Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBGEL:2026:650 
 
Datum uitspraak:21-01-2026
Datum gepubliceerd:05-02-2026
Instantie:Rechtbank Gelderland
Zaaknummers:C/05/365390 / HZ ZA 20-53
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Onteigening. Rechtbank stelt schadeloosstelling vast. Geen immateriële schadevergoeding.
Trefwoorden:agrarisch
akkerbouw
bedrijfswoning
bestemmingsplan
buitengebied
landbouw
onteigening
perceel
wettelijke rente
 
Uitspraak
RECHTBANK Gelderland

Civiel recht

Zittingsplaats Zutphen

Zaaknummer: C/05/365390 / HZ ZA 20-53


Vonnis van 21 januari 2026


in de zaak van


DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat),
te 's-Gravenhage,
eisende partij,
hierna te noemen: de Staat,
advocaat: mr. R.C.K. van Andel,

tegen


MR. D.M.H.M. VAN DIJK,

in zijn hoedanigheid van derde ingevolge artikel 20 van de Onteigeningswet (Ow),


voor [naam 1],
te Arnhem,
gedaagde partij,
hierna te noemen: mr. Van Dijk q.q.,
advocaat: mr. C.F. van Helvoirt.




1De zaak in het kort

De Staat heeft een gedeelte van een perceel van wijlen [naam 2] onteigend voor de aanleg van een nieuwe weg in onder meer de gemeente Duiven (project ViA15). In dit vonnis stelt de rechtbank de hoogte van de schadeloosstelling vast en ook de kosten die de Staat aan mr. Van Dijk q.q. moet vergoeden. De Staat hoeft geen vergoeding te betalen voor immateriële schade die mr. Van Dijk q.q. stelt te hebben geleden door de lange duur van de procedure.




2De procedure


2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 18 juni 2025
- het verkort proces-verbaal van het pleidooi van 11 november 2025
- de akte (opgaaf kosten rechtskundige en deskundige bijstand ex artikel 50 Ow) van mr. Van Dijk q.q. van 26 november 2025
- de akte van de Staat van 10 december 2025.



2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.






3De verdere beoordeling


3.1.
Bij tussenvonnis van 13 november 2024 heeft de rechtbank, ten name van De Staat en ten algemenen nutte, de onteigening uitgesproken van (grondplannummer 95.7) een gedeelte ter grootte van 8.053 m² van het aan [naam 1] toebehorende perceel kadastraal bekend [perceelnr.] totaal groot 23.715 m², kadastraal omschreven als “Wonen (agrarisch)” en “Terrein (akkerbouw)”.



3.2.
De rechtbank moet nu de hoogte vaststellen van de aan mr. Van Dijk q.q. toekomende schadeloosstelling. Peildatum is 13 januari 2025, de dag waarop het vonnis van 13 november 2024 in de openbare registers is ingeschreven (artikel 40a Ow).



3.3.
De deskundigen hebben de aan mr. Van Dijk q.q. te betalen schadeloosstelling in hun rapport van 30 april 2025 als volgt begroot:
waarde € 96.636,00
waardevermindering overblijvende € 28.781,00
bijkomende schade € 35.500,00
schade van derde-belanghebbenden € 0,00
totaal € 160.917,00



3.4.
Partijen hebben bij pleidooi gereageerd op het definitieve deskundigenrapport. De rechtbank zal hierna ingaan op wat partijen hebben aangevoerd, voor zover voor de beoordeling van belang.


De omvang van het onteigende




3.5.
Tijdens het pleidooi heeft mr. Van Dijk q.q. aangevoerd dat het onteigende perceelsdeel volgens de kadastrale gegevens 2 m² groter is dan wat in het onteigeningsvonnis is uitgesproken. Volgens mr. Van Dijk q.q. heeft de Staat dus 2 m² te veel onteigend. De Staat heeft in reactie hierop aangevoerd dat op dit moment sprake is van voorlopige kadastrale grenzen, die nog definitief in de administratie van het Kadaster moeten worden verwerkt. Uiteraard kan niet méér worden onteigend dan in het onteigeningsvonnis staat vermeld, aldus de Staat. De rechtbank sluit zich hierbij aan. Uitgangspunt blijft dus het in 3.1 vermelde perceelsdeel ter grootte van 8.053 m².


Uitgangspunten bij de waardering




3.6.
De schadeloosstelling is een volledige vergoeding voor alle schade die de eigenaar rechtstreeks en noodzakelijk lijdt door het verlies van zijn zaak (artikel 40 Ow). Schadecomponenten kunnen zijn de waarde van het onteigende, de waardevermindering van het overblijvende en bijkomende schade.


De waarde van het onteigende




3.7.
Uitgangspunt is dat de werkelijke waarde moet worden vergoed. Dit is de prijs die tot stand zou komen bij een vrijwillige verkoop op commerciële basis, waarbij wordt verondersteld dat koper en verkoper optreden als redelijk handelende partijen (artikel 40b lid 1 en 2 Ow). De onteigening mag voor de onteigende partij in financieel opzicht geen nadeel en geen voordeel meebrengen.



3.8.
Bij het bepalen van de hiervoor bedoelde koopprijs is uitgangspunt dat rekening wordt gehouden met de exploitatie die het geldende bestemmingsplan op het onteigende toelaat. Ook moet rekening worden gehouden met op het moment van de onteigening bestaande, voldoende reële, verwachtingen over een wijziging van het ter plaatse geldende bestemmingsplan, de zogenoemde verwachtingswaarde.



3.9.
De onteigening heeft plaatsgevonden ter uitvoering van het Tracébesluit A12/A15 Ressen-Oudbroeken (Tracébesluit ViA15-2017) en het Tracébesluit A12/A15 Ressen-Oudbroeken (2019). Deze Tracébesluiten voorzien in de wijziging en doortrekking van de Rijksweg A15, de aanleg van een nieuw knooppunt in de aansluiting van de Rijksweg A15 met de Rijksweg A12 (knooppunt Oudbroeken), de wijziging van de Rijksweg A12, de aanpassing van de aansluitingen Elst, Bemmel en Duiven/Zevenaar en de aanleg van nieuwe aansluitingen Duiven en Zevenaar-Oost (project ViA15).



3.10.
De deskundigen hebben de onteigende grond gewaardeerd op een bedrag van € 96.636,00 (8.053 m² × € 12,00). Zij hebben in hun rapport gemotiveerd uiteengezet dat deze waardering is gebaseerd op – deels door partijen ingebrachte – referentietransacties, waarbij enkele transacties het meest relevant voor de waardering zijn bevonden.



3.11.
De deskundigen hebben er rekening mee gehouden dat de gemeente op 3 oktober 2016 positief heeft beslist op een verzoek om een halfopen bedrijfshal ten behoeve van een agrarisch loon- en grondverzetbedrijf op het belendend perceel [naam perceel] mogelijk te maken door vaststelling van een postzegelbestemmingsplan. Op grond van dat plan is de bestemming bedrijf op dat perceel verruimd met 2.367 m² en het bouwvlak toegenomen met 598 m². De deskundigen vinden het mede gelet hierop aannemelijk dat partijen in het vrije economische verkeer een zekere verwachtingswaarde zullen toekennen aan een gedeelte van het overblijvende gelegen achter het al bedrijfsmatig bestemde deel van het perceel [naam perceel] . Zij schatten namelijk in dat de gemeente bij een reële uitbreidingswens bereid zal zijn de bestemmingsgrens naar achteren te verschuiven tot een gelijke diepte als bij het belendend perceel. Mr. Van Dijk q.q. heeft in reactie op dit punt in het conceptrapport aangevoerd dat aan het onteigende, gelegen aan de noordzijde van het perceel [naam perceel] , ook verwachtingswaarde zou toekomen, omdat dit planologisch gezien meer in de rede zou liggen. Tijdens het pleidooi heeft hij hieraan nog toegevoegd dat met een uitbreiding naar het noorden voor het loon- en grondwerkbedrijf een zichtlocatie wordt gecreëerd. De deskundigen zijn vervolgens bij hun inschatting gebleven dat de gemeente bij een reële uitbreidingswens bereid zal zijn de bestemmingsgrens naar achter te verschuiven tot een gelijke diepte als bij het belendend perceel. Het verschuiven van de bestemmingsgrens in noordelijke richting is volgens hen geen reële mogelijkheid, omdat dat zou leiden tot “verrommeling” van het buitengebied en een veel ingrijpender effect zal hebben op de ruimtelijke uitstraling van het bedrijf dan uitbreiding naar achteren. Er zijn volgens de deskundigen geen indicaties dat de gemeente – en voor zover nodig de provincie – hieraan zal willen meewerken, omdat het een landelijk en overwegend agrarisch bestemd gebied betreft. De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan dit gemotiveerde standpunt van de deskundigen en sluit zich daarbij aan.



3.12.
Eerder in de procedure en tijdens het pleidooi heeft mr. Van Dijk q.q. betoogd dat aan het perceel een hogere verwachtingswaarde zou moeten worden toegekend wegens een mogelijke toekomstige bedrijfsbestemming. De Staat heeft daartegen aangevoerd dat voor een dergelijke uitbreiding geen aanknopingspunten zijn in de omgevingsvisie van de gemeente of de provincie en dat [naam 1] of mr. Van Dijk q.q. ook geen poging heeft gedaan die bedrijfsbestemming te verkrijgen. De deskundigen hebben hun visie op dit punt – namelijk dat er geen indicatie is dat een uitbreiding van de bedrijfsbestemming mogelijk zou zijn – tijdens het pleidooi gehandhaafd. In het licht hiervan heeft mr. Van Dijk q.q. zijn standpunt onvoldoende onderbouwd, zodat de rechtbank eraan voorbijgaat.



3.13.
Ook de twee referentietransacties waarop mr. Van Dijk q.q. tijdens het pleidooi nog heeft gewezen, hebben de deskundigen niet tot een hogere waardering van het perceel gebracht. Volgens de deskundigen zijn de referenties vrij willekeurig en ligt één ervan bovendien in een andere regio, zodat ze niet goed bruikbaar zijn in deze zaak. De rechtbank sluit zich hierbij aan.



3.14.
Mr. Van Dijk q.q. heeft verder betoogd – en naar aanleiding van het conceptrapport herhaald – dat de gronden zich goed lenen voor de realisatie van zonnepanelen. Hij heeft gewezen op de Omgevingsvisie Duiven uit 2022, waarin op of nabij het perceel een zoeklocatie voor zonne-energie is aangegeven. Dit mede in verband met een aan de overzijde van de provinciale weg N810 te realiseren Clean Energy Hub naast een ook te realiseren carpoolplaats. Om die reden zou ook aan het onteigende een (hogere) verwachtingswaarde toekomen, aldus mr. Van Dijk q.q. De deskundigen zien echter noch in de markt, noch in de door mr. Van Dijk q.q. genoemde omstandigheden concrete indicaties dat in het vrije commerciële verkeer meerwaarde zal worden toegekend aan het onteigende vanwege de verwachting dat daarop zonnepanelen kunnen worden geplaatst.
De deskundigen nemen daarbij in aanmerking dat – zoals de Staat heeft aangevoerd – in de loop van 2023 zowel landelijk als regionaal beleid tot stand is gekomen op grond waarvan een voorkeursvolgorde van geschikte locaties voor opwekking van zonne-energie in acht wordt genomen. In de Omgevingsverordening Gelderland is die voorkeursvolgorde op provinciaal niveau vastgelegd. In artikel 5:90 van deze verordening staan landbouw- en natuurgronden op trede 4, oftewel de laagste voorkeurstrede. Een meerwaarde van het onteigende wegens de verwachting dat daarop zonnepanelen zullen worden geplaatst ligt daarmee – ook naar het oordeel van de rechtbank – niet voor de hand.



3.15.
Al met al hebben de deskundigen de prijs van de onteigende grond getaxeerd op € 12,00 per m², te weten het oppervlakte-gewogen gemiddelde van de zeven door hen genoemde referentietransacties, verhoogd met 20% omdat het een huisperceel betreft en aan de openbare weg is gelegen.



3.16.
De rechtbank gaat voorbij aan het betoog van de Staat tijdens het pleidooi dat de hiervoor genoemde toeslag van 20% te fors is. De Staat heeft aangevoerd dat zes van de zeven relevante referentietransacties aan de openbare weg zijn gelegen, zodat deze eigenschap al is verdisconteerd in de gemiddelde transactieprijs. Ook het feit dat het om een huiskavel gaat, is volgens de Staat geen reden om aan het onteigende een meerwaarde toe te kennen. Die meerwaarde komt namelijk in de regel pas tot stand als het gaat om een agrarisch bedrijf dat in de exploitatie leunt op de huiskavel en daarvan is hier geen sprake, aldus de Staat. De deskundigen hebben hun adviesprijs van € 12,00 per m² tijdens het pleidooi gehandhaafd, omdat het gaat om een specifiek perceel dat ook niet agrarisch wordt gebruikt. “Het blok” heeft een bedrijfsbestemming en het perceel is bovendien aan twee wegen gelegen, zodat sprake is van dubbele zichtbaarheid, aldus de deskundigen tijdens het pleidooi. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de gemotiveerde waardering van de deskundigen te twijfelen en sluit zich daarom daarbij aan.



3.17.
Gezien het voorgaande stelt de rechtbank de totale waarde van het onteigende vast op een bedrag van € 96.636,00 (8.053 m² × € 12,00).


De waardevermindering van het overblijvende




3.18.
Op grond van artikel 41 Ow komt de mindere waarde van het overblijvende, voor zover een rechtstreeks en noodzakelijk gevolg van de onteigening, voor vergoeding in aanmerking.



3.19.
Niet in geschil is dat het overblijvende als gevolg van de onteigening en de aanleg en het gebruik van het werk op het onteigende een waardevermindering zal ondergaan. De deskundigen hebben in hun rapport uiteengezet dat zij als waardeverminderende factoren voor het overblijvende vooral beschouwen een toename van geluid van de op- en afrit, verslechtering van uitzicht en vermindering van privacy voor zover het betreft de aanleg en aanwezigheid van het werk op het onteigende. Verder heeft de onteigening volgens de deskundigen een vormverslechtering tot gevolg van het deel van de overblijvende cultuurgrond dat direct achter het bedrijfserf is gelegen. Volgens de deskundigen leidt dit echter niet tot waardedaling van dat gedeelte van het perceel, omdat zij daaraan een (hogere dan de agrarische) verwachtingswaarde toekennen, gelet op de verwachtingen bij mogelijke uitbreiding van de bedrijfsbestemming.



3.20.
De deskundigen hebben bij de begroting van de waardevermindering rekening gehouden met een vergoeding als bijkomende schade, zoals door de Staat voorgesteld, van de kosten van het rooien en afvoeren van de bestaande coniferenhaag en het plaatsen van een nieuwe hardhouten schutting met hedera over een lengte van ongeveer 60 meter. Ook hebben zij rekening gehouden met het (impliciete) bijkomend aanbod van de Staat tot verplaatsing van de inrit van de voorzijde naar de achterzijde met aansluiting op de bestaande verharding aldaar.



3.21.
De deskundigen hebben ten behoeve van de waardering van het gehele object [naam perceel] en de waardevermindering daarvan onderzoek gedaan naar de ontwikkeling van de markt sinds 2019 en naar beschikbare recente bedrijfsmatige referenties. Op grond daarvan begroten zij de waarde in de situatie vóór onteigening van de bedrijfskavel met grond, bedrijfswoning en opstallen op € 480.000,00.



3.22.
Daarmee ziet de begroting door de deskundigen van de waardevermindering van het overblijvende er als volgt uit, uitgaande van een agrarische waarde van de cultuurgrond van € 12,00 per m²:








- Waarde in de situatie vóór onteigening:










bedrijfskavel met grond, bedrijfswoning en opstallen (2.500 m²)




€ 480.000,00







gedeelte met verwachtingswaarde
(3.600 m²)



€ 57.600,00







agrarische cultuurgrond (17.615 m²)




€ 211.380,00








zodat de waarde van het gehele object [naam perceel] bedraagt






€ 748.980,00




- Waarde van het overblijvende object:










bedrijfskavel met grond, bedrijfswoning en opstallen



€ 456.000,00







gedeelte met verwachtingswaarde
(3.600 m²)



€ 57.600,00







agrarische cultuurgrond
(9.562 m²)



€ 109.963,00







Totaal na onteigening






€ 623.563,00





Verschil





€ 125.417,00




Af: waarde onteigende perceelsgedeelte






€ 96.636,00




Dus wegens waardevermindering overblijvende te vergoeden






€ 28.781,00








3.23.
Naar aanleiding van het conceptadvies heeft mr. Van Dijk q.q. de deskundigen verzocht om een nadere onderbouwing van de waardevermindering. De deskundigen hebben hierover in hun definitieve advies overwogen – en zij hebben tijdens het pleidooi herhaald – dat de begroting van de waardevermindering van een object als gevolg van onteigening altijd een inschatting betreft met een enigszins subjectief karakter. In dit geval zijn de deskundigen uitgegaan van een waardedaling van 5% van de bedrijfskavel met grond, bedrijfswoning en opstallen. Voor de waardedaling van de agrarische cultuurgrond, niet zijnde het gedeelte met verwachtingswaarde, zijn de deskundigen uitgegaan van een waardedaling van € 0,50 per m² over het gehele areaal. In wat mr. Van Dijk q.q. heeft aangevoerd, hebben de deskundigen geen aanleiding gezien voor bijstelling van deze uitgangspunten.



3.24.
De Staat kan zich verenigen met de begroting van de waardevermindering van het overblijvende door de deskundigen.



3.25.
Tijdens het pleidooi is een aantal bezwaren van mr. Van Dijk q.q. tegen de begroting van de waardevermindering van het overblijvende aan bod gekomen. De rechtbank gaat aan deze bezwaren voorbij. Zo heeft mr. Van Dijk q.q. betoogd dat de grond niet meer geschikt is voor de uitbreiding van het erf als gevolg van de “pukkel” (een in het overblijvende uitstulpend gedeelte van het onteigende). De deskundigen hebben in reactie op dit betoog echter uiteengezet dat de “pukkel” bij uitbreiding van het bedrijf naar achteren juist een goede ontsluiting geeft op het achterliggende deel, ook omdat bedrijfswagens niet meer langs de woning hoeven. Daarnaast heeft mr. Van Dijk q.q. erop gewezen dat de nieuwe toegangsweg met een talud op twintig meter van de woning het uitzicht behoorlijk zal belemmeren, terwijl nu sprake is van een vrij uitzicht. Volgens de deskundigen speelt verlies van vrij uitzicht echter niet. Verder is de grond volgens mr. Van Dijk q.q. als gevolg van de onteigening niet meer geschikt voor zonnepanelen, hetgeen ook tot een grotere waardevermindering zou leiden. De deskundigen menen echter dat ongeschiktheid voor zonnepanelen hier niet relevant is, omdat dit alleen ter zake doet bij aanzienlijk grotere oppervlakten dan waar het hier om gaat.



3.26.
De rechtbank ziet geen reden te twijfelen aan de juistheid van de gemotiveerde waardering door de deskundigen en sluit zich hierbij aan. Met de waardering van de deskundigen is ook gemotiveerd gerespondeerd op het betoog van mr. Van Dijk q.q., zoals herhaald tijdens het pleidooi, dat de deskundigen de verwachtingswaarde van het direct achter het bedrijfserf gelegen deel van de overblijvende cultuurgrond te laag zouden hebben vastgesteld. De deskundigen hebben hierover in hun definitieve rapport overwogen dat het voor de begroting van de waardevermindering van het overblijvende niet uitmaakt welke waarde aan dit perceelsgedeelte wordt toegekend. Als gevolg van de onteigening wordt de mogelijke bedrijfsuitbreiding naar achteren toe immers niet beperkt, zodat geen sprake is van waardedaling van dit gedeelte. Ook verwijst mr. Van Dijk q.q. volgens de deskundigen naar geheel onvergelijkbare situaties van heel kleine oppervlakten bij woningen, terwijl hier sprake is van een bedrijfsobject in een agrarische situering. Ten slotte voerde mr. Van Dijk q.q. naar aanleiding van het conceptrapport nog aan dat als gevolg van de onteigening de mogelijkheid tot het realiseren van een mantelzorgwoning zou zijn vervallen. De deskundigen zien echter niet in dat dit het geval is. De rechtbank sluit zich hierbij aan.



3.27.
Gezien het voorgaande stelt de rechtbank de schade in de vorm van waardevermindering van het overblijvende, in navolging van de deskundigen, vast op € 28.781,00.


Bijkomende schade




3.28.
De deskundigen hebben in hun rapport uiteengezet dat wegens bijkomende schade een bedrag van in totaal € 35.500,00 voor vergoeding in aanmerking komt. Het gaat om een bedrag van € 31.000,00 in verband met de kosten van rooien en afvoeren van de bestaande coniferenhaag en het plaatsen van een nieuwe hardhouten schutting met hedera over een lengte van ongeveer 60 meter en een bedrag van € 4.500,00 voor de verplaatsing van de bestaande poort naar de door de Staat te realiseren nieuwe ontsluiting op het overblijvende.



3.29.
De Staat kan zich in deze schadebegroting vinden. De rechtbank sluit zich daarbij aan. Uit het standpunt van de Staat maakt de rechtbank op dat de Staat bijkomend aanbiedt een inrit te verplaatsen van de voorzijde naar de achterzijde met aansluiting op de bestaande verharding aldaar. De rechtbank zal de Staat veroordelen tot gestanddoening van dat aanbod.



3.30.
Dat mr. Van Dijk q.q. door de onteigening overige bijkomende schade heeft geleden, is niet gebleken. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.



3.31.
Naar aanleiding van het conceptadvies heeft mr. Van Dijk q.q. zich op het standpunt gesteld, anders dan wat hij heeft meegedeeld tijdens de opneming op 13 februari 2025, dat de bestaande poort aan de voorzijde zou moeten worden gehandhaafd omdat het weiland vanaf de Helhoek anders vrij toegankelijk zou zijn. De deskundigen hebben hun advies op dit punt vervolgens gehandhaafd. Daartoe hebben zij overwogen dat de elektrische schuifpoort naar het onteigende weiland na onteigening geen functie meer heeft en dat het openslaande dubbele toegangshek tot het erf gehandhaafd blijft. In de offerte die namens mr. Van Dijk q.q. is overgelegd zien de deskundigen geen aanleiding hun begroting aan te passen. De offerte gaat immers uit van een langer hek dan de deskundigen tot uitgangspunt hebben genomen en dan zij noodzakelijk vinden. Bovendien gaat de offerte uit van de plaatsing van een sierhekwerk, wat duurder is dan de verplaatsing van de bestaande elektrische schuifpoort en van twee nieuwe poorten terwijl de deskundigen geen noodzaak zien voor een tweede poort als gevolg van de onteigening. Deze meerkosten zijn volgens de deskundigen geen gevolg van de onteigening en komen dus niet voor vergoeding in aanmerking.



3.32.
Mr. Van Dijk q.q. heeft verder aangevoerd dat zich op het onteigende (verplaatsbare) reclameborden bevinden ten behoeve van het loonwerkbedrijf en ten behoeve van een derde, namelijk Zorgplus. In verband daarmee heeft hij aan de deskundigen facturen aan Zorgplus overgelegd ter hoogte van € 100,00 per maand exclusief btw. Mr. Van Dijk q.q. stelt zich op het standpunt dat (de erven van) [naam 1] deze inkomsten na onteigening mislopen. Tijdens het pleidooi heeft mr. Van Dijk q.q. hieraan nog toegevoegd dat het ook gaat om een reclamebord van HE Tuinmachines. Ook dat bord levert volgens mr. Van Dijk q.q. € 100,00 per maand op. In totaal lopen de erven van [naam 1] naar eigen zeggen dus € 200,00 per maand oftewel € 2.400,00 exclusief btw per jaar aan huuropbrengst mis. De deskundigen hebben ter plaatse echter alleen een bord van Zorgplus aangetroffen en een bord van het bedrijf van mr. Van Dijk q.q. zelf. Zij achten niet aannemelijk dat sprake zal zijn van door de onteigening veroorzaakte opbrengstderving, aangezien het gaat om op een kar geplaatste reclameborden die eenvoudig naar het overblijvende kunnen worden verplaatst. Anders dan mr. Van Dijk q.q. betoogt, zijn de deskundigen van mening dat de borden, als deze wat verder op het overblijvende staan, zich nog steeds op korte zichtafstand van de weg bevinden. Verplaatsing van de reclameborden leidt volgens de deskundigen dan ook niet tot schade voor mr. Van Dijk q.q.



3.33.
Ook heeft mr. Van Dijk q.q. naar aanleiding van het conceptadvies aangevoerd dat de schadeloosstelling zou moeten voorzien in aanschaf en installatie van bewakingscamera’s. Volgens de deskundigen bestaat daarvoor echter niet een door de onteigening veroorzaakte noodzaak.



3.34.
Ten slotte heeft mr. Van Dijk q.q. aanspraak gemaakt op vergoeding van gestelde kosten in verband met de aanleg van een dam met duiker. De deskundigen zien echter geen aanleiding voor een vergoeding op dit punt, omdat de dam met duiker niet op het onteigende is aangelegd en – mocht dit toch het geval zijn – de waarde van de ontsluiting van het weiland al in de te vergoeden waarde van het onteigende is opgenomen. De Staat heeft hieraan tijdens het pleidooi nog toegevoegd dat de dam en duiker dateren uit 2000 en daarom inmiddels zijn afgeschreven.



3.35.
De rechtbank ziet geen reden te twijfelen aan de afweging die de deskundigen op bovengenoemde punten hebben gemaakt en sluit zich daarbij aan. Zij stelt de bijkomende schade dan ook vast op € 35.500,00.


Vaststelling van de schadeloosstelling




3.36.
De slotsom is dat de schadeloosstelling wordt berekend op € 96.636,00 als waarde van de grond, € 28.781,00 als vergoeding voor de waardevermindering van het overblijvende en € 35.500,00 als vergoeding voor bijkomende schade, samen € 160.917,00.



3.37.
Mr. Van Dijk q.q. heeft in het kader van de vervroegde onteigening een voorschot van € 100.371,00 ontvangen. Dat is dus minder dan de schadeloosstelling. Mr. Van Dijk q.q. heeft ten titel van schadevergoeding ook recht op vergoeding van het nadeel dat hij lijdt door het gemis van het bedrag waarmee de uiteindelijke schadeloosstelling het betaalde voorschot te boven gaat gedurende de periode tussen de dag waarop het vonnis tot vervroegde onteigening is ingeschreven en de dag waarop de schadeloosstelling wordt vastgesteld. Het bedoelde nadeel moet worden begroot naar de waarde van het gemiste genot, die niet noodzakelijkerwijs is gelijk te stellen aan de wettelijke rente over het gemiste bedrag (Hoge Raad 21 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF0415, De Bruyn c.s./Waterschap Rivierenland).



3.38.
De deskundigen hebben dit nadeel in hun rapport getaxeerd op een bedrag gelijk aan 1,5% (samengesteld per jaar) over het verschil vanaf de datum van ontvangst van het voorschot tot de datum van onherroepelijke vaststelling van de schadeloosstelling. De rechtbank sluit zich hierbij aan en zal deze rente in die zin toewijzen.



3.39.
Op grond van het voorgaande zal de rechtbank de schadeloosstelling vaststellen op een bedrag van € 160.917,00, te vermeerderen met een rente van 1,5% (samengesteld per jaar) over € 60.546,00 (€ 160.917,00 minus € 100.371,00) vanaf de datum van ontvangst van het voorschot tot aan de datum van dit vonnis. De rechtbank zal de Staat veroordelen om aan mr. Van Dijk q.q. het resterende bedrag van € 60.546,00 te voldoen, te vermeerderen met een rente van 1,5% (samengesteld per jaar) over € 60.546,00 vanaf de datum van ontvangst van het voorschot tot aan de datum van dit vonnis.



3.40.
Op grond van artikel 55 lid 3 Ow moet de Staat over het per saldo te betalen bedrag de wettelijke rente vergoeden vanaf vandaag tot de dag van de algehele voldoening.


Immateriële schade




3.41.
Tijdens het pleidooi heeft mr. Van Dijk q.q. zich erop beroepen dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden waarbinnen de onteigeningsprocedure had moeten zijn afgewikkeld. De gerechtelijke onteigeningsprocedure – gerekend vanaf het verzoekschrift van 22 augustus 2019 tot het houden van een descente – duurt inmiddels meer dan zes jaar. De administratieve fase meegerekend – die is begonnen met het ter inzage leggen van het ontwerp KB per 8 november 2018 – duurt de onteigeningsprocedure inmiddels zelfs al meer dan zeven jaar, aldus mr. Van Dijk q.q. Volgens mr. Van Dijk q.q. is daarmee de redelijke termijn overschreden. Hij maakt aanspraak op een bedrag van € 5.000,00 bij wijze van vergoeding voor de immateriële schade die volgens hem het gevolg is van deze termijnoverschrijding.



3.42.
De Staat heeft in reactie hierop aangevoerd dat mr. Van Dijk in zijn hoedanigheid van derde ingevolge artikel 20 Ow de gedaagde partij is, en dat de erven van wijlen de heer [naam 1] de procedure niet van hem hebben overgenomen. De Staat betoogt dat mr. Van Dijk q.q. een professionele partij is, die geen immateriële schade lijdt. Voor vergoeding van immateriële schade bestaat om die reden volgens de Staat geen grond. De rechtbank verwerpt dit standpunt van de Staat. Mr. Van Dijk treedt in zijn hoedanigheid op voor wijlen de heer [naam 1] en de erven van wijlen de heer [naam 1] zijn de rechtsopvolgers onder algemene titel van wijlen de heer [naam 1] .




3.43.
Inhoudelijk oordeelt de rechtbank over de aanspraak op immateriële schadevergoeding als volgt. Voor toekenning van een vergoeding voor immateriële schade bestaat in deze procedure geen grond. De gestelde schade als gevolg van de lange duur van de behandeling van de zaak staat in onvoldoende verband tot de onteigening om te kunnen worden aangemerkt als gevolg van de onteigening. De schade kan dan ook niet van de processuele wederpartij worden gevorderd. In geval van overschrijding van de redelijke termijn in een civiele procedure moet een daarop gerichte vordering tot schadevergoeding worden ingesteld in een afzonderlijke procedure uit onrechtmatige daad tegen het staatsonderdeel dat daarvoor aansprakelijk is. Dat is niet de eisende partij in deze procedure, te weten het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, maar het Ministerie van Justitie en Veiligheid.


De kosten van juridische en overige deskundige bijstand




3.44.
Op grond van artikel 50 Ow is uitgangspunt dat de daadwerkelijk gemaakte kosten van rechtsbijstand en van bijstand door andere deskundigen ten laste van de onteigenende partij komen. De onteigeningsrechter toetst of het redelijk is dat de bijstand is ingeroepen en of de gemaakte kosten binnen een redelijke omvang zijn gebleven (de zogenaamde dubbele redelijkheidstoets). Het belang van de zaak, zoals dit tot uitdrukking komt in de samenstelling en de hoogte van de toegekende schadeloosstelling, en de mate waarin een zaak juridisch of anderszins gezien ingewikkeld is, spelen daarbij een rol.



3.45.
Bij akte van 26 november 2025 heeft mr. Van Dijk q.q. – onder overlegging van gespecificeerde facturen – opgave gedaan van de kosten van juridische en overige deskundige bijstand. Het gaat om een totaalbedrag van € 33.158,05 inclusief btw vanwege juridische bijstand en een bedrag van € 19.021,93 inclusief btw voor overige deskundige bijstand (inclusief € 70,30 verschotten).



3.46.
De Staat heeft bij akte van 10 december 2025 laten weten akkoord te gaan met de vergoeding van de kosten van juridische en deskundige bijstand, na aftrek van de al betaalde bedragen zoals mr. Van Dijk q.q. in zijn kostenopgave heeft gedaan. Omdat deze kosten in redelijkheid zijn gemaakt en binnen een redelijke omvang zijn gebleven, komen de kosten voor vergoeding in aanmerking.


De kosten van de door de rechtbank benoemde deskundige




3.47.
De Staat moet ook de kosten van de door de rechtbank benoemde deskundigen dragen. Bij brief van 6 november 2025 heeft de voorzitter van de deskundigencommissie de rechtbank de definitieve declaraties doen toekomen. Het gaat om een totaalbedrag van € 17.646,10 inclusief btw. De Staat heeft tijdens het pleidooi laten weten zich te kunnen vinden in de kostenopgaaf van de deskundigen. De rechtbank begroot de kosten van de deskundigen in deze zaak daarom op € 17.646,10 inclusief btw. De Staat zal worden veroordeeld tot betaling van deze kosten.





Naheffing griffierecht




3.48.
In deze zaak is een kennelijke en evidente fout gemaakt bij het heffen van griffierecht. Aan de Staat is een bedrag van € 656,00 en aan mr. Van Dijk q.q. is een bedrag van € 304,00 in rekening gebracht. Op grond van artikel 10 lid 2 van de Wet Griffierechten Burgerlijke Zaken (WGBZ) moet de hoogte van het griffierecht worden bepaald aan de hand van de som die in de dagvaarding als schadeloosstelling wordt aangeboden. De Staat heeft in de dagvaarding een bedrag van € 100.371,00 als schadeloosstelling aangeboden. Ten tijde van het aanbrengen van de dagvaarding (2020) bedroeg het griffierecht voor zaken met een beloop van meer dan € 100.000,00 en niet meer dan € 1.000.000,00 voor niet natuurlijke personen € 4.131,00 en voor natuurlijke personen € 1.639,00. Dit betekent dat aan de Staat een naheffing van € 3.475,00 en aan mr. Van Dijk q.q. een naheffing van € 1.335,00 zal worden opgelegd. Het door mr. Van Dijk q.q. verschuldigde griffierecht van € 1.639,00 komt voor rekening van de Staat. Het in totaal door de Staat te vergoeden bedrag voor juridische bijstand komt daarmee op € 34.493,05 (€ 33.158,05 + € 1.335,00).


Publicatie




3.49.
Tot slot zal de rechtbank een nieuws- en advertentieblad aanwijzen ter publicatie van dit vonnis.






4De beslissing


4.1.
stelt de door de Staat aan mr. Van Dijk q.q. verschuldigde schadeloosstelling voor de bij het vonnis van 13 november 2024 uitgesproken onteigening vast op een bedrag van € 160.917,00, te vermeerderen met een rente van 1,5% (samengesteld per jaar) over € 60.546,00 vanaf de datum van ontvangst van het voorschot tot aan de datum van dit vonnis,



4.2.
veroordeelt de Staat om aan mr. Van Dijk q.q. te betalen een bedrag van € 60.546,00, te vermeerderen met de hiervoor onder 4.1 genoemde rente, de som daarvan te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf vandaag tot aan de dag van de algehele voldoening,



4.3.
bepaalt dat de Staat het bijkomend aanbod om een inrit te verplaatsen van de voorzijde naar de achterzijde met aansluiting op de bestaande verharding aldaar gestand zal doen,



4.4.
veroordeelt de Staat om aan mr. Van Dijk q.q. te betalen de kosten van juridische bijstand ten bedrage van € 34.493,05 inclusief btw en inclusief griffierecht,



4.5.
veroordeelt de Staat om aan mr. Van Dijk q.q. te betalen de kosten van overige bijstand ten bedrage van € 19.021,93 inclusief btw,



4.6.
veroordeelt de Staat in de kosten van de door de rechtbank benoemde deskundigen, vastgesteld op een bedrag van € 17.646,10 inclusief btw,



4.7.
wijst het te Duiven verschijnende dagblad De Gelderlander aan als nieuwsblad waarin dit vonnis door de griffier bij uittreksel zal worden geplaatst.









Dit vonnis is gewezen door mr. D. Vergunst, mr. K.H.A. Heenk en mr. M. Stempher en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026.














































JE/Vg/KH/Ma



Vgl. Hoge Raad 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:736
Link naar deze uitspraak