|
|
|
| ECLI:NL:RBDHA:2025:27171 | | | | | Datum uitspraak | : | 29-12-2025 | | Datum gepubliceerd | : | 06-02-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Den Haag | | Zaaknummers | : | 24/2088 | | Rechtsgebied | : | Omgevingsrecht | | Indicatie | : | geen concreet zicht op legalisatie vanwege gesprekken met provincie, last onder dwangsom niet onevenredig | | Trefwoorden | : | bestemmingsplan | | | omgevingsvergunning | | | paarden | | | stallen | | | wabo | | | | Uitspraak | RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/2088
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 december 2025 in de zaak tussen
[eiser] uit [woonplaats] , eiser(gemachtigde: mr. M.R. Plug)
en
het college van burgemeester en wethouders van Zuidplas, het college (gemachtigde: mr. A.J.M.M. Scholtes).
Procesverloop
1. Eiser is de eigenaar van de percelen aan de [adres] , kadastraal bekend als [kadastraal nummer] . Op 29 december 2022 heeft het college eiser op de hoogte gesteld van het voornemen om hem een last onder dwangsom op te leggen, omdat hij zijn percelen gebruikte in strijd met het bestemmingsplan. Eiser werd gelast een aantal bouwwerken te verwijderen en het stallen en (laten) berijden van paarden te staken. Hem werd daarbij een begunstigingstermijn van drie weken geboden.
1.1.
Omdat eiser de situatie op zijn percelen niet beëindigde, heeft het college op 5 juni 2023 een last onder dwangsom opgelegd met een begunstigingstermijn van acht weken. De begunstigingstermijn werd op verzoek van eiser meerdere keren verlengd, uiteindelijk tot zes weken na deze uitspraak. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de last onder dwangsom en dit bezwaar werd op 30 januari 2024 ongegrond verklaard (het bestreden besluit). Uit het besluit blijkt dat de overtredingen met betrekking tot het stallen en berijden van paarden inmiddels waren gestaakt, maar dat de bouwwerken niet waren verwijderd.
1.2.
Eiser heeft op 12 maart 2024 beroep ingesteld tegen dit besluit en het beroep op 16 april 2024 aangevuld. Het college heeft op 29 juli 2024 gereageerd met een verweerschrift. Eiser heeft om aanhouding van de zitting verzocht, het college heeft op dit verzoek gereageerd en de rechtbank heeft het verzoek afgewezen. Eiser heeft op 3 november 2025 een aanvullend stuk gestuurd over zijn correspondentie met de provincie Zuid-Holland over de percelen.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 14 november 2025 op zitting behandeld. Aan de zitting hebben eiser en de gemachtigde van het college deelgenomen.
Toetsingskader
2. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een last onder dwangsom is opgelegd voor een overtreding of dreigende overtreding, vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid en eerste lid onder c, van de Invoeringswet het oude recht van toepassing tot de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven. Het college heeft op 5 juni 2023 een last onder dwangsom opgelegd. Daarom blijft in dit geval de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) van toepassing.
2.1.
Op de percelen geldt het bestemmingsplan ‘ [bestemmingsplan] ’. [perceel 1] heeft de bestemmingen ‘Wonen’, ‘Tuin’, ‘Natuur’ en ‘Waarde - Archeologie 3’. [perceel 2] heeft de bestemmingen ‘Natuur’ en ‘Waarde - Archeologie 3’.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het college een juist besluit heeft genomen. Eiser krijgt dus ongelijk. Hieronder legt de rechtbank aan de hand van eisers beroepsgronden uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Stonden de provinciale ontwikkelingen in de weg aan handhaving?
4. Volgens eiser had het college bij het bestreden besluit de provinciale ontwikkelingen moeten betrekken die van toepassing zijn op zijn percelen. Provincie Zuid-Holland streeft in het gebied waar eisers percelen onder vallen een natuurgerichte ontwikkeling na en hierover is zij met eiser in gesprek. Eiser verwijst naar een brief van de provincie van 12 maart 2024, waarmee hij over dit voornemen werd geïnformeerd. Het college had volgens eiser van handhaving moeten afzien tot het moment waarop de percelen daadwerkelijk tot ontwikkeling worden gebracht als natuurgebied en als recreatiegebied in de vorm van een camping.
4.1.
Volgens het college is het gebruik van de percelen in strijd met de daar geldende bestemming ‘Natuur’ en moet daarom handhavend worden opgetreden. De plannen van de provincie om eisers percelen te ontwikkelen en de gesprekken daarover bevinden zich nog in een beginstadium. Het is dus onbekend of, zoals eiser stelt, de illegale bouwwerken voor deze natuurontwikkeling kunnen worden ingezet.
4.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat de bouwwerken op eisers percelen strijdig zijn met de op die delen geldende bestemming ‘Natuur’ en dat er geen omgevingsvergunning is aangevraagd of verleend om de bouwwerken te mogen laten staan. Het college is daarom bevoegd om, op grond artikel 2.1 van de Wabo, handhavend op te treden. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) moet een bestuursorgaan in de regel gebruik maken van zijn bevoegdheid om handhavend op te treden. Alleen in bijzondere gevallen kan van handhaving worden afgezien, omdat handhaving in die gevallen onevenredig is.Handhavend optreden is onevenredig als er omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin van handhavend optreden moet worden afgezien.
4.3.
Een dergelijk bijzonder geval doet zich, onder meer, voor bij concreet zicht op legalisatie. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling moet voor concreet zicht op legalisatie van met het bestemmingsplan strijdig gebruik ten minste een begin zijn gemaakt met de voor verlening van die vergunning vereiste procedure en is dit niet mogelijk zonder een aanvraag. Alleen al omdat eiser geen omgevingsvergunning heeft aangevraagd voor de bouwwerken, bestond in dit geval geen concreet zich op legalisatie. Bovendien heeft het college in de bezwaar- en beroepsprocedure duidelijk gemaakt niet bereid te zijn een omgevingsvergunning te verlenen. Ook dit gegeven staat in de weg aan concreet zicht op legalisatie.
4.4.
Voor zover eiser betoogt dat er dankzij de provinciale ontwikkelingen alsnog concreet zicht op legalisatie bestond, overweegt de rechtbank dat uitsluitend het college bevoegd is tot het verlenen van toestemming om af te wijken van het bestemmingsplan, of tot het wijzigen van het bestemmingsplan waardoor de bouwwerken in de nieuwe situatie zouden zijn toegestaan. Hiervan is, zoals eiser ook erkent, geen sprake. De plannen van de provincie, voor zover die de bouwwerken zouden toestaan, kunnen dus niet in de weg staan aan handhaving. De door eiser aangevoerde communicatie met de provincie Zuid-Holland is bovendien van ná het bestreden besluit. Het bestreden besluit werd genomen op 30 januari 2024. Eiser ontving daarna, op 12 maart 2024, een brief van de provincie over het voornemen tot een natuurgerichte ontwikkeling van het gebied waarop ook eisers percelen staan. Het college hoefde deze communicatie dan ook niet te betrekken bij zijn besluitvorming.
4.5.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Was handhaving om een andere reden onevenredig?
5. Volgens eiser is handhavend optreden in dit geval ook onevenredig omdat daartoe de noodzaak ontbreekt. Met het zicht op de ontwikkelingen vanuit de provincie acht eiser handhavend optreden voorbarig en niet nodig. De bouwwerken staan bovendien al lange tijd op de percelen. Dat maakt ze weliswaar niet legaal, maar het duidt er wel op dat er geen spoedeisend belang is bij verwijdering. Ook leveren de opstallen geen hinder of beperkingen op voor naastgelegen percelen en vallen de opstallen vanaf openbaar toegankelijk gebied nauwelijks op.
5.1.
Omdat het gebruik van de percelen in strijd is met het bestemmingsplan en een omgevingsvergunning ontbreekt, ziet het college voldoende redenen om gebruik te maken van zijn bevoegdheid tot handhaving. De omstandigheden dat er geen handhavingsverzoek is gedaan en de bouwwerken al jaren aanwezig zijn, staan daaraan niet in de weg. Ook stelt het college dat de bouwwerken zichtbaar zijn vanaf de naastgelegen percelen en de openbare weg.
5.2.
Zoals hiervoor overwogen in 4.2 heeft het college de beginselplicht tot handhaving en kan daar alleen van worden afgezien wanneer handhaving onevenredig is. Bij de vraag of handhaving evenredig is, is van belang of het besluit noodzakelijk was om het doel te bereiken. Als er een keuze mogelijk is tussen meerdere geschikte maatregelen, dan moet op basis van deze toets die maatregel worden gekozen die de belanghebbende het minst belast.
5.3.
Handhaving met een last onder dwangsom was in dit geval voor het college noodzakelijk om zijn doel - naleving van het bestemmingsplan - te bereiken. Het college kon niet met een minder ingrijpend middel volstaan, ook omdat gesprekken met eiser en het bieden van een eerste begunstigingstermijn niet hadden geleid tot opheffing van de overtredingen. Uit de bezwaarprocedure blijkt dat eiser ook toen niet bereid was de bouwwerken te verwijderen, ook nadat hem daarvoor op het moment van het bestreden besluit meer dan een jaar de tijd was geboden. Tijdens de zitting in de beroepsprocedure heeft eiser opnieuw kenbaar gemaakt niet voornemens te zijn de bouwwerken te verwijderen en de uitkomst van zijn gesprekken met de provincie af te willen wachten. Ook dit bevestigt de noodzaak aan de kant van het college om handhavend op te treden.
5.4.
Dat er geen spoedeisend belang zou zijn bij de verwijdering van de bouwwerken, maakt niet dat handhaving niet noodzakelijk was. Het college hoefde - na het bieden van een begunstigingstermijn - niet met een minder ingrijpend middel te volstaan dan handhaving om het gebruik in strijd met het bestemmingsplan te laten beëindigen, juist nu dit al lange tijd voortduurt. Hetzelfde geldt voor het argument dat derden geen hinder van de bouwwerken zouden ondervinden. Nog afgezien van de stelling van het college dat de bouwwerken te zien zijn vanaf naastgelegen percelen en openbaar gebied, maakt deze stelling niet dat handhaving niet noodzakelijk was om de overtreding te laten beëindigen.
5.5.
Aan de omstandigheden die zijn aangevoerd door eiser komt naar het oordeel van de rechtbank niet een zodanig zwaar gewicht toe dat het algemeen belang van handhaving daarvoor moest wijken. Handhavend optreden was, gelet op bovenstaande omstandigheden, in dit geval niet onevenredig.
5.6.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.E. van Essen, rechter, in aanwezigheid van mr. I. Ince, griffier.Uitgesproken in het openbaar op 29 december 2025.
de griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie o.a. de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678, r.o. 6.1.
Zie o.a. de uitspraak van de Afdeling van 22 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5100, r.o. 6.1.
Zie o.a. de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:854, r.o. 9.2.
Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 8 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:35, r.o. 2.2.
Uitspraak van de Afdeling van 8 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2022:285, r.o. 7.7. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|