|
|
|
| ECLI:NL:RBNNE:2025:5843 | | | | | Datum uitspraak | : | 19-12-2025 | | Datum gepubliceerd | : | 05-02-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Noord-Nederland | | Zaaknummers | : | LEE 24/2497 | | Rechtsgebied | : | Omgevingsrecht | | Indicatie | : | De rechtbank is van oordeel dat het college de omgevingsvergunning voor het exploiteren van een minicamping heeft mogen weigeren, omdat niet voldaan wordt aan de vereisten voor (binnenplanse) afwijking van het bestemmingsplan.
Eisers beroep op het overgangsrecht slaagt niet, omdat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat er ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan een minicamping op het perceel geëxploiteerd werd.
Eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt ook niet, omdat het college voldoende gemotiveerd heeft dat geen sprake is van gelijke gevallen. | | Trefwoorden | : | agrarisch | | | bestemmingsplan | | | bouwvergunning | | | buitengebied | | | omgevingsvergunning | | | perceel | | | vrijstelling | | | wabo | | | | Uitspraak | RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 24/2497
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 december 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats 1] , eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Westerwolde, het college
(gemachtigde: J.P Keizer).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de weigering van de omgevingsvergunning voor het exploiteren van een minicamping op het perceel [adres 1] (hierna: het perceel). Eiser is het daar niet mee eens. Aan de hand van de beroepsgronden van eiser beoordeelt de rechtbank de weigering van de omgevingsvergunning.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning voor het exploiteren van een minicamping heeft mogen weigeren, omdat niet wordt voldaan aan de vereisten voor afwijking van het bestemmingsplan. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat er ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan een minicamping op het perceel geëxploiteerd werd. Hij kan daarom geen beroep doen op de beschermende werking van het overgangsrecht. Eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt ook niet. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 4 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 22 september 2023 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor (het voortzetten van) de exploitatie van een minicamping op het perceel. Het college heeft deze omgevingsvergunning met het besluit van 6 november 2023 geweigerd. Met het bestreden besluit van 9 april 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij de weigering van de omgevingsvergunning gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 13 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het college.
2.3.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en heeft eiser en het college in de gelegenheid gesteld om nadere stukken over te leggen. Eiser heeft hiervan geen gebruik gemaakt. Het college heeft aanvullende stukken overgelegd.
2.4.
De rechtbank heeft, met instemming van partijen, besloten geen nadere zitting te houden.
Beoordeling door de rechtbank
Regelgevend kader
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag voor een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.
3.1.
De aanvraag is ingediend op 22 september 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
3.2.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Feiten en omstandigheden
4. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het beroep uit van de volgende feiten en omstandigheden.
4.1.
Eiser is sinds augustus 2023 eigenaar van het perceel. Eiser heeft de wens om op het perceel een minicamping te exploiteren en heeft op 22 september 2023 met dat doel een aanvraag voor een omgevingsvergunning gedaan.
4.2.
Ter plaatse gold ten tijde van het bestreden besluit het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2009, gedeeltelijke herziening 2015’ (hierna: het bestemmingsplan). Op het perceel rustte op grond van dit bestemmingsplan de bestemming ‘Wonen’.
4.3.
Het college heeft op 6 november 2023 besloten de omgevingsvergunning te weigeren. Het college stelt zich op het standpunt dat het gebruik van het perceel als minicamping in strijd is met artikel 30.1 en 30.4 onder i en met artikel 40.1, onder a, van de bestemmingsplanregels. Het college is niet bereid medewerking te verlenen aan afwijking van het bestemmingsplan op grond van artikel 40.2 van de planregels, nu niet aan de voorwaarden voor afwijking wordt voldaan als genoemd onder 1.9.2 van bijlage 1 bij het bestemmingsplan. Het college stelt zich verder op het standpunt dat eiser geen beroep kan doen op het overgangsrecht van het bestemmingsplan, omdat er nooit sprake is geweest van legale exploitatie van een minicamping en de exploitatie bovendien per 30 juni 2001 gestaakt is.
Heeft het college kunnen weigeren om af te wijken van het bestemmingsplan?
5. Eiser kan zich niet vinden in de weigering om af te wijken van het bestemmingsplan. Eiser stelt verder dat het college ten onrechte niet in het bestreden besluit heeft meegenomen dat het direct naastgelegen perceel, met nummer [nummer 1] een industriefunctie heeft en gebruikt mag worden voor bedrijfsmatige bewerking en de opslag van materiaal en goederen. Hierdoor zal op dit perceel geen overlast worden ondervonden van de minicamping. Pas het daarnaast gelegen perceel met nummer [nummer 2] heeft een woonfunctie. De door de gemeente aangehaalde criteria van minimaal 50 meter wordt met dit gegeven aan beide zijden van het perceel behaald. Eiser wijst er daarbij op dat hij verzocht heeft om 5 tenten te mogen plaatsen, in plaats van de 15 tenten die toegestaan worden bij gebruik van de ontheffingsmogelijkheid. Ook zijn er geen klachten uit de omgeving en is sinds september 2024 een nieuw bestemmingsplan van kracht dat toestaat dat 70 m2 mag worden bijgebouwd ten behoeve van recreatie. Eiser ziet daarom niet in wat het belang van de gemeente is om hem te dwingen de exploitatie te staken.
5.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat ten aanzien van de naastgelegen percelen niet aan de voorwaarden voor ontheffing wordt voldaan. Ten aanzien van beide naastgelegen percelen, één met een woonbestemming en één met een agrarische functie, geldt dat de standplaatsen voor de kampeermiddelen niet de vereiste minimale afstand van 50 meter tot de perceelsgrens halen. In dat geval kan volgens bijlage 1 onder 1.9.2 van het bestemmingsplan aangenomen worden dat de woon- of bedrijfssituatie onevenredig zal worden geschaad bij exploitatie van de minicamping.
5.2.
Tussen partijen is niet in geschil en ook de rechtbank is van oordeel dat het gebruik van het perceel voor een minicamping in strijd is met de woonbestemming, die op het perceel rust. Het college kan echter op grond van artikel 40.2 van de planregels ontheffing verlenen van het strijdige gebruik en toestaan dat de gronden tevens worden gebruikt voor klein kamperen mits er niet meer dan 15 kampeermiddelen worden geplaatst in de periode van 15 maart tot en met 31 oktober en mits het college rekening houdt met het gestelde in bijlage 1 onder 1.9.2. Partijen zijn het er niet over eens of het college op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1, van de Wabo in samenhang met artikel 40.2 van de planregels een afwijking van het bestemmingsplan had moeten toestaan.
5.3.
Artikel 1.9.2 van bijlage 1 bij het bestemmingsplan bevat de criteria voor kleinschalig kamperen. Kleinschalig kamperen mag uitsluitend worden toegestaan op erven van woningen met een minimale omvang van het erf c.q. tuin van 5.000 m2. Aan het kamperen wordt verder in ieder geval geen medewerking verleend als onevenredig afbreuk wordt gedaan aan de woon- of bedrijfssituatie op nabijgelegen erven. Aangenomen wordt dat hiervan sprake zal zijn wanneer het perceel waar gekampeerd zal worden op minder dan 50 meter afstand gelegen is van de bestemmingsgrenzen van (bedrijfs)woningen, verblijfsrecreatieve terreinen of de bebouwde komgrenzen van kernen en op minder dan 50 meter afstand van agrarische bedrijven.
5.3.1.
De rechtbank is van oordeel dat terecht heeft besloten om geen medewerking te verlenen aan de exploitatie van een minicamping op het perceel, in afwijking van het bestemmingsplan. Zoals het college terecht stelt wordt niet aan de criteria voor ontheffing in artikel 40.2 van de planregels voldaan. Weliswaar ziet de aanvraag om omgevingsvergunning niet op meer dan 15 kampeermiddelen maar er wordt niet voldaan aan artikel 1.9.2 van bijlage 1 bij het bestemmingsplan. Tussen partijen is immers niet in geschil dat het perceel heeft van oppervlakte van 4.020 m2. Bovendien bedraagt de afstand tot de buurpercelen, met respectievelijk een woon- en een agrarische bestemming minder dan 50 meter. Als die afstand minder is dan 50 meter wordt – zo volgt uit artikel 1.9.2 – aangenomen dat er sprake is van een onevenredige afbreuk van de woon- of bedrijfssituatie op nabijgelegen erven. Daarmee is ook gegeven dat de activiteit in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het daarbij niet uitmaakt dat het agrarische buurperceel nu leeg staat en alleen voor opslag wordt gebruikt, omdat dit perceel in de toekomst weer in gebruik genomen kan worden als agrarisch perceel en dan in de gebruiksmogelijkheden beperkt wordt door het bestaan van een minicamping.
Slaagt eisers beroep op het overgangsrecht?
6. Eiser stelt daarnaast dat er al sinds 1988 een minicamping geëxploiteerd wordt op het perceel en dat de vorige eigenaar met de gemeente overeengekomen is dat hij een camping in kleinschaliger verband met een maximum van vijf tenten voort mocht zetten.
6.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat eiser geen beroep op het overgangsrecht toekomt, omdat er nooit sprake is geweest van een legale situatie. De minicamping is nooit gelegaliseerd. De voorganger van eiser is door de gemeente Vlagtwedde aangeschreven voor het exploiteren van de camping. Ook in de verleende bouwvergunning van 20 februari 1996 staat het een en ander over een illegale minicamping op dit adres. Eiser heeft niet met stukken onderbouwd dat er voor de minicamping wel een vergunning zou zijn verleend.
6.2.
Op grond van vaste rechtspraak is het aan degene die een beroep doet op het overgangsrecht van een bestemmingsplan om aannemelijk te maken dat het strijdige gebruik op de peildatum plaatsvond en nadien is voortgezet.
6.3.
Op grond van artikel 45.2, onder a, van de planregels mag het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, worden voortgezet. De rechtbank stelt vast dat het bestemmingsplan op 27 oktober 2015 is vastgesteld en na verloop van de beroepstermijn in werking is getreden. Uit de door eiser overgelegde brief van 28 oktober 1994 aan het college van een vorige eigenaar blijkt dat er op dat moment kampeergelegenheid werd geboden, maar ook dat dit niet toegestaan was en dat het college daar geen vrijstelling voor wilde verlenen. Uit de verleende bouwvergunning op 20 februari 1996, en bijgevoegde conceptbrief aan de toenmalig eigenaar, blijkt dat de camping nog steeds geëxploiteerd werd en dat het college hier nog steeds niet mee kon instemmen. Uit het door eiser overgelegde KvK-uittreksel van 11 september 2023 blijkt dat de onderneming Camping [naam 3] op 30 juni 2001 alle activiteiten heeft gestaakt. Eiser heeft geen nadere stukken overgelegd waaruit blijkt dat het perceel na 30 juni 2001 nog in gebruik was als (mini)camping. Eiser heeft dus niet aangetoond dat op de peildatum, de datum van inwerkingtreding van het bestemmingsplan, het perceel nog steeds gebruikt werd voor de exploitatie van een minicamping. Gelet daarop komt de rechtbank niet toe aan de vraag of het gebruik van het perceel voor het exploiteren van een minicamping in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan. Het college heeft zich dus terecht op het standpunt gesteld dat het gebruik als minicamping daarom niet onder de beschermende werking van het overgangsrecht. Het betoog van eiser slaagt niet.Wordt in gelijke gevallen wel een minicamping toegestaan?
6.4.
Op de zitting heeft eiser verwezen naar twee percelen in de nabije omgeving, waar ook een minicamping geëxploiteerd wordt. Het gaat om camping [naam 1] aan het [adres 2] in [woonplaats 1] en om camping [naam 2] aan de [adres 3] in [woonplaats 2] .
6.5.
De rechtbank begrijpt deze grond van eiser als een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Ter zitting bleek dat op het perceel van de camping een recreatiebestemming rust zodat om die reden geen sprake is van een gelijk geval.
6.6.
Het college heeft na de zitting op 28 augustus 2025 een mail gestuurd aan de rechtbank en zich op het standpunt gesteld dat het perceel aan de [adres 3] in [woonplaats 2] de bestemming wonen heeft. Ter plaatse wordt sinds 2008 een minicamping geëxploiteerd onder de naam [naam 2] . Het college heeft twee publicaties uit een lokale krant overgelegd van respectievelijk 27 februari 2002 en 24 april 2002 waaruit blijkt dat destijds het voornemen bestond om medewerking te verlenen aan de realisatie van een kleinschalige minicamping. Daarmee heeft het college naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd dat geen sprake is van gelijke gevallen. Het ging in dat geval immers om een aanvraag die is getoetst aan een ander bestemmingsplan. Het bestemmingsplan is immers pas op 27 oktober 2015 vastgesteld en ook het daarvoor geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied 2009’ werd pas op 22 september 2009 vastgesteld. Bovendien bestond er het voornemen om medewerking te verlenen aan de realisatie van een minicamping met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de destijds geldende Wet op de Ruimtelijke Ordening, dus niet met een binnenplanse vrijstelling. Gelet daarop is al niet gebleken dat in dat geval getoetst is aan dezelfde regelgeving en dus evenmin dat in dat geval wel van die regelgeving is afgeweken.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W.C.M. van Emmerik, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Dijk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels en beleidsregels
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Artikel 2.1
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
(…)
c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,
(…)
Artikel 2.12
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:
1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking
(…)
Bestemmingsplan ‘Buitengebied 2009, gedeeltelijke herziening 2015’
Artikel 30 Wonen
30.1
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
woonhuizen, bijbehorende bouwwerken bij de woonhuizen, al dan niet in combinatie met ruimten voor mantelzorg, logiesverstrekking dan wel een aan-huis-verbonden beroep of een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit zoals die zijn genoemd in bijlage 6;
woonhuizen in de vorm van voormalige boerderijpanden, bijbehorende bouwwerken bij de woonhuizen, ter plaatse van de aanduidingen "karakteristiek", "specifieke bouwaanduiding - streekeigen" en "specifieke bouwaanduiding - oorspronkelijke hoofdvorm" alsmede voor de in dezelfde bouwstijl gebouwde bijbehorende bouwwerken, alsmede voor de in dezelfde bouwstijl gebouwde bijbehorende bouwwerken, al dan niet in combinatie met ruimten voor mantelzorg, logiesverstrekking, dan wel een aan-huis-verbonden beroep of een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit, zoals die zijn genoemd in bijlage 2 onder de categorieën 1 en 2, dan wel een naar de aard en invloed op de omgeving daarmee vergelijkbare bedrijvigheid, niet zijnde geluidszoneringsplichtige, risicovolle inrichtingen en/of vuurwerk-bedrijven, en bijlage 6;
woonhuizen, al dan niet in combinatie met ruimte voor mantelzorg, logiesverstrekking, dan wel een aan-huis-verbonden beroep c.q. kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten, zoals genoemd in bijlage 6, zijnde voormalige agrarische bedrijfswoningen;
het in stand houden van de bestaande karakteristieke hoofdvorm van de gebouwen, waaronder die van de al dan niet binnen het aanduidingsvlak in dezelfde bouwstijl gebouwde bijbehorende bouwwerken, ter plaatse van de aanduiding “karakteristiek”, zoals die per adres zijn beschreven in bijlage 9;
het in stand houden van de kenmerken van de bebouwing met een streekeigen architectuur-/bouwstijl, waaronder die van de al dan niet binnen het aanduidingsvlak in dezelfde bouwstijl gebouwde bijbehorende bouwwerken, ter plaatse van de aanduiding ”specifieke bouwaanduiding – streekeigen”;
het in stand houden van de ruimtelijke relevante kenmerken van de gebouwen, dan wel een minimaal daarmee voor wat betreft de streekeigen vormgeving gelijkwaardige hoofdvorm, alsmede voor de al dan niet binnen het aanduidingsvlak in dezelfde bouwstijl gebouwde bijbehorende bouwwerken, ter plaatse van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - oorspronkelijke hoofdvorm”;
en mede bestemd voor:
het tegengaan van een te hoge geluidsbelasting van een geluidsgevoelige bestemming vanwege geluidszoneringsplichtige inrichtingen, alsmede het waarborgen van voldoende geluidsruimte voor de activiteiten op het gezoneerde industrieterrein, ter plaatse van de aanduiding “Geluidszone industrie”;
het beschermen van de gronden tegen fysische bodemaantasting, ter plaatse van de aanduiding “Milieuzone fysische bodemaantasting”;
het tegengaan van een te hoog veiligheidsrisico van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten vanwege een LPG-station, ter plaatse van de aanduiding “Veiligheidszone”;
de bescherming van de functie van de in het aanliggende gebied gesitueerde molen als werktuig en zijn waarde als landschapsbepalend element, ter plaatse van de aanduiding “Vrijwaringszone molenbiotoop”;
met de daarbij behorende:
tuinen, erven en terreinen;
bouwwerken geen gebouwen zijnde.
30.4
Specifieke gebruiksregels
Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken met deze bestemming, zoals bedoeld in artikel 7.10 Wet ruimtelijke ordening, wordt in ieder geval gerekend:
(…)
i. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van verblijfsrecreatieve doeleinden, anders dan logiesverstrekking in het woonhuis en de bijbehorende bouwwerken, waarbij niet meer dan 3 of, in geval van deelname aan het project 'Sprong over het veen', 6 logieseenheden per woonhuis mogen worden gevestigd;
(…)
Artikel 40 Algemene gebruiksregels
40.1
Strijdig gebruik
Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken met de bestemmingen, zoals bedoeld in artikel 7.10 Wet ruimtelijke ordening, wordt in ieder geval gerekend:
a. het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermiddelen, tenzij de gronden ter plaatse zijn voorzien van de bestemming 'Recreatie 1' of 'Recreatie 2', dan wel de gronden waar met ontheffing een kampeerterrein voor klein kamperen is toegestaan, dan wel daar waar sprake is van tijdelijk kamperen of de inrichting van een gereguleerde overnachtingsplaats;
(…)
40.2
Ontheffing
Burgemeester en Wethouders kunnen, met inachtneming van het gestelde in bijlage 1, ontheffing verlenen van:
a. het bepaalde in lid 40.1. onder a en toestaan dat de gronden tevens worden gebruikt als kampeerterrein voor klein kamperen, mits:
1. er niet meer dan 15 kampeermiddelen worden geplaatst in de periode van 15 maart tot en met 31 oktober;
2. met name rekening zal worden gehouden met het gestelde in bijlage 1 onder 1.9.2.
45.2
Overgangsrecht gebruik
Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in sublid a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
Indien het gebruik, bedoeld in sublid a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
Sublid a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
Bijlage 1 Toetsingsbijlage
1.9.2.
Kleinschalig kamperen
Kleinschalig kamperen wordt uitsluitend toegestaan op erven van woningen met een minimale omvang van het erf c.q. tuin van 5.000 m², percelen van agrarische bedrijven, agrarisch aanverwante bedrijven, horecabedrijven, of op een perceel, onmiddellijk grenzend aan zo’n erf of perceel. Het kamperen is in beginsel alleen toegestaan binnen de agrarische bouwpercelen, dan wel de feitelijke erven/percelen bij woningen, agrarisch aanverwante bedrijven en horecabedrijven, waarbij een goede erfbeplanting noodzakelijk is. Bij uitzondering, indien dat vanuit de milieusituatie, de landschappelijke waarden, de natuurlijke waarden of de woonsituatie van omwonenden beter is, zal het kamperen ook direct aansluitend op de erven of de per celen kunnen plaatsvinden. Aan het kamperen wordt in ieder geval geen medewerking verleend als er onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de woon- of bedrijfssituatie op nabijgelegen erven. Aangenomen wordt dat deze woon- of bedrijfssituatie on evenredig wordt geschaad, als het perceel waar gekampeerd zal gaan worden op minder dan 50 meter afstand is gelegen van de bestemmingsgrenzen van (bedrijfs)woningen, verblijfsrecreatieve terreinen of de bebouwde komgrenzen van kernen en op minder dan 50 meter afstand van (agrarische) bedrijven.
Vgl. de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:706. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|