|
|
|
| ECLI:NL:RBDHA:2026:1617 | | | | | Datum uitspraak | : | 07-01-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 06-02-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Den Haag | | Zaaknummers | : | SGR 24/4331 | | Rechtsgebied | : | Omgevingsrecht | | Indicatie | : | Activiteiten zijn niet impliciet vergund. Nu eisers voor deze activiteiten niet beschikten over een omgevingsvergunning om van het bestemmingsplan af te wijken, levert dit een overtreding op, waartegen het college in beginsel handhavend diende op te treden. | | Trefwoorden | : | bestemmingsplan | | | bouwvergunning | | | omgevingsvergunning | | | paarden | | | perceel | | | stallen | | | vrijstelling | | | wabo | | | | Uitspraak | RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/4331
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 januari 2026 in de zaak tussen
[eisers sub 1] en [eisers sub 2], uit [woonplaats], eisers
(gemachtigde: mr. L. Bolier)
en
het college van burgemeester en wethouders van Nieuwkoop.
Als derde-partijen nemen aan de zaak deel: [derde-partij 1] en [derde-partij 2], uit [woonplaats]
(gemachtigde: mr. A.A. Bouman).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het opleggen van een last onder dwangsom aan [bedrijfsnaam] (de onderneming van [eisers sub 2]) en [eisers sub 1]. Het college heeft deze last opgelegd omdat eisers geen omgevingsvergunning hebben voor het geven van paardrijlessen, het niet-hobbymatig houden van pony’s en paarden en het geven van kinderpartijtjes op het perceel [adres] in [plaats]. Eisers zijn het niet eens met het opleggen van de last onder dwangsom. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het opleggen van de last onder dwangsom.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de last onder dwangsom terecht heeft opgelegd. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Bij brief van 7 december 2022 heeft het college zijn voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom kenbaar gemaakt aan [bedrijfsnaam] en [eisers sub 1]. Het college wil deze last onder dwangsom opleggen omdat eisers zonder omgevingsvergunning paardrijlessen geven en paardenstallen exploiteren en omdat eisers geen omgevingsvergunning hebben voor de verrijdbare stacaravan die zich op het perceel bevindt.
2.1.
Bij besluit van 10 juli 2023 heeft het college de last onder dwangsom opgelegd. Het college heeft op 19 april 2024 besloten het besluit van 10 juli 2023 te herroepen en om eisers een last onder dwangsom op te leggen vanwege het niet-hobbymatig houden van pony’s en paarden, het geven van paardrijlessen en het anders dan om niet geven van kinderpartijtjes op hun perceel (het bestreden besluit). De last houdt in dat eisers de activiteiten binnen een termijn van drie jaar te rekenen vanaf 13 april 2022 moeten beëindigen en beëindigd houden en de dwangsom is vastgesteld op een bedrag van € 2.000,- per maand met een maximum van € 12.000,-.
2.4.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Derde-partijen hebben ook schriftelijk gereageerd.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 11 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, hun gemachtigde, [derde-partij 2] en zijn gemachtigde. Het college is met bericht vooraf niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als vóór 1 januari 2024 een last onder dwangsom is opgelegd voor een gepleegde overtreding, dan blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet op die opgelegde last onder dwangsom het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing, tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven. Het college heeft de last onder dwangsom vóór 1 januari 2024 opgelegd. Dat betekent dat in dit geval de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de onderliggende regelgeving, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Mocht het college de last onder dwangsom opleggen?
4. Eisers wonen op het perceel [adres] in [plaats]. [eisers sub 1] is eigenaar van het perceel. [eisers sub 2] exploiteerde op dit perceel [bedrijfsnaam]. In dat kader gaf zij paardrijles aan kinderen. Dat deed zij meerdere dagen per week, tussen drie uur ’s middags en zes uur ’s avonds en op zaterdagochtend. Ook organiseerde zij kinderpartijtjes, voor kleine groepjes kinderen. In de zomer organiseerde zij een ponykamp, waarbij meerdere kinderen enkele nachten op het perceel logeerden. Voor deze activiteiten hield [bedrijfsnaam] veertien pony’s op het perceel. Vanaf 2017 heeft [bedrijfsnaam] voor een korte periode een handelsstal geëxploiteerd. Eisers hebben inmiddels aan de last voldaan, zodat de paardenbak en de stallen alleen voor privédoeleinden in gebruik zijn.
4.1.
Voor het perceel van eisers geldt het bestemmingsplan “[bestemmingsplan]”. Op grond van het bestemmingsplan rusten op het perceel – voor zover hier van belang – de bestemmingen “Wonen” en “Tuin-Onbebouwd”, met de functieaanduiding “specifieke vorm van recreatie-paardenbak”. De paardenstal bevindt zich op een gedeelte van het perceel met de bestemming “Wonen”. Volgens het bestemmingsplan mag een perceel met de bestemming “Wonen” ook worden gebruikt voor wonen in combinatie met de uitoefening van een bedrijf aan huis in hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken. Het oppervlak van die activiteiten mag 30% van het vloeroppervlak van de woning en bijgebouwen beslaan, met een maximum van 100 m2.
4.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat de activiteiten van [bedrijfsnaam] op grond van het bestemmingsplan niet zijn toegestaan.
4.3.
Eisers betogen dat de activiteiten van [bedrijfsnaam] impliciet zijn vergund omdat het college op 3 maart 2020 een omgevingsvergunning heeft verleend voor de bouw van een blokhut op het perceel. Volgens eisers blijkt uit de vergunningaanvraag dat de blokhut gebruikt zou worden ten behoeve van de paardrijlessen, zodat het college feitelijk ook het geven van paardrijlessen heeft vergund. Uit communicatie met het college blijkt volgens eisers bovendien dat het college op de hoogte was van de paardrijlessen op het moment dat het de omgevingsvergunning voor de blokhut verleende. Eisers wijzen op rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarin wordt geoordeeld dat een vrijstelling voor gebruik in strijd met het bestemmingsplan geacht kan worden voort te vloeien uit een verleende bouwvergunning. Volgens eisers had het college bovendien een omgevingsvergunning kunnen verlenen, omdat eisers voldoen aan alle vereisten voor een bedrijf aan huis.
4.4.
Het college stelt zich op het standpunt dat het geven van paardrijlessen en het organiseren van ponykampen niet impliciet is vergund. Volgens het college is alleen een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een blokhut en voor het gebruik van de blokhut als zadelkamer en ontvangstruimte voor een handelsstal. In het vooroverleg is bovendien slechts sprake geweest van incidentele privé-rijlessen. Op het moment van het opleggen van de last waren ongeveer twaalf paarden aanwezig op het perceel, kregen ongeveer 80 kinderen paardrijles en organiseerde [bedrijfsnaam] ponykampen. Gelet op deze intensivering van het gebruik is de ruimtelijke impact op de omgeving veranderd, zodat de activiteiten die in het vooroverleg zijn besproken niet dezelfde zijn als de activiteiten die ten tijde van het bestreden besluit plaatsvonden op het perceel. Het college voert aan dat het verlenen van een omgevingsvergunning ook niet mogelijk is omdat niet wordt voldaan aan de eisen die gesteld worden aan het uitoefenen van een bedrijf aan huis. Een bedrijf aan huis mag alleen worden uitgeoefend in een woning en de daarbij behorende bouwwerken, niet in de buitenlucht in een paardenbak. Bovendien bevindt de paardenbak zich niet op gronden met de bestemming “Wonen”, maar op gronden met de bestemming “Tuin-onbebouwd”. Binnen die bestemming biedt het bestemmingsplan volgens het college geen mogelijkheid om met een omgevingsvergunning een bedrijf aan huis toe te staan.
4.5.
Derde-partijen wonen op het perceel naast dat van eisers. Zij geven aan veel overlast te hebben ervaren van de activiteiten van eisers. Zij stellen zich net als het college op het standpunt dat de activiteiten van [bedrijfsnaam] niet voldoen aan de eisen voor een bedrijf aan huis. Zij vinden ook dat de omgevingsvergunning voor de blokhut alleen maar ziet op de realisatie van de blokhut en dat daaruit niets kan worden afgeleid over een bedrijf. De benodigde toetsing voor de exploitatie van een bedrijf is niet terug te vinden in de omgevingsvergunning. Tijdens de zitting bij de rechtbank hebben derde-partijen toegelicht dat zij bezwaar zouden hebben gemaakt tegen de omgevingsvergunning voor de blokhut als daar duidelijk uit was gebleken dat daarmee ook de activiteiten van [bedrijfsnaam] zouden worden vergund.
4.6.
De rechtbank is van oordeel dat de activiteiten van [bedrijfsnaam] niet impliciet zijn vergund. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
4.7.
Op gronden met de bestemming “Tuin – Onbebouwd” zijn geen gebouwen toegestaan. [eisers sub 1] heeft op 16 januari 2020 een aanvraag gedaan voor een omgevingsvergunning voor het plaatsen van een blokhut. In de aanvraag staat bij de projectomschrijving: “Onder reg.nr. [nummer] heb ik vooroverleg gehad met de gemeente, dhr. [naam] voor het plaatsen van een blokhut in het verlengde van de stallen. Conclusie daarvan is dat ik een omgevingsvergunning hiervoor mag aanvragen. De blokhut wordt bestemd als zadelkamer en ontvangstruimte”. Op de vraag waar het terrein op dat moment voor werd gebruikt heeft [eisers sub 1] geantwoord: “Handelsstal voor dochter”. Ook op de vraag waarvoor het bouwwerk gebruikt zou worden, is geantwoord: “Ontvangstruimte en zadelkamer”.
4.8.
Het college heeft bij besluit van 3 maart 2020 een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een blokhut, in afwijking van het bestemmingsplan. Daarin staat:
“… de blokhut kan worden gerealiseerd op deze specifieke bestemming en kan worden gebruikt zoals door de aanvragers is beoogd. … Tot slot blijft het vloeroppervlak van de blokhut die gebruikt zal gaan worden voor bedrijf/beroep aan huis binnen de maximale grenzen die het bestemmingsplan daaraan stelt. Het realiseren van een blokhut op de bestemming ‘Tuin onbebouwd' om deze vervolgens te gaan gebruiken als bedrijf/beroep aan huis levert geen strijdigheid op met een goede ruimtelijke ordening.”
4.9.
Naar het oordeel van de rechtbank valt uit de aanvraag en de omgevingsvergunning niet af te leiden dat de blokhut gebruikt zou worden ten behoeve van paardrijlessen, kinderpartijtjes en zomerkampen. In de aanvraag is immers alleen vermeld dat de blokhut gebruikt zal worden als zadelkamer en ontvangstruimte en dat op het moment van de aanvraag een handelsstal aanwezig was op het perceel. In de omgevingsvergunning wordt alleen vermeld dat de blokhut gebruikt zal worden zoals door eisers is beoogd en als bedrijf/beroep aan huis. Van paardrijlessen en kinderpartijtjes is in de aanvraag en de omgevingsvergunning geen sprake. Of het college naar aanleiding van het vooroverleg wist dat op het perceel paardrijlessen zouden worden gegeven, is niet gebleken. Het is bovendien ook in het belang van de rechtszekerheid van derden dat uit een vergunningaanvraag en de verleende omgevingsvergunning valt af te leiden waarvoor die vergunning is verleend. De rechtbank ziet dan ook geen reden om het in de omgevingsvergunning vermelde gebruik van de blokhut ruimer uit te leggen dan het gebruik als zadelkamer en ontvangstruimte en dat deze ook gebruikt mag worden voor een bedrijf of beroep aan huis. Dat betekent dat met deze omgevingsvergunning geen (impliciete) toestemming is verleend voor het geven van paardrijlessen en het organiseren van kinderpartijtjes en ponykampen, nog daargelaten dat die activiteiten ook buiten de blokhut plaatsvinden. Ook de handelsstal is niet impliciet vergund met de vergunning voor de blokhut. Ook daarvoor geldt dat het college weliswaar op de hoogte was van het bestaan van de handelsstal, maar door het verlenen van de omgevingsvergunning voor de blokhut is niet (impliciet) door het college toestemming gegeven voor de handelsstal. De voorliggende gegevens zijn onvoldoende voor een dergelijke conclusie. Eisers hebben bovendien zelf toegelicht dat een zadelkamer niet nodig is voor een handelsstal. Ook om die reden is het niet logisch om in de omgevingsvergunning een impliciete toestemming voor de handelsstal te lezen.
4.10.
Of [bedrijfsnaam] ten tijde van het nemen van het bestreden besluit voldeed aan alle vereisten voor een bedrijf aan huis, is gelet op het voorgaande niet van belang. Het geven van paardrijlessen en het organiseren van kinderpartijtjes en ponykampen is immers in strijd met het bestemmingsplan. Nu eisers voor deze activiteiten niet beschikten over een omgevingsvergunning om van het bestemmingsplan af te wijken, levert dit een overtreding op, waartegen het college in beginsel handhavend diende op te treden. De rechtbank ziet in wat door eisers is aangevoerd geen reden om aan te nemen dat het college van handhaving had moeten afzien. Het college heeft daarom terecht de last onder dwangsom opgelegd.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college de last onder dwangsom terecht heeft opgelegd. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Groes, rechter, in aanwezigheid van mr. H.B. Brandwijk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 7 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Eisers verwijzen naar ABRvS 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:578.
Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 15 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:106. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|