Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBROT:2026:1559 
 
Datum uitspraak:13-02-2026
Datum gepubliceerd:18-02-2026
Instantie:Rechtbank Rotterdam
Zaaknummers:ROT 24/9546
Rechtsgebied:Bestuursstrafrecht
Indicatie:Boete opgelegd aan verzamelcentrum voor het laten vervoeren van 4 runderen die niet geschikt waren voor transport. Naar het oordeel van de rechtbank is met het rapport van bevindingen en de veterinaire verklaringen niet buiten redelijke twijfel aangetoond dat de runderen al voorafgaand aan het transport niet op eigen kracht pijnloos konden voortbewegen dan wel ziek waren. De boete is ten onrechte opgelegd, beroep gegrond
Trefwoorden:landbouw
landbouw, natuur en voedselkwaliteit
 
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 24/9546

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 februari 2026 in de zaak tussen


[eiseres] , te [plaats] , eiseres,
(gemachtigde: mr. M.J.J.E. Stassen),

en


de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, voorheen de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,
(gemachtigde: J. Knols).


Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een boete van € 6.000,- die verweerder met het besluit van 3 mei 2024 aan eiseres heeft opgelegd voor een overtreding van de Wet dieren. Eiseres is het niet eens met deze boete. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de boete.


1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de boete terecht heeft opgelegd. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.



1.2.
Onder 2. staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3. staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4.1. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.





Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 9 september 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij het boetebesluit gebleven.


2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



2.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 15 januari 2026 op zitting behandeld, tegelijk met de beroepen van [de vervoerder] (ROT 24/9545), [veehouder 1] (ROT 24/9559) en [veehouder 2] (ROT 24/9560). Namens eiseres zijn verschenen directeur [naam] en de gemachtigde van eiseres (tevens gemachtigde van de eisende partijen in de andere drie beroepen). Ook zijn verschenen [naam] (vennoot van [de vervoerder] ) en [naam] (vennoot van [veehouder 1] ). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door mr. M.M. de Vries en [naam] (toezichthoudend dierenarts bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, NVWA).





Totstandkoming van het bestreden besluit


3.1.
Het gaat in dit beroep om vier vervoerde runderen die volgens verweerder niet transportwaardig waren. Eén van de runderen ( [levensnummer] ) was afkomstig van [veehouder 1] en is vanaf deze veehouder op 19 september 2023 vervoerd naar het verzamelcentrum van [eiseres] (eiseres). Een ander rund ( [levensnummer] ) was afkomstig van veehouder [veehouder 2] en is vanaf daar op 20 september 2023 vervoerd naar hetzelfde verzamelcentrum. Vervolgens zijn deze twee runderen en de andere twee runderen ( [levensnummer] en [levensnummer] ) op 21 september 2023 omstreeks 3.30 uur vanaf het verzamelcentrum van eiseres door een chauffeur van [de vervoerder] naar Slachterij Erp B.V. vervoerd. Op deze slachterij waren die dag drie toezichthouders van de NVWA aanwezig die de transportwaardigheid van de aangevoerde dieren controleerden, waaronder toezichthoudend dierenarts [naam] . Deze toezichthoudend dierenarts heeft in vier veterinaire verklaringen zijn bevindingen – gedaan op 21 september 2023 omstreeks 6.00 tot 9.00 uur – beschreven ten aanzien van de vier vervoerde runderen. Deze veterinaire verklaringen zijn op 3 oktober 2023 door hem opgesteld en op 10 oktober 2023 tevens ondertekend door toezichthoudend dierenarts [naam] , die daarbij verklaart de waarnemingen en conclusies te bevestigen. Deze veterinaire verklaringen zijn vervolgens naar een andere toezichthouder, [naam] , gestuurd met het verzoek de meldingen over vier niet-transportwaardige runderen op te pakken. Hierop heeft toezichthouder [naam] nader onderzoek gedaan naar de herkomst van de dieren en contact opgenomen met de directeur van eiseres. De resultaten hiervan heeft zij beschreven in een rapport van bevindingen dat zij op 12 januari 2024 heeft opgemaakt. De vier veterinaire verklaringen van de toezichthoudend dierenarts zijn bij dit rapport gevoegd.


3.1.1.
Over het rund met I&R-nummer [levensnummer] schrijft de toezichthoudend dierenarts het volgende: “Ik zag dat de rund met I&R-nummer [levensnummer] een verdikking had ter hoogte van de kroonrand en de kogel op de rechter achterpoot. De kroonrand en de kogel van de poot situeert zich net boven de klauwen. Ik voelde dat deze verdikking hard aanvoelde. Ik concludeerde dat deze verdikking werd veroorzaakt door een chronische actieve (door de pijnlijkheid) ontsteking ter hoogte van de kroonrand en de kogel van de rechter achterpoot. Ik concludeerde dat de ontsteking reeds lange tijd voor het transport aanwezig was.

Ik zag dat het rund in stilstand niet steunde op de rechter achterpoot. Ik zag dat het rund tijdens het stappen een snelle sprong maakte met de linker achterpoot om te vermijden dat ze op de rechter achterpoot moest steunen. Ik zag, bij het landen van de linker achterpoot tijdens deze spong, dat het rund een stuk door de linker achterpoot heen zakte omdat ze het gewicht van de hele achterband van haar lichaam moest opvangen. Terwijl het rund de linker achterpoot naar voren plaatste zag ik dat ze de rug krom hield en de kop zo ver mogelijk naar voren richtte om zo weinig mogelijk gewicht op de achterband te plaatsen.


Al deze bovenstaande bevindingen samengenomen concludeer ik dat het rund ernstig kreupel was door heel erge pijn aan de rechter achterpoot veroorzaakt door een chronische ontsteking In de regio van de kogel en de kroonrand.


De houder van het verzamelcentrum had het rund [levensnummer] niet voor vervoer moeten afstaan en heeft, door dat toch te doen, verwijtbaar gehandeld.


Oordeel: gelet op mijn bevindingen ter zake: bij dit dier heeft het verplaatsen en het transport extra lijden veroorzaakt, verwijtbaar aan de houder van het verzamelcentrum.”



3.1.2.
Over het rund met I&R-nummer [levensnummer] schrijft de toezichthoudend inspecteur dierenarts:
“Ik zag dat het rund met nummer [levensnummer] neer lag op zijn flank op de wagen. Na aansporen zag ik dat het rund niet reageerde. Ik zag dat het rund een pompende, sterk versnelde ademhaling vertoonde. Ik zag dat het rund aan de linker voorpoot een verdikking had ter hoogte van het bovenbeen. Ik zag dat mijn collega [naam] een veterinaire thermometer in de anus van het rund stak. Ik zag dat de display van de thermometer na de meting 41,1 graden Celsius aan gaf. Ik concludeerde dat het rund koorts had. Ik hoorde mijn collega [naam] zeggen dat het rund niet slachtwaardig en niet transportwaardig was. Er zijn geen post mortem gegevens bekend van het rund omdat het rund niet slachtwaardig was bevonden en dus niet geslacht is.

Al de bovenstaande bevindingen samengenomen concludeer ik dat het rund een ernstig algemeen ziektebeeld vertoonde. Het rund was algemeen ziek en had hieronder heel erg te lijden. Het rund moet volgens mijn oordeel de symptomen van algemene ziekte reeds vertoont hebben voor het transport van bij de veehouder aanving gezien de ernst van het algemeen ziektebeeld vastgesteld bij het lossen op het slachthuis.


De houder van het verzamelcentrum had het rund [levensnummer] niet voor vervoer moeten afstaan en heeft, door dat toch te doen, verwijtbaar gehandeld.


Oordeel: gelet op mijn bevindingen ter zake: bij dit dier heeft het verplaatsen en het transport extra lijden veroorzaakt, verwijtbaar aan de houder van het verzamelcentrum.”



3.1.3.
Over het rund met I&R-nummer [levensnummer] schrijft de toezichthoudend dierenarts:
“Ik zag dat het rund met I&R-nummer [levensnummer] een verdikking had ter hoogte van kroonrand en de kogel op de rechter voorpoot ten opzichte van de andere poten. De kogel en de kroonrand van de poot situeert zich net boven de klauwen. Ik voelde dat deze verdikking hard aanvoelde. Ik concludeerde dat deze verdikking werd veroorzaakt door een chronische actieve (door de pijnlijkheid) ontsteking ter hoogte van de kogel en de kroonrand van de rechter voorpoot. Ik concludeerde dat de ontsteking reeds lange tijd voor het transport aanwezig was. Ik zag dat het rund in stilstand niet steunde op de rechter voorpoot. Ik zag dat het rund in stilstand de achterpoten zo ver mogelijk naar voren plaatste. Ik zag dat het rund in stilstand de kop laag hield. Ik concludeerde dat het rund zo weinig mogelijk gewicht wou plaatsten op de voorpoten. Ik zag dat het rund veel aangespoord moest worden om voortgedreven te worden hoewel het rund ruimte voor zich had om zich voort te bewegen. Ik zag dat het rund tijdens het stappen een snelle sprong maakte met de linker voorpoot om te vermijden dat ze op de rechter voorpoot moest steunen. Ik zag, bij het landen van de linker voorpoot tijdens deze spong, dat het rund een stuk door de linker poot heen zakte omdat ze het gewicht van de hele voorhand van haar lichaam moest opvangen. Ik zag dat het rund niet op de rechter voorpoot steunde tijdens het stappen.

Al deze bovenstaande bevindingen samengenomen concludeer ik dat het rund ernstig kreupel was door heel erge pijn aan de rechter voorpoot veroorzaakt door een chronische ontsteking in de regio van de kogel en de kroonrand.

De houder van het verzamelcentrum had het rund [levensnummer] niet voor vervoer moeten afstaan en heeft, door dat toch te doen, verwijtbaar gehandeld.


Oordeel: gelet op mijn bevindingen ter zake: bij dit dier heeft het verplaatsen en het transport extra lijden veroorzaakt, verwijtbaar aan de houder van het verzamelcentrum.”



3.1.4.
En over het rund met I&R-nummer [levensnummer] schrijft de toezichthoudend dierenarts:
“Ik zag dat het rund met I&R-nummer [levensnummer] een verdikking had ter hoogte van kroonrand Op de linker achterpoot. De kroonrand van de poot situeert zich net boven de klauwen. Ik voelde dat deze verdikking hard aanvoelde. Ik concludeerde dat deze verdikking werd veroorzaakt door een chronische actieve (door de pijnlijkheid) ontsteking ter hoogte van en de kroonrand van de linker achterpoot. Ik concludeerde dat de ontsteking reeds lange tijd voor het transport aanwezig was.

Ik zag dat het rund in stilstand niet steunde op de linker achterpoot. Ik zag dat het rund tijdens het stappen een snelle sprong maakte met de rechter achterpoot om te vermijden dat ze op de linker achterpoot moest steunen. Ik zag, bij het landen van de rechter achterpoot tijdens deze spong, dat het rund een stuk door de rechter achterpoot heen zakte omdat ze het gewicht van de hele achterband van haar lichaam moest opvangen. Terwijl het rund de rechter achterpoot naar voren plaatste zag ik dat ze de rug krom hield en de kop zo ver mogelijk naar voren richtte om zo weinig mogelijk gewicht op de linker achterpoot te plaatsen.


Al deze bovenstaande bevindingen samengenomen concludeer ik dat het rund ernstig kreupel was door heel erge pijn aan de linker achterpoot veroorzaakt door een chronische ontsteking in de regio van de kroonrand.


De houder van het verzamelcentrum had het rund [levensnummer] niet voor vervoer moeten afstaan en heeft, door dat toch te doen, verwijtbaar gehandeld.


Oordeel: gelet op mijn bevindingen ter zake: bij dit dier heeft het verplaatsen en het transport extra lijden veroorzaakt, verwijtbaar aan de houder van het verzamelcentrum.”




3.2.
Op grond van het rapport van bevindingen en de daarbij gevoegde veterinaire verklaringen heeft verweerder vastgesteld dat eiseres het volgende beboetbare feit heeft gepleegd: “Het verzamelcentrum liet runderen vervoeren die niet geschikt waren voor het voorgenomen transport. Drie runderen waren niet in staat zich op eigen kracht pijnloos te bewegen en een rund was ziek.”
Volgens verweerder heeft eiseres daarmee een overtreding begaan van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 4.8 van de Regeling houders van dieren, en met artikel 3, aanhef en onder b, artikel 9, eerste lid, en Bijlage I, hoofdstuk I, paragraaf 1 en paragraaf 2, aanhef en onder a, van de Transportverordening.
Verweerder heeft eiseres daarvoor een boete opgelegd van € 6.000,-. Dit is een verhoging van het standaardboetebedrag omdat volgens verweerder sprake is van recidive.





Beoordeling door de rechtbank

4. Eiseres voert aan dat in de drie veterinaire verklaringen over verdikte kroonranden onvoldoende per dier is beschreven wat de aandoeningen waren. De beschrijvingen lijken erg op elkaar en het is onaannemelijk dat de drie runderen exact dezelfde bewegingen hebben gemaakt. Voorts is onvoldoende gemotiveerd waarom de geconstateerde aandoeningen al vóór het transport aanwezig waren. Kreupelheid en pijn zijn geen indicatoren voor de duur van de aandoening en ook ten aanzien van het zieke rund ontbreekt een objectief toetsingskader over de ernst en mate van de ziekte. Bovendien is volstrekt onaannemelijk dat alle bij het transport betrokken personen (de veehouders, de chauffeurs en de mensen van de verzamelplaats), met al hun kennis en ervaring, niet gezien zouden hebben dat de dieren niet transportwaardig waren. Dit is een contra-indicatie voor de stelling dat de aandoeningen al vóór het transport dermate waren ontwikkeld dat de dieren niet vervoerd hadden mogen worden. Ook verwijt verweerder eiseres ten onrechte dat zij niet met een eigen deskundige tegenbewijs levert. Daarnaast heeft verweerder in het bestreden besluit niet gemotiveerd waarom in deze gevallen geen sprake was van licht gewonde of zieke dieren, die op grond van de Transportverordening wel mogen worden vervoerd, aldus eiseres.


Toetsingskader


4.1.
In een geval als het onderhavige waarin een boete is opgelegd rust de bewijslast dat sprake is van een overtreding, gelet op het vermoeden van onschuld, op het bestuursorgaan dat de boete heeft opgelegd. Volgens vaste jurisprudentie van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb), mag een bestuursorgaan in beginsel uitgaan van de bevindingen in een toezichtrapport, indien de controle is verricht en het rapport is opgemaakt door een hiertoe bevoegde toezichthouder en het rapport zelf geen grond biedt om aan de juistheid van de bevindingen te twijfelen. Een toezichthouder wordt geacht te beschikken over de benodigde expertise om het wettelijk geregelde toezicht te houden. Aan de bevindingen van een toezichthouder mag daarom niet lichtvaardig voorbij worden gegaan. Indien de bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd. Aangezien de constateringen van de toezichthouder pas na het transport zijn gedaan (zoals gebruikelijk is), dient de toezichthouder in het rapport te motiveren dat het dier al voorafgaand aan het transport daarvoor niet geschikt was. Het ligt hierbij voor de hand dat de toezichthouder ook de duur van het transport betrekt, evenals de invloed die het transport kan hebben gehad op de toestand van het dier. In dit geval is het transport van de dieren vanaf eiseres op 21 september 2023 omstreeks 3.30 uur aangevangen en heeft de toezichthoudend dierenarts de runderen op enig moment tussen 6.00 en 9.00 uur die dag beoordeeld.


De drie kreupele runderen


4.2.1.
Met de beschrijvingen in de veterinaire verklaringen en het daarbij gevoegde beeldmateriaal staat voor de rechtbank in voldoende mate vast dat de drie runderen [levensnummer] , [levensnummer] en [levensnummer] op het slachthuis kreupel liepen. De toezichthouder schrijft dat hij bij deze drie runderen zag dat ze een verdikking hadden aan de poot, die hard aanvoelde, dat ze in stilstand niet steunden op die poot en ook bij het stappen met een sprong met de andere poot vermeden op de betreffende poot te steunen. Dat sprake is van overeenkomende beschrijvingen bij de drie dieren is geen reden voor twijfel aan de waarnemingen van de toezichthoudend dierenarts. De drie runderen hadden eenzelfde soort aandoening aan één van de poten en aannemelijk is dat dit zich bij de dieren op eenzelfde wijze uitte. Bovendien zijn bij de veterinaire verklaringen ook video’s en foto’s van de dieren gevoegd waarop te zien is dat de dieren een verdikking hebben aan een poot en belasting van deze poot proberen te vermijden.



4.2.2.
Voor het vaststellen van de overtreding moet echter ook voldoende vaststaan dat de runderen zich al voorafgaande aan het transport niet op eigen kracht pijnloos konden voortbewegen. Op dit punt is in de veterinaire verklaringen vermeld dat de verdikking aan de poot werd veroorzaakt door een chronische actieve ontsteking en dat de toezichthoudend dierenarts concludeert dat de ontsteking reeds lange tijd voor het transport aanwezig was. In de verklaringen wordt niet uitgelegd waarop de dierenarts deze conclusie baseert. Uit de verklaringen wordt niet voldoende duidelijk dat de drie runderen zich al voorafgaand aan het transport niet pijnloos hebben kunnen voortbewegen. Door eiseres is stellig betwist dat de dieren al voorafgaand aan het transport kreupel liepen. Omdat een onderbouwing van de conclusies van de toezichthoudend dierenarts in de veterinaire verklaringen ontbreekt, is met deze verklaringen niet buiten redelijke twijfel aangetoond dat de drie runderen niet geschikt waren voor het transport.


Het zieke rund



4.3.1.
Met de beschrijvingen in de veterinaire verklaring en het daarbij gevoegde beeldmateriaal staat voor de rechtbank in voldoende mate vast dat het rund [levensnummer] op het slachthuis ziek was. De toezichthoudend dierenarts schrijft in de veterinaire verklaring dat het dier op de wagen lag en niet reageerde, dat het een pompende, sterk versnelde ademhaling had en koorts had. Bij de veterinaire verklaring zijn ook een video en foto’s gevoegd waarop te zien is dat het dier ligt en een versnelde ademhaling heeft en dat een temperatuur van 41 ⁰C is gemeten.



4.3.2.
Voor het vaststellen van de overtreding moet echter ook voldoende vaststaan dat het rund al voorafgaande aan het transport ziek was. Op dit punt is in de veterinaire verklaring vermeld dat volgens het oordeel van de toezichthoudend dierenarts het rund de symptomen van algemene ziekte reeds moet hebben vertoond voorafgaand aan het transport. De rechtbank mist een voldoende motivering van die conclusie. De toezichthoudend dierenarts verwijst bij zijn conclusie wel naar de ernst van het algemeen ziektebeeld zoals vastgesteld op het slachthuis, maar de rechtbank mist een uitleg waarom geen andere conclusie kan worden getrokken dan dat het dier al voorafgaande aan het transport ziek was. Door eiseres is stellig betwist dat het rund al (zo) ziek was toen het in de wagen werd geladen. Eiseres heeft gesteld dat in de uren na aanvang van het transport (om 3.30 uur) een sluimerend ziektebeeld zich kan hebben verergerd tot het beeld dat de toezichthouder heeft waargenomen (op enig moment tussen 6.00 en 9.00 uur). Nu een motivering van de conclusie van de toezichthoudend dierenarts dat het dier al voorafgaand aan het transport ernstig ziek was in de veterinaire verklaring ontbreekt, is met deze verklaring niet buiten redelijke twijfel aangetoond dat dit rund niet geschikt was voor het transport.


Toelichting ter zitting




4.4.
Ter zitting heeft de toezichthoudend dierenarts die de veterinaire verklaringen heeft opgesteld, een nadere toelichting gegeven. Zo heeft de toezichthouder toegelicht dat bij de ontstoken poten een harde bol te zien was die het gevolg is van het inkapselen van de ontsteking en dat het enkele dagen duurt voordat een ontsteking tot een dergelijke bol is ingekapseld. Ook is toegelicht dat een acute ontsteking zacht zal aanvoelen vanwege de aanwezigheid van vocht, terwijl bij een ontsteking die al langer geleden is ontstaan, sprake is van bindweefsel waardoor de plek hard aanvoelt. Over het zieke dier heeft de toezichthouder ter zitting onder meer toegelicht dat deze mate van koorts een aantal uur nodig heeft om te ontwikkelen. Eiseres heeft betoogd dat het in strijd is met de goede procesorde om de ter zitting gegeven toelichting in de beoordeling te betrekken.



4.5.
De rechtbank overweegt dat als uitgangspunt geldt dat een bestuursorgaan het dragend bewijs van een overtreding bij de voltooiing van de bestuurlijke besluitvorming dient te leveren. Met dragend bewijs wordt gedoeld op het bewijs dat het bestuursorgaan in redelijkheid reeds in het stadium van de bestuurlijke besluitvorming aan een overtreding ten grondslag had kunnen en moeten leggen. Voor beantwoording van de vraag of het inbrengen van nader bewijs geoorloofd is, moet worden betrokken wat in redelijkheid van het bestuursorgaan mocht worden gevergd.



4.6.
Zoals hiervoor is overwogen, bevatten de veterinaire verklaringen onvoldoende bewijs van de overtredingen. Voor zover de toezichthouder ter zitting met zijn toelichting over het ontstaansmoment van de ontstekingen en de koorts nader bewijs heeft aangeleverd, laat de rechtbank dit buiten beschouwing. Anders dan verweerder meent, is die uitleg van de toezichthouder ter zitting niet te beschouwen als een nadere duiding van de veterinaire verklaringen maar als een aanvulling van het bewijs dat de overtreding is begaan. Niet valt in te zien dat verweerder niet al voor de voltooiing van de besluitvorming de nadere onderbouwing door de toezichthouder had kunnen inbrengen. Daarvoor was temeer aanleiding nu eiseres in bezwaar heeft bestreden dat de runderen al voorafgaand aan het vervoer niet transportwaardig waren. Van verweerder mocht worden gevergd dat uiterlijk in het bestreden besluit de aanvulling van het bewijs ten aanzien van de toestand van de dieren voorafgaand aan het transport aan de boete ten grondslag werd gelegd. Het pas in de beroepsfase inbrengen van deze aanvulling van het bewijs, is in strijd met de goede procesorde.


Tussenconclusie

5. Uit het voorgaande volgt dat niet buiten redelijke twijfel is aangetoond dat de dieren niet geschikt waren voor het transport. Er kan dus niet worden vastgesteld dat eiseres de overtreding heeft begaan. Dit betekent dat verweerder niet bevoegd was een boete aan eiseres op te leggen. Gelet op deze conclusie behoeven de overige gronden van eiseres geen bespreking.





Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank voorziet zelf in de zaak en herroept het primaire besluit. Dit betekent dat de boete vervalt.

7. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Deze vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vastgesteld. De rechtbank merkt de zaak van eiseres en de eveneens ter zitting behandelde zaken ROT 24/9545, ROT 24/9559 en ROT 24/9560 in zowel de bezwaarfase als de beroepsfase aan als samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Bpb. Dit betekent dat deze vier zaken voor de bepaling van de hoogte van de te vergoeden kosten voor rechtsbijstand als één zaak worden beschouwd, waarbij gelet op onderdeel C1 van de Bijlage bij het Bpb wegingsfactor 1,5 wordt toegepast omdat het vier zaken betreft. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde geldt per proceshandeling een vast bedrag van € 666,- in bezwaar en € 934,- in beroep. De gemachtigde heeft in deze vier zaken een bezwaarschrift ingediend, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De te vergoeden proceskosten bedragen dan in totaal € 3.801,-. Deze kosten worden verdeeld over de vier zaken, wat betekent dat verweerder in de zaak van eiseres € 950,25 dient te vergoeden.




Beslissing

De rechtbank:


verklaart het beroep gegrond;


vernietigt het bestreden besluit van 9 september 2024;


herroept het primaire besluit van 3 mei 2024;


bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;


bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 371,- aan eiseres moet vergoeden;


veroordeelt verweerder tot betaling van € 950,25 aan proceskosten van eiseres.



Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, rechter, in aanwezigheid van mr. A.L. van der Duijn Schouten, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2026.




griffier rechter


Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



BIJLAGE: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving



Transportverordening

Artikel 3, aanhef en onder b

Het is verboden dieren te vervoeren of te laten vervoeren op zodanige wijze dat het de dieren waarschijnlijk letsel of onnodig lijden berokkent.
Bovendien moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan:
b) de dieren zijn geschikt voor het voorgenomen transport;


Artikel 9, eerste lid

De exploitanten van verzamelcentra zorgen ervoor dat de dieren behandeld worden overeenkomstig de technische voorschriften van bijlage I, hoofdstuk I, en hoofdstuk III, afdeling 1.


Bijlage I, hoofdstuk I, paragraaf 1, 2, onder a en 3, onder a



Alleen dieren die geschikt zijn voor het voorgenomen transport mogen worden vervoerd, en de vervoersomstandigheden moeten van dien aard zijn dat de dieren geen letsel of onnodig lijden kan worden berokkend.


Gewonde, zwakke en zieke dieren worden niet in staat geacht te worden vervoerd, met name in de volgende gevallen:


wanneer de dieren niet in staat zijn zich op eigen kracht pijnloos te bewegen of zonder hulp te lopen;


Zieke of gewonde dieren kunnen echter in staat worden geacht te worden vervoerd in de volgende gevallen:


wanneer het licht gewonde of zieke dieren betreft waarvoor het vervoer geen extra lijden veroorzaakt; bij twijfel wordt het advies van de dierenarts ingewonnen;





Wet dieren

Artikel 6.2, eerste lid

Het is verboden in strijd te handelen met bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften van EU-verordeningen en EU-besluiten betreffende onderwerpen waarop deze wet van toepassing is.


Artikel 8.7

Onze Minister kan een overtreder een bestuurlijke boete opleggen.



Regeling houders van dieren

Artikel 4.8

Als voorschriften als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet, worden aangewezen de artikelen 3 tot en met 9 en 12, van verordening (EG) nr. 1/2005 (…).





Dit volgt uit het vervoersdocument, bijlage 4 bij het rapport van bevindingen van vervoerder V.O.F. Gebr. Manders Transport


Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG


Zie onder meer ECLI:NL:CBB:2024:907 en ECLI:NL:CBB:2025:286


Zie ECLI:NL:CBB:2020:881 en ECLI:NL:CBB:2025:261
Link naar deze uitspraak