Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBGEL:2026:826 
 
Datum uitspraak:28-01-2026
Datum gepubliceerd:19-02-2026
Instantie:Rechtbank Gelderland
Zaaknummers:11689136 CV EXPL 25-3815
Rechtsgebied:Burgerlijk procesrecht
Indicatie:Kosten gerechtelijke bewaring. Toepasssing 856 Rv.
Trefwoorden:burgerlijk wetboek
paarden
wettelijke rente
 
Uitspraak
RECHTBANK
GELDERLAND


Civiel recht
Kantonrechter

Zittingsplaats Arnhem

Zaaknummer: 11689136 \ CV EXPL 25-3815


Vonnis van 28 januari 2026


in de zaak van



[eiseres]


,
kantoorhoudende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. C. de Graeff,

tegen




1EXCELLENT EQUESTRIAN SERVICES INTERNATIONAL B.V.,
statutair gevestigd te Heerlen,
2. [gedaagde sub 2],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
gemachtigde: mr. G.M.M. van Tilborg (die zich per 5 januari 2026 heeft onttrokken),
hierna afzonderlijk te noemen: EESI en [gedaagde sub 2] en tezamen: [gedaagden]




1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- dagvaarding met producties 1 t/m 8
- conclusie van antwoord met producties 1 t/m 6
- aanvullende producties 9 t/m 12 namens [eiseres]
- aanvullende producties 7 t/m 10 namens [gedaagden]



1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 december 2025.

[eiseres] is verschenen bijgestaan door haar gemachtigde. Namens [gedaagden]
is alleen hun gemachtigde verschenen. Door de griffier zijn aantekeningen gemaakt
van hetgeen is besproken. Bij brief van 5 januari 2026 heeft de advocaat gemachtigde van [gedaagden] zich onttrokken.



1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.








2De feiten


2.1.
Tussen onder meer EESI en een derde partij (mevrouw [naam 1] ) is een geschil ontstaan over de eigendomssituatie van het paard genaamd [naam 2] (hierna: [naam 2] ). Dit paard is op 2 januari 2018 aangekocht voor een bedrag van € 5.000,00. Onderdeel van die discussie maakt ook uit wie welke kosten moet dragen ten behoeve van [naam 2] .



2.2.
Bij beschikking van 20 december 2022 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg aan [gedaagden] verlof verleend om conservatoir beslag te leggen op het paard [naam 2] . Dit beslag is op 21 december 2022 gelegd.



2.3.
Bij beschikking van 27 december 2022 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, is de heer [naam 3] , op grond van artikel 854 Rv, aangewezen als gerechtelijk bewaarder.



2.4.
Bij beschikking van 9 februari 2023 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg is [eiseres] aangewezen als gerechtelijk bewaarder.





3Het geschil


3.1.

[eiseres] vordert – samengevat – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad de hoofdelijke veroordeling:I. tot betaling van € 16.506,41, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over de hoofdsom van € 13.830,02 vanaf datum dagvaarding, alsmede de hoofdelijke veroordeling tot betaling van € 1.028,50 voor iedere opvolgende maand vanaf april 2025 voor de kosten van de bewaring, zolang de bewaring duurt of zolang de kantonrechter het redelijk vindt om de kosten toe te wijzen,
II. in de proceskosten.



3.2.
Ook verzoekt [eiseres] een certificaat betreffende een beslissing in burgerlijke en handelszaken voor de benodigde executie in Frankrijk.



3.3.

[eiseres] heeft ter onderbouwing van haar vorderingen verklaard dat [gedaagden] contact met haar heeft opgenomen omdat zij niet tevreden waren over de toenmalige gerechtelijk bewaarder waar [naam 2] op dat moment in bewaring was gegeven. [eiseres] heeft in het verleden al meerdere paarden van de zoon van [gedaagde sub 2] in pension gehad. Die paarden werden bij haar gestald, verzorgd en getraind indien nodig. [eiseres] heeft op uitdrukkelijk verzoek van [gedaagden] ingestemd met het in gerechtelijke bewaring nemen van [naam 2] . Welk verzoek door de voorzieningenrechter ook is gehonoreerd. Partijen hebben geen nadere afspraken gemaakt over de voorwaarden van de gerechtelijke bewaring van [naam 2] . Partijen verschillen van mening over welke kosten door [gedaagden] moeten worden betaald. Volgens [eiseres] wil [gedaagden] enkel de vergoeding voor stalling, voer en bedding voldoen. Dit is onvoldoende, aldus [eiseres] . [naam 2] heeft ook verzorging nodig en [eiseres] hanteert hiervoor onder de noemer trainingskosten een bedrag van € 500,00 per maand. [eiseres] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat het gebruik van de term trainingskosten een boekhoudkundige keuze betrof, die achteraf gezien voor verwarring heeft gezorgd. Het gaat echter om alle (personeels-) kosten voor de verzorging van [naam 2] . Te denken valt onder meer aan: het naar binnen en buiten zetten van [naam 2] , longeren of rijden, diverse voermomenten per dag, het wassen en vlechten van de manen, het op- en aftuigen en het in de gaten houden van [naam 2] .



3.4.

[gedaagden] voeren verweer. Zij concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] , met veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure.



3.5.

[gedaagden] hebben ter onderbouwing van hun verweer onder meer verklaard dat zij bereid zijn om de stallingskosten, voedingskosten, dierenarts en de hoefsmid voor [naam 2] te betalen, maar niet de trainingskosten van € 500,00 per maand. Zij stellen dat geen opdracht door de eigenaar is gegeven om [naam 2] te trainen en dat dit ook niet nodig is omdat [naam 2] geen spring-, dressuur- of menpaard is. Daarbij zijn zij van mening dat [eiseres] in strijd handelt met haar taak als bewaarnemer omdat zij [naam 2] moet teruggeven in de staat waarin ze hem heeft gekregen.



3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.





4De beoordeling


Bevoegdheid



4.1.
Vanwege het internationale aspect van deze zaak – [gedaagde sub 2] woont immers in Frankrijk – ziet de kantonrechter zich allereerst voor de vraag gesteld of zij bevoegd is kennis te nemen van dit geschil. Bij een gerechtelijke bewaarneming is de Nederlandse rechter bevoegd, omdat het beslag op Nederlands grondgebied is gelegd en het paard zich in Nederland bevindt.


Toepasselijk recht




4.2.
Gerechtelijke bewaarneming vindt plaats in het kader van een Nederlandse juridische procedure of een Nederlands beslag. De bewaarneming wordt dan beheerst door het recht van het land waar de procedure loopt, in dit geval Nederland. Gelet hierop is Nederlands recht van toepassing.


Bevoegdheid kantonrechter




4.3.
De kantonrechter behandelt en beslist in zaken waarin het om een vordering van maximaal € 25.000,00 gaat, tenzij de rechtstitel die € 25.000,00 te boven gaat en die rechtstitel wordt betwist, aldus artikel 93 aanhef en onder a Rv. De kantonrechter leest het petitum, in relatie tot hetgeen door haar tijdens de mondelinge behandeling is verklaard, zo dat [eiseres] een bedrag vordert van maximaal € 25.000,00 tot aan de mondelinge behandeling van 16 december 2025. Artikel 93 aanhef en onder a Rv is bovendien niet van toepassing nu [gedaagden] de rechtstitel als zodanig niet betwisten. Zij erkennen dat een bedrag betaald moet worden, maar zijn het niet eens over de hoogte van dit bedrag. De kantonrechter acht zich gelet hierop bevoegd om van het geschil kennis te nemen, met dien verstande dat de uit te spreken veroordeling het bedrag van € 25.000,00 niet te boven kan gaan.



Toepasselijk juridisch kader




4.4.
Bij de beoordeling van dit geschil is het volgende wettelijke kader van toepassing. In geval van gerechtelijke bewaring bepaalt artikel 856 lid 1 Rv dat de bewaring van een zaak geschiedt op de voorwaarden die door de bewaarder gewoonlijk voor zaken van dezelfde soort worden overeengekomen, of, bij gebreke daarvan, volgens de regels die krachten het Burgerlijk Wetboek op de overeenkomst van toepassing zijn, telkens tenzij de rechter die de gerechtelijke bewaring beveelt, anders bepaalt. Verder bepaalt artikel 857 lid 1 Rv dat de kosten van de bewaring aan de bewaarder worden voldaan door degene die de zaak in bewaring heeft doen geven of het bevel tot bewaring heeft uitgelokt.



4.5.
De kantonrechter overweegt als volgt. Tussen partijen staat vast dat zij geen specifieke voorwaarden zijn overeengekomen op grond waarvan de gerechtelijke bewaring zal plaatsvinden. Bijzondere voorwaarden zijn evenmin bepaald door de voorzieningenrechter die de gerechtelijke bewaring heeft bevolen. Het voorgaande betekent dat de gerechtelijke bewaring gelet op artikel 856 Rv geschiedt op de voorwaarden die door de bewaarder [eiseres] gewoonlijk voor zaken van dezelfde soort worden overeengekomen. Als onvoldoende door [gedaagden] betwist, neemt de kantonrechter als vaststaand aan dat [eiseres] voor de stalling van paarden gewoonlijk verschillende kostenposten in rekening brengt. Deze posten betreffen (i) stalling, (ii) voer, (iii) bedding van de stal en (iv) onder de noemer trainingskosten allerhande kosten die te maken hebben met de stalling van een paard. Onder dit laatste worden hoofdzakelijk verstaan personeelskosten voor het voeren, het laten bewegen en het verzorgen van het paard, alsmede de personeelskosten in verband met het verschonen van de stal. Als eveneens onvoldoende door [gedaagden] betwist, neemt de kantonrechter als vaststaand aan dat de maandelijkse kosten voor de stalling van een paard bij [eiseres] gewoonlijk € 1.028,50 bedragen. Dat maandbedrag is [gedaagden] dan ook verschuldigd aan [eiseres] .



4.6.
Het standpunt van [gedaagden] dat [naam 2] zonder een daaraan ten grondslag liggende overeenkomst door [eiseres] wordt getraind en dat zij daarom de in rekening gebrachte kosten niet (volledig) willen betalen, faalt op basis van het voorgaande. De stelling van [gedaagden] dat zij enkel gehouden is te betalen voor stalling, voer en waar nodig een dierenarts of hoefsmid is onjuist en kan, in geval van de gerechtelijke bewaring van levende have, niet worden aanvaard. Dit zou immers betekenen dat [naam 2] op stal zou moeten staan en geen actief leven kan leiden. Het leiden van een actief leven is echter essentieel voor de fysieke en mentale gezondheid van een paard, aangezien zij van nature zijn gebouwd om de hele dag te bewegen, te grazen en in kuddeverband te leven. Een inactief, stalgebonden leven kan leiden tot tal van onaanvaardbare gezondheidsklachten. Dit klemt temeer, nu door toedoen van [gedaagden] de gerechtelijke bewaring al meer dan drie jaar voortduurt. Voorzover de term training voor de nodige verwarring heeft gezorgd, maakt dit niet dat deze kosten niet door [gedaagden] betaald moeten worden. Bovendien heeft [eiseres] al geruime tijd haar facturen aangepast door deze nader te specificeren.



4.7.
Tot slot overweegt de kantonrechter nog dat [gedaagden] in het geval zij het niet eens is met de wijze waarop [eiseres] haar taak als gerechtelijk bewaarnemer van [naam 2] invult, zij op grond van artikel 856 lid 3 BW de voorzieningenrechter kan verzoeken om aanvullende voorwaarden vast te leggen. Dit heeft [gedaagden] nagelaten. Het voorgaande betekent dat de vordering van [eiseres] in beginsel voor toewijzing in aanmerking komt.



4.8.

[eiseres] heeft bij de berekening van de achterstand ten tijde van de dagvaarding een rekeningfout gemaakt. [gedaagden] heeft, blijkens de eigen opgave van [eiseres] , een bedrag van € 12.723,59 betaald in plaats van de € 10.525,53 waar [eiseres] vanuit is gegaan. Dit betekent dat de resterende hoofdsom op dat moment niet € 13.830,02 bedroeg, maar € 11.631,96. De kantonrechter leest het petitum zo dat de vordering vanaf april 2025 tot aan de mondelinge behandeling maandelijks met een bedrag van € 1.028,50 dient te worden verhoogd. Dit betekent dat de totale hoofdsom € 19.859,96 bedraagt (€ 11.631,96
+ € 8.228,00). Dit bedrag zal op navermelde wijze worden toegewezen.


Wettelijke (handels)rente




4.9.

[eiseres] vordert de hoofdelijke veroordeling tot betaling van de wettelijke handelsrente van artikel 6:119a BW over het toe te wijzen bedrag. Door [gedaagden] is hiertegen geen verweer gevoerd.



4.10.
De kantonrechter overweegt als volgt. Artikel 6:119a lid 1 BW bepaalt dat de schadevergoeding, verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom, in het geval van een handelsovereenkomst bestaat uit de wettelijke rente van die som met ingang van de dag volgend op de dag die is overeengekomen als de uiterste dag van betaling tot en met de dag waarop de schuldenaar de geldsom heeft voldaan. Onder een handelsovereenkomst wordt volgens artikel 6:119a lid 1 BW verstaan de overeenkomst om baat die een of meer van de partijen verplicht iets te geven of te doen en die tot stand is gekomen tussen een of meer natuurlijke personen die handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf, of rechtspersonen.



4.11.
Artikel 6:119a BW is ingevoerd ter implementatie van Richtlijn 2000/35/EG (thans: Richtlijn 2011/7/EU) betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties. Artikel 1 lid 2 Richtlijn 2011/7/EU bepaalt dat de richtlijn van toepassing is op alle betalingen tot vergoeding van handelstransacties. Handelstransacties zijn volgens art. 2 lid 1 Richtlijn 2011/7/EU transacties tussen ondernemingen of tussen ondernemingen en overheidsinstanties die leiden tot het leveren van goederen of het verrichten van diensten tegen vergoeding.

Het begrip ‘handelstransacties’ dient autonoom en uniform te worden uitgelegd. Blijkens rechtspraak van het HvJ EU moet het begrip ‘handelstransacties’ ruim worden opgevat en valt het niet noodzakelijkerwijs samen met het begrip ‘overeenkomst’. Om een transactie te kunnen aanmerken als een handelstransactie moet zij zijn verricht tussen ondernemingen of tussen ondernemingen en overheidsinstanties en moet de transactie leiden tot het leveren van goederen of het verrichten van diensten tegen vergoeding.



4.12.
De kantonrechter is van oordeel dat geen sprake is van een handelstransactie in voornoemde zin. Hiertoe is redengevend dat de grondslag van de betalingsverplichting van [gedaagden] volgt uit de wet en is ontstaan doordat de voorzieningenrechter de gerechtelijke bewaring van [naam 2] heeft bevolen, waarbij [eiseres] als bewaarder is aangesteld. Aldus zal de kantonrechter [gedaagden] veroordelen tot betaling van de wettelijke rente van artikel 6:119 BW over de verschuldigde vergoeding op de wijze zoals is bepaald in de beslissing.


De buitengerechtelijke incassokosten




4.13.

[eiseres] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiseres] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiseres] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 1.007,27 worden toegewezen.


Certificaat




4.14.

[eiseres] verzoekt om certificaat betreffende een beslissing in burgerlijke en handelszaken als bedoeld in artikel 53 Verordening (EU) nr. 1215/2012. Dit verzoek is toewijsbaar. Het door voornoemde verordening voorgeschreven formulier wordt afgegeven.


De proceskosten




4.15.
EESI en [gedaagde sub 2] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:









- kosten van de dagvaarding





119,40







- griffierecht





732,00







- salaris gemachtigde





812,00


(2 punten × € 406,00)




- nakosten





135,00


(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)




Totaal





1.798,40










Hoofdelijkheid




4.16.
De veroordelingen worden (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.






5De beslissing

De kantonrechter


5.1.
veroordeelt EESI en [gedaagde sub 2] hoofdelijk om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 11.631,96, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag, met ingang van 19 maart 2025, tot de dag van volledige betaling,



5.2.
veroordeelt EESI en [gedaagde sub 2] hoofdelijk om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 8.228,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag, met ingang van de vervaldata van de respectievelijke facturen, tot de dag van volledige betaling,



5.3.
veroordeelt EESI en [gedaagde sub 2] hoofdelijk om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 1.007,27 aan buitengerechtelijke kosten,



5.4.
veroordeelt EESI en [gedaagde sub 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.798,40, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als EESI en [gedaagde sub 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,



5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,



5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.









Dit vonnis is gewezen door mr. M.D.R. Joppe en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026.














































61389 \ 51588



Richtlijn 2011/7/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties (herschikking), PbEU 2011, L 48/1.


HvJ EU 1 december 2022, zaak C-419/21, ECLI:EU:C:2022:948, punt 22.


HvJ EU 1 december 2022, zaak C-419/21, ECLI:EU:C:2022:948, punt 23.
Link naar deze uitspraak