|
|
|
| ECLI:NL:RVS:2026:731 | | | | | Datum uitspraak | : | 11-02-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 11-02-2026 | | Instantie | : | Raad van State | | Zaaknummers | : | 202305544/1/R2 | | Rechtsgebied | : | Omgevingsrecht | | Indicatie | : | Bij besluit van 26 mei 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch de aanvraag van [bedrijf]. om een omgevingsvergunning voor het verbouwen van een woning aan de [locatie] in 's-Hertogenbosch. De aanvraag om omgevingsvergunning ziet volgens het aanvraagformulier op het intern verbouwen van de woning op het perceel. Uit de aanvraag en de daarbij behorende brieven aan het college van 4 november 2020 van de oorspronkelijke initiatiefnemer en van 16 april 2021 van de aanvrager blijkt dat de indeling van de woning intern wordt gewijzigd, om de woning geschikt te maken voor de huisvesting van jongvolwassenen met een stoornis in het autistisch spectrum. Volgens de brief van 16 april 2021 gaat het om maximaal 8 jongeren. Zij zullen daar als bewoners een traject volgen, waarin zij leren om uiteindelijk ergens anders zelfstandig te kunnen gaan wonen. Daarbij zal sprake zijn van diverse vormen van begeleiding en verzorging. De brieven van 4 november 2020 en 16 april 2021 waarin het project is omschreven, maken deel uit van het besluit op bezwaar van 30 november 2021, waarbij de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen is verleend. | | Trefwoorden | : | agrarisch | | | bestemmingsplan | | | buitengebied | | | forfaitair | | | omgevingsvergunning | | | perceel | | | wabo | | | wet milieubeheer | | | | Uitspraak | 202305544/1/R2.
Datum uitspraak: 11 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
[appellant A] en [appellant B], beiden wonend in 's-Hertogenbosch,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 13 juli 2023 in zaak nrs. 22/88 en 22/191 in het geding tussen:
[appellant A] en [appellant B],
en
het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch.
Procesverloop
Bij besluit van 26 mei 2021 heeft het college de aanvraag van [bedrijf] om een omgevingsvergunning voor het verbouwen van een woning aan de [locatie] in 's-Hertogenbosch ("het perceel") afgewezen.
Bij besluit van 30 november 2021 heeft het college het door [bedrijf] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de omgevingsvergunning alsnog verleend.
Bij uitspraak van 13 juli 2023 heeft de rechtbank het door [appellant A] en [appellant B] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] ieder voor zich hoger beroep ingesteld.
[appellant A] en [appellant B] hebben verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De Afdeling heeft de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) aangemerkt als partij in deze procedure.
De Afdeling heeft de zaak op de zitting van 4 juli 2025 behandeld, waar [appellant A], bijgestaan door mr. J.H.D. Elings, advocaat in Tilburg, en [appellant B], bijgestaan door mr. J.M. Lammers, rechtsbijstandsverlener in Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. M. Malicki, zijn verschenen. Verder is op de zitting [bedrijf], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. F. Khalil, advocaat in 's-Hertogenbosch, als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht ("Wabo").
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 5 februari 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
Het project
2. De aanvraag om omgevingsvergunning ziet volgens het aanvraagformulier op het intern verbouwen van de woning op het perceel. Uit de aanvraag en de daarbij behorende brieven aan het college van 4 november 2020 van de oorspronkelijke initiatiefnemer en van 16 april 2021 van de aanvrager blijkt dat de indeling van de woning intern wordt gewijzigd, om de woning geschikt te maken voor de huisvesting van jongvolwassenen met een stoornis in het autistisch spectrum. Volgens de brief van 16 april 2021 gaat het om maximaal 8 jongeren. Zij zullen daar als bewoners een traject volgen, waarin zij leren om uiteindelijk ergens anders zelfstandig te kunnen gaan wonen. Daarbij zal sprake zijn van diverse vormen van begeleiding en verzorging. De brieven van 4 november 2020 en 16 april 2021 waarin het project is omschreven, maken deel uit van het besluit op bezwaar van 30 november 2021, waarbij de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen is verleend.
De verbouwing voorziet volgens de bouwtekeningen die deel uitmaken van het besluit, in het realiseren van 6 kamers. Het gaat om 6 onzelfstandige wooneenheden in het hoofdgebouw, waarvan 3 op de begane grond en 3 op de verdieping met gedeelde voorzieningen, zoals keuken, wc en badkamer. Op de begane grond bevinden zich een gezamenlijke huiskamer en de keuken. Verder zijn volgens de bouwtekeningen in een gedeelte van het gebouw op de begane grond, waarin zich voorheen een zwembad bevond, 4 studio’s met ieder een keukentje voorzien. Deze studio’s dienen voor een meer zelfstandige vorm van bewoning. In de kelder onder het voormalige zwembad worden ook 4 ruimten gerealiseerd. Deze staan volgens de tekeningen door middel van trappen in verbinding met de 4 studio’s erboven. In de 4 ruimten in de kelder is, zoals op de zitting is toegelicht, voor iedere studio een douche, toilet en wastafel voorzien. De Afdeling begrijpt de toelichting op de zitting over de 4 ruimten in de kelder zo, dat deze ondersteunend zijn aan het gebruik van de vier studio’s erboven en dat deze dus niet op zichzelf zullen dienen als woonruimten zoals hiervoor is omschreven. Dat maakt dat het besluit 10 afzonderlijke wooneenheden mogelijk maakt.
Verder ziet het besluit op het realiseren van een zelfstandige woning in een bijgebouw (de oorspronkelijke garage). Deze woning heeft wat het gebruik ten behoeve van de hiervoor besproken doelgroep betreft, geen relatie met het project.
[appellant A] en [appellant B] wonen beiden in de nabijheid van het project. Zij zijn het niet eens met het verlenen van de omgevingsvergunning vanwege het gebruik van de gronden en het pand dat hiermee mogelijk wordt gemaakt.
3. De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen op de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Het oordeel van de rechtbank
4. De rechtbank heeft de beroepsgrond dat de omgevingsvergunning ziet op meer gronden dan alleen de gronden met de bestemming "Wonen" volgens het bestemmingsplan "Dijklint Orthen", verworpen. Zij heeft het college gevolgd in het standpunt dat de vergunning uitsluitend ziet op het kadastrale perceel gemeente ’s-Hertogenbosch, sectie O, nummer 3185, waar ingevolge het bestemmingsplan "Dijklint Orthen" de bestemming "Wonen" op rust en niet op aangrenzende gronden, waar een agrarische bestemming op rust. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de aangevraagde bouw- en gebruiksactiviteiten rechtstreeks zijn toegestaan volgens het bestemmingsplan. Zij heeft geconcludeerd dat de vorm van het voorgenomen gebruik past binnen het begrip "bijzondere woonvoorzieningen" in artikel 1.18 van de planregels en daarmee binnen de omschrijving van de bestemming "Wonen" in artikel 11.1. In verband met dat oordeel heeft zij de beroepsgronden over de belangenafweging in het licht van een goede ruimtelijke ordening niet behandeld.
De beroepsgronden over het parkeren bij het project heeft de rechtbank ongegrond geacht. Daarover heeft zij, onder verwijzing naar rechtspraak van de Afdeling, overwogen dat omdat de toepasselijke planregel uit het bestemmingsplan "Dijklint Orthen" over het parkeren geen parkeernorm bevat en ook geen verwijzing naar gemeentelijk beleid, deze planregel buiten toepassing moet blijven.
De gronden van het hoger beroep
Over de omvang van de aanvraag
5. [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat de verleende omgevingsvergunning niet alleen ziet op gronden met de bestemming "Wonen" volgens het bestemmingsplan "Dijklint Orthen". Volgens hen heeft de vergunning ook betrekking op achter die gronden gelegen gronden, die volgens het bestemmingsplan "Buitengebied" de bestemming "Agrarisch met waarden - 3" hebben. Volgens [appellant A] en [appellant B] liggen daar de terrassen en speelvelden die tot het project behoren. De rechtbank heeft volgens hen dan ook miskend dat het bestemmingsplan "Buitengebied" ook van toepassing is op de aanvraag en het project daarmee in strijd is.
5.1. De aanvraag is volgens het aanvraagformulier gedaan voor de activiteit bouwen en ziet alleen op de interne verbouwing van de woning ten behoeve van het project. De aanvraag ziet niet (ook) op andere activiteiten. Die verbouwing vindt, wat tussen partijen niet in geschil is, plaats op het kadastrale perceel gemeente ’s-Hertogenbosch, sectie O, nummer 3185.
De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat de verleende omgevingsvergunning zich dan ook beperkt tot dat perceel.
In wat [appellant A] en [appellant B] naar voren hebben gebracht, heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor een ander oordeel. Dat op een bij het besluit van 30 november 2021 behorende situatietekening ook aan het perceel grenzende gronden te zien zijn, waar volgens de aanvraag dus niets wijzigt, maakt niet dat de aanvraag ook op die gronden ziet. Het gaat daarbij bovendien ook om gronden die bij andere woningen aan de Engelsedijk horen en die niet in eigendom zijn van [bedrijf].
Het betoog slaagt niet.
Is het project in strijd met het bestemmingsplan?
- De bestemming "Wonen"
6. [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het voorgenomen gebruik van de gronden en bouwwerken op het perceel in strijd is met de geldende bestemming "Wonen". Volgens [appellant A] valt het gebruik niet onder de definitie van "bijzondere woonvoorzieningen" in artikel 1.18 van de planregels. Daarmee zijn volgens hem woningaanpassingen bedoeld, zoals een aangepaste badkamer of keuken en niet deze vorm van wonen in combinatie met zorg.
Volgens [appellant A] en [appellant B] moet het gebruik juist worden gezien als een aan huis verbonden beroepsactiviteit. Die activiteit is gelet op artikel 11.5, onder b, aanhef, van de planregels in strijd met het bestemmingsplan, omdat die activiteit niet ondergeschikt is aan de woonfunctie. Verder woont degene die de activiteit uitvoert, niet zelf op het perceel, wat volgens artikel 11.5, onder b, aanhef en onder 2, van de planregels voor een beroepsactiviteit aan huis wel het geval moet zijn. Verder wordt volgens hen een te groot oppervlakte van het perceel voor deze beroepsactiviteit aan huis ingezet. Dat is in strijd met artikel 11.5, onder b, aanhef en onder 1, van de planregels.
6.1. Ingevolge het bestemmingsplan "Dijklint Orthen" geldt voor het perceel de bestemming "Wonen", met de aanduiding "twee-aaneen".
In geschil is of de rechtbank het voorgenomen gebruik van de woning terecht in overeenstemming heeft geacht met de voor het perceel geldende bestemming "Wonen". Daarbij is van belang of het project voorziet in een bijzondere woonvoorziening als bedoeld in artikel 11.1, aanhef en onder a, gelezen in samenhang met artikel 1.18 van de planregels.
Uit de bij de aanvraag behorende brief van 16 april 2021 blijkt dat het bouwplan voorziet in de huisvesting van jongvolwassenen met een autismespectrumstoornis, die daar worden begeleid naar zelfstandig wonen. Als eerste stap wonen zij in een eigen kamer en leren zij de noodzakelijke huishoudelijke taken (schoonmaken, boodschappen) te combineren met school, werk of dagbesteding. Daarnaast kunnen ze gebruik maken van het zorg- en welzijnsaanbod dat wordt geboden op de locatie. Dat bestaat volgens de brief van 16 april 2021 uit gesprekken en ondersteuning zoals ouders die bieden. Als dit goed gaat, dan kan een tweede stap worden gezet naar grotere zelfstandigheid in de vorm van wonen in een studio met eigen voorzieningen (keukentje en badkamer), waarbij de begeleiding meer op afstand blijft en de focus vooral ligt op uitstroom om zelfstandig ergens anders te gaan wonen. Blijkens de bij de aanvraag verstrekte informatie gaat het verder om jongeren die geen zorgindicatie hebben voor beschermd wonen, maar een indicatie voor ambulante begeleiding. Daarmee in lijn worden zij begeleid naar een daadwerkelijk zelfstandige woonsituatie met ambulante begeleiding, voor zover die dan nog nodig is. Op de zitting is gebleken dat in de woning geen 24 uurs-zorg aanwezig zal zijn, omdat dat voor deze groep niet nodig is.
De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank onder deze omstandigheden terecht tot het oordeel is gekomen dat dit gebruik kwalificeert als een bijzondere woonvoorziening in de zin van artikel 11.1, gelezen in samenhang met artikel 1.18 van de planregels. Het gebouw voorziet in de aangepaste woonbehoefte van de bewoners van deze doelgroep, zoals hiervoor is omschreven.
Omdat dit gebruik valt onder de gebruiksfunctie wonen in de vorm van bijzondere woonvoorzieningen als is bedoeld in artikel 11.1, aanhef en onder a, van de planregels, kwalificeert dit gebruik niet als een beroepsactiviteit aan huis. De rechtbank is terecht tot hetzelfde oordeel gekomen. Het betoog slaagt niet.
- Het bouwvlak
7. [appellant A] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat voor het project buiten het bouwvlak wordt gebouwd, omdat in het voormalige zwembad wooneenheden worden gerealiseerd en dat zwembad buiten het bouwvlak valt. Daarnaast wordt van de voormalige garage een woning gemaakt. Ook de voormalige garage ligt buiten het bouwvlak. Door deze verbouwingen en het wijzigen van de functies van deze bouwgedeelten moeten volgens [appellant A] zowel het voormalige zwembad als de garage tot het hoofdgebouw worden gerekend. Ingevolge artikel 11.2.2, onder a, van de planregels mogen hoofdgebouwen alleen binnen het bouwvlak worden gebouwd.
7.1. De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat zich geen strijd voordoet met artikel 11.2.2, aanhef en onder a, van de planregels. Zoals de rechtbank heeft overwogen, zijn zowel de voormalige garage als het gebouw waarin het voormalige zwembad aanwezig was, aan te merken als bijgebouwen in de zin van artikel 1.17 van de planregels en zoals genoemd in de erfbebouwingsregeling in artikel 11.2.3 van de planregels. Het gaat om zulke bijgebouwen omdat deze door de vorm met onder meer een plat dak onderscheiden kunnen worden van het hoofdgebouw. Daarnaast zijn zij in architectonisch opzicht ondergeschikt aan het hoofdgebouw, omdat zij in tegenstelling tot het hoofdgebouw uit maar één verdieping bestaan.
De rechtbank heeft terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de verbouwing tot gevolg heeft dat deze bouwgedeelten tot het hoofdgebouw in de zin van artikel 1.35 van de planregels zijn gaan behoren. Daargelaten dat door de verbouwing geen functiewijziging tot stand is gebracht, de functie is namelijk onveranderd wonen, is de functie van het gebouw volgens de definitie van bijgebouw in artikel 1.17 van de planregels niet van belang. Het betoog slaagt daarom niet.
- De belangenafweging
8. [appellant A] en [appellant B] betogen verder dat aan het besluit geen deugdelijke belangenafweging ten grondslag is gelegd. Volgens hen is het perceel om verschillende ruimtelijke redenen geen juiste locatie voor dit project. Verder is onvoldoende met hun belangen rekening gehouden, omdat in de vergunning volgens hen onvoldoende is geborgd dat de woning ook in de toekomst alleen voor de huisvesting van deze doelgroep zal dienen en dat niet meer dan maximaal 8 personen zullen worden gehuisvest. Zij vrezen meer overlast, als mogelijk in de toekomst huisvesting van (meer) personen uit een andere doelgroep zal kunnen plaatsvinden. Daarnaast voeren zij aan dat het parkeren ten behoeve van het project niet op juiste wijze is geregeld.
8.1. Zoals blijkt uit de overwegingen 6 tot en met 7.1 hiervoor, ziet de Afdeling met de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het project in strijd is met het bestemmingsplan. Dat betekent dat het bestemmingsplan het bouwplan rechtstreeks toestaat en dat de rechtbank dan ook terecht niet is toegekomen aan een belangenafweging in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Dit laatste geldt ook waar het gaat over het onderwerp parkeren.
Over de naar voren gebrachte vrees dat de omgevingsvergunning ruimte biedt voor het huisvesten van andere doelgroepen en meer dan 8 personen, overweegt de Afdeling het volgende. Zoals hiervoor onder 2 overwogen, is de omgevingsvergunning alleen verleend voor het verbouwen van het pand tot 10 afzonderlijke wooneenheden. Hoewel de aanvraag uitgaat van het huisvesten van maximaal 8 personen die behoren tot de onder 2 omschreven doelgroep, staat het bestemmingsplan niet in de weg aan het huisvesten van 10 personen behorend tot die doelgroep in de 10 wooneenheden. Voor zover in de toekomst mogelijk sprake zal zijn van het huisvesten van meer dan 10 personen en/of van personen met een andere zorgvraag, zal in dat geval beoordeeld moeten worden of dat past binnen de geldende bestemming. Het betoog slaagt niet.
Conclusie hoger beroepen
9. De hoger beroepen zijn ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Verzoeken om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
10. [appellant A] en [appellant B] hebben de Afdeling verzocht om vergoeding van schade in verband met overschrijding van de redelijke termijn.
10.1. De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties bestaat, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste vier jaar redelijk. Hierbij wordt een half jaar gerekend voor de behandeling van het bezwaar, anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep en twee jaar voor de behandeling van het hoger beroep. De termijn begint op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan.
10.2. Het college heeft het bezwaarschrift van [bedrijf] ontvangen op 6 juli 2021. De redelijke termijn is in deze procedure dus met ruim 6 maanden overschreden. Deze overschrijding is toe te rekenen aan de Afdeling. Uitgaande van een forfaitair bedrag van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, bedraagt het aan [appellant A] en [appellant B] elk toe te kennen bedrag € 1000,00.
10.3. De Afdeling zal de Staat (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) daarom veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van € 1000,00 aan [appellant A] en [appellant B] elk, als vergoeding van de geleden immateriële schade.
Proceskosten
10.4. Omdat de overschrijding van de redelijke termijn aan de Afdeling is toe te rekenen, moet de Staat (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) de proceskosten vergoeden voor de verzoeken om schadevergoeding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst de verzoeken om schadevergoeding toe;
III. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan [appellant A] een schadevergoeding van € 1000,00 te betalen;
IV. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan W.[appellant B] een schadevergoeding van € 1000,00 te betalen;
V. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot vergoeding van bij [appellant A] in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00,geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VI. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot vergoeding van bij W.[appellant B] in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. M.M. Kaajan, voorzitter, en mr. J. Gundelach en mr. G.O. van Veldhuizen, leden, in tegenwoordigheid van mr. D.L. Bolleboom, griffier.
w.g. Kaajan
voorzitter
w.g. Bolleboom
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2026
641
BIJLAGE
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Artikel 2.1, eerste lid:
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
a. het bouwen van een bouwwerk,
(…).
Bestemmingsplan "Dijklint Orthen"
Artikel 1 van de planregels:
Begrippen
1.2 Aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit:
een beroeps- of bedrijfsactiviteit, waarvan de activiteiten in hoofdzaak niet publieksaantrekkend zijn en die op kleine schaal in een woning en/of de daarbij behorende bijgebouwen wordt uitgeoefend, waarbij de
woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende activiteit een ruimtelijk uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie;
1.3 aanbouw:
een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw;
1.17 bijgebouw:
een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw;
1.18 bijzondere woonvoorzieningen:
een (gedeelte van een) gebouw dat dient om te voorzien in een aangepaste woonbehoefte bijvoorbeeld ten behoeve van personen voor wie de normale woonvoorzieningen niet passend of toereikend zijn, zoals gehandicapten, of anderszins verzorgingsbehoevenden;
1.35 hoofdgebouw:
een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie, afmetingen of functie als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken en waarin de hoofdfunctie ingevolge de bestemming is of wordt ondergebracht;
1.47 publieksaantrekkende beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis: een beroeps of bedrijfsactiviteit, waarvan de aard, omvang en uitstraling zodanig is, dat de activiteit past binnen de desbetreffende woonomgeving en derhalve in een woning en/of de daarbij behorende bijgebouwen, met behoud van de woonfunctie, kan worden toegestaan;
1.53 woning:
een complex van ruimten, geschikt en bestemd voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden, waaronder begrepen eventueel gemeenschappelijk gebruik van bepaalde ruimten;
Artikel 11.1 bestemmingsomschrijving Wonen
De voor Wonen aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. wonen in de vorm van woningen en bijzondere woonvoorzieningen al dan niet in combinatie met een aan huis verbonden beroepsactiviteit en daarbij behorende tuinen, erven, water en waterhuishoudkundige voorzieningen e.d.. b. detailhandel ter plaatse van de aanduiding 'detailhandel';
c. bedrijven zoals genoemd in de bij deze regels als bijlage behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten - functiemenging ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf';
d. ter plaatse van de aanduiding 'wonen uitgesloten' is bewoning niet toegestaan;
Artikel 11.2.2 Hoofdbebouwing/Hoofdgebouw
a. Hoofdgebouwen dienen ten dienste van de bestemming, binnen het bouwvlak te worden gebouwd;
b. ter plaatse van de aanduiding 'aaneengebouwd' dienen de hoofdgebouwen aaneen gebouwd te worden;
c. ter plaatse van de aanduiding 'twee-aaneen' dienen de hoofdgebouwen halfvrijstaand of geschakeld
gebouwd te worden;
d. ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand' dienen de hoofdgebouwen vrijstaand gebouwd te worden;
e. ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld' dienen de hoofdgebouwen gestapeld gebouwd te worden,
waarbij ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' het aantal woningen niet meer mag bedragen dan aangeduid in de bestemming;
f. bouwvlakken mogen voor 100% worden bebouwd;
g. De afstanden tot de zijdelingse perceelsgrenzen mogen niet minder bedragen dan;
1. voor vrijstaande woningen ter plaatse van de aanduiding vrijstaand: aan beide zijden 3 meter;
2. voor halfvrijstaande en geschakelde woningen met de aanduiding twee-aaneen: aan één zijde 3 meter;
h. de bouwhoogte zoals aangeduid in de bestemming, mag niet worden overschreden;
i. de goothoogte zoals aangeduid in de bestemming, mag niet worden overschreden;
Artikel 11.2.3 Erfbebouwingsregeling
Op het erf mogen bouwwerken geen gebouwen zijnde en bijgebouwen in de vorm van aan- of uitbouwen van het hoofdgebouw of in de vorm van vrijstaande bijgebouwen worden gebouwd, ten dienste van de bestemming. Aan- en bijgebouwen zijn tevens mogelijk binnen de aangegeven bouwvlakken. Daarbij dienen de volgende bepalingen in acht te worden genomen:
a. met uitzondering van het hierna onder lid 11.2.3 onder b bepaalde mogen aan- of bijgebouwen uitsluitend worden opgericht achter het hoofdgebouw op het desbetreffende bouwperceel, alsook naast het hoofdgebouw mits minimaal 3 meter achter de voorgevel;
b. voor hoekpercelen geldt dat nieuwe bijgebouwen mogen worden gebouwd minimaal 3 meter achter de voorgevel en achter het verlengde van de naar de weg gekeerde zijgevel;
c. de onder lid 11.2.3 onder a omschreven grond mag niet meer dan 50% worden bebouwd;
d. het onbebouwd blijvende deel van het onder lid 11.2.3 onder a omschreven gedeelte van het erf mag geen kleinere aaneengesloten oppervlakte krijgen dan 25 m²;
e. met inachtneming van het bepaalde in lid 11.2.3 onder a mag het gezamenlijke grondoppervlak van de gebouwen niet meer bedragen dan 75 m²;
f. voor zover de oppervlakte van het bouwperceel groter is dan 600 m² en de resterende omvang van het bouwperceel achter het bouwvlak meer bedraagt dan 200 m² mag de onder lid 11.2.3 onder e geregelde gezamenlijke grondoppervlak worden vermeerderd met 10% van de omvang van het bouwperceel, tot in totaal 100 m²;
g. in afwijking van het bepaalde onder c, e en f mag ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwd oppervlak (m2)', het erf maximaal bebouwd worden met erfbebouwing zoals aangegeven in de bestemming;
h. de hoogte mag niet meer bedragen dan 3 meter;
i. indien met hellende dakvlakken wordt gebouwd, mag de goothoogte niet meer bedragen dan 3 m, de hoogte niet meer dan 4,5 meter en de dakhelling niet meer dan 50° ten opzichte van het horizontale vlak;
j. gebouwen met één hellend dakvlak zijn uitsluitend mogelijk bij een aanbouw tegen de zij- en/of achterkant van het hoofdgebouw (aankappingen); hierbij mag de goothoogte niet meer gedragen dan 3
meter en de hoogte 4,5 meter;
k. dakterrassen zijn niet toegestaan;
l. de hoogte van erfafscheidingen, voor zover deze als bouwwerken geen gebouwen kunnen worden aangemerkt, mag van de voet af gemeten niet meer dan 1 meter bedragen, tenzij de afscheiding wordt
geplaatst achter de voorgevelrooilijn; in geval de plaatsing achter de voorgevelrooilijn geschiedt, mag de hoogte niet meer dan 2 meter bedragen.
Artikel 11.5 Specifieke gebruiksregels
a. Het is verboden de in deze bestemming begrepen gronden en de daarop voorkomende bouwwerken te gebruiken of in gebruik te geven of te laten voor een doel of op een wijze strijdig met deze bestemming;
b. Gebruik van ruimten binnen de woning en in de bijgebouwen ten behoeve van de uitoefening van een aan huis verbonden beroepsactiviteit, wordt als gebruik overeenkomstig de bestemming aangemerkt, voorzover dit gebruik ondergeschikt blijft aan de woonfunctie en mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
1. maximaal 35% van de oppervlakte van het vloeroppervlak van de woning met inbegrip van gerealiseerde aan- en uitbouwen, tot ten hoogste in totaal 75 m2 mag worden gebruikt voor de aan huis verbonden beroepsactiviteit;
2. degene die de activiteiten in de woning uitvoert, dient tevens de bewoner van de woning te zijn;
3. vergunningplichtige of meldingsplichtige activiteiten ingevolge de wet milieubeheer zijn niet toegestaan;
4. er mag geen detailhandel plaatsvinden.
c. Onder gebruik in strijd met de bestemming wordt in ieder geval begrepen gebruik van ruimten binnen de woning en bijgebouwen voor publieksaantrekkende beroepsactiviteiten of bedrijfsactiviteiten aan huis. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|