober 2023
1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2.       Het hoger beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden voor het hoger beroep.
Beroep tegen het besluit van 30 april 2025
3.       De Afdeling beoordeelt nu het beroep tegen het besluit van 30 april 2025, dat de minister heeft genomen ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank (artikel 6:19, eerste lid, samen met artikel 6:24 van de Awb).
4.       De minister heeft in haar besluit van 30 april 2025 de asielaanvraag van appellant opnieuw afgewezen. Zij heeft in dat besluit dezelfde standpunten ingenomen over de geloofwaardigheid van het asielrelaas.
5.       Appellant betoogt in zijn beroepschrift dat de minister hem niet  heeft mogen tegenwerpen dat zijn verklaringen over het aantal gestolen koeien tegenstrijdig zijn, dat zijn verklaringen over het bezoek van de Donso bij hem thuis onlogisch zijn en dat het bevreemdend is dat de broer van appellant na zijn vertrek geen problemen heeft ondervonden van de Donso.
5.1.    De minister heeft in het besluit van 30 april 2025 het door haar in het besluit van 14 juni 2023 ingenomen standpunt over de geloofwaardigheid van het asielrelaas gehandhaafd. In haar uitspraak van 31 oktober 2023 heeft de rechtbank al geoordeeld dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de verklaringen van appellant ongeloofwaardig zijn. Appellant heeft tegen het oordeel van de rechtbank over de geloofwaardigheid van zijn relaas in hoger beroep grieven gericht. Gelet op wat de Afdeling onder 1 heeft overwogen, slagen die grieven niet en staat dat oordeel daarmee in rechte vast. Dit betekent dat de beroepsgrond niet slaagt.
6.       Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden voor het beroep.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep ongegrond;
II.       verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier.
w.g. Borman
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Vos
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2026
644-1086
Link naar deze uitspraak