Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBOBR:2026:856 
 
Datum uitspraak:06-02-2026
Datum gepubliceerd:09-02-2026
Instantie:Rechtbank Oost-Brabant
Zaaknummers:25/96 25/97 en 25/100
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Deze uitspraak gaat over de aan Groengas verleende omgevingsvergunning voor het wijzigen van de biogasinstallatie met mestverwaarding in Nistelrode. De rechtbank heeft de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (StAB) ingeschakeld en die heeft een advies uitgebracht. Op basis van het advies van de StAB is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit een aantal gebreken vertoont. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit grotendeels in stand zodat Groengas de vergunning grotendeels behoudt. De rechtbank maakt wel een uitzondering voor enkele onderdelen van de aanvraag. De StAB heeft een aantal suggesties gedaan om de voorschriften te verbeteren. Het college heeft hierbij nog aanvullende voorstellen gedaan. Deze voorstellen neemt de rechtbank over en laat de vergunning met een aantal wijzigingen in stand.
Trefwoorden:agrarisch
akkerbouw
ammoniak
ammoniakemissie
bestemmingsplan
boomteelt
buitengebied
dierlijke meststoffen
digestaat
geluidhinder
geurhinder
gewassen
intensieve veehouderij
mestopslag
meststoffen
mestvergisting
omgevingsvergunning
perceel
veehouderij
wabo
waterschap
wet milieubeheer
 
Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummers: SHE 25/96, SHE 25/97 en SHE 25/100


uitspraak van de meervoudige kamer van 6 februari 2026 in de zaken tussen




1
1. [eiser] ,

2. [eiser] en [eiser],

3. [eiser],

4. [eiser],

5. [eiser] en [eiser],

6. [eiser],

7. [eiser],
allen wonende te [woonplaats] ,
hierna gezamenlijk te noemen: eisers 1,
(gemachtigde: mr. H. Nijman),




2het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bernheze, eiser 2
(gemachtigde: mr. F.K. van den Akker),


3. Coöperatie Mobilisation for the Environment (MOB) en Brabantse Milieufederatie (BMF)eisers 3,
(gemachtigden: mr. S.R. van Uffelen en mr. F. Dingemans).

en


het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant, het college
(gemachtigde: mr. M. de Laat).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Groengas Brabant V.O.F, uit Nistelrode (Groengas), (gemachtigde: mr. R. Verkoijen).



Samenvatting


Deze uitspraak gaat over de aan Groengas verleende omgevingsvergunning voor het wijzigen van de biogasinstallatie met mestverwaarding binnen de inrichting gelegen aan Loosbroekseweg 48 in Nistelrode, gemeente Bernheze. Eisers zijn het niet eens met de verleende omgevingsvergunning. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan.

De rechtbank heeft de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (StAB) ingeschakeld en die heeft een advies uitgebracht. Op basis van het advies van de StAB is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit in strijd is met de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant (IOV) en dat het bestreden besluit een aantal gebreken vertoont. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit grotendeels in stand mede op basis van informatie van Groengas van na het bestreden besluit en het advies van de StAB. Dat wil zeggen dat Groengas de vergunning grotendeels behoudt. De rechtbank maakt wel een uitzondering voor enkele onderdelen van de aanvraag. De StAB heeft een aantal suggesties gedaan om de voorschriften te verbeteren. Het college heeft hierbij nog aanvullende voorstellen gedaan. Deze voorstellen neemt de rechtbank over. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de vergunning met een aantal wijzigingen en aanvullingen in stand kan blijven.


Procesverloop


1. Groengas heeft op 2 december 2022 een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend. Het college heeft de gevraagde omgevingsvergunning met het besluit van 28 november 2024 verleend.


1.1
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het beroep van eisers 1 is geregistreerd onder zaaknummer SHE 25/96, dat van eiser 2 onder zaaknummer SHE 25/97 en dat van eisers 3 onder zaaknummer SHE 25/100. Eisers 1 hebben ook een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend. Dit verzoek is geregistreerd onder zaaknummer SHE 25/95.



1.2
Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.



1.3
De rechtbank heeft de beroepen op 1 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben partijen en hun gemachtigden deelgenomen (met uitzondering van eiser 2 en diens gemachtigde).



1.4
Na de zitting heeft de rechtbank de StAB ingeschakeld. De StAB heeft op 6 augustus 2025 verslag uitgebracht. Partijen hebben hierop gereageerd.



1.5
De behandeling van de zaak is voortgezet op 9 oktober 2025. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers 1 en eisers [naam] en [naam] , de gemachtigde van eiser 2 en [naam] , de gemachtigden van eisers 3, de gemachtigde van het college vergezeld door mr. T.J.H. Verstappen en [naam] , [naam] , [naam] , [naam] , [naam] en de gemachtigde van Groengas, vergezeld door R.J.M.B. Derks (deskundige) en [naam] . Als deskundigen zijn gehoord M.N. Dirkzwager, ing. E.P. Feringa en A.J. Verheijke van de StAB.



Beoordeling door de rechtbank



Feiten en omstandigheden

2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Deze feiten stelt de rechtbank vast op basis van hetgeen partijen hebben aangevoerd in deze procedure alsmede op basis van de uitspraken van deze rechtbank in andere procedures rondom de mestvergistingsinstallatie in Nistelrode, waaronder de uitspraken van deze rechtbank van 22 december 2022, 4 oktober 2023 en 23 april 2024.


In het verleden was op de Loosbroekseweg 48 en 50 in de gemeente Bernheze een gemengd bedrijf gevestigd voor onder meer akkerbouw, het houden van legkippen en mestvarkens en een biogas-installatie waarin een gedeelte van de mest werd verwerkt. Hiervoor heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bernheze (B&W) op 2 november 1982 een Hinderwetvergunning verleend. In 1999 en 2008 heeft B&W milieuvergunningen verleend.


Het perceel Loosbroekseweg 48 is overgenomen door Biogas Nistelrode B.V. Op 17 september 2013 heeft B&W aan Biogas Nistelrode B.V. een omgevingsvergunning fase 1 voor milieu (revisievergunning) verleend voor het oprichten en in werking hebben van een mestverwerkingsinstallatie met co-vergisting. Bij besluit van 27 oktober 2014 heeft B&W aan Biogas Nistelrode B.V. een omgevingsvergunning fase 2 verleend voor het bouwen van de installaties.


In een besluit van 7 augustus 2020 heeft het college een aantal voorschriften die zijn verbonden aan de omgevingsvergunning voor milieu uit 2013 en de veranderingsvergunning uit 2014 voor de installatie aan de Loosbroekseweg 48 gewijzigd op verzoek van de nieuwe eigenaar (Jennissen Nistelrode B.V.). De rechtbank heeft dit besluit vernietigd in de uitspraak van 19 maart 2021. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft het hoger beroep van Jennissen Nistelrode B.V.tegen deze uitspraak ongegrond verklaard in een uitspraak van 23 maart 2022.




Op 28 oktober 2014 heeft het Waterschap Aa en Maas aan Biogas Nistelrode B.V. een watervergunning verleend voor het lozen van afvalwater uit de mestvergistingsinstallatie.


Groengas, de rechtsopvolger van Jennissen Nistelrode B.V., heeft op 2 november 2020 een aanvraag voor een natuurvergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming (Wnb) ingediend. Het college heeft deze vergunning op 29 september 2022 geweigerd. Het hiertegen gerichte beroep van eisers 3 heeft deze rechtbank in de uitspraak van 23 april 2024 gegrond verklaard. De rechtbank heeft het college opgedragen een nieuw besluit te nemen op de aanvraag. Het hiertegen ingestelde hoger beroep door onder andere Groengas, heeft de Afdeling in de uitspraak van 29 oktober 2025 ongegrond verklaard. Ondertussen heeft het college op 10 oktober 2024 een ontwerpbesluit gepubliceerd dat strekt tot weigering van de aangevraagde vergunning. De rechtbank is niet bekend met een definitief besluit op de aanvraag.




Op 2 december 2022 heeft het college een besluit genomen op de op 5 oktober 2022 ingediende aanmeldingsnotitie m.e.r.-beoordeling. Het college concludeert dat geen milieueffectrapport noodzakelijk is.


Groengas heeft op 6 december 2022 een omgevingsvergunning aangevraagd voor verschillende activiteiten waaronder milieu (revisie, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, en artikel 2.6 van de Wabo). Het ontwerpbesluit heeft ter inzage gelegen. Eisers hebben zienswijzen ingediend.


Het waterschap Aa en Maas heeft op 17 juli 2025, naar aanleiding van een verzoek van eisers 3, een ontwerpbesluit voor de actualisatie van de watervergunning ter inzage gelegd.





2.1.
Bij besluit van 28 november 2024 heeft het college de aangevraagde omgevingsvergunning verleend:


Op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) (het bouwen van een bouwwerken) voor3 de bouw van een kantoor/kantine/besturingsgebouw, het legaliseren van een bedrijfsgebouw, de uitbreiding van een bedrijfsgebouw, het legaliseren van bestaande silo’s, de bouw van een nieuwe silo (silo 6), de bouw van een gasopwaardingsstation met fakkel, het plaatsen van een traforuimte, de bouw van een brandwand en het legaliseren van een hekwerk. Aan de verlening van de vergunning zijn voorschriften verbonden.


Op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder b, van de Wabo (het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden in overeenstemming met het bestemmingsplan) voor het legaliseren van een aarden wal en sloot aan de oostzijde van het perceel. Aan de verlening van de vergunning zijn voorschriften verbonden.


Op grond van 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo (het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan) voor de bouw van een kantoor/kantine/besturingsruimte, het legaliseren van een bedrijfsloods, uitbreiding van een bedrijfsloods, bouw van een fakkel, het legaliseren van een hekwerk. Aan de vergunning zijn voorschriften verbonden.


Op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo (het veranderen of veranderen van de werking van een inrichting en het in werking hebben van een inrichting) voor het wijzigen van de biogasinstallatie met mestverwaarding. Aan de verlening van de vergunning zijn voorschriften verbonden.


Een aantal onderdelen van de aanvraag maakt onderdeel uit van de verguning.


De vergunning voor de activiteit milieu betreft een revisievergunning als bedoeld in artikel 2.6 van de Wabo. Dat betekent dat de voorliggende omgevingsvergunningen van rechtswege automatisch vervallen als het bestreden besluit onherroepelijk wordt. Vergunningvoorschriften 4.5.1, 4.5.2, 16.2.1 en 16.2.2. blijven nog gedurende 36 maanden nadat de vergunning haar geldigheid heeft verloren van kracht.



2.2.
De Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet zijn op 1 januari 2024 in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wabo. De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 2 december 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo en de Crisis- en herstelwet (Chw), zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijven. Ingevolge artikel 1.1, eerste lid onder a, gelezen in samenhang met categorie 10, onder 10.1, van bijlage I van de Chw is afdeling 2 van hoofdstuk 1 van deze wet van toepassing op het bestreden besluit.



2.3.
De rechtbank voegt hier volledigheidshalve aan toe dat het bedrijf (de installatie en ondersteunende activiteiten) een milieubelastende activiteit is als bedoeld in artikel 3.90 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) waarvoor een omgevingsvergunning is vereist als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de Omgevingswet, gelet op artikel 3.91 van het Bal. Als het bestreden besluit onherroepelijk is, geldt het als een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit op grond van artikel 4.13 van de Invoeringswet Omgevingswet. Het bestreden besluit met de daaraan verbonden voorschriften behouden dus betekenis onder het nieuwe recht.


Formele aspecten

3. Groengas betwist dat sommigen van eisers 1 belanghebbenden zijn in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij alle onderdelen van het bestreden besluit. Daarnaast stelt Groengas dat eisers 1 niet tegen alle onderdelen van het ontwerpbesluit zienswijzen hebben kenbaar gemaakt dan wel beroepsgronden naar voren hebben gebracht tegen het definitieve besluit.



3.1.
De rechtbank stelt vast dat eisers 1 zienswijzen hebben ingediend over de volledige werking van de inrichting, alle gebouwen en alle werken. Zij hebben daarmee zienswijzen kenbaar gemaakt over alle onderdelen van het bestreden besluit. In de uitspraak van 4 mei 2021 heeft de Afdeling, kortgezegd, geoordeeld dat degene die bij een besluit geen belanghebbende is in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, maar die wel een zienswijze heeft ingediend tegen het ontwerpbesluit, ook beroep mag instellen tegen het definitieve besluit. Het beroep van eisers 1 is daarom ontvankelijk. In de omstandigheid dat het beroep op sommige besluitonderdelen meer de nadruk legt dan op andere besluitonderdelen, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het beroep niet is gericht tegen het bestreden besluit in volle omvang. De rechtbank zal daarom alle beroepsgronden (in combinatie met de beroepsgronden die door de andere eisers zijn aangevoerd) bespreken.

4. Alle eisers voeren aan dat de besluitvorming over de revisievergunning ten onrechte is losgekoppeld van de benodigde vergunning op grond van de Wnb. De aanvraag voor een natuurvergunning gaat volgens eisers uit van een ander verwerkingsproces en van een andere begrenzing van de inrichting. Daarom had de aanvraag die heeft geleid tot het bestreden besluit buiten behandeling moeten worden gelaten op grond van artikel 2.7 van de Wabo. De aanvraag voor een natuurvergunning ziet op een ander verwerkingsproces en andere begrenzing van de inrichting. Eisers vinden het vreemd dat er in het bestreden besluit een vergunning wordt verleend, terwijl er een ontwerpbesluit tot weigering van de benodigde natuurvergunning ligt. Dat is volgens hen in strijd met artikel 5 van de Richtlijn industriële emissies (RIE).



4.1.
Het college stelt dat er geen aanhaakverplichting is, omdat reeds voorafgaand aan de aanvraag om revisievergunning een aanvraag om een natuurvergunning is gedaan. De aanvraag voor de natuurvergunning is bovendien aangevuld op 14 november 2024 met de Nota van uitgangspunten van 3 november 2024. In de notitie is alleen uitgegaan van de locatie Loosbroekseweg 48 als referentiesituatie. Op grond van deze notitie komen de Wnb-aanvraag en de in de nieuwe revisievergunning vergunde situatie volgens het college overeen.



4.2.
Ook Groengas benadrukt dat de aanvraag om een natuurvergunning in overeenstemming is gebracht met de activiteiten in het Wabo-traject.



4.3.
De rechtbank stelt vast dat de aanvraag voor een natuurvergunning is ingediend vóór de aanvraag die heeft geleid tot het bestreden besluit. Deze aanvraag ziet niet op een ander project dan de inrichting die is vergund in het bestreden besluit. Eisers hebben onvoldoende inzichtelijk gemaakt op welke onderdelen de inrichting nog zou verschillen van de op 14 november 2024 gewijzigde aanvraag voor een natuurvergunning. Het beroep op artikel 5 van de RIE kan niet slagen. In artikel 5, tweede lid, van de RIE moeten de lidstaten de nodige maatregelen treffen opdat de vergunningsprocedures en -voorwaarden ten volle worden gecoördineerd wanneer verschillende bevoegde autoriteiten of verschillende exploitanten bij die procedures betrokken zijn of wanneer verschillende vergunningen worden afgegeven, zulks met het oog op een doeltreffende geïntegreerde aanpak door alle autoriteiten die voor de procedure bevoegd zijn. Artikel 2.7 van de Wabo in combinatie met artikel 2.1, onder i, van de Wabo en artikel 2.2aa van het Bor voorziet al in voldoende coördinatie, in die zin dat als er geen dekkende aanvraag voor een natuurvergunning is ingediend voor een project (of is verleend), dit project onlosmakelijk samenhangt met de aangevraagde wijziging van de inrichting. In dit geval is geen sprake van een aangehaakte natuurtoestemming omdat een aparte aanvraag is ingediend. De aanvraag is gewijzigd na de terinzagelegging van het eerdere ontwerpbesluit van het college op de aanvraag voor een natuurvergunning. Het college is het bevoegde gezag in beide aanvragen. In zoverre is geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 5 van de RIE. Dat het college nog niet heeft besloten op de op 14 november 2024 gewijzigde aanvraag voor een natuurvergunning, leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank laat in het midden of artikel 2.7 van de Wabo strekt tot bescherming van de belangen van eisers 1.


Beroepsgronden in verband met de onderdelen bouwen, aanleggen en strijd met het bestemmingsplan.

5. Eisers 1 voeren aan dat het bestemmingsplan geen grondslag biedt voor de vestiging van een zelfstandig afvalverwerkend bedrijf. De functieaanduiding “specifieke vorm van bedrijf – biogasinstallatie” is onderdeel van de bestemming “Agrarisch”.



5.1.
Het college stelt dat op grond van het bestemmingsplan een bedrijf in de vorm van een biogasinstallatie is toegelaten aan Loosbroekseweg 48. Er zijn geen regels in het bestemmingsplan opgenomen die duiden op een verbod op het aanvoeren van mest van derden.



5.2.
Ter plaatse van de inrichting gold het bestemmingsplan "Buitengebied Bernheze". Dit bestemmingsplan maakt nu onderdeel uit van het Omgevingsplan gemeente Bernheze. De gronden waarop de inrichting zich bevindt, liggen voor het grootste deel binnen de bestemming "Agrarisch". Aan de oostzijde van het terrein ligt een strook grond met de bestemming "Natuur". Het terrein van Groengas (en de inrichtingsgrens) overlapt aan de oostzijde voor een klein gedeelte de strook met deze bestemming. Binnen het terrein van Groengas ligt een bouwvlak, dat niet het gehele terrein beslaat. De gronden binnen dit bouwvlak hebben de functieaanduiding "specifieke vorm van bedrijf – biogasinstallatie". Ter plaatse van de bestemming "Natuur" aan de oostzijde geldt ten slotte ook nog de dubbelbestemming "Waarde – landschapselementen". Artikel 3, eerste lid, van het bestemmingsplan voorziet in een nevenbestemming voor specifieke bedrijfsfuncties die zijn opgesomd in bijlage 1 bij het bestemmingsplan. Hierin is in de tabel functietype ‘Bedrijf’ opgenomen. Als functietype bedrijf is hierin het type ‘biogasinstallatie’ genoemd. De rechtbank verwijst voor een volledig overzicht verder naar paragraaf 2.4 van het verslag van de StAB.



5.3.
Naar het oordeel van de rechtbank bevat het bestemmingsplan geen koppeling met een agrarisch bedrijf. Een aparte biogasinstallatie die niet planologisch of functioneel is verbonden met een agrarisch bedrijf is daarmee toegestaan. De rechtbank blijft bij hetgeen zij over de soortgelijke beroepsgrond van eisers 1 heeft overwogen in rechtsoverweging 8.6 van de uitspraak van 22 december 2022. Hierin heeft de rechtbank het volgende overwogen: “Volgens de rechtbank is de aanvoer, opslag en gebruik van mest van derden niet in strijd met artikel 2.77 eerste lid van de IOV, zolang de bestaande gebruiksoppervlakte niet toeneemt. (…) Ook de opslag van mest, op zichzelf bezien, is niet in strijd met de geldende omgevingsvergunning milieu of de bestemming "Agrarisch" en de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – biogasinstallatie’, zolang deze maar wordt gebruikt in de biogasinstallatie. Zodra de mest blijvend wordt opgeslagen, maar niet meer wordt aangewend voor co-vergisting om biogas op te wekken, is dit wel in strijd met de geldende omgevingsvergunning milieu of de bestemming "Agrarisch" en de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – biogasinstallatie’.”Deze beroepsgrond slaagt niet.

6. Eisers wijzen er verder op dat de toegangsweg van de Loosbroekseweg naar het terrein van Groengas niet over gronden met de functieaanduiding "specifieke vorm van bedrijf – biogasinstallatie" loopt, maar over gronden met enkel de bestemming “Agrarisch”. Volgens eisers is dit niet toegestaan.



6.1.
Dit hebben eisers 1 ook aangevoerd in de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van de rechtbank van 22 december 2022. In rechtsoverweging 9.4 van deze uitspraak oordeelde de rechtbank als volgt: “De rechtbank is van oordeel dat het gebruik van de toegangsweg op de gronden met de bestemming "Agrarisch" zonder de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – biogasinstallatie’ voor het aanvoeren van mest van derden voor gebruik in de co-vergistingsinstallatie niet in strijd is met het bestemmingsplan. De toegangsweg maakt namelijk deel uit van het perceel waar ook de co-vergistingsinstallatie ligt en kan als perceelsontsluiting voor ontsluiting van het deel van het perceel met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – biogasinstallatie’ worden gebruikt. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat een andere uitleg van het bestemmingsplan, waarbij perceelsontsluitingen alleen mogen worden gebruikt als er een functieaanduiding op ligt, niet valt te rijmen met de bedoeling van de planwetgever (de gemeenteraad) die een biogasinstallatie binnen het bedrijf heeft willen toestaan. Dat kan niet als er geen perceelsontsluiting is. Omdat het gebruik van de weg voor de aanvoer van mest van derden voor gebruik in de biogasinstallatie niet in strijd is met het bestemmingsplan, behoort het gebruik van de toegangsweg ook tot de bestaande gebruiksoppervlakte en is dit gebruik niet in strijd met artikel 2.77 van de IOV.” In de opmerking van algemene aard van eisers 1 dat zij het niet eens zijn met die uitspraak ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. Ook deze beroepsgrond slaagt dus niet.


Zijn onderdelen vergund in afwijking van het bestemmingsplan?

7. Eisers constateren dat relevante onderdelen van de inrichting, zoals de aarden wal, het hierop gelegen hekwerk en de vijver buiten de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – biogasinstallatie” liggen. Eisers 1 en eiser 2 beschouwen de aarden wal en het hekwerk als onmisbare elementen om het bedrijf in werking te hebben. Beide elementen kunnen volgens eisers evenwel niet vergund worden wegens strijd met het bestemmingsplan. Eiser 2 benadrukt dat hiermee een bedrijfsfunctie wordt gerealiseerd in strijd met het bestemmingsplan en dat deze strijdigheid alleen kan worden opgeheven met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo waarbij tevens een verklaring van geen bedenkingen is vereist van de gemeenteraad van de gemeente Bernheze op grond van artikel 6.5 van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Eiser 2 stelt subsidiair dat de gemeente bevoegd is om op dit onderdeel te beslissen en dat aanleg van de wal leidt tot een onevenredige aantasting van de waarden van de gronden en daarom in strijd is met het bestemmingsplan. Eisers 1 kunnen de oppervlakte van het hekwerk niet bepalen en weten niet of de oppervlakte van het hekwerk groter is dan 50 m².



7.1.
Het college stelt dat de bouwwerken die onderdeel zijn van de biogasinstallatie binnen de functieaanduiding en het bouwvlak staan. De aarden wal ligt er al enige tijd en wordt nu gelegaliseerd. De aarden wal is niet nodig vanwege milieutechnische redenen. De aarden wal is geen integraal onderdeel van de biogasinstallatie. De aarden wal bevindt zich niet binnen de bestemming “Natuur” en ook niet binnen de bestemming “Waarde-landschapselementen”. Het hekwerk kan zelfstandig worden vergund. Het college verwijst voor de berekening van de oppervlakte van het hekwerk naar het renvooi op de tekening: Bijlage 10 Aanlegtekening wal hekvijver”.



7.2.
Groengas is bereid om zowel de aarden wal als het hekwerk te verwijderen als de rechtbank zou oordelen dat het bestreden besluit op dit onderdeel onterecht is verleend.



7.3.
De StAB heeft in haar verslag aangegeven dat de wal grofweg 1,5 m hoog en circa 5 m breed is aan de noord- en westzijde en circa 10 m breed aan de oostzijde. De StAB heeft aangegeven dat de aarden wal niet wordt gebruikt voor bedrijfsactiviteiten en een ondersteunende functie heeft. De StAB heeft vastgesteld dat de aarden wal in het rekenmodel Sain is gemodelleerd en dat in de geluidsberekeningen de aanwezigheid van deze aarden wal is meegenomen. De StAB heeft zelf berekend dat de aarden wal voor het geluid van de inrichting geen afschermend effect heeft omdat die te laag is. De aarden wal aan de oostzijde ligt binnen de bestemming “Natuur” en “Waarde – landschapselementen”. Op de gehele wal (zowel noord, oost als west) staat een hekwerk met een hoogte van 2 m. De StAB constateert dat het hekwerk geen actief onderdeel uitmaakt van de mestverwerkingsactiviteiten van Groengas Brabant. Zonder het hek zou de installatie kunnen functioneren. Het hebben van een hek kan, bijvoorbeeld om verzekeringstechnische redenen, wel noodzakelijk zijn. Aan de noordzijde van het terrein, ten noorden van de aarden wal die het terrein doorkruist, ligt een stuk grond waarop beoogd is in de toekomst een vijver aan te leggen. De vijver zal een diepte hebben van ongeveer 2 m, en zal worden gebruikt om afvalwater en hemelwater op te vangen, dat via de vijver in de bodem zal infiltreren. Als de hoeveelheid water te groot is voor de vijver, wordt dit in plaats daarvan via de sloot naar het oppervlaktewater aan de noordzijde van het perceel geleid. De StAB heeft op afbeelding 2.6 de verschillende elementen geduid.








7.4.
In reactie op het StAB-verslag benadrukken eisers 1 en eiser 2 dat de aarden wal, de vijver en het hekwerk er alleen liggen of komen vanwege de biogasinstallatie. Anders zijn ze niet nodig. Eisers 1 maken ook een opmerking over de sloot bij de aarden wal.



7.5.
Voor zover eisers 1 hebben beoogd om ook op te komen tegen de in het bestreden besluit verleende toestemming voor de aanleg van de sloot, merkt de rechtbank dit aan als een nieuwe beroepsgrond. Deze is naar voren gebracht na het verslag van de StAB en buiten de beroepstermijn. De rechtbank beschouwt het inbrengen van deze beroepsgrond in strijd met de goede procesorde en in strijd met de Crisis- en Herstelwet en laat deze beroepsgrond buiten beschouwing.



7.6.
Voor het bouwen van het hekwerk in afwijking van het bestemmingsplan is in het bestreden besluit toestemming gegeven. In het bestreden besluit heeft het college aangegeven dat het hek buiten het bouwvlak wordt geplaatst om veiligheidsredenen en technische redenen. Het hek op de wal is hoger dan 2 meter en dat is in strijd met de maximale toegelaten bouwhoogte in het bestemmingsplan. Het college heeft de toestemming verleend met toepassing van de bevoegdheid in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wabo in combinatie met artikel 4 van bijlage II van het Bor. Aan deze toestemming zijn voorschriften verbonden met het oog op de landschappelijke inpassing ervan. Verder is toestemming verleend voor de aanleg van de aarden wal met sloot (als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder b, van de Wabo). Er is geen toestemming gevraagd (of verleend) voor het graven van een vijver, dus de beroepsgrond van eisers 1 en eiser 2 die zich hiertegen richt kan niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.



7.7.
De toestemmingen voor de aanleg van de aarden wal en de bouw van het hekwerk zijn aangevraagd als onderdeel van een meeromvattende aanvraag voor het wijzigen van een biogasinstallatie met mestverwaarding. Het college is het bevoegde gezag is om te beslissen op deze aanvraag, omdat sprake is een IPPC-installatie en gelet op artikel 2.4, tweede lid, van de Wabo, gelezen in combinatie met artikel 3.3, eerste lid, van het Bor en de categorieën 7.4 en 28.4 van bijlage I van het Bor. Als alleen een omgevingsvergunning zou zijn aangevraagd voor de aanleg van de aarden wal en het hekwerk, zou eiser 2 bevoegd zijn om te beslissen, maar dat is niet wat is gebeurd. De aanvraag die heeft geleid tot het bestreden besluit omvat meer onderdelen. Dat is de keuze van de aanvrager, Groengas. Eiser 2 is niet het bevoegde gezag.



7.8.
Dat de aarden wal is aangevraagd als onderdeel van een meeromvattend project, betekent niet dat dit element reeds daarom als bedrijfsmatig onderdeel van de biogasinstallatie moet worden aangemerkt. Het college heeft zich terecht beperkt tot beantwoording van de vraag of de aarden wal op zichzelf bezien in strijd is met de bestemming waarop hij wordt gerealiseerd. Het college heeft terecht overwogen dat de aarden wal de aanwezige natuurwaarden niet aantast. Er wordt geen natuur onttrokken aan het NNB-netwerk. De aarden wal draagt bij aan het behoud van de bestemming. De aarden wal is dus niet in strijd met de bestemming.



7.9.
De rechtbank is verder van oordeel dat het college bevoegd is om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wabo in combinatie met artikel 4 van bijlage II van het Bor toestemming te verlenen voor het plaatsen van het hekwerk. Een verklaring van geen bedenkingen is hiervoor niet vereist. In het midden kan blijven of toestemming had kunnen worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo, want die bevoegdheid heeft het college niet gebruikt. De rechtbank is niet gebleken dat de oppervlakte van het hek groter is dan 50 m². De oppervlakte van de gronden tussen het hek en de biogasinstallatie hoeft niet te worden meegerekend. Het gaat om de oppervlakte van het bouwwerk zelf. In het bestreden besluit heeft het college voldoende gemotiveerd waarom toestemming (onder voorwaarden) wordt verleend.



7.10.
Deze beroepsgronden slagen niet. De rechtbank zal hierna beoordelen of de aanleg van de aarden wal en plaatsing van het hekwerk leiden tot een toename van de gebruiksoppervlakte ten behoeve van mestverwerking.


Is sprake van strijd met de IOV?

8. Eisers 1 en 2 voeren aan dat het bestreden besluit leidt tot een toename van de gebruiksoppervlakte voor mestbehandeling, mestvergisting of mestbewerking in strijd met artikel 2.77 van de IOV. De oppervlakte wordt vergroot met de onbebouwde grond tussen de installatie en de aarden wal en het hekwerk buiten de functieaanduiding. Bovendien is sprake van een toename van bebouwing. Er is geen meetrapport van de oppervlakte van de bebouwing. Eisers 1 wijzen op specifieke onderdelen zoals de kantine en het kantoor, de oppervlakte van de erfafscheiding, de funderingsplaat van de gasveredelingsinstallatie en de drie silo’s voor zover gelegen buiten de functieaanduiding. Eiser 2 ziet dat voor de bepaling van de bestaande oppervlakte wordt uitgegaan van de vergunde situatie uit 2015, maar vindt onduidelijk wat er toen is vergund en of dit ook daadwerkelijk legaal is gerealiseerd. Beide eisers vinden dat het bestreden besluit onvoldoende inzicht geeft.



8.1.
In het bestreden besluit zag het college geen aanleiding om de door Groengas verstrekte gegevens voor het bepalen van de gebruiksoppervlakte in twijfel te trekken. De aangeleverde berekening gaat uit de bruto oppervlakte van alle (vergunningvrije) bouwwerken. De aarden wal en het hekwerk hoeven volgens het college niet meegerekend te worden in de gebruiksoppervlakte. Het college gaat uit van de juistheid van de berekening bij de situatietekening in bijlage 12 bij het bestreden besluit. In het verweerschrift heeft het college aangegeven dat voor de silo’s wel een omgevingsvergunning voor bouwen is verleend op 10 februari 2014 en 10 september 2015.



8.2.
In artikel 2.77 van de IOV is een rechtstreeks werkend verbod opgenomen voor toename van de bestaande gebruiksoppervlakte voor mestbewerking binnen Landelijk gebied. Als bestaande gebruiksoppervlakte voor mestbewerking geldt de oppervlakte van:
a. de bebouwing die:
1. op 13 juni 2017 legaal aanwezig was, of
2. mag worden gebouwd krachtens een vóór 13 juni 2017 verleende omgevingsvergunning;
b. de onbebouwde grond die op 13 juni 2017 legaal mag worden gebruikt.
In artikel 1.1 (begripsbepaling) van de IOV is een definitie van "gebruiksoppervlakte" opgenomen: "Bruikbare oppervlakte van bebouwing en gronden, geschikt voor het beoogde gebruik, berekend op grond van NEN 2580".
In de toelichting bij de IOV is over artikel 2.77 het volgende vermeld:
"Er geldt een verbod op een toename van de bestaande gebruiksoppervlakte voor mestbewerking op een perceel in het buitengebied. Een toename van de gebruiksoppervlakte is mogelijk door het oprichten van bebouwing, het in gebruik nemen van bestaande bebouwing voor mestbewerking of het in gebruik nemen van onbebouwde grond voor mestbewerkingsactiviteiten. Het gaat daarbij zowel over gebouwen als bouwwerken. […] Er is specifiek voor gebruiksoppervlakte gekozen zodat ook een eventuele ontwikkeling van mestbewerking in kelders, op etages of onbebouwde grond hiermee gereguleerd wordt."



8.3.
De StAB geeft in het verslag een toelichting op toepassing van NEN 2580: De gebruiksoppervlakte van een gebouw is binnen NEN 2580, samengevat, de bruikbare vloeroppervlakte van de ruimten die aan alle zijden door muren omsloten zijn en voor de mens toegankelijk zijn. Hierbij worden ruimten die niet "bruikbaar" zijn, zoals liftschachten of ruimten met laag plafond, niet meegerekend. De pagina's 30 en 31 van NEN 2580 bevatten een uitgebreidere definitie en bepalingsmethode van gebruiksoppervlakte. Een bouwwerk dat geen gebouw is, zoals een (open) sleufsilo of een hekwerk, heeft geen gebruiksoppervlakte. De StAB kan op basis van de beschikbare stukken niet vaststellen wat de (bebouwde) gebruiksoppervlakte conform NEN 2580 in de referentiesituatie was. Uit bijlage 12 bij het bestreden besluit blijkt dat de totale oppervlakte van de aanwezige bebouwing (de bruto gebouwoppervlakte) in de nu vergunde situatie niet is toegenomen, maar daaruit valt niet af te leiden of de gebruiksoppervlakte is toegenomen, omdat gebruiksoppervlakte (conform NEN 2580) niet hetzelfde is als bruto gebouwoppervlakte. In reactie op vragen hierover van de StAB heeft het college bevestigd te zijn uitgegaan van de bruto gebouwoppervlakte, omdat de definitie van gebruiksoppervlakte in NEN 2580 niet geheel strookt met wat volgens de Nota van toelichting bij de IOV met artikel 2.77 beoogd lijkt te zijn. De StAB kan dit volgen, maar wijst erop dat dan ook geen rekening kan worden gehouden met kelders of etages. De StAB geeft aan dat de gebouwen geen kelders of etages hebben. De StAB stelt vervolgens vast dat de kantine en het kantoor niet zijn meegerekend. De oppervlakte van het hekwerk is niet meegenomen, maar het hek ligt buiten de aanduiding landelijk gebied van de IOV. De (funderingsplaat van de) gasveredelings-installatie is wel meegenomen. De StAB gaat niet verder in op de vraag of drie losse silo’s mogen worden meegenomen in de berekening. Met betrekking tot de onbebouwde grond tussen de aanduiding en de aarden wal en het hekwerk merkt de StAB op dat in het bestreden besluit geen toestemming wordt verleend om die gronden te gebruiken en in voorschrift 3.1.1 wordt verboden die gronden te gebruiken. De aarden wal ligt niet in het Landelijk gebied. De StAB stelt ook vast dat bij een berekening volgens NEN 2580 het bestreden besluit de onbebouwde terreinoppervlakte niet uitbreidt.



8.4.
In de reactie op het verslag vinden eisers 1 en eiser 2 ook dat moet worden uitgegaan van de bruto gebouwoppervlakte. Volgens eisers 1 moet de definitie in artikel 1.1 van de IOV onverbindend worden verklaard. Eisers 1 betwisten dat de drie silo’s en het oude gasveredelingsstation als bestaand mogen worden meegenomen in de berekening, omdat hiervoor nooit toestemming voor afwijking van het bestemmingsplan is verleend. Een planologisch afwijkingsbesluit ontbreekt. Ze zijn niet legaal. Beide merken op dat de kantine en het kantoor ten onrechte niet zijn meegenomen. Eisers 1 merken op dat een groot deel van de aanwezige funderingsplaten niet is meegenomen. Als de gebruiksoppervlakte voor mestbewerking toeneemt als gevolg van de aanleg van een aarden wal en een hekwerk buiten de aanduiding ‘biogasinstallatie’ en derhalve buiten de aanduiding ‘Landelijk gebied’, is er strijd met de IOV. Beide eisers vinden dat de onbebouwde grond tussen het bouwvlak en de aarden wal alsmede de oppervlakte van het hekwerk wel hadden moeten worden meegenomen. Voorschrift 3.1.1 leidt volgens eisers 1 tot een verkapte weigering want dan mogen de aarden wal, het hekwerk, de vijver en de inrit ook niet worden gebruikt.



8.5.
Het college merkt in reactie op het StAB-verslag op dat de kantine/het kantoor niet gebruikt mag worden voor mestbewerking en dus niet is meegerekend. Hetzelfde geldt voor de wal, de sloot en het hekwerk. Die vormen ook geen bebouwd oppervlak.



8.6.
Groengas wijst er in reactie op het verslag op dat in de eerder vergunde situatie onder de opslaghal wel sprake was van een kelder van 200 m³ met een oppervlak van circa 2,5 bij 39,9 meter. Deze is niet meegenomen in de vergunde oppervlakte (= referentie-situatie). De kelder is er niet in de situatie die is vergund in het bestreden besluit. De discussie over de gebruiksoppervlakte/bruto gebouwoppervlakte is daarmee niet langer relevant. De silo’s zijn in 2015 wel vergund, maar gedeeltelijk gerealiseerd buiten de functieaanduiding.



8.7.
De rechtbank begrijpt het bestreden besluit aldus dat het college de gebruiksoppervlakte in artikel 2.77 van de IOV heeft bepaald op basis van de bruto gebouwoppervlakte en dus de definitie van gebruiksoppervlakte in artikel 1.1 van de IOV buiten toepassing heeft gelaten. Zowel eisers 1 en 2 als Groengas lijken dit te volgen.



8.8.
De rechtbank is van oordeel dat er geen aanleiding is om de grond tussen en onder de aarden wal en het hekwerk mee te nemen bij de berekening van de gebruiksoppervlakte. In voorschrift 3.1.1 van het bestreden besluit is voldoende geborgd dat deze grond niet mag worden gebruikt voor bedrijfsdoeleinden. Dan mag deze grond ook niet worden gebruikt en hoeft deze grond dus ook niet te worden gerekend tot de gebruiksoppervlakte.



8.9.
Het college heeft terecht de oppervlakte van de drie silo’s meegenomen, omdat voor het bouwen hiervan een omgevingsvergunning is verleend. Artikel 2.77, derde lid, onder 2, van de IOV laat toe dat de silo’s worden meegenomen bij een berekening op grond van NEN 2580. Dat ze kennelijk op een andere plek zijn gerealiseerd en feitelijk niet legaal aanwezig zijn, leidt niet tot een ander oordeel. Eisers 1 merken terecht op dat het oude gasveredelingsstation is gelegen buiten de functieaanduiding en daarom niet legaal is. Verder is de rechtbank van oordeel dat het college in het bestreden besluit ten onrechte het kantoor en de kantine buiten beschouwing heeft gelaten. Dit zijn gebouwen die worden gebruikt door mensen die werken in de installatie, dus moeilijk kan worden volgehouden dat deze gebouwen niet tot de gebruiksoppervlakte voor mestbewerking behoren. De rechtbank is daarom van oordeel dat in het bestreden besluit onvoldoende is onderbouwd dat wordt voldaan aan artikel 2.77 van de IOV.



8.10.
De reactie van Groengas op het StAB advies geeft de rechtbank aanleiding om te onderzoeken of, gelet op de aanwezigheid van de kelder van 99,75 m², de gebruiksoppervlakte van het project voldoet aan artikel 2.77 van de IOV waarbij de gebruiksoppervlakte van de bestaande en de nieuwe situatie wel wordt berekend conform de definitie in artikel 1.1 van de IOV. De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat de door Groengas genoemde kelder aanwezig en bruikbaar is (voor mensen toegankelijk) en (bij toepassing van de NEN 2580) tot de gebruiksoppervlakte van de bestaande (referentie)situatie moet worden gerekend. Uit de door Groengas overgelegde bouwtekening leidt de rechtbank af dat de kelder 2,70 meter hoog is en een oppervlakte heeft van circa 2,5 bij 39,9 meter. De kelder is bruikbaar en voor mensen toegankelijk. De rechtbank neemt verder in aanmerking dat de gebruiksoppervlakte van de thans vergunde silo’s gelijk is aan de oppervlakte van de in 2014 en 2015 vergunde silo’s. Het oude gasveredelingsstation kan niet bij de gebruiksoppervlakte van de bestaande (referentie)situatie worden gerekend. De kantine en het kantoor moeten wel worden gerekend bij de gebruiksoppervlakte van de nieuwe situatie. Er is geen aanleiding de funderingsplaten tot de gebruiksoppervlakte van bebouwing te rekenen. Gelet op voorschrift 3.1.1 van het bestreden besluit bestaat geen aanleiding om de grond tussen en onder de aarden wal en het hekwerk mee te nemen bij de berekening van de gebruiksoppervlakte. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de gebruiksoppervlakte van het project voldoet aan artikel 2.77 van de IOV.



8.11.
De beroepsgrond van eisers is terecht aangevoerd en zal leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. De rechtbank ziet echter aanleiding de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand te laten.


Wat is vergunningsvrij?

9. Eisers 1 voeren aan dat er geen onderscheid gemaakt kan worden tussen vergunningplichtige en vergunningvrije onderdelen. Bovendien is onduidelijk wat het hoofdgebouw is. Het is eisers 1 onduidelijk of de in 2023 zonder vergunning aangebrachte funderingsplaten voor het gasveredelingsstation onderdeel zijn van de vergunning.


9.1.
Het college stelt dat de tussengebouwen en het gasveredelingsstation met de fundering vergunningvrij zijn op grond van artikel 3, eerste lid, van bijlage II van het Bor. Deze bouwwerken zijn aangemerkt als bijbehorende bouwwerken van het bedrijfsgebouw, dat als hoofdgebouw is aangemerkt. Het college heeft ervoor gekozen om alle bouwwerken, ook die vergunningvrij zijn, op de tekening te verwerken vanwege de inzichtelijkheid.



9.2.
De bouwwerken waar eisers 1 op doelen zijn niet in strijd met het bestemmingsplan. Ook niet met de op basis van dit bestemmingsplan maximaal toegelaten bebouwingsoppervlakte (3.400 m²). Het college heeft deze bouwwerken terecht als vergunningvrije bouwwerken aangemerkt. Het bestreden besluit ziet dus niet op het bouwen van deze bouwwerken.

10. Eisers 1 missen in de ruimtelijke onderbouwing een motivering van de planologische aanvaardbaarheid. Het bestreden besluit vergunt een grote hoeveelheid aan binnenplanse en buitenplanse afwijkingen op een locatie in agrarisch gebied waar een intensivering of toename van mestverwerking volgens het provinciale beleid niet is toegelaten. De intensivering kan gepaard gaan met een toename van verkeersbewegingen, terwijl het provinciale beleid er juist op is gericht die toename te voorkomen. Het college acht de intensivering aanvaardbaar, wetende dat in de toekomst vrijwel 100% van het digestaat weer rechtstreeks wordt afgevoerd. Eisers 1 kunnen dat niet met elkaar rijmen en zijn van mening dat het college de gevraagde vergunning had moeten weigeren dan wel alleen medewerking had mogen verlenen ten behoeve van een bedrijfsproces waarbij 50% van het mestvolume wordt omgezet in loosbaar water. Hierbij wreekt zich, aldus eisers 1, dat de afwijkingen worden vergund voor een bedrijfsproces dat in stappen kan worden uitgebreid, maar waarvan niet zeker is dat deze stappen ook worden uitgevoerd.



10.1.
Het college merkt op dat een vergunning niet verplicht alle daarin voorziene stappen uit te voeren, maar merkt daarnaast ook op dat, als voor langere tijd geen gebruik wordt gemaakt van een (deel van) de vergunning, deze kan worden ingetrokken. Het college onderkent dat economische factoren van invloed zijn op het uitvoeren van de stappen. Het college verleent alleen vergunning voor afwijkingen van de bouwregels van het bestemmingsplan, niet voor afwijking van de gebruiksregels. Het zijn geringe bouwkundige afwijkingen die grotendeels kunnen worden vergund met een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid, met uitzondering van de fakkel en het hekwerk. In het verweerschrift stelt het college dat, zowel afzonderlijk als in samenhang bezien, het afwijken van het bestemmingsplan ten behoeve van de bouwwerken in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.



10.2.
Eisers merken terecht op dat in het bestreden besluit per gevraagde toestemming voor planologische afwijking een onderbouwing wordt gegeven, maar geen onderbouwing voor het totaalplaatje van afwijkingen. Naar het oordeel van de rechtbank had het op de weg gelegen van het college om ook een afweging te maken over de planologische aanvaardbaarheid van de afwijkingen in samenhang bezien. Die afweging maakt het college wel in het verweerschrift. De rechtbank is van oordeel dat het college die afweging in redelijkheid heeft kunnen maken. Ten aanzien van de vrees van eisers dat niet alle in het bestreden besluit vergunde stappen in de bedrijfsvoering zullen worden uitgevoerd, heeft het college terecht kunnen verwijzen naar de bevoegdheid in artikel 5.40 tweede lid onder b, van de Omgevingswet om een omgevingsvergunning in te trekken als gedurende een jaar of een in de vergunning bepaalde langere termijn geen activiteiten zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning. Als economische factoren ertoe hebben geleid dat geen gebruik is gemaakt van alle stappen in de vergunde bedrijfsvoering, zal wel moeten blijken dat die economische factoren in de toekomst veranderen. Daarnaast zal de worst case bedrijfsvoering moeten worden beoordeeld. Of dit naar behoren is gedaan, komt hierna in deze uitspraak aan de orde.


Beroepsgronden met betrekking tot het onderdeel milieu

11. Eisers hebben verschillende beroepsgronden naar voren gebracht met betrekking tot het onderdeel wijzigen van de inrichting. Die worden hierna behandeld.


Is een milieueffectrapportage nodig?

12. Eisers 3 stellen dat sprake is van een geïntegreerde biochemische installatie, waardoor op grond van de uitspraak van de Afdeling van 27 juli 2022 sprake is van een verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage (MER).



12.1.
Het college beschouwt de vergunde co-vergistingsinstallatie niet als een geïntegreerde biochemische installatie. De installatie verschilt van de installatie die onderwerp was van de uitspraak van de Afdeling van 27 juli 2022. Het primaire doel van de vergisters is om gas te maken. Digestaat komt vrij, maar is geen product.



12.2.
Ook Groengas wijst erop dat de installatie in de Afdelingsuitspraak daadwerkelijk het doel had om meststoffen te fabriceren. Bij Groengas vinden dergelijke bewerkingen uitdrukkelijk niet plaats. Het digestaat is enkel een restproduct na vergisting. De samenstelling van dit restproduct wordt niet beïnvloed door toevoegmiddelen.



12.3.
De rechtbank stelt voorop dat de co-vergistingsinstallatie is vergund in eerdere omgevingsvergunningen. De omgevingsvergunning in het bestreden besluit is aangevraagd voor wijzigingen van de installatie ten opzichte van de eerder verleende vergunningen. De milieugevolgen van de inrichting in de al vergunde situatie worden als uitgangspunt genomen. Dit volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling, zie bijvoorbeeld rechtsoverweging 6.1 van de uitspraak van de Afdeling van 30 september 2015. Er is geen sprake van oprichting van een nieuwe installatie. Als de wijzigingen er ten opzichte van de al vergunde situatie toe leiden dat de milieugevolgen afnemen of niet toenemen, is geen aanleiding voor het oordeel dat de wijzigingen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben.



12.4.
De rechtbank is van oordeel dat het primaire product van de installatie biogas is. Digestaat is een restproduct waar wel verwerkingen op plaatsvinden. Uit de uitspraak van de Afdeling volgt dat dit neveneffect ook moet worden beoordeeld om uit te sluiten dat sprake is van een geïntegreerde chemische installatie. Of het gaat om een hoofddoel of een nevendoel is volgens de Afdeling namelijk niet van belang. Om een installatie aan te merken als een geïntegreerde chemische installatie als bedoeld in categorie C21.6 moet aan vier cumulatieve vereisten zijn voldaan:


Bij de vergisting is sprake van een chemisch proces;


De installatie is bestemd voor de fabricage van de ontstane producten;


Er is sprake van een industriële schaal;


Er zijn verscheidene eenheden die naast elkaar functioneel met elkaar zijn verbonden.


Als aan een van de vereisten niet wordt voldaan, is geen sprake van een geïntegreerde chemische installatie. De rechtbank is van oordeel dat de installatie niet is bestemd voor de fabricage van digestaat als meststof, want aan het restproduct digestaat worden geen stoffen toegevoegd om het restproduct te verbeteren. Hiermee verschilt deze installatie van de installatie in de uitspraak van de Afdeling. Aan het tweede vereiste wordt niet voldaan. In het midden kan blijven of aan de overige vereisten wordt voldaan.

13. Alle eisers voeren aan dat het college in het m.e.r.-beoordelingsbesluit ten onrechte heeft geconcludeerd dat een MER niet nodig is, omdat er geen relevante milieueffecten te verwachten zijn. Er is geen vergelijking gemaakt met de geurbelasting in de eerder vergunde installatie. Eisers 2 en 3 vragen in dit verband ook aandacht voor de vraag of Groengas wel een natuurvergunning kan krijgen en stellen dat er belangrijke nadelige gevolgen voor de nabijgelegen Natura 2000-gebieden zullen gaan optreden. In de aanmeldingsnotitie wordt ten onrechte verwezen naar de positieve weigering van 29 september 2022.



13.1.
Volgens het college is geen sprake van belangrijke nadelige milieugevolgen. Dat deze er niet zijn, blijkt ook uit de beoordeling van de inhoudelijke aanvraag. De afzonderlijke effecten voldoen aan de normen en op onderdelen is er zelfs sprake van een verbetering. De geurbelasting neemt af, omdat de grootste geurbron in de eerder vergunde situatie, het drogen van digestaat, komt te vervallen. Verder vindt alle op- en overslag inpandig plaats en komt er een geavanceerd luchtbehandelingssysteem.



13.2.
Het initiatief heeft betrekking op de activiteiten genoemd in de bijlage die hoort bij het Besluit m.e.r., onderdeel D, categorie 18.1. Op grond van dat onderdeel is de oprichting, wijzing of uitbreiding van een installatie voor de verwijdering van afval, anders dan bedoeld onder D 18.3, D 18.6 of D 18.7, in gevallen waarin de activiteiten betrekking hebben op een installatie met een capaciteit van 50 ton per dag of meer, m.e.r.-beoordelingsplichtig.



13.3.
De rechtbank stelt vast dat de argumenten van partijen op dit punt en de argumenten die zij aanvoeren met betrekking tot de afzonderlijke milieugevolgen, elkaar grotendeels overlappen. De rechtbank zal die argumenten bij de bespreking van de specifieke milieugevolgen aan de orde stellen. Met betrekking tot de vraag of nadelige gevolgen optreden voor Natura 2000-gebieden overweegt de rechtbank dat een m.e.r.-beoordeling geen verkapte vergunningverlening betreft. Met andere woorden, het college hoeft in een m.e.r.-beoordeling niet te beoordelen of een natuurvergunning op basis van artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb noodzakelijk is of dat aan alle vereisten van artikel 2.14 van de Wabo wordt voldaan. Het college heeft in de gevolgen voor Natura 2000-gebieden geen aanleiding hoeven zien om Groengas te verplichten een MER op te stellen. Het gaat alleen om de vraag of er een MER moet worden opgesteld ten behoeve van de verlening van de omgevingsvergunning. Op dat moment hoeft nog niet duidelijk te zijn wat de exacte gevolgen zijn voor natuur en milieu (dat hoeft pas duidelijk te zijn in de uiteindelijke omgevingsvergunning). De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de m.e.r.-beoordeling moet worden verricht voordat de vergunning wordt aangevraagd. Het college heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat de gevolgen van de wijziging van de geldende omgevingsvergunning(en) voor de inrichting voor de omgeving, waaronder Natura 2000-gebieden, niet zodanig nadelig zijn dat het hierin aanleiding had moeten zien om Groengas te vragen een MER op te laten stellen.

14. Eisers 3 hebben erop gewezen dat in de aanmeldingsnotitie melding wordt gemaakt van een ammoniakemissie van 3,75 gram (eisers 3 gaan er zelf al van uit dat dit een kennelijke verschrijving is) en wijzen erop dat deze emissie niet terugkeert in de voorschriften bij het bestreden besluit. Dit zou betekenen dat de generieke norm van het Bal van 30 mg/Nm³ van toepassing is. Eisers 3 menen dat de ondergrens in de toepasselijke beste beschikbare technieken afvalverbranding (BBT afvalverbranding) (2 mg/Nm³) had kunnen worden opgelegd als maatwerkvoorschrift. Daarnaast is de hoeveelheid stikstofemissie niet benoemd in de beoordelingsnotitie.



14.1.
In het bestreden besluit is een norm opgenomen voor de hoeveelheid ammoniak per kubieke meter vergistingsgas. In het verweerschrift merkt het college op dat in de BBT afvalverbranding een norm van 2 mg/Nm³ is opgenomen, maar dat heeft betrekking op afgassen bij het gebruik van selectieve niet-katalytische reductie (SNCR) en daarvan is geen sprake.



14.2.
De StAB stelt vast dat geen sprake is van afvalverbranding. Omdat het digestaat voor meer dan 50% uit dierlijke mest bestaat, zijn de grenswaarden in conclusie 24 van de BBT afvalverbranding en 34 van de BBT afvalverwerking niet van toepassing. De StAB acht het niet noodzakelijk een grenswaarde te stellen voor ammoniakemissie, omdat deze duidelijk genoeg volgt uit de onderliggende stukken bij de aanvraag.



14.3.
In reactie op het verslag hebben het college en Groengas aangegeven dat zij instemmen met het opnemen in de vergunning van een grenswaarde van 3,75 mg/Nm³.



14.4.
De rechtbank is van oordeel dat de vermelding van 3,75 gram/Nm³ in de aanmeldingsnotitie moet worden gezien als een kennelijke verschrijving. De rechtbank is in navolging van de StAB van oordeel dat het college geen aanleiding heeft hoeven zien om een grenswaarde van 2 mg/Nm³ op te nemen, omdat de toepasselijke BBT hiertoe niet verplichten met betrekking tot de ammoniakemissie van de installatie van Groengas. Naar het oordeel van de rechtbank is na het opnemen van voorschrift 13.1.7 onduidelijk of Groengas zou handelen in afwijking van het bestreden besluit door meer ammoniak uit te stoten dan is vermeld in de aanvraag of de aanmeldingsnotitie. Het had op de weg van het college gelegen om met toepassing van artikel 7.20a van de Wet milieubeheer in de vergunning een grenswaarde op te nemen voor de ammoniakemissie van de installatie van Groengas. Het bestreden besluit is onvolledig. De rechtbank zal in deze uitspraak een voorschrift 9.1.12 opnemen met een grenswaarde van 3,75 mg/Nm³. Ook zal de rechtbank voorschrift 13.1.7 aanpassen en hierin de grenswaarde van 3,75 mg/Nm³ opnemen.

Coördinatie watervergunning.

15. Eiser 2 en eisers 3 zijn van mening dat de procedure van vergunningverlening had moeten worden gecoördineerd. De watervergunning van Groengas dateert van 28 oktober 2014. De beste beschikbare technieken zijn verdergegaan en de vraag is of met de oude lozingsvergunning had kunnen worden volstaan en of wel wordt voldaan aan de Kader Richtlijn Water. Eiser 2 wijst erop dat het Waterschap Aa en Maas (waterschap) in 2023 de toepassing van omgekeerde osmose verplicht heeft gesteld. Er had een BBT- toetsing moeten plaatsvinden ten aanzien van de lozingen.


15.1.
Het college stelt dat geen sprake is van wijzingen in de aard en samenstelling van het te lozen effluent. Wel is sprake van een wijziging van het lozingspunt. Hiervoor is op basis van de Keur van het waterschap een watervergunning vereist. Volgens het college is hiervoor geen coördinatie op grond van artikel 3.16 van de Wabo vereist. Het waterschap is dezelfde mening toegedaan. Als niet per as wordt afgevoerd, is omgekeerde osmose volgens het college verplicht.



15.2.
Ook Groengas is van mening dat coördinatie niet nodig was. Groengas heeft een watervergunning aangevraagd. Een positief ontwerpbesluit heeft ter inzage gelegen waartegen geen zienswijzen zijn ingediend. Groengas kan ermee leven als de lozing wordt beperkt tot een hoeveelheid van 25.000 m³ per jaar.



15.3.
De StAB heeft de lozingssituatie in kaart gebracht in het verslag. De lozingseisen in de watervergunning van 28 oktober 2014 komen overeen met de lozingseisen in voorschrift 15.1.1 van het bestreden besluit.



15.4.
De coördinatieregeling tussen de Wabo en de Waterwet houdt in dat de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een IPPC-installatie tegelijk wordt ingediend met de aanvraag om de watervergunning (artikel 3.18 van de Wabo), dat het bestuursorgaan dat bevoegd is tot verlenen van de watervergunning advies uitbrengt aan het bevoegd gezag
voor de omgevingsvergunning (artikel 3.19 van de Wabo), en dat in de omgevings-vergunning melding wordt gemaakt van de invloed die de samenhang tussen de beschikkingen op de onderscheidene aanvragen heeft gehad op de inhoud van de omgevingsvergunning of de beschikking tot wijziging van voorschriften van de omgevings-vergunning (artikel 3.21 van de Wabo).



15.5.
De aangevraagde activiteit heeft betrekking op een inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort. De lozing op het oppervlaktewater bestaat uit effluent van digestaat bewerking (40.000 m³/jaar) en hemelwater van daken (4.800 m³/jaar). Het effluent van digestaatbewerking wordt via een leiding getransporteerd naar de vijver achter het terrein. De vijver wordt aangelegd aan de noordzijde van het terrein en staat in verbinding met het oppervlaktewater.



15.6.
De rechtbank heeft er kennis van genomen dat Groengas een watervergunning heeft aangevraagd. Tijdens de zitting is aangegeven dat deze vergunning op zeer korte termijn zou worden verleend. De rechtbank beschikte bij het sluiten van het onderzoek niet over deze vergunning en betrekt deze dus ook niet bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit buiten beschouwing.



15.7.
De rechtbank stelt, in navolging van de StAB, vast dat de lozingseisen in de watervergunning van 28 oktober 2014 overeenstemmen met de lozingseisen in voorschrift 15.1.1 van het bestreden besluit. De lozingseisen worden uitgedrukt in een hoeveelheid van de stof per liter water. Eisers merken echter terecht op dat het bestreden besluit voorziet in een lozing met een grotere totale omvang van effluent (40.000 m³ per jaar) dan de lozing die is vergund door het waterschap in 2014 (25.000 m³ per jaar).



15.8.
De rechtbank is van oordeel dat het wijzigen van de locatie van een lozingspunt en het afvoeren van hemelwater handelingen zijn waarvoor een watervergunning is vereist op grond van de Keur Waterschap Aa en Maas en waarvoor geen coördinatie verplicht is ingevolge artikel 3.18 van de Wabo. Er wordt echter niet dezelfde hoeveelheid te lozen water vergund. Per saldo is het mogelijk om op jaarbasis een grotere hoeveelheid van de stof (die voorkomt in het effluent) te lozen in het oppervlaktewater. Naar het oordeel van de rechtbank vergde dit wel coördinatie tussen het bestreden besluit en de door Groengas aangevraagde watervergunning. Het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3.16 en volgende van de Wabo.



15.9.
De rechtbank begrijpt dat Groengas kennelijk een grotere hoeveelheid te lozen effluent heeft aangevraagd dan zij denkt te lozen op jaarbasis. Gelet op de mededeling van Groengas dat zij kan volstaan met het lozen van 25.000 m³ per jaar als zij osmose toepast, ziet de rechtbank aanleiding de omgevingsvergunning te vernietigen voor zover hierbij de lozing van effluent van meer dan 25.000 m³ per jaar is toegestaan. In dat geval komt de hoeveelheid te lozen effluent weer overeen met de hoeveelheid die is vergund in de watervergunning van 2014. In dat geval is slechts een watervergunning vereist omdat het wijzigen van een lozingspunt vergunningplichtig is ingevolge de toen geldende Keur van het waterschap. Voor de lozing van deze gelijke hoeveelheid effluent op een ander punt is géén coördinatie ingevolge artikel 3.16 van de Wabo vereist. De rechtbank is niet gebleken dat de omgevingsvergunning na deze weigering niet uitvoerbaar is. In hoeverre de lozing van effluent op een juiste manier is beoordeeld, komt later in deze uitspraak nog verder aan de orde.


Wat is vergund en de wijze van vergunnen

16. Eisers 3 vragen zich af of de WKK’s na het van kracht worden van de vergunning mogen worden gebruikt. De onduidelijkheid wordt veroorzaakt doordat sommige voorschriften pas van toepassing zijn als het bestreden besluit onherroepelijk is en andere voorschriften van toepassing zijn als het bestreden besluit in werking is.



16.1.
Het college stelt dat de WKK’s komen te vervallen en dat de WKK-ruimte wordt afgebroken. De WKK’s staan feitelijk niet meer op de locatie en kunnen dus ook niet meer gebruikt worden.



16.2.
Op pagina 15 van "Bijlage_02_omgevingsvergunning4" bij de aanvraag staat:
"De twee grote WKK's zijn van het bedrijf verwijderd en worden vervangen door nieuwe kleinere biogasboiler en […]".



16.3.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de WKK’s niet vergund, zodat het college terecht heeft gesteld dat zij niet meer gebruikt kunnen worden.

17. Eisers 1 zijn het niet eens met de wijze van vergunnen. Uit de procesbeschrijving blijkt dat het onderdeel mestverwaarding bestaat uit vijf stappen die in de praktijk niet allemaal zullen worden doorlopen. Bij de beoordeling van de aanvaardbaarheid van de milieugevolgen is uitgegaan van het worst-casescenario. Dit scenario kan echter per stap verschillen. In de ene stap wordt meer digestaat afgevoerd, hetgeen leidt tot meer indirecte hinder (in de vorm van lawaai van vertrekkende vrachtwagens). In de andere stap is sprake van meer geuremissie. Voor het geuronderzoek is uitgegaan van de worst-casesituatie bij het volledig doorlopen van het mestverwaardingsproces. Dat leidt tot de hoogste geurbelasting. De geurvoorschriften zijn daarop gebaseerd. Daardoor wordt volgens eisers 1 milieuruimte geclaimd en vergund die in de praktijk niet nodig is. Het biedt Groengas de ruimte om meer geuroverlast te veroorzaken bij een bedrijfsvoering waarbij niet alle stappen worden doorlopen. Eisers 1 stellen dat in de vergunningvoorschriften onderscheid had moeten worden gemaakt naar het bedrijfsproces dat daadwerkelijk plaatsvindt, omdat de ene optie de andere uitsluit. Silo 1 kan verschillende functies hebben voor de beschreven varianten, maar niet tegelijk. Dat betekent dat de milieugevolgen ook per variant in kaart hadden kunnen en moeten worden gebracht.



17.1.
Het college heeft aangegeven de aangevraagde situatie te beoordelen. Het is aan Groengas om te bepalen of volledig uitvoering wordt gegeven aan de vergunning. Als dat niet gebeurt, kan het college de omgevingsvergunning gedeeltelijk intrekken. Met een onderschatting van de milieugevolgen (als per stap wordt beoordeeld) wordt onvoldoende bescherming gegeven aan de omgeving.



17.2.
Groengas heeft bevestigd dat de werking van de installatie (en met name het mestverwaardingsproces) afhankelijk is van de vraag van de markt.



17.3.
De StAB heeft een beschrijving gegeven van de inrichting. Groengas verwerkt biomassa tot biogas en digestaat. De biomassa bestaat enerzijds uit drijfmest (een mengsel van vaste mest en vloeibare mest van dierlijke oorsprong), en anderzijds uit co-producten die vloeibaar of vast kunnen zijn. De ingenomen co-producten bestaan onder andere uit plantaardig en dierlijk afval uit de voedingsmiddelenindustrie. De biomassa wordt vergist met als doel biogas te produceren. Dit biogas wordt opgewerkt tot groengas van voldoende kwaliteit om aan het gasnet te leveren. Na het gehele vergistingsproces resteert digestaat, waarvoor een aantal opties zijn aangevraagd om dit te bewerken (verwaarden). De StAB heeft zes opties onderscheiden:


Bij optie 1 wordt het (vloeibare) digestaat dat aan het einde van het vergistingsproces achterblijft in de navergister, zonder verdere bewerking met tankauto’s afgevoerd naar derden.


Bij optie 2 wordt het digestaat gescheiden in een dunne en een dikke fractie. Het scheidingsproces, de opslag, en de afvoer zorgen voor een gereinigde geuremissie van 16,6 miljoen odourunits (ouE) per uur. In combinatie met overige emissies blijft sprake van een lagere totale geuremissie.


Bij optie 3 vindt ten opzichte van optie 2 aanvullend flotatie van de dunne fractie plaats in een gesloten flotatietank waardoor ongeveer 18% meer dikke fractie wordt geproduceerd.


Bij optie 4 wordt de dunne fractie aanvullend gefilterd met omgekeerde osmose


In optie 5 wordt het gefilterde water geïoniseerd.


Bij optie 6 ten slotte wordt mineraalconcentraat ingedampt.


De StAB heeft dit schematisch in kaart gebracht.









17.4.
De rechtbank heeft zich afgevraagd of in dit besluit nu meerdere varianten van de inrichting naast elkaar worden vergund, of dat sprake is van één variant met opvolgende stappen.



17.5.
In de uitspraak van de Afdeling van 14 juni 2023 heeft de Afdeling overwogen dat het niet mogelijk is om twee inhoudelijk verschillende bouwplannen binnen één aanvraag getrapt beoordeeld te krijgen. De systematiek van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de Wabo, het Bor en de Regeling omgevingsrecht staat eraan in de weg dat een dergelijke getrapte aanvraag wordt ingediend. Hierbij acht de Afdeling van belang dat eventuele derde belanghebbenden geconfronteerd kunnen worden met een rechtsonzekere situatie.



17.6.
Naar het oordeel van de rechtbank worden in het bestreden besluit niet meerdere varianten naast elkaar vergund. Er wordt één werking van de inrichting vergund in meerdere opvolgende stappen, resulterend in de eindproducten biogas en digestaat, waarbij biogas het hoofdproduct is. De opvolgende verwerkingsstappen in het digestaat resulteren in de producten ‘dikke fractie, dunne fractie, en water’. Voor het verwerken van het water worden optionele stappen vergund namelijk enerzijds indampen (optie 6), anderzijds osmose zonder ionisatie (optie 4) en omgekeerde osmose met ionisatie (optie 5). De rechtbank is van oordeel dat deze opties niet leiden tot wezenlijk andere varianten van de inrichting met andere producten en gevolgen die naast elkaar zijn vergund en kunnen worden toegepast zonder voorafgaande toestemming (en rechtsbeschermingsmogelijkheid). Er is dus geen sprake van een zogenoemde of/of-vergunning zoals in de uitspraak van deze rechtbank van 22 september 2025.



17.7.
De rechtbank acht wel aangewezen dat de aanvaardbaarheid van de afzonderlijke milieugevolgen in de diverse opties wordt beoordeeld. Het college is hierbij uitgegaan van het worst-casescenario (de zwaarst mogelijke situatie). Bij de bespreking van de afzonderlijke milieugevolgen zal de rechtbank beoordelen of doel- en middelvoorschriften moeten worden gesteld per afzonderlijke stap in het bedrijfsproces, of te veel milieuruimte is vergund en of bij de afzonderlijke stappen de best beschikbare technieken in acht zijn genomen.

18. Eisers 1 vragen zich af of het is toegelaten om mest op te slaan (en te hygiëniseren) naast het vergisten van mest.



18.1.
Het college is van mening dat geen omgevingsvergunning is aangevraagd of verleend voor het opslaan van afvalstoffen.



18.2.
De capaciteit van de inrichting wordt begrensd in voorschrift 5.2.1 bij het bestreden besluit. Voorschrift 5.2.1 luidt: "Binnen de inrichting mag per kalenderjaar in totaal maximaal 72.000 ton dierlijke mest en co-producten worden vergist in de onderstaande verhoudingen:
• dierlijke mest: minimaal 36.000 ton (50%) en maximaal 39.600 ton (55%)
• co-producten: minimaal 32.400 ton (45%) en maximaal 36.000 ton (50%) - niet zijnde dierlijke mest met eurocode 02.01.06".
In voorschrift 5.2.4 is het volgende bepaald: "In de inrichting mag slechts dierlijke meststoffen en co-producten als product, bijproduct of afvalstof ten behoeve van de het vergistingsproces worden toegelaten welke niet zijn vermengd met andere stoffen".



18.3.
De StAB constateert dat hieruit volgt dat dierlijke meststoffen en co-producten enkel ten behoeve van het vergistingsproces mogen worden toegelaten. Het is op basis van de vergunning dus niet toegestaan om afvalstoffen op het terrein toe te laten die niet worden vergist.



18.4.
De rechtbank deelt de opvatting van de StAB. Het is niet toegelaten om silo’s te gebruiken voor de enkele opslag van mest. Dit is voldoende geborgd in voorschrift 5.2.4 van het bestreden besluit. Het hygiëniseren van mest is niet aangevraagd en niet vergund.

19. Eisers vragen zich af of het drogen van de dikke fractie nog steeds is toegestaan. Het drogen van de dikke fractie is een belangrijke geurbron.



19.1.
Het college is ervan uitgegaan dat het drogen van de dikke fractie niet is vergund. De dikke fractie wordt direct afgevoerd naar derden. Het college heeft aan de StAB medegedeeld dat de aanvraag van Groengas hierover mogelijk verwarring kan wekken.



19.2.
In paragraaf 5.11.4 van het bestreden besluit wordt het geuronderzoek bij de aanvraag besproken. Hierin wordt het drogen van de dikke fractie van digestaat als geurrelevant proces genoemd.



19.3.
Dit heeft de StAB ook geconstateerd in haar verslag. De StAB stelt ook vast dat het drogen van de dikke fractie van digestaat niet is aangevraagd en kan de passage in het bestreden besluit niet rijmen met de aanvraag. De StAB merkt ook op dat het drogen van de dikke fractie in een eerdere omgevingsvergunning wel is vergund. De StAB stelt voor het drogen van de dikke fractie van digestaat uitdrukkelijk te verbieden in een nieuw voorschrift bij de omgevingsvergunning.



19.4.
Alle partijen hebben aangegeven dat zij het eens zijn met het voorstel van de StAB.



19.5.
De rechtbank is van oordeel dat onduidelijk is of in het bestreden besluit in afwijking van de aanvraag het drogen van de dikke fractie van digestaat is vergund. Weliswaar is het bestreden besluit een revisievergunning en vervallen de voorliggende vergunningen van rechtswege (automatisch) als het bestreden besluit onherroepelijk wordt, maar dit doet er niet aan af dat het bestreden besluit onduidelijk is. Het bestreden besluit, voor zover hierin het drogen van de dikke fractie van digestaat wordt vergund, komt voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank zal een extra voorschrift (8.3.4) opnemen waarin het drogen van de dikke fractie van digestaat wordt verboden.


Resterende beroepsgronden met betrekking tot afvalwater

20. Eisers 1 en 3 voeren aan dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat de beoogde lozingen van water zijn getoetst aan de Kaderrichtlijn Water (KRW) en aan de beste beschikbare technieken (BBT). Eiser 2 vraagt zich af waarom omgekeerde osmose verplicht is gesteld door het waterschap in 2023, maar slechts optioneel is in het bestreden besluit.



20.1.
In het bestreden besluit is volstaan met het overnemen van de lozingseisen uit de geldende watervergunning uit 2014.



20.2.
De StAB heeft vastgesteld dat uit de vergunningaanvraag blijkt dat voorafgaand aan het lozen van afvalwater (opties 4 en 5) altijd omgekeerde osmose wordt toegepast. Het college heeft aan de StAB toegelicht dat ionenwisseling alleen noodzakelijk is wanneer dit nodig is om de lozingseisen te halen.



20.3.
In de Beleidsregel vergunningverlening voor lozingen vanuit mestverwerkingsinstallaties 2023 van het Waterschap Aa en Maas is het document ‘Het aanwijzen van BBT voor effluentbehandeling bij mestverwerkingsinstallaties’ aangehecht. Hierin is het volgende opgenomen: “Het voorstel is om de concentratietechniek omgekeerde osmose aangevuld met ionenwisseling aan te wijzen als zogenaamde ‘best beschikbare technieken plus’ (BBT+). In alle gevallen dat de lozing uit een MVI leidt tot een significante verslechtering van de waterkwaliteit voor het (klein) ontvangende oppervlaktewater voor zowel de klassieke als voorzorgparameters, moet omgekeerde osmose inclusief ionenwisseling door de initiatiefnemer meegenomen worden in de BBT/BBT+ afweging en – indien er geen andere vergelijkbare opties zijn – ook worden toegepast, omdat de technische en economische haalbaarheid in de bedrijfstak is aangetoond. De concentratietechniek indampen zou als mogelijk alternatief voor OO kunnen dienen, maar de benodigde data om dit te bevestigen, ontbreken.”.



20.4.
De rechtbank is van oordeel dat in het bestreden besluit omgekeerde osmose voorafgaand aan het lozen van effluent is vergund. Zo is het naar het oordeel van de rechtbank ook aangevraagd. Uit het schema van de StAB leidt de rechtbank af dat als alternatief voor omgekeerde osmose ook het indampen van het water na flotatie als optionele variant is vergund. In het informatiedocument wordt het indampen als optionele maar niet bewezen techniek genoemd.



20.5.
De rechtbank stelt vast dat het Waterschap de beleidsregel niet heeft betrokken bij haar advies. In het bestreden besluit is onvoldoende gemotiveerd waarom het indampen als optionele techniek als alternatief voor omgekeerde osmose is vergund en of met toepassing van deze techniek de nadelige gevolgen voor het (water)milieu in voldoende mate worden beperkt. De rechtbank leidt uit het informatiedocument af dat onvoldoende gegevens beschikbaar zijn om het indampen als BBT aan te merken. De beroepsgrond van eiser 2 slaagt. De rechtbank ziet hierin aanleiding het bestreden besluit, voor zover hierin optie 6 is vergund, te vernietigen.



20.6.
In dat geval resteren opties 4 en 5 voor het lozen van effluent. In beide gevallen wordt omgekeerde osmose toegepast en is het lozen van afvalwater zonder de voorafgaande toepassing van omgekeerde osmose niet aangevraagd. Met andere woorden, als effluent wordt geloosd zonder dat omgekeerde osmose wordt toegepast, dan handelt Groengas in afwijking van de aan haar verleende omgevingsvergunning en is dat een overtreding van artikel 5.1, tweede lid, onder a, van de Omgevingswet.



20.7.
Het is de rechtbank onduidelijk waarom alleen zou kunnen worden volstaan met omgekeerde osmose en waarom ionenwisseling als optionele (maar niet als verplichte) variant is vergund. De enkele verwijzing naar de watervergunning uit 2014 is onvoldoende omdat in deze watervergunning weliswaar lozingseisen staan (die zijn overgenomen in het bestreden besluit) maar onvoldoende is beoordeeld of het toepassen van een aanvullende beschikbare techniek mogelijk kan leiden tot minder nadelige gevolgen voor het milieu. De rechtbank baseert dit op de beleidsregel van het Waterschap. Het bestreden besluit is op dit onderdeel onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank ziet hierin aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen voor zover hierin optie 4 (het direct lozen van effluent na omgekeerde osmose zonder ionisatie) is vergund. Dat betekent dat ionisatie (optie 5) als enige optie resteert bij de lozing van effluent na omgekeerde osmose. De rechtbank is van oordeel dat met het toepassen van optie 5, in combinatie met de lozingseisen BBT in acht worden genomen. Indien na omgekeerde osmose geen ionisatie wordt toegepast, handelt Groengas in afwijking van de aan haar verleende omgevingsvergunning en is dat een overtreding van artikel 5.1, tweede lid, onder a, van de Omgevingswet. Bij de overige opties wordt geen effluent geloosd en de beleidsregel van het Waterschap geeft dan geen aanleiding voor het oordeel om omgekeerde osmose gevolgd door ionisatie in alle gevallen verplicht te stellen.

21. Eisers 3 voeren aan dat onduidelijk is waar reinigingswater (genoemd in voorschrift 12.1.2) blijft.



21.1.
De StAB constateert dat de enige optie, is om het reinigingswater per tankwagen af te voeren naar een externe verwerker.



21.2.
Geen van de partijen heeft hierop gereageerd.



21.3.
In voorschrift 12.1.2 is het volgende bepaald: Verontreinigd afvalwater dat afkomstig is van het reinigen van de mestbewerkinginstallatie, mestbewerkingruimte en vloeistoffen die bij eventuele calamiteiten vrijkomen moeten via een gesloten leiding worden afgevoerd naar een niet van een overstort voorziene opslagruimte(put). De leiding en de vloer en wanden van de opslagvoorziening moeten mestdicht zijn en bestand zijn tegen de inwerking van het middel (de middelen) die aan de mest/vloeistof zijn toegevoegd. Deze vloeistoffen mogen niet worden afgevoerd naar de bodem, het grondwater, het oppervlaktewater of het gemeentelijke vuilwaterriool.



21.4.
De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat afvoer naar een externe verwerker onmogelijk is. Deze beroepsgrond vormt daarom geen aanleiding om het bestreden besluit op dit onderdeel te vernietigen.


Beroepsgronden met betrekking tot geurhinder.

22. Eiser 2 heeft als beroepsgrond aangevoerd dat het geurrapport, het akoestisch rapport en het luchtkwaliteitsrapport zodanige tekortkomingen bevatten dat op grond daarvan niet kan worden geconcludeerd dat aan de normen voor geur, geluid en luchtkwaliteit wordt voldaan. Eiser 2 verwijst naar de ingebrachte zienswijzen op het ontwerpbesluit.



22.1.
De rechtbank stelt vast dat eiser 2 niet nader heeft geduid waarom de weerlegging van de door hem ingebrachte zienswijzen niet juist is. Eiser 2 heeft ook de door hem gestelde tekortkomingen niet nader geduid. De rechtbank ziet in deze beroepsgrond geen aanleiding voor het oordeel dat de drie rapporten onoverkomelijke gebreken vertonen of dat de weerlegging van de zienswijzen onjuist is. Deze beroepsgrond slaagt niet. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de StAB de zienswijzen van eiser 2 en de daarin opgenomen kritiek op het geurrapport voor de fakkel heeft besproken. In deze kritiek, waaronder de bedenkingen bij de bepaling van de hedonische waarde, ziet de StAB (in paragraaf 5.17 en 5.18 van het verslag) geen aanleiding voor aanpassing van het bestreden besluit. Eiser 2, het college en Groengas hebben hier verder niet op gereageerd.

23. Eisers 1 voeren aan dat ten onrechte geen onderscheid is gemaakt naar het type verwerkingsproces. In de aanvraag staan vijf opties die elkaar uitsluiten. Daarnaast hebben eisers 1 een aantal gronden aangevoerd over de geurbelasting van Groengas en de voorschriften die daarover zijn opgenomen in het bestreden besluit. Zij verwijzen naar hun zienswijzen en naar notities van 5 september 2024 en 28 januari 2025 van ingenieursbureau Witteveen+Bos. Deze beroepsgronden hebben onder meer betrekking op de werking en de kwaliteit van filters, het dampretoursysteem, het geurbeheerplan, het op onderdruk houden van de loods en de geurbelasting bij het laden en lossen. Voor een volledige beschrijving van de beroepsgronden verwijst de rechtbank naar de inventarisatie van beroepsgronden in het advies van de StAB.



23.1.
Het college heeft in paragraaf 8.1 van het bestreden besluit vier doelvoorschriften opgenomen voor de geuremissie per uur van vier emissiebronnen. In voorschrift 8.1.6 zijn immissievoorschriften van de totale geurbelasting van de inrichting opgenomen op een aantal toetspunten. In paragraaf 8.2 zijn middelvoorschriften opgenomen en in paragraaf 3 gedragsvoorschriften. In paragraaf 8.4 zijn meet- en monitoringsvoorschriften opgenomen waarbij in voorschrift 8.4.5 is voorzien in de verplichting om (bij overschrijding van de normen in voorschriften 8.1.1 tot en met 8.1.5) een plan van aanpak op te stellen. In paragraaf 8.5 is voorzien in een verplichting om het geurbeheersplan, het milieubeheers-systeem en/of het monitoringsplan te actualiseren als het aantal en de aard van ingediende klachten daartoe aanleiding geeft. Het college stelt uitgegaan te zijn van de zwaarst mogelijke situatie.



23.2.
In het verweerschrift is het college ingegaan op de specifieke gronden van eisers over het onderhoud van de actiefkoolfilters, het dampretoursysteem, het op onderdruk houden van de loods en het laden en lossen.



23.3.
De StAB geeft in haar advies eerst een overzicht van de relevante geurbronnen. De twee grootste bronnen zijn twee biotricklingfilters. Het Torrenta filter reinigt de geurhoudende lucht van de biomassaloods. Voor de kleinere en kortdurende geurbronnen die zijn uitgerust met een actief koolfilter, zijn middelvoorschriften over het onderhoud gesteld. De enige ongereinigde diffuse emissie vindt plaats tijdens het openen van de overheaddeur van de digestaatloods. De ongereinigde lucht hiervan wordt afgevoerd via de open deur. De StAB heeft in kaart gebracht welke voorschriften gelden voor de geurbronnen. Voor de grotere geurbronnen zijn doelvoorschriften gesteld die de geurvracht begrenzen (voorschriften 8.1.1 t/m 8.1.4). Daarnaast is nog een waarborg verlangd op het in stand houden van de onderdruk (voorschrift 8.2.4) en is vastgelegd dat de afgezogen lucht daadwerkelijk door het (biotrickling)filter wordt geleid (voorschriften 8.2.2 en 8.2.3). Bij de geurbronnen die zijn voorzien van een geurreducerende voorziening is voorschrift 8.2.5 van toepassing waarbij het onderhoud van die voorziening is vastgelegd. Er is een algemeen voorschrift opgesteld om diffuse emissie door de deuren en ramen van de mestverwerkingshal te beperken. Daarnaast is ten aanzien van niet continue bronnen verlangd dat de registratie van de bedrijfsduur wordt bijgehouden (voorschrift 8.2.1) en zijn periodieke geurmetingen opgelegd (voorschriften 8.4.1 en 8.4.2).
De StAB heeft een aantal zaken bij de berekening van de geurbelasting geconstateerd:


In de berekeningen is geen rekening is gehouden met het verladen van dikke fractie in de digestaathal. De StAB heeft hiervoor een aanvullende berekening gemaakt.


De hygiënisatie van digestaat is als geurbron betrokken. De emissie vindt plaats via een actief koolfilter.


De diffuse emissie uit de digestaathal is om onduidelijke redenen gehalveerd. De uitkomst van de hierbij gebruikte rekenformule is 8,3 MouE/uur en hierop is volgens de rekenformule geen correctiefactor van 0,5 van toepassing. De emissieduur bedraagt 25 uur in plaats van 250 uur per jaar.


De StAB heeft op basis van de beroepsgronden een gedetailleerde beoordeling gegeven van de verschillende geuremissies. De geuronderzoeken waarop de emissie via de koolfilters is gebaseerd, leiden volgens de StAB niet tot een onderschatting van de geuremissie. De StAB stelt wel vergunningvoorschriften voor en adviseert een aantal voorschriften te wijzigen of aan te vullen.



23.4.
De StAB heeft op verzoek van de rechtbank onderzocht wat de geurbelasting is bij de afzonderlijke zes stappen. De geuremissie van optie 1 is gering en is de laagste van alle opties. In optie 2 en 3 is sprake van een lagere totale geuremissie dan de aangevraagde geuremissie. In optie 5 wordt het gefilterde water geïoniseerd, wat geen invloed heeft op de geurvracht. Gelet op hetgeen hierboven is geoordeeld, laat de rechtbank de geurbelasting bij opties 4 en 6 buiten beschouwing. De StAB heeft dit uitgewerkt in paragraaf 5.3.2 van het verslag. De aangevraagde/vergunde geuremissies voor de emissiepunten EP5, EP6 en EP10, waarvan de bronnen gerelateerd zijn aan de digestaatverwerking, bedraagt 297.146 MouE/jaar. De StAB heeft voor optie 1 een jaarvracht geuremissie vastgesteld van
79 MouE/jaar. Voor optie 2, 3 en 5 is een jaarvracht geuremissie vastgesteld van 296.314 MouE/jaar.



23.5.
Partijen hebben geen reactie gegeven op de inventarisatie van de geurbelasting in de verschillende opties door de StAB. Zij hebben wel reacties gegeven op de verschillende voorstellen voor wijzigingen of aanvullingen van de voorschriften, die hierna worden besproken. Ter zitting heeft het college nog aangegeven dat de geurbelasting wordt gereguleerd door een samenstel van middel- en doelvoorschriften.



23.6.
De rechtbank is, gelet op de bevindingen van de StAB, van oordeel dat het college heeft kunnen afzien van het opnemen van afzonderlijke geurvoorschriften voor wat betreft opties 2, 3 en 5, omdat de verschillen in geuremissies in de betreffende stappen zeer gering is. Het college heeft de geurvoorschriften voor deze opties kunnen bepalen op basis van het worst-casescenario. Bij optie 1 vindt een fors lagere geuremissie plaats dan in de overige stappen op emissiepunten 5 en 6.



23.7.
De rechtbank zal hierna beoordelen of de geurbelasting voor de omgeving door de doel- en middelvoorschriften verbonden aan deze emissiepunten in voldoende mate wordt beperkt en of hier Groengas te veel ruimte is gegund. Hierbij neemt de rechtbank het advies van de StAB en de reacties daarop van partijen als vertrekpunt voor de beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit.

24. Bij de inventarisatie merkt de StAB op dat de emissie vanwege het vullen van silo 1 vanuit de navergister niet is meegerekend. Het college heeft aangegeven dat de reiniging van de afgevoerde verdringingslucht die ontstaat door het vullen van silo 1, niet is vastgelegd in de aanvraag of het bestreden besluit. De StAB stelt voor dit in een extra voorschrift te verplichten.



24.1.
Groengas heeft aangegeven dat silo 1 een gesloten biogasbuffer heeft en dat een gasleiding de lucht afvoert als biogas. Er is dus geen verdringingslucht.



24.2.
De rechtbank ziet, gelet op de reactie van Groengas, geen aanleiding om het bestreden besluit op dit punt ontoereikend te achten. De verdringingslucht wordt als biogas afgevoerd en leidt niet tot een extra emissie.

25. De StAB adviseert voorschrift 8.1.1 te wijzigen naar:
"De geuremissie van naar de buitenlucht afgevoerde lucht van de Torrenta filter afkomstig uit de biomassahal en de verdringingslucht van silo’s S1 en S2 mag maximaal 42,5 ∗106 Europese geureenheden (ouE) per uur bedragen."



25.1.
Partijen kunnen hiermee instemmen.



25.2.
De rechtbank stelt vast dat het college zich in haar reactie op het StAB advies op een ander standpunt stelt dan het in het bestreden besluit heeft gedaan. Omdat niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hier aanleiding voor hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en dus in strijd is met artikel 3:2 van de Awb. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op voorschrift 8.1.1 en ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank zal dit voorschrift aanpassen in de uitspraak.

26. De StAB adviseert om de laatste zin van het voorschrift 8.1.6 te vervangen door: "Daarbij moet een hedonische correctie toegepast worden volgens tabel 4.7 van het geurrapport BL2022.11118.01-V04, d.d. 15 augustus 2023".



26.1.
Partijen kunnen hiermee instemmen.



26.2.
Omdat ook hier een zorgvuldigheidsgebrek kleeft aan het bestreden besluit gezien het gewijzigde standpunt van het college, zal de rechtbank dit voorschrift aanpassen in de uitspraak.

27. De StAB constateert dat in de aanvraag en het bestreden besluit geen inlaatopening in de wanden van de twee loodsen is beschreven. Dit kan niet worden opgelost door bijvoorbeeld de overheaddeur op een kier te zetten, omdat dit niet is toegestaan op grond van voorschrift 8.3.2. De StAB stelt voor om in aanvulling op voorschrift 8.2.4 te verplichten om te voorzien in een inlaat met een oppervlakte van 1,94 m².



27.1.
Groengas kan hiermee leven. Eisers 1 ook, met de kanttekening dat dan mogelijk een wijziging van de aanvraag noodzakelijk is. Het college ziet het voorschrijven van een inlaatopening niet als een garantie voor onderdruk en stelt een andere redactie van voorschrift 8.2.4 voor: “De capaciteit van afzuiginstallaties moet dusdanig zijn dat altijd een onderdruk in de betreffende ruimtes is gewaarborgd. Ter waarborging van de onderdruk dienen er onderdrukmeters in de diverse compartimenten te worden gehangen. Technische voorzieningen (zoals frequentie gestuurde ventilatoren en/of correct gedimensioneerde inlaatkleppen) dienen doorlopend aangestuurd te worden door de onderdrukmeters en zo de onderdruk te waarborgen.” Groengas heeft geen bezwaar tegen deze aanpassing.



27.2.
De rechtbank is van oordeel dat het opnemen van dit voorschrift geen aanvulling van de aanvraag vereist. Omdat ook hier een zorgvuldigheidsgebrek kleeft aan het bestreden besluit gezien het gewijzigde standpunt van het college, zal de rechtbank de door het college voorgestelde aanvulling overnemen in de uitspraak.

28. De StAB schat in dat de membraamluchtfilters na ongeveer drie maanden verzadigd zullen zijn en heeft voorgesteld een vervangingsfrequentie van eenmaal per kwartaal voor de membraamluchtfilters in voorschrift 8.2.5 op te nemen.



28.1.
Eisers 1 onderschrijven deze aanvulling. Het college stelt een aanpassing voor: “Geurreducerende voorzieningen moeten voor de goede werking, onder optimale condities in bedrijf worden gehouden en moeten zo vaak als voor een goede werking noodzakelijk is worden vervangen en gereinigd, doch ten minste één keer per jaar, worden onderhouden en geïnspecteerd. Voor de actief koolfilters op de vergisters geldt dat deze ten minste eenmaal per kwartaal vervangen moeten worden. “



28.2.
Partijen kunnen hiermee instemmen.




28.3.
Omdat ook hier een zorgvuldigheidsgebrek kleeft aan het bestreden besluit gezien het gewijzigde standpunt van het college, zal de rechtbank dit voorschrift aanpassen in de uitspraak.

29. Eisers 3 hebben daarnaast een aantal beroepsgronden aangevoerd tegen de voorschriften 8.1.5, 8.4.2, 8.4.3 en 8.4.5. Zij stellen dat onduidelijk is naar welk voorschrift in voorschrift 8.1.5 wordt verwezen. Voorschriften 8.4.2 en 8.4.3 dienen te leiden tot een appellabel besluit voordat de meetfrequentie kan worden verlaagd. Voorschrift 8.4.5 impliceert dat het bedrijf zich niet hoeft te houden aan de geurnormering.



29.1.
Het college heeft erkend dat voorschrift 8.1.5 beoogt te verwijzen naar voorschrift 8.1.6. Volgens het college hebben de goedkeuringsbesluiten geen rechtsgevolg. Ongeacht voorschrift 8.4.5 zal Groengas zich volgens het college moeten houden aan de geurvoorschriften in paragraaf 8.1 en 8.2 van het bestreden besluit.



29.2.
Gezien het gewijzigde standpunt van het college, kleeft een gebrek aan het bestreden besluit. De rechtbank zal voorschrift 8.1.5 aanpassen in de uitspraak.



29.3.
Eiser 3 merkt terecht op dat het goedkeuringsbesluit in voorschrift 8.4.2 een wijziging van de meetfrequentie tot gevolg heeft. Hier is dus een rechtsgevolg aan verbonden want dan hoeft er minder te worden gemeten. In de uitspraak van deze rechtbank van 12 april 2024 heeft de rechtbank geoordeeld dat het stellen van een goedkeuringseis met rechtsgevolg in strijd is met de rechtszekerheid en op gespannen voet staat met het systeem van de Wabo en de Omgevingswet. Deze beroepsgrond slaagt en de rechtbank zal de tweede volzin van voorschrift 8.4.2. daarom vernietigen.



29.4.
Het college merkt terecht op dat aan het goedkeuren van het gebruik van emissierelevante parameters geen rechtsgevolg is verbonden, want dit laat onverlet dat Groengas moet voldoen aan de doelvoorschriften in paragraaf 8.1 van de voorschriften van het bestreden besluit. Deze beroepsgrond van eiser 3 slaagt niet.



29.5.
Voorschrift 8.4.5 verplicht Groengas een plan van aanpak te overleggen indien uit de metingen blijkt dat niet wordt voldaan aan de doelvoorschriften in paragraaf 8.1 van de voorschriften van het bestreden besluit. Dit ziet de rechtbank als een aanvullende verplichting. Deze aanvullende verplichting laat onverlet dat Groengas zich moet houden aan de overige voorschriften in het bestreden besluit. Deze beroepsgrond slaagt niet.

30. Eisers 1 vinden dat het opstellen van een geurbeheersplan niet afhankelijk kan worden gesteld van klachten. Zij hebben kritiek op voorschrift 8.5.1.



30.1.
Het college heeft een geurbeheersplan als onderdeel van het milieubeheersplan in voorschrift 4.6.1 verplicht gesteld. Voorschrift 8.5.1 gaat alleen over het actualiseren van een geurbeheersplan naar aanleiding van klachten.



30.2.
De rechtbank stelt vast dat in voorschrift 4.6.1 een geurbeheersplan conform BBT verplicht is gesteld. Het college heeft terecht opgemerkt dat het bestreden besluit reeds voorziet in wat eisers 1 vragen.
31. Eisers 1 voeren aan dat verplichtingen ontbreken om de ontluchting van silo 6 en de verdringingslucht uit tankwagens tijdens het vullen met digestaat aan te sluiten op doelmatige koolfilters.



31.1.
Volgens het college voorziet de aanvraag in de wensen van eisers 1.



31.2.
De StAB stelt vast dat de aanvraag voldoende duidelijk maakt dat silo 6 is aangesloten op een actief koolfilter dat de verdringingslucht uit die silo reinigt. Als Groengas niet voorziet in deze voorziening is het bedrijf in werking in afwijking van de verleende omgevingsvergunning.



31.3.
De rechtbank ziet geen aanleiding om een aanvullende verplichting op te nemen.

32. Eisers 1 hebben nog kritiek op het ontbreken van vervolgstappen bij voorschrift 9.1.2 van het bestreden besluit over de werking van de luchtwassystemen.



32.1.
De StAB heeft voorgesteld om voorschrift 9.1.2 aan te vullen met de passage “de maximale EC-waarde van het waswater bedraagt 15 mS/cm”



32.2.
Het college stelt voor dit voorschrift nog verder aan te vullen met de passage: “Ten aanzien van a: De uitgaande zuurgraad van Amotek dient pH 5-6 te bedragen, die van Torrenta pH 6,5-7,5”



32.3.
Partijen kunnen hiermee instemmen.



32.4.
Gezien het gewijzigde standpunt van het college kleeft een zorgvuldigheidsgebrek aan het bestreden besluit. De rechtbank zal dit voorschrift aanpassen in de uitspraak. In navolging van de StAB is de rechtbank van oordeel dat, als uit het monitoringssysteem blijkt dat sprake is van een overtreding doordat de luchtwassystemen niet werken, dit een kwestie van handhaving is.

33. De rechtbank concludeert op basis van het advies van de StAB dat het bestreden besluit in voldoende mate bescherming biedt aan de omgeving van de installatie tegen geuroverlast vanwege Groengas. Weliswaar heeft de StAB een aantal omissies bij de berekening van de geurbelasting aangetroffen, maar de StAB heeft correcties aangebracht en niet is gebleken dat Groengas niet aan de voorschriften kan voldoen. Eisers merken terecht op dat bij optie 1 wel een fors lagere geuremissie optreedt dan in de overige stappen op emissiepunten 5 en 6. Groengas zal bij het uitvoeren van optie 1 met niet al te veel moeite aan de doelvoorschriften kunnen voldoen. Dat neemt echter niet weg dat Groengas ook moet voldoen aan de middelvoorschriften en gedragsvoorschriften. Gelet op het verslag van de StAB is de rechtbank van oordeel dat door de combinatie van doelvoorschriften en middelvoorschriften (met aanpassingen) de nadelige gevolgen voor de omgeving voldoende zijn beperkt.



33.1.
Eisers hebben naast de hierboven weergegeven beroepsgronden nog meer beroepsgronden met betrekking tot geuroverlast aangevoerd. De rechtbank volstaat met een verwijzing naar het StAB-advies. Hierin zijn de overige beroepsgronden gedetailleerd besproken maar die beroepsgronden leiden niet tot een andere uitkomst dan hierboven is weergegeven. Eisers hebben niet gereageerd op deze bespreking. De rechtbank volgt de StAB en ziet in de overige beroepsgronden van eisers geen aanleiding voor een ander oordeel dan hierboven is weergegeven. In hetgeen eisers voor het overige met betrekking tot geurhinder hebben aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding tot vernietiging van het bestreden besluit.


Beroepsgronden met betrekking tot geluidhinder

34. Eisers 1 vrezen voor geluidsoverlast ten gevolge van het vrachtverkeer van en naar Groengas. Er wordt ten onrechte verwezen naar het geluidsrapport dat verschillende opties openlaat. Zo blijft onduidelijk hoeveel vrachtwagens van en naar Groengas zullen gaan rijden. Zij willen dat het aantal vrachtwagenbewegingen in de voorschriften wordt gelimiteerd. Ook eiser 2 denkt dat in het geluidsrapport het aantal vrachtwagens wordt onderschat. Eisers 1 vinden dat de representatieve bedrijfssituatie in het geluidsrapport te optimistisch is bepaald. Hierbij dient niet van een gemiddelde te worden uitgegaan, maar van de maximale bedrijfsvoering.



34.1.
Het college stelt dat in het akoestisch rapport is aangegeven welke vrachtwagenbewegingen er dagelijks plaatsvinden van en naar de inrichting. Deze zijn gelimiteerd en beperkt tot de dagperiode. Het akoestisch rapport maakt deel uit van de vergunning. Het college stelt dat de representatieve bedrijfssituatie de maximale situatie betreft.



34.2.
Ten behoeve van de aanvraag en het bestreden besluit is door bureau SAIN een rapport uitgebracht ("Akoestisch Onderzoek Groengas Brabant, Loosbroekseweg 48, Nistelrode", projectnummer 2019-3016-4, hierna: het geluidsrapport).



34.3.
De StAB stelt vast dat in het geluidsrapport niet op het eerste oog duidelijk is hoeveel vrachtwagens er gaan komen. Op pagina 9 en in bijlage 3 van het geluidsrapport worden 48 vervoersbewegingen genoemd. In bijlage 3 worden echter ook 34 vrachtwagenbewegingen genoemd. De StAB stelt vast dat in het worst-casescenario, waarbij digestaat gescheiden wordt en de dunne fractie en de dikke fractie worden afgevoerd en waarbij geen water wordt geloosd (optie 2), 24 vrachtwagens en 48 vrachtwagenbewegingen behoren. Dat aantal is hoger dan het aantal vrachtwagenbewegingen op basis van de doorzet van mest in tonnages per jaar. Het klopt dat het aantal afvoerbewegingen hoger is dan het aantal aanvoerbewegingen, omdat een deel van de afvoer naar het buitenland gaat en de vrachtwagens dan minder zwaar zijn beladen. Uit het rapport blijkt duidelijk genoeg dat alleen in de dagperiode vrachtwagenbewegingen plaats zullen vinden. Als er meer dan 48 vrachtwagenbewegingen in de dagperiode zullen zijn, dan kan Groengas niet voldoen aan voorschrift 7.2.1 (waarin de geluidgrenswaarden voor de representatieve bedrijfssituatie zijn opgenomen.). Hierbij merkt de StAB op dat de woningen aan de zuid- tot zuidoostkant van de inrichting vooral belast worden door vrachtwagengeluid en de woningen aan de noord- tot noordoostkant van de inrichting vooral belast worden door het geluid van de gasopwaardeerinstallatie.



34.4.
Partijen hebben op dit onderdeel van het verslag van de StAB verder niet gereageerd.



34.5.
De rechtbank is van oordeel dat het geluidsrapport terecht uitgaat van een worst- casescenario en niet van een gemiddelde situatie. Als in een geluidsrapport zou worden uitgegaan van een gemiddelde situatie en doelvoorschriften zouden daarop worden gebaseerd, dan bestaat het risico dat in een worst-casescenario niet aan die doelvoorschriften kan worden voldaan. Uiteindelijk gaat het erom dat enerzijds doelvoorschriften worden opgelegd waaraan Groengas kan voldoen en anderzijds dat de geluidsbelasting die wordt toegelaten op basis van deze doelvoorschriften toelaatbaar is voor de omgeving en dat de omgeving door deze doelvoorschriften voldoende wordt beschermd.



34.6.
Naar het oordeel van de rechtbank kan het college slechts volstaan met een verwijzing naar het akoestische rapport als dit voldoende concreet en eenduidig is. Als dat niet het geval is, is niet duidelijk waar het bedrijf aan moet voldoen. Naar het oordeel van de rechtbank is het rapport onvoldoende concreet doordat verschillende aantallen vrachtwagens worden genoemd. Daarom is de rechtbank van oordeel dat het aantal vrachtwagens per dag door middel van een voorschrift had moeten worden geborgd in het bestreden besluit en volgt de rechtbank niet het standpunt van het college dat kan worden gehandhaafd op de beschrijving van de representatieve bedrijfssituatie in het geluidsrapport. De rechtbank zal het bestreden besluit daarom in zoverre vernietigen en zelf voorziend in de uitspraak een voorschrift van deze strekking opnemen. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat dit voorschrift veel eenvoudiger is te controleren dan de controle op de naleving van het doelvoorschrift, hetgeen door Groengas tijdens de zitting werd geopperd. Het laatste vergt een akoestisch onderzoek. Het aantal vrachtwagens per dag kan eenvoudig worden gecontroleerd aan de hand van de registratie van de vrachtwagens die aankomen en vertrekken.

35. Eisers 1 stellen ook dat in de voorschriften maximale bronvermogenniveaus voor de aan- en afrijdende vrachtwagens hadden moeten worden gesteld en dat een maximale duur voor het laden en lossen van de vrachtwagens had moeten worden opgenomen. Eisers 1 zijn van mening dat het, in het geluidrapport gehanteerde, bronvermogen niet representatief is voor de vrachtwagens die het bedrijf bezoeken. Ook eiser 2 denkt dat het bronvermogen is onderschat. Daarnaast worden in het geluidsrapport geen bronvermogens genoemd van verschillende installatieonderdelen en stellen eisers 1 dat hiervoor controlevoorschriften hadden moeten worden opgenomen in het bestreden besluit.



35.1.
Het college stelt dat kan worden gehandhaafd op het geluidsrapport waarin de bronvermogens van verschillende installatieonderdelen staan vermeld. Het opnemen van bronvermogens in de voorschriften (of controlevoorschriften) leidt tot een onoverzichtelijk maatregelenpakket. Volstaan kan worden met de opgenomen doelvoorschriften. Ten aanzien van de bronvermogens voor vrachtwagens is het college van mening dat het geluidsrapport een reëel beeld geeft. Voor de langzaam rijdende vrachtwagens is een gemiddelde bronsterkte van 100 dB(A) gehanteerd. De bronsterkte van 100 dB(A) is volgens het college representatief voor snelheden tot 20 km/uur. Overigens resteert hier volgens het college nog geluidruimte.



35.2.
De StAB merkt op dat door middel van controlemetingen achteraf beoordeeld kan worden of aan het taakstellend bronvermogen dat wordt vermeld in het geluidsrapport wordt voldaan. Daarnaast zijn in de vergunning doelvoorschriften overgenomen uit het geluidsrapport. Aan deze grenswaarden dient de totale geluidsimmissie ten gevolge van alle bedrijfsonderdelen met de bijbehorende bedrijfsactiviteiten gezamenlijk te voldoen.
De StAB merkt verder op dat het gehanteerde bronvermogen voor vrachtwagens gangbaar is in geluidsonderzoeken. Oudere vrachtwagens hebben een hoger bronvermogen. Het is niet duidelijk wat het aandeel oudere vrachtwagens is dat Groengas bezoekt. De StAB heeft inlichtingen verzocht aan het bureau Sain. Op basis van de verkregen informatie concludeert de StAB dat in het geluidsonderzoek door Sain met het bijbehorende geluidsrapport uitgegaan is van de juiste bronvermogenniveaus voor de vrachtwagens die aan- en afrijden op het terrein van Groengas. Voor het afremmen en optrekken van de vrachtwagens is in het geluidsrapport en het rekenmodel Sain uitgegaan van een bronvermogenniveau van Lw = 108 dB(A). StAB acht dit in de gegeven situatie een reëel bronvermogenniveau.



35.3.
De rechtbank volgt de StAB en ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het college aan het bestreden besluit extra middelvoorschriften met betrekking tot het bronvermogen van afzonderlijke installatieonderdelen of vrachtwagens had moeten verbinden. Daarnaast kon het college het bestreden besluit inclusief de doelvoorschriften baseren op het geluidsrapport en zijn de daarin opgenomen bronvermogens niet onderschat. Door de in voorschrift 7.1.2 van het bestreden besluit opgenomen controleverplichting kan het college nagaan of aan de doelvoorschriften voor de representatieve bedrijfssituatie en de incidentele bedrijfssituatie kan worden voldaan.

36. Eisers 1 voeren aan dat de aarden wal ten onrechte als geluidreducerende voorziening is betrokken, nu deze in strijd is met het bestemmingsplan. Eiser 2 geeft aan dat de reflectiefactor van de aarden wal niet is opgenomen in het geluidsrapport.



36.1.
Het college stelt dat de aarden wal niet in strijd met het bestemmingsplan aanwezig is. Het beschermend effect van de wal is gering in de dagperiode. De wal is lager dan 5 meter, dus er is geen bescherming door de wal in de avond- en nachtperiode.



36.2.
De StAB heeft vastgesteld dat de aarden wal is gemodelleerd in het geluidsrapport met een reflectiefactor van 0,2 en een tophoekcorrectie van 2 dB. De StAB concludeert met indicatieve berekeningen dat de aarden wal op de drie maatgevende woningen voor het geluid geen afschermend effect heeft, omdat zowel de maatgevende geluidsbronnen als de toetspunten hoger liggen dan de hoogte van de top van de aarden wal. Zoals hiervoor reeds is geoordeeld, is de aanleg van de aarden wal niet in strijd met het bestemmingsplan. Bovendien heeft de aarden wal geen geluidwerende functie en kan Groengas, ongeacht of deze wal er nu wel of niet ligt, voldoen aan de doelvoorschriften. Deze beroepsgrond slaagt niet.

37. Eisers 1 en eiser 2 vrezen dat de bedrijfsduur voor het laden en lossen van vrachtwagens te kort is gemodelleerd in het akoestische onderzoek. Dit duurt bij maximaal beladen vrachtwagens langer dan 15 minuten.



37.1.
Volgens het college is een duur van vijftien minuten gebruikelijk en is niet gebleken dat dit onvoldoende is.



37.2.
De StAB stelt vast dat in het geluidsrapport wordt uitgegaan van 36 ton per vrachtwagen voor de aanvoer van drijfmest. Het laden van spuiwater vindt plaats achter gebouw H en duurt ook vijftien minuten per vracht. De StAB heeft gevraagd hoelang het zou duren om een vracht van 40 ton te lossen. Dat duurt volgens het bureau SAIN 16,7 minuten. Dit resulteert volgens de StAB in een toename van geluid met 0,2 dB. Dan kan nog steeds worden voldaan aan de doelvoorschriften.



37.3.
De rechtbank volgt de StAB en is van oordeel dat het college het bestreden besluit op dit onderdeel kon baseren op het geluidsrapport en geen doelvoorschriften heeft gesteld waar Groengas niet aan kan voldoen.

38. Eisers 1 en eiser 2 zien dat bij enkele bronnen (de control- en procesroom en de chiller) sprake is van een forse overschrijding van de streefwaarden. Om dit te voorkomen moeten geluidreducerende maatregelen worden getroffen. Het is eisers onduidelijk wat voor maatregelen dit zijn. Zij vinden dat het college deze maatregelen had moeten opleggen in de voorschriften bij het bestreden besluit.



38.1.
Volgens het college zijn de geluidreducerende maatregelen in het geluidsrapport genoemd. Ook wordt nadrukkelijk in het geluidsrapport gesteld dat alle gehanteerde bronvermogens als taakstellend dienen te worden beschouwd en dat wanneer blijkt dat niet voldaan wordt aan een taakstellend bronvermogen, aanvullende voorzieningen aangebracht kunnen worden. Tot slot voorziet het bestreden besluit in een controleverplichting in voorschrift 7.1.2.



38.2.
De StAB signaleert dat de bronvermogens van de procesroom en de chiller voor overschrijdingen zullen zorgen. Hiervoor moeten maatregelen worden getroffen. Voor de control- en procesroom betekent dit het toepassen van speciale geluidsisolerende panelen en voor de chiller het toepassen van stillere ventilatoren of het overdimensioneren. De StAB stelt dat deze maatregelen kunnen worden getroffen en erin resulteren dat aan de doelvoorschriften kan worden voldaan.



38.3.
De rechtbank volgt de StAB en is van oordeel dat met het treffen van de maatregelen die in het geluidsrapport zijn vermeld aan de doelvoorschriften kan worden voldaan. Niet is gebleken dat andere vergunningen noodzakelijk zijn om de maatregelen te treffen.

39. Eisers 1 vrezen voor onaanvaardbare geluidoverlast in de avond- en nachtperiode als gevolg van het gebruik van de affakkelinstallatie. Hiervoor is een voorschrift voor de incidentele bedrijfssituatie opgenomen. De daarmee toegestane geluidsbelasting betreft echter nagenoeg een verdubbeling van de richtwaarde voor het landelijk gebied. Bovendien is onduidelijk wanneer de affakkelinstallatie wordt gebruikt, in de dagperiode of ook in de avond- en nachtperiode. In voorschrift 7.3.1 is ook voorzien in grenswaarden voor de avond- en nachtperiode, maar in het geluidsrapport staat dat het onderhoud aan de installatie alleen in de dagperiode plaatsvindt. Het geluidsrapport is ook onvolledig.



39.1.
Het college stelt dat de fakkel alleen wordt ingezet tijdens onderhoudswerkzaamheden en het stoppen en opstarten van de gasopwaarderingsinstallatie. Dat gebeurt tijdens de dagperiode. In het geluidsrapport is de maatgevende woning onderzocht en de door eisers 1 genoemde woningen liggen op grotere afstand.



39.2.
De StAB heeft vastgesteld dat in het geluidsonderzoek rekening is gehouden met het inwerking zijn van de fakkel gedurende de gehele dagperiode. Bij het opstarten van de installatie zal de fakkel echter 24 uur in werking moeten zijn om technische redenen. De StAB ziet een noodzaak voor het vastleggen van grenswaarden gedurende de avond- en nachtperiode. De grenswaarden voor het langtijdgemiddelde niveau in de dagperiode zijn gelijk aan de grenswaarden in voorschrift 7.2.1. De werking van de fakkel is voldoende beschreven in het geluidsrapport.



39.3.
Tijdens het opstarten zal de fakkel 24 uur in werking moeten zijn. Dit is ten hoogste 12 maal per jaar toegestaan. Dat is geborgd in voorschrift 7.3.1 en 7.3.2. De rechtbank ziet geen noodzaak voor het stellen van geluidgrenswaarden vanwege het inwerking zijn van de fakkel in de dagperiode, want hier is geen sprake van afwijking van de representatieve bedrijfssituatie. De rechtbank ziet ook geen reden voor het stellen van geluidgrenswaarden bij onderhouds- en schoonmaakwerkzaamheden, want die werkzaamheden vinden niet plaats in de avond- en nachtperiode. De rechtbank heeft dit besproken met partijen op zitting. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit wat voorschrift 7.3.1 betreft dient te worden vernietigd en zal voorschrift 7.3.1 aanpassen in die zin dat het voorschrift alleen ziet op start- en stopprocedures in de avond- en nachtperiode.

40. Eisers 1 voeren aan dat onduidelijk is of wordt voldaan aan de richtwaarde voor indirecte hinder als het aantal vrachtwagens niet wordt beperkt. In het geluidsrapport is alleen de indirecte hinder beoordeeld ter plaatse van het adres [adres] , richting het centrum van Nistelrode. Deze route gaat door het centrum van Nistelrode. De indirecte hinder bij de maatgevende woning op de andere route (via de Loosbroekseweg) is niet berekend. Volgens eiser 2 gaat het vrachtverkeer pas op in het heersend verkeersbeeld bij de volgende kruising, niet bij het verlaten van de inrit.



40.1.
Het college stelt dat de geluidbelasting vanwege de indirecte hinder is berekend op de maatgevende woning ( [adres] ).



40.2.
Op de woning [adres] bedraagt de indirecte hinder 47 dB(A) etmaalwaarde en wordt ruim voldaan aan de voorkeursgrenswaarde 50 dB(A). Op grotere afstanden zal de indirecte hinder minder bedragen.



40.3.
De StAB stelt vast dat in het geluidsrapport de indirecte hinder ten gevolge van het bedrijfsgebonden verkeer in noordelijke richting op een juiste manier is bepaald, met een juiste snelheid van het vrachtverkeer conform de zogenoemde Schrikkelcirculaire. Het inrichtingsgebonden verkeer in zuidelijke richting is in het geluidsrapport niet onderzocht. Het bureau Sain heeft de indirecte hinder van het verkeer in zuidelijke richting onderzocht in het rapport ‘Beoordeling indirecte hinder zuidelijke richting’ van 5 juni 2024. De voorkeursgrenswaarde op de twee maatgevende woningen wordt overschreden, maar de geluidsbelasting ten gevolge van het inrichtingsgebonden verkeer in zuidelijke richting voldoet aan het binnenniveau van maximaal 35 dB(A).



40.4.
De rechtbank stelt vast dat het door eisers 1 genoemde alternatief (de zuidelijke richting) resulteert in meer indirecte hinder. Deze indirecte hinder is nipt toelaatbaar. Mede gelet op het feit dat gedrag buiten de grens van de inrichting niet met een voorschrift kan worden gereguleerd, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het college een verdeling van de route van het vrachtverkeer had moeten opleggen aan Groengas. In de indirecte hinder vanwege het vrachtverkeer langs noordelijke richting heeft het college geen aanleiding hoeven zien om de gevraagde vergunning te weigeren.

41. Eisers hebben naast de hierboven weergegeven beroepsgronden nog meer beroepsgronden met betrekking tot geluidoverlast aangevoerd. De rechtbank volstaat met een verwijzing naar het StAB-advies. Hierin zijn de overige beroepsgronden gedetailleerd besproken, maar die beroepsgronden leiden niet tot een andere uitkomst dan hierboven is weergegeven. Eisers hebben niet gereageerd op deze bespreking. De rechtbank volgt de StAB en ziet in de overige beroepsgronden van eisers geen aanleiding voor vernietiging van het bestreden besluit.


Overige beroepsgronden

42. Eisers 1 voeren aan dat de verkeersveiligheid ten onrechte niet bij de besluitvorming is betrokken. Er wordt een verviervoudiging van het aantal vrachtwagenbewegingen vergund.



42.1.
Het college stelt dat de verkeerssituatie niet wezenlijk verandert door de beperkte toename van het aantal vrachtwagens als gevolg van de gewijzigde activiteiten.



42.2.
De StAB merkt op dat 48 vervoersbewegingen per dag een relatief beperkt aantal is. Dit zijn gemiddeld zes voertuigbewegingen per uur. De Loosbroekseweg is geschikt voor dergelijke hoeveelheden, al kan de verkeerstoename merkbaar zijn.



42.3.
De verkeersveiligheid is een aspect dat vooral in andere regelgeving wordt geregeld. De rechtbank acht niet aannemelijk dat de verkeersveiligheid vanwege de toename van het aantal vrachtwagenbewegingen zodanig verandert, dat het college de gevraagde omgevingsvergunning hierom niet heeft kunnen verlenen.

43. Eisers 3 missen een afzonderlijke normering voor ammoniak in de voorschriften. Zij pleiten voor een meetverplichting bij de uitlaten. Het is eisers 3 onduidelijk naar welk monitoringsplan wordt verwezen in voorschrift 9.1.11. Eisers stellen daarnaast dat op grond van de RIE het monitoringsplan al bij de aanvraag had moeten worden ingediend.



43.1.
Het college stelt dat voorschrift 9.1.11 verwijst naar het monitoringsplan dat op grond van voorschrift 4.6.1 als onderdeel van het milieubeheersysteem wordt opgesteld. Een monitoringsplan is onderdeel van het milieubeheersysteem. Het college stelt dat de ammoniakconcentratie zo gering is dat het bepalen ervan weinig toevoegt aan de bescherming van het milieu.



43.2.
Omdat er in de vergunningvoorschriften naast voorschrift 4.6.1 geen ander monitoringsplan is genoemd, is er volgens de StAB geen discussie mogelijk welk monitoringsplan wordt bedoeld. De StAB ziet verschillende bronnen van waaruit ammoniak kan emitteren:
6. de luchtwassystemen (het Amotek en het Torrenta filter). Volgens de StAB zijn in het dimensioneringsplan (dat onderdeel uitmaakt van de vergunning) de maximale emissiewaarden voldoende geborgd.
7. bronnen waar biogas wordt verbrand: de biogasboiler, stoomketel en fakkel. De StAB acht niet waarschijnlijk dat ammoniak na verbranding de installatie verlaat.
8. de diffuse emissiebronnen en verdringingslucht. De StAB acht de ammoniakemissie van deze bronnen zeer beperkt. De depositie op de Natura 2000-gebieden uit deze bronnen is verwaarloosbaar.



43.3.
Naar aanleiding van het advies van de StAB heeft het college een gewijzigde redactie van voorschrift 9.1.1 voorgesteld.



43.4.
Partijen kunnen zich hierin vinden.



43.5.
Gelet op het gewijzigde standpunt van het college kleeft er een zorgvuldigheidsgebrek aan het bestreden besluit. De rechtbank ziet hierin aanleiding om het bestreden besluit wat voorschrift 9.1.1 betreft te vernietigen en zal het gewijzigde voorschrift overnemen in de uitspraak.



43.6.
De rechtbank heeft hierboven geoordeeld dat een aanvulling van de voorschriften naar aanleiding van de aanmeldnotitie noodzakelijk is. In hetgeen eisers 3 verder over ammoniakemissie naar voren brengen, ziet de rechtbank geen aanleiding voor vernietiging van het bestreden besluit dan wel wijziging van het bestreden besluit of het opnemen van een meetverplichting.

44. Eisers 3 voeren aan dat de lozing van nutriënten, zouten, metalen, bacteriën en virussen schadelijk kan zijn voor de grondwaterkwaliteit.



44.1.
Het college stelt dat met betrekking tot de lozing op het grondwater is aangesloten bij lozingseisen op oppervlaktewater in de watervergunning. De aard en omvang van de lozing op het grondwater wijzigen niet ten opzichte van de voorgaande omgevingsvergunning (milieu).



44.2.
De rechtbank stelt vast dat - naast hemelwater van het terrein - het effluent van de installatie wordt geloosd op de vijver. Daar wordt het hemelwater en het effluent gebufferd en in de bodem geïnfiltreerd. Vervolgens wordt er, voor zover niet wordt geïnfiltreerd, op de sloot geloosd. De rechtbank ziet niet in dat het hemelwater een onaanvaardbare verontreiniging zou kunnen bevatten. De lozingseisen in voorschrift 15.1.1 van het bestreden besluit gelden tevens voor het effluent dat wordt geïnfiltreerd in de bodem van de vijver. Eisers 3 hebben niet inzichtelijk gemaakt waarom deze eisen tekortschieten voor de bescherming van de bodem en het grondwater.


Conclusie en gevolgen


45. De beroepen zijn gegrond omdat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 2.1, eerste lid, onder c en e, alsmede de artikelen 2.14 en 3.16 van de Wabo en artikel 3:2 van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.



45.1.
De rechtbank ziet aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit gedeeltelijk in stand te laten met wat wijzigingen. Met andere woorden, Groengas behoudt een deel van haar omgevingsvergunning met diverse aanpassingen. De rechtbank werkt dit hieronder uit.



45.2.
De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand voor zover hierin een omgevingsvergunning is verleend op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a, onder b, onder c, en onder e, van de Wabo met uitzondering van de toestemming verleend op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo voor zover hierin toestemming is verleend voor opties 4 (uitsluitend osmose) en 6 (indampen) en voor het lozen van meer dan 25.000 m³ effluent, alsmede met uitzondering van voorschriften 7.3.1 (eerste volzin), 8.1.1, 8.1.5, 8.1.6 (laatste volzin), 8.2.4, 8.2.5, de tweede volzin van voorschrift 8.4.2, 9.1.1 en 9.1.2 en 13.1.7.


45.3.
De rechtbank vult de omgevingsvergunning aan met de volgende voorschriften:

7.1.3.

Tussen 07:00 en 19:00 uur mogen niet meer dan 48 vrachtwagenbewegingen van en naar de inrichting plaatsvinden. In de periode tussen 19:00 en 07:00 uur mogen geen vrachtwagenbewegingen van en naar de inrichting plaatsvinden.



7.3.1 (

eerste volzin). In afwijking van wat is gesteld in voorschrift 7.2.1 mag het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LArLT veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, bij het inwerking zijn van de fakkel bij start- en stopprocedures gedurende de avond- en nachtperiode, op de onderstaande beoordelingspunten niet meer bedragen dan:. De daaropvolgende tabel kan ongewijzigd worden overgenomen.


8.1.1

De geuremissie van naar de buitenlucht afgevoerde lucht van de Torrenta filter afkomstig uit de biomassahal en de verdringingslucht van silo’s S1 en S2 mag maximaal 42,5 ∗106 Europese geureenheden (ouE) per uur bedragen.



8.1.5.

Wanneer bij de toetsing van voorschrift 8.1.1 t/m 8.1.4 gebruik gemaakt moet worden van de wettelijk toegestane meetonzekerheid voor geur, kan het bevoegd gezag een immissiebepaling verlangen conform voorschrift 8.1.6. Daarbij wordt de totale emissie (167,95 Moue/u), eventuele klachten en de afwijking van de gemeten waarde ten opzichte van de in de voorschriften genoemde waarden in overweging genomen.


8.1.6 (

laatste volzin) Daarbij moet een hedonische correctie toegepast worden volgens tabel 4.7 van het geurrapport BL2022.11118.01-V04, d.d. 15 augustus 2023.



8.2.4

De capaciteit van afzuiginstallaties moet dusdanig zijn dat altijd een onderdruk in de


betreffende ruimtes is gewaarborgd. Ter waarborging van de onderdruk dienen onderdrukmeters in de diverse compartimenten te worden gehangen. Technische voorzieningen (zoals frequentie gestuurde ventilatoren en/of correct gedimensioneerde inlaatkleppen) dienen doorlopend aangestuurd te worden door de onderdrukmeters om zo de onderdruk te waarborgen.



8.2.5

Geurreducerende voorzieningen moeten voor de goede werking, onder optimale condities in bedrijf worden gehouden en moeten zo vaak als voor een goede werking noodzakelijk is, worden vervangen en gereinigd, doch ten minste één keer per jaar worden onderhouden en geïnspecteerd. Voor de actief koolfilters op de vergisters geldt dat deze ten minste eenmaal per kwartaal moeten worden vervangen. Van het onderhoud en de inspectie(s) moet verslag worden gelegd in een logboek, dat ter plaatse altijd voor de toezichthouder ter inzage beschikbaar moet zijn.



8.3.4

het drogen van de dikke fractie digestaat is verboden.



9.1.1

Binnen 6 maanden na het in gebruik nemen van een installatie met een puntbron waar emissies plaatsvinden, moet zijn aangetoond dat voldaan wordt aan de voorschriften zoals gesteld onder hoofdstuk 9 “Lucht”. Metingen moeten worden uitgevoerd door een geaccrediteerd meetbureau conform NEN-EN 15259 en voor stof conform NEN-EN 13284-1. De meetfrequentie dient te worden vastgelegd in het monitoringsplan (dat op grond van voorschrift 4.6.1 als onderdeel van het milieubeheersysteem verplicht is gesteld) en dienovereenkomstig te worden uitgevoerd.



9.1.2.

In een elektronisch monitoringsysteem als bedoeld in voorschrift 9.1.1 dienen ieder uur de waarden van in ieder geval de volgende parameters te worden geregistreerd:


a. de zuurgraad van het waswater;


b. de geleidbaarheid van het waswater in milliSiemens per centimeter;


c. de spuiwaterproductie in kubieke meter;


d. de drukval over het filterpakket in Pascal;


e. het elektriciteitsverbruik van de waswaterpomp in kilowatt uur.


Ten aanzien van a: De uitgaande zuurgraad van Amotek dient pH 5-6 te bedragen, die van Torrenta pH 6,5-7,5.

9.1.12 De NH3 emissie mag ter plaatse van de puntbronnen, waar emissie plaatsvindt, niet hoger zijn dan 3,75 mg/Nm3.



13.1.7

Vergistinggas bevat, op de plaats waar het de installatie verlaat, ten hoogste 430 milligram waterstofsulfide per normaal kubieke meter en ten hoogste 3,75 milligram ammoniak per normaal kubieke meter. Minimaal 1 keer per dag dienen deze componenten te worden geanalyseerd en geregistreerd.





45.4.
De rechtbank zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit.



45.5.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eisers 1, 2 en 3 vergoeden en krijgen eisers 1, 2 en 3 ook een vergoeding van hun proceskosten.
Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 3.269,- voor eisers 1 en 3 en € 2.335,- voor eiser 2 voor het indienen van een beroepschrift, het bijwonen van twee zittingen door eisers 1 en 3 en het bijwonen van één zitting door de gemachtigde van eiser 2 en het indienen van een reactie op het advies van de StAB (een half punt). Verder zijn er door eisers 2 en 3 geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Eisers 1 hebben aanspraak gemaakt op een vergoeding van gemaakte deskundigenkosten. Deze kosten zijn deels gemaakt in de aanloop naar het bestreden besluit en die kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking. De deskundigenkosten in verband met het bijwonen van de zitting en het reageren op het advies van de StAB bedragen € 2.767,88. Deze kosten zijn niet onredelijk en komen naar het oordeel van de rechtbank voor vergoeding in aanmerking.



Beslissing


De rechtbank:


verklaart de beroepen gegrond;


vernietigt het besluit van 28 november 2024;


laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand, met uitzondering van de toestemming verleend op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo voor zover hierin toestemming is verleend voor opties 4 (uitsluitend osmose) en 6 (indampen) en voor het lozen van meer dan 25.000 m³ effluent, alsmede met uitzondering van voorschriften 7.3.1 (eerste volzin), 8.1.1, 8.1.5, 8.1.6 (laatste volzin), 8.2.4, 8.2.5, de tweede volzin van voorschrift 8.4.2, 9.1.1 en 9.1.2 en 13.1.7.


vult de omgevingsvergunning aan met de volgende voorschriften:



7.1.3.

Tussen 07:00 en 19:00 uur mogen niet meer dan 48 vrachtwagenbewegingen van en naar de inrichting plaatsvinden. In de periode tussen 19:00 en 07:00 uur mogen geen vrachtwagenbewegingen van en naar de inrichting plaatsvinden.



7.3.1 (

eerste volzin). In afwijking van wat is gesteld in voorschrift 7.2.1 mag het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LArLT veroorzaakt de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, bij het inwerking zijn van de fakkel bij start- en stopprocedures gedurende de avond- en nachtperiode, op de onderstaande beoordelingspunten niet meer bedragen dan:”. De daarop volgende tabel kan ongewijzigd worden overgenomen.



8.1.1

De geuremissie van naar de buitenlucht afgevoerde lucht van de Torrenta filter afkomstig uit de biomassahal en de verdringingslucht van silo’s S1 en S2 mag maximaal 42,5 ∗106 Europese geureenheden (ouE) per uur bedragen.



8.1.5.

Wanneer bij de toetsing van voorschrift 8.1.1 t/m 8.1.4 gebruik gemaakt moet worden van de wettelijk toegestane meetonzekerheid voor geur, kan het bevoegd gezag een immissiebepaling verlangen conform voorschrift 8.1.6. Daarbij wordt de totale emissie (167,95 Moue/u), eventuele klachten en de afwijking van de gemeten waarde ten opzichte van de in de voorschriften genoemde waarden in overweging genomen.



8.1.6 (

laatste volzin) Daarbij moet een hedonische correctie toegepast worden volgens tabel 4.7 van het geurrapport BL2022.11118.01-V04, d.d. 15 augustus 2023"



8.2.4

De capaciteit van afzuiginstallaties moet dusdanig zijn dat altijd een onderdruk in de


betreffende ruimtes is gewaarborgd. Ter waarborging van de onderdruk dienen er onderdrukmeters in de diverse compartimenten te worden gehangen. Technische voorzieningen (zoals frequentie gestuurde ventilatoren en/of correct gedimensioneerde inlaatkleppen) dienen doorlopend aangestuurd te worden door de onderdrukmeters en zo de onderdruk te waarborgen.



8.2.5

Geurreducerende voorzieningen moeten voor de goede werking, onder optimale condities in bedrijf worden gehouden en moeten zo vaak als voor een goede werking noodzakelijk is worden vervangen en gereinigd, doch ten minste één keer per jaar, worden onderhouden en geïnspecteerd. Voor de actief koolfilters op de vergisters geldt dat deze ten minste eenmaal per kwartaal moeten worden vervangen. Van het onderhoud en de inspectie(s) moet verslag worden gelegd in een logboek, dat ter plaatse altijd voor de toezichthouder ter inzage beschikbaar moet zijn.



8.3.4

het drogen van de dikke fractie digestaat is verboden.



9.1.1

Binnen 6 maanden na het in gebruik nemen van een installatie met een puntbron waar emissies plaats vinden, moet zijn aangetoond dat voldaan wordt aan de voorschriften zoals gesteld onder hoofdstuk 9 “Lucht”. Metingen moeten worden uitgevoerd door een geaccrediteerd meetbureau conform NEN-EN 15259 en voor stof conform NEN-EN 13284-1. De meetfrequentie dient te worden vastgelegd in het monitoringsplan (dat op grond van voorschrift 4.6.1 als onderdeel van het milieubeheersysteem verplicht is gesteld) en dienovereenkomstig te worden uitgevoerd.



9.1.2.

In een elektronisch monitoringsysteem als bedoeld in voorschrift 9.1.1 dienen ieder uur de waarden van in ieder geval de volgende parameters te worden geregistreerd:


a. de zuurgraad van het waswater;


b. de geleidbaarheid van het waswater in milliSiemens per centimeter;


c. de spuiwaterproductie in kubieke meter;


d. de drukval over het filterpakket in Pascal;


e. het elektriciteitsverbruik van de waswaterpomp in kilowatt uur.


Ten aanzien van a: De uitgaande zuurgraad van Amotek dient pH 5-6 te bedragen, die van Torrenta pH 6,5-7,5.



9.1.12

De NH3 emissie mag ter plaatse van de puntbronnen, waar emissie plaatsvindt, niet hoger zijn dan 3,75 mg/Nm3.



13.1.7

Vergistinggas bevat, op de plaats waar het de installatie, verlaat, ten hoogste 430 milligram waterstofsulfide per normaal kubieke meter en ten hoogste 3,75 milligram ammoniak per normaal kubieke meter. Minimaal 1 keer per dag dienen deze componenten te worden geanalyseerd en geregistreerd.



bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;


bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan eisers 1 en het griffierecht van € 385,- aan eiser 2 en eisers 3 moet vergoeden;


veroordeelt het college tot betaling van € 6.036,88 aan proceskosten aan eisers 1.


veroordeelt het college tot betaling van € 2.335,- aan proceskosten aan eiser 2.


veroordeelt het college tot betaling van € 3.269,- aan proceskosten aan eisers 3.




Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M. Verhoeven, voorzitter, en mr. J. Heijerman en mr. V.A. Textor, leden, in aanwezigheid van A.J.H. van der Donk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2025.














griffier


voorzitter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:



Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Op het hoger beroep tegen deze uitspraak is de Crisis- en herstelwet van toepassing. Dit betekent dat in het hogerberoepschrift de gronden van hoger beroep kenbaar moeten worden gemaakt. Na de genoemde termijn van zes weken kunnen geen nieuwe beroepsgronden meer worden aangevoerd. Indien binnen de beroepstermijn geen gronden zijn ingediend, wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.


Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving



Interim Omgevingsverordening (IOV)



Artikel 2.77 Mestbewerking

Lid 1
Totdat een bestemmingsplan in overeenstemming is met artikel 3.49 Veehouderij in Landelijk gebied, derde lid, en artikel 3.74 Afwijkende regels niet-agrarisch bedrijf mestbewerking geldt, gelet op artikel 4.1, derde lid, Wet ruimtelijke ordening, dat een toename van de bestaande gebruiksoppervlakte voor mestbewerking binnen Landelijk gebied is verboden.

Lid 2
Het verbod uit het eerste lid geldt niet als wordt voldaan aan de voorwaarden uit:
1.artikel 3.49 Veehouderij in Landelijk gebied, derde lid; of
2.artikel 3.74 Afwijkende regels niet-agrarisch bedrijf mestbewerking.

Lid 3
Als bestaande gebruiksoppervlakte voor mestbewerking geldt de oppervlakte van:
a.de bebouwing die:
1.op 13 juni 2017 legaal aanwezig was, of
2.mag worden gebouwd krachtens een vóór 13 juni 2017 verleende omgevingsvergunning;
b.de onbebouwde grond die op 13 juni 2017 legaal mag worden gebruikt.


Artikel 3.74 Afwijkende regels niet-agrarisch bedrijf mestbewerking

Lid 1
In afwijking van artikel 3.71 Bestaande niet-agrarische functie in Landelijk gebied en artikel 3.73 Vestiging niet-agrarische functie in Landelijk gebied, kan een bestemmingsplan van toepassing op Gemengd Landelijk Gebied op een bestaand bouwperceel voorzien in een toename van de gebruiksoppervlakte voor mestbewerking of de vestiging van mestbewerking als:
a.het bouwperceel ten hoogste 1,5 hectare bedraagt;
b.de mest met pijpleidingen wordt aangevoerd vanaf de locatie waar de mest wordt geproduceerd;
c.ten minste 50 % van het volume van de mest wordt omgezet in loosbaar water;
d.de op- , overslag en verwerking van producten niet in de openlucht plaatsvindt;
e.de mestbewerking vanuit het oogpunt van een veilige en gezonde leefomgeving en gelet op artikel 3.5 Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit inpasbaar is in de omgeving;
f.de locatie niet in Beperkingen Veehouderij ligt;
g.de landschappelijke inpassing ten minste 15 % van de omvang van het bouwperceel bedraagt;
h.de toelichting van het bestemmingsplan een verantwoording bevat dat een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van belangen van omwonenden bij de planontwikkeling.

Lid 2
Als gebruiksoppervlakte voor mestbewerking geldt de bestaande oppervlakte voor mestbewerking van bebouwing en de bestaande oppervlakte in gebruik voor mestbewerking van onbebouwde grond.


Bestemmingsplan “Buitengebied Bernheze”


Artikel 1 Begrippen
1.7
agrarisch bedrijf:
een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen (houtteelt daaronder begrepen) en/of het houden van dieren, met inbegrip van andere activiteiten van ondergeschikte betekenis. Met dien verstande dat een gebruiksgerichte paardenhouderij (manege) niet als agrarisch bedrijf wordt aangemerkt.
1.8
agrarisch deskundige: (..).
1.9
agrarisch grondgebruik:
de aanwending van open grond ten behoeve van het agrarisch bedrijf.
1.10
agrarisch verwant bedrijf:
een bedrijf (waaronder een agrarisch loonwerkbedrijf), of instelling gericht op het verlenen van diensten aan particulieren, agrarische bedrijven, of niet-agrarische bedrijven door middel van het telen van gewassen, het houden, verhandelen, of transporteren van dieren, het verhuren van landbouwwerktuigen of de toepassing van andere landbouwkundige methoden, inclusief mestopslag en -bewerking.

Artikel 3 Agrarisch



3.1
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. agrarisch grondgebruik;
b. de uitoefening van het agrarisch bedrijf, meer in het bijzonder:
1. een intensief veehouderijbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij' (functietype 'agrarisch bedrijf');
2. een grondgebonden agrarisch bedrijf, ter plaatse van de aanduiding 'agrarisch bedrijf', en tevens ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij' (functietype 'agrarisch bedrijf') en ter plaatse van de aanduiding 'bomenteelt' (functietype 'agrarisch bedrijf');
3. een boomteelt bedrijf, ter plaatse van de aanduiding 'bomenteelt' (functietype 'agrarisch bedrijf');
4. een intensieve veehouderij als nevenactiviteit, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - intensieve neventak';
c. agrarisch verwante bedrijven (functietype 'agrarisch verwant bedrijf') ter plaatse aangeduid zoals opgenomen in de in Bijlage 1 opgenomen Lijst van functieaanduidingen Agrarisch en overeenkomstig de omschreven aard/ functie van de bebouwing in de 'Tabel functietype 'Agrarisch verwant bedrijf'';
d. bedrijfsfuncties (functietype 'bedrijf') ter plaatse aangeduid zoals opgenomen in de in Bijlage 1 opgenomen Lijst van functieaanduidingen Agrarisch en overeenkomstig de omschreven aard/ functie van de bebouwing in de 'Tabel functietype 'Bedrijf';


Bijlage 1 Lijst van functieaanduidingen Agrarisch

Tabel functietype “Bedrijf”
Functie/aard van de bebouwing Aanduiding afkorting
Biogasinstallatie specifieke vorm van bedrijf-
biogasinstallatie sb-bbi




ECLI:NL:RBOBR:2022:5652


ECLI:NL:RBOBR:2023:4826


ECLI:NL:RBOBR:2024:1647


ECLI:NL:RBOBR:2021:121


ECLI:NL:RVS:2022:799


ECLI:NL:RVS:2025:5192


ECLI:NL:RVS:2021:953


ECLI:NL:RVS:2022:2157


ECLI:NL:RVS:2015:3072


ECLI:NL:RVS:2023:2331


ECLI:NL:RBOBR:2025:5871


ECLI:NL:RBOBR:2024:1490
Link naar deze uitspraak